Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- 'Geen tijd voor je feestje' (10-11 oktober 2026).
Posts tonen met het label genezen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label genezen. Alle posts tonen

06 oktober 2025

De dankbare Samaritaan (11-12 oktober 2025)

Tien mensen worden door Jezus genezen. Ze hoefden het alleen maar te vragen. De gulheid van Godswege is groot. Je zou verwachten dat zij Jezus alle tien oneindig dankbaar zijn en Hem uitgebreid komen bedanken. Niets is minder waar: negen van hen gaan verder en kijken niet eens meer om. Wat een ondankbaarheid... Hun genezing wordt niet ongedaan gemaakt door Jezus, maar ze mislopen helaas wel een andere genade.

Grens

In het grensgebied van Samaria en Galilea, op de grens tussen de ‘uitverkorenen’ en de ‘uitgestotenen’, gaat Jezus een dorp binnen. (Lucas 17, 11) De plaatsnaam vernemen we niet. Dat is bijkomstig en wordt dus niet vermeld. (Lucas 17, 12a) We bevinden ons in een grensstreek, een marge. Dat is geen detail, zeker omdat Samaria één van de twee gebieden is.

Samaria was ooit het politieke centrum van het Tienstammenrijk. In die hoogdagen werd echter ook de Baälcultus geïntroduceerd, onder koning Achab, op aandringen van zijn vrouw Izebel. Veel mensen offerden ook aan Baäl, en dat was afgoderij. Na de val van dat rijk werd de streek Samaria een provincie van het Assyrische rijk en er kwamen Macedoniërs wonen. De bevolking vermengde zich en werd dus niet langer als rein beschouwd.

Ziekte

Enkele mensen komen Jezus tegemoet. Ze hebben een huidziekte, melaatsheid in de brede zin van het woord. Doorgaans kan de kwaal niet worden genezen en daarom worden de getroffen mensen geïsoleerd. Ze blijven op een afstand van Jezus. (Lucas 17, 12c)

De reinheidswetten zijn zoals onze Covid- en andere isolatiemaatregelen: het is een kwestie van bescherming van wie nog niet is besmet. Naast de sociale isolatie hangt er ook een religieus stigma aan hun ziek zijn vast: het wordt vaak beschouwd als een straf van God. Dat wakkert op zijn beurt de angst verder aan uiteraard.

Bedevaart

“Jezus, meester, heb medelijden met ons!”, roepen ze luid. (Lucas 17, 13) Ze vragen om medelijden, ze vragen of Hij wil omzien naar hen (in het Grieks: ‘eleèson hèmas’). Deze vraag maakt nog steeds deel uit van onze liturgie: “Heer, ontferm U over ons.” Misschien is dat een iets te zachte vertaling geworden. De tien vragen het niet zomaar, ze roepen Hem luid toe (in het Grieks: èran foonèn, met verheven stem). Er zit een radeloosheid in hun smeekbede.

Hun bede wordt verhoord – tot hun grote verbazing – en Jezus stuurt hen naar de priesters. Merk op dat ze onderweg daarheen worden genezen. (Lucas 17, 14b) Jezus raakt hen niet aan en heelt hen niet met een andere daad of performant woord. Hun weg naar de priesters is een helende bedevaart, die in opvallend weinig woorden wordt omschreven. Er is een sacrale dimensie aan deze passage: ze worden niet zomaar medisch genezen. Waarderen ze dat aspect van de genezing? Tegelijk maakt Jezus verbinding met de joodse traditie door hen naar de priesters te sturen die hen genezen kunnen verklaren.

Vertrekken

De tien vertrekken (in het Grieks: ‘hupagein’). Het is een weg van bevrijding, van de ziekte achter zich laten. Het mag geen toeval zijn dat Johannes hetzelfde werkwoord gebruikt bij Lazarus, die uit de dood wordt opgewekt uit het graf: “Maak de doeken los en laat hem gaan.” (Johannes 11, 44) Lazarus laat de kluisters van de eindigheid achter zich.

