Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label Laatste Avondmaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Laatste Avondmaal. Alle posts tonen

03 september 2024

Wonderen en wij: een zoektocht naar betekenis (7-8 september 2024)

Een wonder is een onverwachte, bovenmenselijke wending in een wereldse omgeving, die ons tot verwondering brengt. In onze tijd is de wetenschap bijzonder ver geavanceerd. Een wonder is dan vanuit onze optiek een uitzondering op de regels van de natuurwetenschap. Ten tijde van Jezus was het begrip van wereld en natuur compleet anders. In de kijk op de werkelijkheid ervaarde men in tal van situaties be-wondering en ver-wondering waar wij nu logica en verklaring vinden. Hoe kunnen de wonderen dan betekenis hebben in onze dagen? 

Men zag wereld en heelal als schepping van God. Waar wij vertrouwen op de logica die inherent is aan de werkelijkheid en die door de wetenschap steeds meer wordt ontdekt, was er ten tijde van Jezus veel onwetendheid en bijgevolg veel mysterie. God werd gezien als de regelgever. In die mysterieuze en onoverschouwelijke realiteit werd ziekte vaak gezien als straf en genezing als genade. Zowel mens als natuur leefden in een magische, moreel ingevulde logica.

Taal

Daarom is het voor ons zo moeilijk om de wonderverhalen een plaats te geven in ons geloofsleven. Jezus sprak de taal, en dus ook de tekentaal van toen. Hij vertelde aan de mensen van toen in hun symboliek over een herstel van het Verbond tussen God en mens. Veel van die taal en interpretatie gaat aan ons voorbij.

Toch kunnen de wonderverhalen ons dichter bij God brengen. Ze kunnen ons immers zoveel meer vertellen dan we spontaan zouden denken. De realiteit is immers méér dan de driedimensionele waarneming waar wij op steunen. Een pasgeboren kind noemen wij een klein wondertje. Niet geheel onterecht: er is een diepte in nieuw leven waar we nog voor open staan. Op veel andere vlakken hebben veel Westerlingen zich afgesloten voor de transcendente dimensie: voor de diepte van wat ons overkomt, de verwijskracht van het alledaagse, de poëtische schoonheid van de werkelijkheid, het Goddelijke. Toch is de afstand nog bijzonder groot tussen het ervaren van de schoonheid van verliefdheid bijvoorbeeld en de wonderverhalen van Jezus.

Echtheid

Wat wonderverhalen in de evangeliën betreft: het gaat over veel wonderen, die aardig wat plaats innemen in het geheel. Ze kunnen niet als een detail weggezet worden. Er wordt daarenboven vaak gebruikt gemaakt van details en van verwijzingen naar concrete mensen om de realiteit ervan te beklemtonen. Zo is er bijvoorbeeld de ‘schoonmoeder van Simon’ die een hevige koortsaanval kreeg. (Marcus 1, 30)

Wanneer we de evangelieboeken doorlezen, kunnen we er niet om heen dat Jezus een wonderdoener is die zieken heeft genezen. Daarbij staat het geloof van degene die het wonder mag ontvangen centraal: het is hun geloof dat het wonder mogelijk maakt. (Marcus 10, 52 en 9, 23-24)

Wanneer we de wonderen weg relativeren, dan relativeren we God en ons geloof weg. (1 Korintiërs 15, 14) In een tijd van grote verwondering voor onverwachte genezingen, gebruikt Jezus de wonderen als overtuigend argument. Hij is de Zoon van God omdat Hij wonderen doet. In onze tijden had Jezus wellicht een andere methodiek toegepast.

Verwijzing

Dat de wonderen niet op zich staan, maar een verkondigende functie hebben, legt Johannes als geen ander uit. De symboliek kan uitleggen wat woorden amper kunnen aanraken.

