Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- 'Maar dat mag niet!' (14-15 maart 2026).

03 maart 2026

Eten en drinken en zoveel meer (7-8 maart 2026)

Johannes schildert in het verhaal over de Samaritaanse vrouw een markant drieluik in woorden. Wat er in beelden uitgeschreven staat, is zoveel meer dan een dialoog over soorten water en soorten tempels. Er zit een dieptelaag in die vooruitwijst naar Pasen. Het is vooral een grafisch manifest over oprechtheid van geloof. Wat verlangt God van ons? En wat is niet relevant?

  • Voor de lezingen van de derde zondag in de Veertigdagentijd A: klik hier.

Eerste luik: dorst

Jezus is met zijn leerlingen onderweg van Judea naar Galilea. In Sichar gaat Jezus uitgeput bij een bron zitten terwijl de leerlingen in de stad eten halen. Het is middag en de zon staat hoog. Niets menselijks is Jezus vreemd, zo maakt Johannes ons duidelijk. De Mensenzoon is moe van de voettocht en Hij heeft dorst. (Johannes 4, 5-6)

Er komt een Samaritaanse vrouw water putten uit de bron. Jezus vraagt haar wat te drinken. De vrouw is verbouwereerd: waarom zou een Jood om water vragen aan een Samaritaanse? Hij zou onrein worden door haar. Niets is hier wat het lijkt. Ja, Jezus heeft vast en zeker dorst op die warme middag. Maar Hij grijpt dit gevoel aan om de vrouw te wijzen op een veel diepere dorst, die spiritueel is van aard. Langs een omweg komt Hij bij het verlangen van de Samaritaanse vrouw om door God geliefd te worden. Ze hongert en dorst naar geloof. En die dag breekt al aan! (Johannes 4, 9-11)

Is Jezus dan méér dan Jakob, die de bron daar in Sichar heeft geschonken en er zelf uit heeft gedronken? Dat is Hij zeker en dat lezen we hier al tussen de regels door. Op zijn weg naar Golgota zal Hij uitgeput zijn kruis dragen. Aan het kruis zal Hij om drinken vragen. (Johannes 19, 16-17 en 28-30) Jezus zal uit de wereld terugkeren naar zijn Vader en uit Liefde voor wie Hem volgt, zal Hij tot het uiterste gaan. (Johannes 13, 1) Met de instelling van het nieuwe Verbond zal Hij het levende water worden, door op te staan uit de dood. (Johannes 20, 1-18)

Zal de Samaritaanse vrouw tot zijn volgelingen behoren? Voorlopig begrijpt ze niet wat Hij bedoelt. Hij heeft het over water die alle dorst verzadigt, maar waar gaat het over? (Johannes 4, 13-15) Zij denkt nog steeds aan het water uit de put waar ze bij staan, al zal dat vlug veranderen. Ze vraagt Hem wel al om water: de rollen lijken plots omgedraaid. Wat Hij in symbolen aanbrengt, spreekt haar alleszins aan.

Tweede luik: verwarring

De Samaritaanse - haar naam zullen we nooit kennen - herkent in Jezus een profeet: Hij spreekt duidelijk in Gods Naam. Maar zijn de woorden die Hij spreekt ook voor haar bestemd? Ze hebben alvast dezelfde voorouders. Niet toevallig vindt dit gesprek plaats aan Jakobs bron. 

Echter, Samaria wordt door de Joden als een onrein volk bestemd. In de Assyrische ballingschap zijn kolonisten uit Mesopotamië in de streek gehuisvest en niet-gedeporteerde Joden hebben gaandeweg huwelijken aangegaan met kolonisten. Op religieus vlak is er een vermenging ontstaan van de Thora met andere gebruiken. Er is op de berg Gerizim zelfs een eigen tempel gebouwd. De Samaritanen worden in Jezus' tijd om godsdienstige en raciale redenen als onrein beschouwd. Het omgaan met Samaritanen en het aanraken van hun voorwerpen maakt Joden onrein. Dat taboe doorbreekt Jezus radicaal.

Jezus is een profeet, dat erkent de vrouw, maar wat kan zij doen? Moet ze bidden tot God op de Gerizim of in Jeruzalem? Het antwoord is eigenlijk al gegeven twee hoofdstukken eerder. Kwaad heeft Jezus de kooplieden van het tempelplein in Jeruzalem weggejaagd. De echte onreinheid schuilt in het geld dat van de tafels op de grond valt. (Johannes 2, 13-22) 'Breek de tempel maar af,' zegt Jezus, 'en Ik zal hem heropbouwen in drie dagen.' (Johannes 2, 19) Een straffe uitspraak, over een tempel die nog niet eens helemaal af is.