Waarom worden ze door Jezus genezen? Waar hebben ze het aan te danken? Welnu, ze hebben geloof in Hem, ze vertrouwen in hun nood op Hem. En daar is niets verkeerds aan. Toch is de wonderlijke genezing, hoe sensationeel ook, absoluut niet de kern van dit verhaal. Lucas houdt de boodschap voor het eind.

Terugkomst

De statistieken vallen zwaar tegen: slechts één van de tien genezen mensen komt terug. Een Samaritaan dan nog wel: niet eens een volwaardige gelovige in de ogen van velen! Erg dankbaar is het alleszins niet van de negen anderen. Jezus brengt het uitdrukkelijk onder de aandacht: “Zijn ze niet alle tien gereinigd? Waar zijn dan de negen anderen?” (Lucas 17, 17) 

Inderdaad, waar zijn ze gebleven? Dit is één van de keren dat Jezus oprecht verontwaardigd is. “Is er niemand teruggekeerd om aan God eer te brengen?” (Lucas 17, 18) Nee, zo blijkt, op één na. Zijn hemelse Vader verdient beter. ‘Dankbaarheid is een bloemke dat in weinig hoven bloeit’, schreef Guido Gezelle ooit… Jezus legt de klemtoon nogmaals op de marge waarin Hij werkt: ‘deze vreemdeling’ is wel teruggekomen, de rest niet. (Lucas 17, 18) Andermaal wordt Jezus geconfronteerd met een overvloed aan opportunisme en oppervlakkigheid.

Opstaan

Die éne man, een Samaritaan, is wel teruggekomen. “Sta op en ga,”, besluit Jezus. (Lucas 17, 19a) Opstaan doet hier veel snaren tegelijk trillen. Opstaan is een oproep tot morele actie: verhef jezelf, maak iets van je leven, opdat God fier op je mag zijn. Maar het Griekse werkwoord ‘anastas’ wordt ook gebruikt om Christus’ opstanding uit de dood te benoemen. (Marcus 16, 9) Dit detail is niet toegevoegd ter verfraaiing. Er schuilt een grote toegevoegde waarde in het begrip ‘opstaan’? Het is een welgekozen detail, een sacrale opening om te kaderen wat straks nog volgt. Je voelt dat de ontknoping nadert: de cirkel is bijna rond.

“Je geloof heeft je gered.” (Lucas 17, 19b) Gered zijn, is iets compleet anders dan gereinigd zijn. En hier klinkt de ultieme boodschap van Lucas: niet de genezing van de huidziekte is de essentie, maar wel de redding. In het volgende vers gaat Lucas naadloos verder in op het Koninkrijk van God. Want daar heeft Jezus het over wanneer Hij zegt dat de dankbare Samaritaan gered is.

De dankbare Samaritaan leert ons, samen met de barmhartige Samaritaan (Lucas 10, 30-37), dat geloven een grondhouding is, en geen verzameling van uiterlijkheden. Een houding tot God van waaruit men mag hopen op redding van Godswege.

Verwachtingen

In het hoofdstuk voorafgaand aan de parabel van de barmhartige Samaritaan is te lezen hoe een Samaritaans dorp Hem en zijn leerlingen niet ontvangt omdat zij op weg zijn naar Jeruzalem. De Samaritanen hebben immers hun eigen tempel op de Gerizim. “Wilt U dat we vuur uit de hemel afroepen dat hen zal verteren?”, vragen de leerlingen dramatisch aan Jezus. (Lucas 9, 54b) Hij wijst hen streng terecht. (Lucas 9, 55) Als het er op aan komt, is de Mensenzoon immers nergens welkom. (Lucas 9, 58) Ook niet in de tempel van Jeruzalem.

De dankbare Samaritaan is net als de barmhartige Samaritaan de onverwachte gelovige vol liefde en goedheid. Ziehier een niet verkeerd te verstane waarschuwing tegen zelfgenoegzaamheid bij het Volk Gods. Wie genezen wordt door God, maar niet eens de moeite doet om te danken, is dat eigenlijk wel een gelovige? Wie een kwetsbare naaste halfdood laat liggen maar anderen de levieten leest of met Schriftverzen zwaait, is dat een gelovige?