Zo is er het broodwonder, dat overigens niet wordt beschreven. (Johannes 6, 1-14) We vernemen dat het wonder is geschied. Vanuit deze symbooldaad start Jezus een theologisch discours op. Uiteindelijk zal niet het voedsel dat vergaat ons dichter bij God brengen, maar het voedsel dat blijft. Het wonder dient dus als opstapje naar het herstel van het Verbond tussen God en mens. (Johannes  6, 26-28) Dat wordt werkelijkheid wanneer volgelingen van Jezus delen in zijn Lichaam en Bloed (Johannes 6, 46-58) Tijdens het Laatste Avondmaal wordt de symboliek van de maaltijd hernomen. (Johannes 13, 17-38) Daar wordt bovenal nederigheid aangeleerd door Jezus. De Kerk van het Verbond, die weldra wordt gesticht, is niet gediend van macht en pracht maar van eenvoud en dienstbaarheid. (Johannes 13, 1-15) Hij wast de voeten van de genodigden, als een slaaf. Na het broodwonder en zijn theologische beeldspraak, trekt Jezus naar Galilea. (Johannes 7,1) Tegenstanders willen Hem in Judea immers arresteren. Dat bevestigt het offerkarakter van Jezus’ aardse bestaan.

Een ander wonder is de opwekking van Lazarus. (Johannes 11, 33-44) Het is mogelijks nog méér onvatbaar voor het menselijk verstand dan het broodwonder. Toch beweert Marta al op voorhand met klem dat haar broer niet was gestorven als Jezus eerder was gekomen. (Johannes 11, 32) Marta wordt door Jezus theologisch dieper ondervraagd: “Geloof je Ik de Opstanding en het Leven ben?” (Johannes 11, 24-27) Ze antwoordt bevestigend en kent Jezus stellig de kracht van de verrijzenis toe. Ook hier wordt een wonder aangewend om Jezus’ aardse opdracht uit te beelden. De opwekking van Lazarus is immers de voorafbeelding van Pasen. Ook hier wordt een les in nederigheid geleerd: Jezus zal lijden als een dienaar die ten onrechte is veroordeeld. (Johannes 11, 49-50) Eén mens sterft voor het hele volk. Slechts hierop kan de Kerk gebouwd worden. Ook hier wordt de tegenstand toe en vlucht Jezus de woestijn in omdat men Hem in de grote steden van Judea wil arresteren. (Johannes 11, 53-54) Het offer van het Lam van God komt steeds dichterbij.

Goddelijkheid

Het broodwonder en de opwekking van Lazarus, hoe fenomenaal van aard ook, verbazen de omstaanders, maar voor Jezus zijn het vooral voorafbeeldingen van de Boodschap die Hij wil verkondigen aan wie er voor openstelt. De verrijzenis is immers de apotheose van de heling voor de mensheid. De verrijzenis bekrachtigt de wonderen en de Goddelijkheid van Jezus. De verrijzenis is geen symboolverhaal en raakt een fundamenteel-Goddelijke diepte die ondoorgrondelijk is voor het menselijk verstand.

Zelf heb ik niet de neiging om veel te zeggen over het leven na de dood en over de verrijzenis. Ik vind een aanleiding daartoe in de Schrift: daar wordt enkel het lege graf vernoemd, niet het verrijzenisgebeuren, en het Rijk Gods wordt slechts in beelden benoemd. Ook over wie aanspraak heeft op het Rijk Gods zal ik er altijd het zwijgen toe doen. Het Goddelijke, dat behoort God toe. Een mens eert God nog het meest met grote bescheidenheid, en vooral kijkend naar zijn of haar eigen doen en laten, spreken en zwijgen. En dat is meteen een overgang naar het evangelie van de volgende zondag.

09 maart 2022

Kort en krachtig: de roeping van Levi (9 maart 2022)

Het evangelie van zaterdag na Aswoensdag zit wat in de vergeethoek, geklemd tussen Aswoensdag en de eerste zondag. Niettemin bevat het een belangrijke boodschap voor de beleving van de Veertigdagentijd. Daarom komen we nog even terug op dit verhaal: de roeping van Levi, misschien wel het kortste roepingsverhaal in het Nieuwe (Tweede) Testament. In het Grieks wordt de roeping in 4 woorden omschreven, die vertaald klinken: “Hij zei hem: Volg Mij.” Kort en bondig. 

  • Lees de tekst over de roeping van Levi (evangelie van de zaterdag na Aswoensdag): klik hier.

Het antwoord van Levi op de roeping wordt verhaald zonder uitgesproken woorden, opnieuw heel bondig: 5 woorden in het Grieks, vertaald: “Hij liet alles achter, stond op en volgde Hem.” Geen omhaal van woorden, geen uitgebreide discussie, maar eenvoudigweg: geroepen worden en volgen. Marcus vertelt hetzelfde verhaal als Lucas, en even beknopt (Marcus 2, 14-15).

