Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label visioen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label visioen. Alle posts tonen

08 december 2025

Heb geduld, houd moed (13-14 december 2025)

We leven in een wereld van verlokking. Onze mobiele telefoon pingelt en tingelt opdat we er geregeld naar zouden kijken: niet eens wanneer iemand ons iets toestuurt, maar om een nieuwtje te melden, of het weerbericht. We worden gelokt. Ook in de winkelstraten en op het internet worden we verleid met flitsende beelden, kleine prijzen en grote beloften. We hebben alles graag groots, met veel toeters en bellen. Onze honger wordt opgewekt en meteen verzadigd. We verwennen onszelf graag. Maar is dat wel goed voor ons? Is het wel gezond? Zouden we af en toe niet beter even op de rem staan? Is een gezonde dosis geduld niet verstandiger en gezonder?

  • Voor de lezingen van de derde adventszondag A: klik hier.

Niet hebberig

Volgens de liturgie beslist wél. Er klinkt een bescheiden vreugde op deze derde zondag van de advent: Gaudetezondag. We verheugen ons stilaan op Kerstmis, op het Geboortefeest, maar die blijdschap blijft ingetogen en wordt niet uitbundig. Verlangen is niet te herleiden tot een lineair stijgende lijn: het is een emotie met hoogten en laagten, waarbij we soms ongeduldiger worden dan op andere momenten. 

Ongeduld heeft iets egocentrisch in zich, iets hebberigs. We willen alles onmiddellijk en helemaal, maar zo werkt de werkelijkheid niet. Dat menselijk euvel is eigenlijk van alle tijden. Daarom worden we in de advent ook uitdrukkelijk aangespoord om door te zetten in het geduld. We mogen het wachten niet op te geven enkel omdat ons verlangen niet voorbarig wordt ingewilligd

Hetzelfde geldt voor het Rijk Gods. Af en toe hoor je mensen schreeuwen dat de tekenen van de wereld duidelijk zijn en dat de eindtijd op handen is. De drijfveer is menselijk ongeduld. Zo werkt God niet. Hij zal komen wanneer wij dat het minst verwachten. (1 Tessalonicenzen 5, 2) Dat hoeft helemaal niet in ons aardse bestaan te zijn. Maar het kan wel natuurlijk.

Leven met hoop

“Het dorre land zal zich verheugen en jubelen, de woestijn zal bloeien als een bloem”, verkondigt Jesaja veelbelovend. (Jesaja 35, 1) “Zeg tegen hen die bang zijn van hart: houd moed, vrees niet!” (Jesaja 35, 3) Jesaja ziet een hoopvolle toekomst, de tegenslag blijft niet duren.

Het Hebreeuwse woord ‘leev’ wordt hier vertaald als ‘hart’, al doet het eigenlijk tekort aan wat er bedoeld wordt. ‘Leev’ omhelst eigenlijk ons mensenbestaan, ons zelfbewustzijn, onze beleving. Daarom is er wellicht ook een etymologische band tussen het Hebreeuwse ‘leev’ en ons woord ‘leven’ (en het Engelse ‘live’ en het Duitse ‘leben’). Het hart is inderdaad bron van leven, maar het leven omhelst meer dan enkel een hartslag. Zo is het ook met dit Hebreeuwse woord. 

We worden door Jesaja opgeroepen om niet angstig te blijven in ons bestaan maar onze moed te bewaren en te koesteren. Want alles komt goed. Zelfs wie de toekomst somber inziet, als een barre woestijn, zal verbaasd staan. Dit saaie en dorre landschap zal opbloeien: er komt redding, nieuw Leven!

Toekomst

De redding komt er echter niet meteen nadat Jesaja zijn woorden heeft uitgesproken. Er wordt geduld gevraagd: de woestijn zal weliswaar bloeien, maar niet over enkele tellen. Wanneer de tijd rijp is, dan zal het gebeuren. In de dichte toekomst verwijst Jesaja hier letterlijk naar de terugkomst van de bannelingen uit Babylon. Verder weg verwijst Jesaja abstracter naar de redding wanneer de Messias komt. 

De twee betekenissen van Jesaja's visioen van hoop zijn met mekaar verbonden. Door de terugkomst van de bannelingen is het Volk van God herenigd om de Messias te ontvangen. Dat ideaalbeeld zal in de werkelijkheid heel anders verlopen, zo weten we.