Het zijn lessen voor ons vandaag. De oprechte gelovigen zijn zij die God eren door hun kwetsbare naasten bij te staan en God te danken voor de gunsten die hun worden verleend. En dan heeft een schamele Samaritaan oneindig veel meer kansen om het Koninkrijk van God binnen te gaan dan een zelfverklaarde diepgelovige wiens daden het tegendeel aantonen. 

25 juni 2021

Een wonderlijk geloof (26-27 juni 2021)

Marcus toont in het evangelie van deze zondag een staaltje van zijn vertelkunst. Hij verweeft twee genezingsverhalen dooreen. De genezing van de ernstig zieke dochter van Jaïrus omarmt als het ware de genezing van de vrouw die aan bloedvloeiingen lijdt. In een tangconstructie wordt genezing naar een hoger niveau verheven. Het ingesloten verhaal bevat de sleutel om het grote verhaal te begrijpen. Het verhaal van de dochter wordt in het derde deel zelfs verheven tot een opwekkingsverhaal. Laten we dit verhaal vanuit verschillende perspectieven benaderen.
Symboliek
De beide verhalen zit vol gedeelde symboliek en termen die met elkaar in verband staan. Twee kernbegrippen zijn: ‘gered worden’ (vervoegingen van ‘sôdzô’, in verzen 23, 28, en 34) en ‘geloven’ (‘pistis’, in verzen 34 en 36). Er wordt gesproken over ‘gered worden’ in combinatie met ‘in leven blijven’ (vers 23). Daar tegenover staat dan ‘sterven’ (verzen 35 en 39). Eerder onopvallend, maar belangrijk voor de samenhang: ‘menigte’ (‘ochlos’, in verzen 21, 24, 27, 30 en 31), en verder ook: ‘neervallen’ (in verzen 22 en 33). Symbolisch van belang zijn het terugkeren van ‘ twaalf jaar’ (‘dôdeka’, in verzen 25 en 42), ‘ aanraken’ (‘hepsato’ en ‘hapsômai’, in verzen 27, 28, 30 en 31), en de tijdsaanduiding ‘meteen’ (‘euthus’, in verzen 29, 30 en 42). De verhalen zijn niet zomaar in elkaar verweven. Ze zijn dermate parallel van inhoud dat ze bijeen horen en elkaar versterken. Uit de menigte komt telkens iemand naar Jezus toe, valt aan zijn voeten neer en hoopt op een wonder. Hun geloof brengt de redding. Het wonder gebeurt door middel van een aanraking en de verandering treedt onmiddellijk op.

Er zijn twee belangrijke symbolische verwijzingen die de lezer ten tijde van Marcus onmiddellijk zal begrijpen, maar die ons misschien zullen ontgaan. Het terugkerend getal twaalf verwijst naar de 12 stammen van Israël. Ze worden in dit verhaal op symbolische wijze voorgesteld als ingeslapen of dood. De tweede verwijzing is het bloed. Een menstruerende vrouw is volgens de Joodse Wet onrein (Leviticus 15). De vrouw die aan bloedvloeiingen lijdt, wordt daarom beschouwd als te mijden en bij aanraking mogelijks besmettelijk. Ze leeft in de marge. De twaalf jaren van bloedingen verwijst naar de twaalf stammen, het volledige Godsvolk, dat Jezus niet erkent als Gods Zoon. Jezus wordt geconfronteerd met een volk met een ingeslapen geloof, dat de Wet van de Liefde niet kent.

Dood en leven
Inhoudelijk gezien kunnen we in deze Schriftpassage niet om de dramatische symboliek van dood en leven heen. De grote levensvragen trillen hier op de achtergrond mee, maar ze worden niet beantwoord. Marcus verwoordt in de hoofdstukken 4 en 5 tot drie keer toe hoe Jezus de macht van de dood overwint: na de storm op het meer, waar de dood vanuit het water dreigt (Marcus 4, 35-41), en de man die tussen de graven leeft en verwijlt bij de doden (Marcus 5, 1-20), verhaalt Marcus nu over het meisje dat dood verklaard is maar door Hem wordt opgewekt, een verhaal met daarbinnen het verhaaleiland over de vrouw die door iedereen gemeden wordt. De dood heerst waar mensen in de steek gelaten worden, zoals de vrouw in het verhaal. Nieuw Leven ontstaat waar men elkaar liefheeft en aandacht heeft voor elkaar.