Ook het omringende verhaal met enkele interessante nuances, wordt alles bij elkaar in 5 verzen uitgelegd. Laten we de diepgang in dit beknopte roepingsverhaal ontvouwen. Er wordt immers veel gezegd in weinig woorden.

Veel in een vers

In vers 27 vernemen we dat Jezus een man in het vizier krijgt die tol incasseert. Tollenaars zijn niet geliefd. Ze innen immers belastingen voor de Romeinse staatskas. Er wordt door de tollenaar een garantie voor een bepaald bedrag gegeven, en al wat daarboven wordt geïnd, is zuivere winst voor de tollenaar. Dat systeem stimuleert tot een creatieve interpretatie van de vaste tarieven om meer geld voor zichzelf te verdienen. De tollenaar graait dus in de zuurverdiende centen van brave werkers om het Romeinse rijk én zichzelf te verrijken. Het is niet te verwonderen dat mensen ten tijde van Jezus geen hoge dunk hebben van tollenaars. Ook Jezus zelf vernoemt heidenen en tollenaars overigens in één adem (Matteüs 18, 15-17).

De tollenaar heet Levi. Hij zit neer, in het Grieks: “kathèmenon”. Het voorvoegsel “kata” wijst op een neerwaartse beweging: “omlaag”. De man is een zondaar. Hij wordt door de mensen beschouwd als “laag bij de gronds”. Zijn zittende houding verpersoonlijkt dit.

Jezus spreekt tot Levi en zegt: “Volg Mij”. Deze man is volgens Jezus een passende volgeling. Jezus’ keuze is op zijn minst verwonderlijk te noemen. Hoe weet Hij dat Levi een goede volgeling zal zijn? Zijn dagelijks werk spreekt alleszins niet in zijn voordeel. Hier merken we dat Jezus de Mensenzoon is en niet zomaar iemand met een goed plan. Jezus’ kennis en inzicht overstijgt elk menselijk denken. Hij weet dat Levi op zijn roeping zal ingaan en dat hij een voorbeeldige volgeling zal zijn. Hiermee eindigt vers 27: er staat soms veel informatie in één vers.

Omlaag, omhoog

En inderdaad, in vers 28 staat Levi op, in het Grieks: “anastas”. Het voorvoegsel “ana” wijst op een opwaartse beweging: “omhoog”, richting de hemel, naar het goede. De man laat alles achter. Vanuit het Grieks mag je zelfs vertalen: “werkelijk alles”: er staat niet “panta” maar “hapanta”. Levi trekt prompt en onomkeerlijk een streep onder zijn werk als tollenaar. Het geldgewin, het bedrog, het werken voor de Romeinen: het is allemaal voorbij. Hij staat op, laat alles achter en begint Jezus te volgen: een nieuw begin, een weg naar boven. Eigenlijk staat er in het Grieks niet: “Hij volgt Jezus.”, zoals het vaak vertaald wordt. Het is een imperfectum: “Hij begint Jezus te volgen.” Hij zal Hem blijven volgen.

Net zoals Simon, Jakobus en Johannes eerder in het hoofdstuk laat hij "werkelijk alles" achter om zich toe te wijden aan Jezus en zijn Blijde Boodschap (Lucas 5, 11). Ook dat verhaal is symbolisch ingevuld: de vissers komen uit de donkere nacht waarin ze niets gevangen hebben. Ze ontmoetten Jezus in het licht van de dag en hun netten zijn overvol.

Geen drama

Op Aswoensdag hoorden we Jezus duidelijk zeggen hoe we horen te vasten en te bidden (Matteüs 6). Er zijn enkele opmerkelijke parallellen te ontwaren tussen de roeping van Levi en Matteüs 6.

Zowel Jezus als Levi voeren in het roepingsverhaal publiek geen uitgebreide gesprekken met mooie bewoordingen, geen omhaal van woorden (Matteüs 6, 7). Jezus rept met geen woord over het werk dat Levi doet. Er wordt geen aanklacht uitgesproken tegen het onrecht dat hij berokkent, geen oordeel. De bekering is een ultiem gebed en wanneer Hij Jezus begint te volgen, behoeft dat van Levi zelf dus geen fijnzinnige redevoeringen, spijtbetuigingen en intentieverklaringen. Een duidelijke, ondubbelzinnige daad volstaat. Die daad verbeeldt tegelijk ook geen groots uiterlijk vertoon waar de mensen van opkijken. Het is eerlijk en klein tafereel, zonder franjes.