Wij bevinden ons in een volgende tijdsspanne: tussen de komst van Jezus de Messias en zijn belofte van de wederkomst in heerlijkheid. Ook voor ons draagt Jesaja’s belofte dus een verlangen in zich naar een toekomst die we ons moeilijk kunnen inbeelden omdat die abstract en mysterieus blijft.

Met mildheid

Toch mogen we blij zijn en in de komende dagen blijven uitkijken naar het feest waarop we Gods komst als een Mensenkind op aarde mogen vieren. God is niet ver weg gebleven doorheen de tijd, Hij heeft ons bestaan aangenomen om ons de blijde Boodschap te verkondigen en om ons duidelijk te maken wat God van ons verlangt.

Gaudetezondag verwijst naar de intredezang van de vroegere Latijnse mis op de derde adventszondag, een fragment uit de Filippenzenbrief: ‘Blijf vreugdevol in de Heer. Ik zal het jullie nogmaals zeggen: blijf vreugdevol. Laat iedereen u kennen als milde mensen. De Heer is nabij.’ (Filippenzen 4, 4-5) We worden door Paulus opgeroepen om te allen tijde verheugd te blijven in de Heer en uit te blinken in mildheid (‘epi-eikès’ in het Grieks: mild, gematigd, doordacht). Daaraan moeten de mensen ons herkennen: dat we mild zijn. Het tegengestelde van mild is hier gulzig of overdadig of onbeteugeld. 

In de muziek heet dit ‘allegro moderato’: opgewekt en vlug, maar dan met mate. Zo mag ons verlangen zijn naar Kerstmis, en evenzeer naar de eindtijd: oprecht maar ingehouden, van harte maar geduldig. 

De advent kan ons iets leren in het leven: geduld dat in haar mildheid niets afdoet van de oprechtheid van de emotie. Wat niet voluit wordt beleefd, wordt algauw als flets afgedaan. Ten onrechte: het wachten wordt sterker door het in te perken en zuiver te houden.

04 februari 2025

God en mens, ideaal en realiteit (8-9 februari 2025)

Jesaja is een profeet. Hij heeft een diepe mystieke band met de Heer. Jesaja ziet met lede ogen aan hoe het volk zich afkeert van de Heer en tracht hen te waarschuwen voor de gevolgen van hun zelfgenoegzaamheid. Ze drinken en feesten, ze zoeken hun heil in rijkdom en bezit. Ze kiezen zelfs hun goden, die ze plezieren wanneer het hen uitkomt. Het is duidelijk voor Jesaja: dit kan niet blijven duren. Het volk is allang vergeten wat God voor hen heeft gedaan. In een visioen ziet de profeet wat er komen zal, en dat deelt hij met de mensen, of ze het horen willen of niet. Dat is wat een profeet doet: als geroepene door de Heer de mensen in wijsheid toespreken en waarschuwen.

Visioen

In een visioen ziet hij de Heer, die een mantel draagt, waarvan de zoom de hele tempel vult. (Jesaja 6, 1) Dit gebeurt op het ogenblik dat koning Uzzia is gestorven, voegt Jesaja er aan toe. De troon is leeg. Deze tijdsaanduiding wil niet louter historische geloofwaardigheid toevoegen, maar is ook inhoudelijk relevant: na grote weelde onder Uzzia dreigt aan de horizon een angstige tijd, met oorlog en geweld. 

Hoewel Uzzia over het algemeen geboekstaafd staat als een goede vorst, die tijdens zijn 52 jaar op de troon het leger versterkte en verschillende steden van betere omwalling voorzag, stierf hij van een huidziekte. Hij had zelf wierook geofferd in de tempel, een gebruik dat enkel aan de priesters toekomt. (2 Kronieken 26) Hij wou zijn macht uitbreiden en ook het sacrale beheersen. Er verschijnen inderdaad onweerswolken aan de horizon. De welvaart heeft de mensen verwaand gemaakt, terwijl de macht koning Uzzia had verblind. Het noordrijk Israël zal weldra vallen en later ook het zuidrijk Juda.