De dood is symbolisch gezien verbonden met ‘slapen’. Jezus pretendeert echter niet dat het meisje niet gestorven zou zijn. Voor Hem is de dood geen onomkeerbare, allerlaatste realiteit. Vanuit de opstanding beschouwt Hij de dood als een slaap. Slapen wordt in het Oude Testament vaker aangegrepen om de dood te omschrijven (Psalm 76,6 en Daniël 12,2). Ook in het Nederlands kennen wij deze verwijzing in ‘ontslapen’ en ‘ingeslapen’.
Eigen woorden
We treffen midden in het wonder een vreemde taal aan. Het Marcusevangelie is in het koinè-Grieks geschreven. Jezus wordt in het Aramees geciteerd. Deze ‘ipsissima verba’, woorden van Jezus zelf, worden aangehaald midden in het genezingswonder. Jezus zegt tegen het jonge meisje: “Talita koem(i)” (Marcus 5, 41). Dat betekent: ‘Sta op.’ Verderop (Marcus 7,34) zegt Jezus tegen de dove man, verwijzend naar zijn oren: “Effeta” (of ‘effata’), ‘ga open’. Met de geciteerde Aramese woorden wordt in de Griekse tekst een waarborg voorzien dat de verhalen teruggaan op originele getuigenissen van Jezus’ optreden.

Hiermee is over de inhoud van dit verhaal veel verteld. Het is boeiend om verhalen te lezen vanuit de context van de tijd, het symbolisch begrip uit die periode en de maatschappelijke regels. Nog een woord over de interpretatie van genezings- en opwekkingswonderen. De makkelijkste lezing van de Bijbel is letterlijk nemen wat er staat. Dat is op zijn zachtst uitgedrukt niet de meest respectvolle wijze van lezen.
Verwijskracht
De kernvraag bij de wonderen is niet wàt er is gebeurd maar wat de betekenis ervan is. Dat kwam in de vorige bijdrage over natuurwonderen al aan bod. Vaak worden de wonderen opgedeeld in 4 soorten: genezingen, natuurbeheersing, opwekkingen uit de dood en uitdrijvingen van boze geesten. Natuurbeheersing vormt binnen de wonderverhalen een eigen genre, zoals in de vorige bijdrage werd uitgelegd. Opwekkingen en genezingen, de twee categorieën die dit keer aan bod komen, hebben veel meer kans om precies te zijn gebeurd zoals ze zijn omschreven.

De medische kennis uit Jezus’ tijd is op geen enkele wijze te vergelijken met onze geavanceerde medische zorg. De vraag of het meisje echt was overleden, of in coma lag, of sliep, is een Westerse, wetenschappelijke vraag uit de 21ste eeuw. Het feit dat zoveel wonderverhalen in de vier evangelies vermeld staan (ik tel 18 verschillende genezingsverhalen en 3 opwekkingen), doet de meeste exegeten concluderen dat Jezus tijdens zijn verkondiging inderdaad wonderen moet hebben verricht. Hij is hoegenaamd niet de enige die genezingswonderen verricht in zijn tijd. Uiteraard moeten we daarbij rekening houden met de grote medische onwetendheid, die de openheid naar wonderlijke, onverklaarbare genezingen veel groter maakt.

Algemeen beschouwd doen wonderverhalen geen uitspraken over de medisch-wetenschappelijke echtheid van de wonderen. Dat is een anachronisme. Wat men zich in de verhalen steeds weer afvraagt, is: “Met welke kracht doet Hij dit?”. Dit is een vraag met een theologische invulling. Wat sloganesk kunnen we stellen dat wonderverhalen niets béwijzen, maar dat ze vooral vérwijzen. Jezus verricht geen wonderen om te bewijzen dat Hij de Zoon van God is, maar om aan te tonen dat in Hem het Rijk Gods al is begonnen. Wonderen hebben alleen betekenis wanneer ze met geloof worden aanschouwd. Daarom komt in de wonderverhalen het geloof zo vaak ter sprake. Dikwijls zegt Jezus: “Je geloof heeft je gered”. Jezus doelt hiermee niet op hun geloof dat Hij wonderen kan verrichten. Daar twijfelt ook niemand van de omstaanders aan, ze zien het immers voor hun ogen gebeuren. 