Een tweede parallel: zoals Jezus oproept om te bidden, te vasten en goede daden te stellen in het verborgene, zo wordt Jezus ook uitgenodigd voor een groot feestmaal, binnenskamers (vers 29). Er is weinig uitleg nodig om te begrijpen dat dit een symbolische voorafbeelding is van het Laatste Avondmaal.

Aaibaar ego

Zoals wel vaker het geval is, begrijpen de Farizeeën er helemaal niets van. Ze morren, zoals mensen wel vaker doen (al doen we dat tegenwoordig vooral digitaal, in plaats van analoog zoals de Farizeeën). Hun reactie is heel menselijk: waarom gaat Jezus aan tafel met tollenaars en zondaars? (vers 30) Jezus antwoordt dat een dokter er is voor de zieken, met andere woorden: zondaars hebben een roeping tot bekering nodig, niet de rechtvaardigen (vers 31). Die laatsten beantwoorden Gods roeping immers al, zoals het hoort. De Farizeeën willen echter aandacht en bewondering genieten omdat ze zo voorbeeldig zijn. Dat is buiten Jezus gerekend: de aandacht hoort gericht te zijn op God, niet op het eigen aaibare ego.

Een opmerkelijk gegeven is dat dit verhaal zowat letterlijk bij Matteüs wordt verteld (Matteüs 9, 9), maar dat de tollenaar daar niet Levi heet, maar… Matteüs. Het betreft hier de apostel en de persoon aan wie het Matteüsevangelie wordt toegeschreven. Het is weliswaar niet ongebruikelijk dat Joodse mensen twee namen hadden. Misschien is Levi na zijn bekering beloond met een nieuwe naam. Matteüs betekent “geschenk van de Heer”.

En wij?

Wat kan het verhaal van Levi voor ons betekenen, in de Veertigdagentijd? Laten we beseffen dat we in ons doen en laten soms struikelen en vallen, dat we soms vast blijven zitten in verkeerde gedachten. We gaan mee in een verhaal, terwijl we diep vanbinnen beseffen dat het niet de juiste weg is of dat het beter kan. Dan is het tijd voor verandering. 

Jezus roept ons, zonder ons verwijten na te roepen over wat we fout deden, zonder ons verleden op te rakelen. Hij is er voor ons: niet met een vonnis, maar met zijn vergiffenis. Ook wij mogen aanzitten aan de tafel van de Heer. Laten we dat nooit vergeten: God is liefde en vergeving, Hij is roeping en zending, elke dag opnieuw. 

Het is een voorrecht van elk mens: in berouw en inkeer God (opnieuw) te leren kennen en zijn grenzeloze goedheid te mogen ervaren. 

02 juni 2021

Sacramentsdag: de band tussen het Laatste Avondmaal en de eucharistie (3 en 6 juni 2021)

Sacramentsdag viert het heilig Lichaam en Bloed van Christus. Het feest is ontstaan toen de donkere Middeleeuwen stilaan op hun einde liepen, en de mens zichzelf herontdekte en zocht naar een nieuwe verhouding tot God, en in het bijzonder ook tot Jezus, die God en Mens is. De eucharistie kwam meer en meer centraal te staan in de geloofsbeleving van de dertiende eeuw. In de Nederlanden werd het feest een aanleiding voor festiviteiten met een processie, toneel en zang, met een zelden onderdrukte triomfalistische ondertoon. Waar gaat deze dag eigenlijk over?
  • Voor de lezingen bij Sacramentsdag: klik hier.

 

Consecratie, transsubstantiatie en elevatie
In 1215 werd in het Vierde Concilie van Lateranen de transsubstantiatie als dogma vastgelegd. Dit is de metafysische verandering van de hostie en de wijn door de instellingswoorden (de consecratie) tot het Lichaam en Bloed van Christus. De verandering is metafysisch: niet symbolisch, met de nodige verbeelding, maar werkelijk en onomkeerbaar aanwezig. Ook al is het niet waar te nemen, toch is Christus er in aanwezig.