Gezien en ook weer niet

Jesaja zag de Heer, zo meldt hij. We mogen niet te vlug over dit vers van Jesaja heen lezen. Hij spreekt namelijk het onmogelijke uit: “Ik zag de Heer.” Het verlangen van zoveel gelovigen lijkt in Jesaja te zijn vervuld. Maar hij spreekt over een beeld in extase, niet over een ontmoeting. De profeet ziet het Goddelijke, het meest zuivere. Hij ziet immers slechts de zoom, de buitenrand. (Jesaja 6, 1) Die zoom alleen al vult de héle tempel. Het mag duidelijk zijn dat onze menselijke bouwsels God nooit kunnen omvatten. Hier wordt de grootheid van God beklemtoond. Dat is net wat het volk lijkt te zijn vergeten, en koning Uzzia ook. De Heer mag niet herleid worden: dat komt ons hoegenaamd niet toe. Niet tot een instrument en evenmin tot een handig hulpmiddel.

Jesaja ziet de troon en de zoom van de mantel van de Heer. Het zijn koninklijke beelden. De koningen in de beide rijken - noord en zuid - zijn nog slechts een schaduw van Davids koningschap. En ook David kreeg de koninklijke macht van God, en van God alleen. (2 Samuel 5 en 24) God is de ultieme Koning, Hij die geen fouten maakt, die smetteloos is, maar die door mensen in hun falende trouw wordt bedrogen. God is de Allerhoogste, door een mens nooit te evenaren. 

Allerheiligst

Bij de Heer staan in het visioen twee serafs die elkaar toeroepen: “Heilig, heilig, heilig is de Heer van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.” (Jesaja 6, 2-4) Deze zin kennen we uit de eucharistie. Het is de enige keer dat serafs (of serafijnen) worden vernoemd in de Schrift. Het zijn engelachtige figuren die dicht bij God staan, maar zelfs zij worden verblind door Gods helderheid: met twee van hun vleugels bedekken ze hun gezicht. (Jesaja 6, 2)

Ze zingen ‘Kadoosj-kadoosj-kadoosj’: tot drie keer toe wordt God heilig genoemd. Dit wijst op een overtreffende trap of superlatief: God is Allerheiligst. Deze aanroeping wordt herhaald in Openbaring (Openbaring 4, 8). De drievoudige herhaling dient ook als benadrukking: er is niet naast te kijken, het staat er drie keer. Er is tevens een morele connotatie: een duidelijk contrast met de onreinheid van mensen. Het drievoud kan ook als tijdsperspectief geïnterpreteerd worden. In alle tijden: verleden, heden en toekomst. Vanuit christelijk perspectief kan de triniteit erin gezien worden. 

De Heer die door de serafs wordt bezongen, heeft zich niet teruggetrokken in de hemel maar vervult de aarde, de hele Schepping. Zijn majesteit is niet gereserveerd voor Kanaän: de héle aarde is vervuld van zijn glorie. Hiermee wordt het allesomvattende karakter van het geloof onder woorden gebracht: niets is groter, niets weegt op tegen de Heer. Er is maar één Heer, één God. Tegelijk brengt dit perspectief een openheid mee voor die hele schepping: iedereen mag in Hem geloven. 

Kleine ik

In contrast met de Allerhoogste beziet Jesaja zichzelf en klaagt: “Wee mij, ik ben verloren, want ik ben een mens met onreine lippen te midden van een volk met onreine lippen!” (Jesaja 6, 5) Er klinkt ontzag, en zelfs angst en fatalisme: Wie ben ik: kleine, nietige ik? Uzzia had zich beter die vraag gesteld: hij liep met zijn lompe voeten de tempel zomaar binnen, denkend dat hij alles kon en mocht. En bij het volk, dat enkel aan zichzelf denkt, horen we helaas evenmin deze kritische zelfreflectie.

Bij zijn eerste ontmoeting zegt Simon tegen Jezus: “Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens.” (Lucas 5, 8b) En de honderdman, die Jezus om een gunst vraagt, zegt heel nederig: “Heer, ik ben het niet waard dat U onder mijn dak komt.” (Lucas 7, 6d) Ook Johannes de Doper verkondigt: “Ik ben het zelfs niet waard om de riemen van zijn sandalen los te maken.” (Lucas 3, 16b) In het bijzijn van God en zijn wonderlijke kracht en grootheid, voelt een mens zich klein. Geloven, dat is ontzag hebben voor God. En de eigen beperkingen onder ogen zien.