Jezus vraagt de mensen te geloven dat in Hem Gods heerschappij aan­breekt. En dat vraagt Hij langs deze verhalen ook aan ons.

09 maart 2021

De dooppericopen van Johannes (vanaf 8 maart 2021)

In het Johannesevangelie staan 3 passages die doorheen de traditie een belangrijke rol hebben gekregen binnen de vasten. Ze worden de "dooppericopen van Johannes" genoemd. Het gaat om de ontmoeting met de Samaritaanse vrouw, de genezing van de blindgeborene en de opwekking van Lazarus.

In de Tridentijnse ritus werden de drie evangelieteksten gelezen op vrijdag van de derde week en woensdag en vrijdag van de vierde week. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie zijn de teksten opgenomen in de zondagslezingen. In de A-cyclus worden ze op de derde, vierde en vijfde zondag van de Veertigdagentijd gelezen. In de jaren van de B- en C-cyclus zijn ze daarom toegevoegd aan de weekdaglezingen, om op een weekdag naar keuze te lezen in respectievelijk weken 3, 4 en 5 van de Veertigdagentijd. Sinds de advent van 2020 tot Christus Koning 2021 bevinden we ons in de B-cyclus. De lezingen zijn dus vrij in te voegen in de weekdagen van de komende weken.

In de Veertigdagentijd worden in de eerste twee weken langs de lezingen en liturgische teksten in de eucharistie en het getijdengebed vooral aanzetten tot een grondig gewetensonderzoek gegeven. Vanaf de derde week wordt de betekenis van een leven in navolging van Christus overwogen. Dit is de tijd om de diepste identiteit van een christen te ontdekken en meer en meer toe te eigenen.

Jezus ontmoet de Samaritaanse vrouw

Het evangelie toegevoegd aan de derde week in de Veertigdagentijd is dat van de ontmoeting tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw (Johannes 4, 5-42). (Online lezen: klik hier.) Het gesprek is opgebouwd rond de symboliek van water. De Mensenzoon benadert een vrouw die de Messias verwacht. Jezus maakt zich kenbaar als de Messias met de veelzeggende uitspraak: “Ik ben het”, in het Grieks klinkt het met klem: “egô eimi” (Johannes 4, 26).

“Ik ben” doet binnen het Joodse traditie onmiddellijk denken aan de Heer die zijn Naam aan Mozes bekend maakt: “Ik ben die ben”, in het Hebreeuws: “ayeh asher ayeh” (Exodus 3, 14). Het is geen toevallige verwoording. Verderop in het evangelie horen we Jezus in de tempel verklaren dat Hij er al was vóór Abraham (Johannes 8, 58). Dat aanwezigen Hem terstond willen stenigen, wijst op de ondubbelzinnige Goddelijke claim die Jezus met “egô eimi” bedoelt.

Terug naar de ontmoeting met de Samaritaanse vrouw. Samen met de Samaritaanse ervaren we dat Jezus ons beter kent dan wij onszelf kennen. Hij kent ons levensverhaal, Hij kent onze noden, onze dorst. De Samaritaanse komt tot geloof vanuit de bevestigde Messiasverwachting en verkondigt het aan al wie ze ontmoet.

Jezus geneest de blindgeborene

In de vierde week kan het verhaal van de genezing van de blindgeborene worden gelezen (Johannes 9, 1-41). (Online lezen: klik hier.) Dit verhaal is uitgewerkt rond de thematiek licht. De man kan de Mensenzoon dank zij zijn genezing zien. Op de vraag of hij gelooft in de Mensenzoon, vraagt de man wie de Mensenzoon is. Jezus antwoord opnieuw met: “Ik ben het”. Ditkeer zegt Jezus het onder een andere vorm: “Je hebt Hem gehoord en gezien” (Johannes 9, 37). 