In de liturgie werd de consecratie voortaan gevolgd door een elevatie: de hostie en de beker werden omhoog gehouden zodat de gelovigen Christus daarin een ogenblik konden aanbidden. In de Rooms-katholieke traditie staat de tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie centraal. Vrijwel alle protestantse Kerken nemen de transsubstantiatie niet aan.

Eenheid tussen verleden en heden
Het idee van de aanwezigheid van Christus in brood en wijn gaat terug op de instellingswoorden tijdens het Laatste Avondmaal. Jezus zegt tijdens het ceremonieel moment aan tafel met zijn leerlingen: “Neemt, dit is mijn Lichaam.”, en: 
dit is mijn Bloed van het Verbond, dat vergoten wordt voor velen” (Marcus 14, 22.24). Jezus zegt volgens de Griekse tekst: “Touto estin tou sôma mou”, en: “Touto estin to haima mou”. “Estin” is een vervoeging van “zijn”. Jezus zegt niet dat het brood “doet denken” aan zijn Lichaam en ook niet dat de wijn “het symbool is voor” zijn Bloed. Ze zijn het werkelijk: het brood en de wijn worden het Lichaam en Bloed van Jezus op het Laatste Avondmaal. Jezus draagt ons op om dit telkens opnieuw te doen tot zijn gedachtenis. Bijgevolg komen in de eucharistie verleden en heden telkens opnieuw samen. Ook daar is Christus aanwezig op dezelfde wijze als tijdens het Laatste Avondmaal.

Paulus bevestigt de eenheid tussen de beker en het brood met het Lichaam en het Bloed: “Geeft niet de beker der zegening die wij zegenen, gemeenschap met het bloed van Christus? Geeft niet het brood dat wij breken, gemeenschap met het lichaam van Christus?” (1 Korintiërs 10, 16). In brood en wijn zijn wij één met Christus. Sterker nog: “Omdat het brood één is, vormen wij allen tezamen één lichaam, want allen hebben wij deel aan het ene brood.” (1 Korintiërs 10, 17) We zijn in het brood ook één met elkaar.

Jezus heeft beloofd dat Hij met ons is, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld. (Matteus 28, 20). In de eucharistie wordt deze belofte tot een bijzonder sterke dimensie verheven. We kunnen er verwijlen en verblijven in zijn liefde (Johannes 15, 9).

Tweeluik
Sacramentsdag, of de dag van Lichaam en Bloed, is in wezen geen dag van zwaarwichtige termen als transsubstantiatie en metafysische presentie. Het is in de eerste plaats de herinnering aan Christus’ Verbond dat werd ingesteld tijdens het Laatste Avondmaal en dat wij herbeleven in de eucharistie. Het is de logische verbinding tussen Christus en ons dagelijks leven.

Daarom mag Sacramentsdag ook beschouwd worden als Tweede Witte Donderdag. De eerste dag in dit tweeluik verwijst in de Goede Week naar de instelling van de eucharistie toen en de tweede dag, in de tijd na Pinksteren, verwijst naar de onlosmakelijke band tussen het Laatste Avondmaal en het heden. In principe wordt Sacramentsdag overigens niet toevallig op donderdag gevierd, maar omdat het in onze contreien geen officiële feestdag is, wordt het feest uitgesteld naar zondag.

Eucharistische spiritualiteit
Op deze dag is de aanbidding een mooie wijze om bij Christus te zijn. Het is een aanzet tot eucharistische spiritualiteit. We hebben het voorrecht om een geestelijke stille ruimte in te richten in onze spiritualiteit, waarin we Hem kunnen aanbidden. Christus heeft zich voor ons overgeleverd en heeft een Nieuw Verbond gesloten met ons, mensen. In zijn Liefde mogen wij leven, door zijn Boodschap kunnen we ons laten inspireren.

20 maart 2021

Jeremia voorspelt een Nieuw Verbond (21 maart 2021)

Jeremia schenkt de mensen hoop van Godswege. De Heer zal een “berit chadashah” aangaan, een Nieuwe Verbond. Het oorspronkelijke verbond is vervaagd, door het Volk. Ze keerden zich af van God en zijn geboden. God grijpt hier in de tijd in. Niet alleen in de woestijn was de Heer met zijn Volk onderweg, Hij is altijd met hen. Op zijn initiatief komt er daarom een Nieuwe Verbond. 