Reinheid

Er gebeurt iets opmerkelijks in het visioen van Jesaja. Zijn menselijke gebrekkigheid blijft niet onveranderd bestaan. Eén van de serafs neemt met een tang een gloeiende kool en reinigt daarmee Jesaja’s lippen. Zijn zonden zijn tenietgedaan. (Jesaja 6, 6-7) De menselijke tekortkomingen zijn niet gebrandmerkt, de reiniging wel. En zo zijn er nog vormen van reiniging in de Schrift: met hysop of marjoraan bijvoorbeeld (Psalm 51, 9), door een offer van vogels, of met cederhout of karmozijn (Leviticus 14, 49). Het offer kan ook geestelijk van aard zijn en bestaan uit een een gebroken geest en een verbrijzeld hart (Psalm 51, 19), of uit het belijden van zonden (1 Johannes 1, 9). Door het bloed van Christus is het eigenlijke offer volgens Johannes al geschied. (1 Johannes 1, 7)

Het contrast is duidelijk: reinheid is Goddelijk, en de mens is God niet. Er is altijd onreinheid of zondigheid aanwezig, al van bij de geboorte. (Psalm 51, 7) Deze woorden zijn loodzwaar geworden doorheen de tijd, in die mate zelfs dat in de christelijke geschiedenis sprake is van een toenemend schuldcomplex. Dit kan leiden tot ziekelijk fanatisme: een staat van onvrijheid, waarin men voortdurend angstig is om te falen of teleur te stellen, bang voor de duivel en bang voor de hel. Een andere reactie is doemdenken: wat baat het om je best te doen, als je toch altijd en overal zonden begaat?

Van alle tijden

Er wordt terecht wel eens gespot met de kerkelijke wijsvinger, immer waarschuwend opgestoken, speurend naar zonde en verderf. “Wat hebben ze ons wijsgemaakt?”, hoor ik soms van mensen, of: “Ik mocht werkelijk niets toen ik jong was.” Echter: ook nu kennen we bekende en onbekende mensen een voorbeeldfunctie toe. In de verschillende vormen van seculiere moraal – van links over centrum tot rechts – is evenzeer een ideaalbeeld ontwikkeld en wordt waarschuwend gewezen naar alle mogelijke afwijkingen. De sociale media puilen er zowat van uit: verwijten, veroordelingen en dreigementen over en weer.

Dit markeert het tijdloze menselijke conflict tussen ideaal en realiteit, tussen zuiverheid en menselijk falen. Het zal nooit verdwijnen. Wanneer Jesaja echter over zijn visioen spreekt, dan viseert hij geen kleine foutjes. Hij heeft het over iets vreselijks in Gods ogen. Voorafgaand heeft de Heer bij monde van Jesaja immers gefoeterd op het volk dat huizen bouwt, eigendom verzamelt en feest viert, maar dat God vergeet. (Jesaja 5, 8-12) Die eerste zaken zijn voor God nog niet eens het probleem. Maar dat ze Baäl vereren in plaats van God en dat ze vergeten wie hun Schepper en Bevrijder is, dat ze vol van zichzelf van God wegkijken: daar is God kwaad over. (Jesaja 1) Woest zelfs: de edelen zullen in ballingschap verhongeren en het volk zal omkomen van de dorst, zegt Jesaja dreigend. (Jesaja 5, 13) Jesaja is geen waarzegger of wichelaar, hij ziet wat er aan het gebeuren is. Interessante randbemerking: de voorzegging is al vervuld wanneer de teksten van Jesaja en aanvullende profetische teksten in de laatste redactie worden samengebracht tot één boek.

Essentie

We zijn mensen. We doen vaak ons best, en we falen soms. Bij momenten gaan we zelfs bewust in de fout. En spijt komt altijd te laat. Dat is de onreinheid waar het over gaat. Onrein betekent immers: niet smetteloos, niet perfect. En dat zijn wij inderdaad niet, hoe hard we ook ons best doen. We zullen het ook nooit worden. 

Wat de Heer van ons verlangt, is geen regelneverij of kwezelarij. Wat Hij vraagt, is dat we Hem loven, eren en danken, dat we Hem trouw blijven in de geboden. Kort maar krachtig: dat we God niet vergeten of negeren. Daarom vat Jezus God Wet terecht samen in het dubbelgebod van de Liefde. (Matteüs 22, 36-40) We hoeven niet bevreesd te zijn, zoals Jezus ook zegt tegen Simon. (Lucas 5, 10) Ons geloof zal ons op de weg van de Heer brengen.

Met de serafs, en met Jesaja die het visioen heeft verkondigd, mogen wij trots uitroepen: “Heilig, heilig, heilig is de Heer, de God van de hemel, die de aarde vervult!” Het zal God verheugen, en ook ons blij maken.