Het antwoord geeft Jezus trouwens evenzeer tijdens het gesprek met de Samaritaanse: de bron waaraan ze elkaar spreken, ligt namelijk aan de voet van de Gerizim. Dat is niet toevallig. Jezus heeft de tempel in Jeruzalem bezocht en staat nu nabij de tempel van de Gerizim. Vanaf het begin van zijn verkondiging wordt duidelijk dat zijn Boodschap de kneuterige, enggeestige devotie rond die gebouwen ver overstijgt. Ze zijn slechts tijdelijke constructies.

Derde luik: overgave

De verwarring die leeft bij de Samaritaanse vrouw is niet nodig. De eigenlijke vraag gaat niet over welke tempel de juiste is. God woont niet in stenen. Hij woont in het geloof van mensen. Wie zich toevertrouwt aan de Heer en put uit de bron van het levend water, zal gered worden. Wie is 'echt' in de ogen van God? Zij die Hem aanbidden, vervuld van Geest en waarheid. (Johannes 4, 23-24) Jezus zegt dit heel uitdrukkelijk, tot twee keer toe.

De Samaritaanse vrouw belijdt spontaan dat ze de Messias verwacht. Hier zegt Jezus heel uitdrukkelijk: 'Ik ben het.' (Johannes 4, 25-26) En vol van de Geest trekt ze naar het dorp om te vertellen dat ze Iemand heeft ontmoet die zegt de Messias te zijn. (Johannes 4, 28-30) Ze twijfelt aanvankelijk nog: 'Zou dat niet de Messias zijn?' (Johannes 4, 29) Ze heeft Hem zelf pas ontmoet en ze wil deze ervaring al delen. Dat is de tweede overgave aan God: je geloof, - in verwondering, twijfel en onzekerheid - met anderen delen. 

Het doel van het getuigen van je geloof is niet dat mensen jou zouden bewonderen of verheerlijken. (Johannes 4, 40-42) Dat is wat de meeste Schriftgeleerden en farizeeën zouden doen: de eer opstrijken. Het gaat over Jezus, over Hem alleen. Hem mogen ze ontmoeten en leren kennen. Dat gebeurt ook in Sichar: ze geloven in de Heer omdat Hij hun Redder is. Dank zij de Samaritaanse weliswaar. Dat we haar naam niet kennen, beklemtoont nog eens dat het verhaal uiteindelijk over de Messias gaat.

Ook over voedsel wordt gesproken. En zoals Jezus uiteindelijk wellicht niet heeft gedronken uit de Jakobsbron, zal Hij ook niet eten van wat men wil voorschotelen. De voeding wordt opnieuw als symbool aangewend, parallel met het water. Jezus zegt: 'Mijn voedsel is: de wil doen van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk voltooien.' (Johannes 4, 34) De Vader staat centraal: God in de hemel. Niet het aardse water of voedsel.

Het drieluik en wij

Wat doen wij met ons geloof? Herleiden we het tot minutieuze regeltjes die we nauwgezet opvolgen, omdat geloven zo tastbaar en beheersbaar blijft? Durven we de kern van ons christenzijn benaderen: dat Jezus Christus de Zoon van God is en dat Hij verrezen is op de derde dag? Laten wij de Geest toe in onze overtuiging: stellen wij ons geloof open voor de frisse Wind van Godwege? Of bewaren we het liever achter slot en grendel? 

Laat ons gebruik maken van deze Veertigdagentijd om onze liefde voor God te verdiepen. We kunnen daartoe de afzondering opzoeken, zoals Jezus de eerste zondag in de dorheid van de woestijn verbleef. Of zoals Jezus met enkele leerlingen de berg beklom, vorige zondag in het evangelie, kunnen we stappen doorheen de pracht van de natuur, in een bijna hemelse omgeving. We kunnen ook met mensen in gesprek gaan, zittend bij een bron of op een bankje, of na een viering samen aan de kerkdeur staand, en daarin de kracht van samen geloven ervaren.

We mogen ons geroepen weten om ons te vervullen met Geest en waarheid, op zoek naar een intense en inspirerende verbintenis met God.