  • Om de lezingen van de vijfde zondag van de Veertigdagentijd te lezen: klik hier.

De eenheid is verscheurd.

Het Verbond komt niet nu meteen, maar te gepasten tijde: “de dag komt”. Het is niet zo dat de mensen vragen om een verbond. God biedt het hen weldra aan. Dat Hij het verbond moet sluiten met “bét Yishraël we-èt bét Yehudah”, het huis van Israël én het huis van Juda, geeft meteen aan dat het Verbond met zijn ooit zo sterk verenigde volk niet meer bestaande is. Het Volk is verdeeld in twee koninkrijken ten tijde van de profeet Jeremia, de eenheid is verscheurd.

Het eerste verbond, dat bij de aanvang van het Nieuwe Verbond het “oude verbond” zal heten, werd door de Heer gesloten met het Volk in de woestijn, nadat Hij ze bij de hand had genomen en had weggeleid uit Egypte. Dat verbond bleek niet duidelijk genoeg. Het Nieuwe Verbond staat niet haaks op het vorige. Het eerste verbond bevatte geen fouten, het hoeft niet geschrapt te worden uit de heilige Boeken. Het Nieuwe Verbond is de vervollediging, de vervulling, voor eens en voor altijd.

Een verschuiving van gehoorzaamheid naar bekering.

Het grote verschil tussen de beiden verbonden is het volgende: de wetten worden niet in steen gegrift, maar geschreven in de geest en het hart van de mensen. Het krijgt een diepere dimensie, het vraagt een grotere persoonlijke betrokkenheid. In de aanvaarding van dit Nieuwe, altijddurende Verbond, wordt de bevestiging ervan verschoven van gehoorzaamheid naar “metanoia”, of: bekering. Hun geloof zullen de mensen veruitwendigen vanuit hun hart.

Dan zal niemand zijn naaste of zijn broer nog moeten opdragen om de Heer te kennen, want de Heer zal het Verbond in hun harten schrijven. Daartoe zal Hij iedereen hun zonden en tekorten vergeven en ze niet meer onthouden. Denk aan onze uitdrukking: “vergeven en vergeten”. Met een schone lei zal het komende Verbond worden aangevat.

Het Nieuwe Testament verhaalt het Nieuwe Verbond

Jeremia’s voorspelling wordt wel eens de “grote Messiaanse profetie” genoemd. Terecht: de aanvang het Nieuwe Verbond wordt door Jezus aangekondigd tijdens het Laatste Avondmaal (Matteüs 26, 28 - Lucas 22, 20 - Marcus 14, 24). Jezus spreekt over “haima tès diathèkès”, het Bloed van het Verbond, bij Matteüs en Marcus. Bij Lucas: “hè kainè diathèkè”, het Nieuwe Verbond, en niet toevallig ook de Griekse benaming voor het Nieuwe Testament. Bij Matteüs wordt het verband met de vergeving van de zonden expliciet vernoemd door Jezus. En wanneer Jezus zegt: “Dit is mijn Bloed.”, dan is de link met het “hart” waar de Heer langs Jeremia over spreekt, ook meteen duidelijk. Het rechtstreeks verband tussen Jeremia en Jezus’ woorden tijdens het Laatste Avondmaal hoefde men niet ver te zoeken: het wordt letterlijk uitgelegd in de Hebreeënbrief (Hebreeën 8, 6-13).

Aan dat Verbond in Christus zijn we nu nog steeds deelachtig. Door de Zoon mogen we de genade van de Vader ontvangen en worden we aangestuurd door de Geest. Het Nieuwe Verbond is bezegeld in de Drievuldigheid. God heeft bij monde van Jeremia alvast een nieuwe tijd aangekondigd. Die tijd brak aan met Pasen. Na het lijden, de dood en de opstanding van Christus, werd de Geest over ons, mensen, gezonden. In onze geest en in ons hart is het Woord van Liefde geschreven. Daarvoor mogen we dankbaar zijn, elke dag!


Volgende post: maandag 22 maart. Thema: "Jezus schrijft in het zand".