Met de blindgeborene ervaren we dat Jezus kent onze tekorten kent en ons de ogen opent, dat Hij onze “blinde vlekken” van duisternis kent en ze aan het licht brengt opdat we steeds meer in het Licht zouden leven. De blindgeborene verkondigt al van het wonder voordat Hij weet wie Hem heeft genezen.

Jezus en de opwekking van Lazarus

Het derde verhaal met dooppericopen kan in de vijfde week van de Veertigdagentijd worden gelezen en betreft de opwekking van Lazarus (Johannes 11, 1-45). (Online lezen: klik hier.) In dit verhaal staat het Leven centraal, met hoofdletter, dus doelend op het geloof in de Verrijzenis. Jezus zegt onomwonden: “Ik ben de Verrijzenis en het Leven.”, opnieuw met de woorden: “Egô eimi”, en vraagt aan Marta of ze dit ook gelooft (Johannes 11, 25-26). Marta bevestigt zonder aarzeling haar geloof in Hem.

Met Lazarus weten we dat Jezus ons nieuw Leven schenkt, eeuwig leven. Marta geloofde al in de opstanding op de laatste dag, nu gelooft ze in Jezus als Heer van de Verrijzenis.

Huisliturgie

Meteen is duidelijk waarom deze teksten zo waardevol geacht worden. Ze zijn als mogelijke weekdaglezingen vrij toe te voegen in de derde, vierde en vijfde week van de Veertigdagentijd in de jaren waar ze niet op zondag worden gelezen. Dat kan voor ons allen ook een aanzet zijn tot huisliturgie. We kunnen tijd en ruimte vrijmaken om stil te staan bij deze teksten die de kern van ons geloof onder woorden brengen. Voel je vrij om te bidden rond deze bijzondere Schriftteksten, misschien aan de hand van de gebedsdienst in de Veertigdagentijd die aan deze blog is toegevoegd: klik hier.
Dooppericopen
Met deze analyse van de drie evangelieteksten is echter nog niet duidelijk gemaakt waarom dit dooppericopen genoemd worden. De symboliek maakt veel duidelijk: water, licht en Leven. We herkennen deze symbolen uit de Paaswake. Het is niet toevallig dat we na de riten van water en licht in het Leven gaan staan door de hernieuwing van onze doopbeloften in de Paasnacht.

In het doopsel keren deze symbolen terug: het doopwater, de doopkaars en het geloof in de Verrijzenis. Catechumenen, volwassenen die zich voorbereiden op hun doopsel, leren deze tekenen kennen in hun geloofsinitiatie. Ze staan centraal in ons geloof. Johannes’ dooppericopen bevatten heel veel geloofsinhoud in weinig woorden. Jezus komt naar je toe, zonder vooroordelen, en wijst je de Weg. Hij kent je en doorgrondt. Jezus opent je ogen voor de Waarheid. Hij brengt je langs je doopsel tot het nieuw Leven, we worden bekleed met de nieuwe mens (Efeziërs 4, 24). In Johannes 14 verbindt Jezus de Weg, de Waarheid en het Leven aan zich als Mensenzoon. Het zijn alle drie vervolledigingen van een bekering. 
Egô eimi
Sta mij tot slot toe om Jezus’ uitspraken binnen een bredere dynamiek van “egô eimi”-uitspraken te plaatsen die Johannes doorheen zijn evangelie opbouwt. Dit zijn de titels die de Mensenzoon zich toeëigent:
  • Ik ben het Brood des Levens (Johannes 6, 35) – Jezus voedt zijn volgelingen.
  • Ik ben het Licht van de Wereld (Johannes 8, 12) – Hij plaatst hen in het licht.
  • Ik ben de Deur (Johannes 10, 9) – Jezus geeft ze de toegang tot het geloof.
  • Ik ben de Goede Herder (Johannes 10, 11-14) – Hij waakt over zijn volgelingen.
  • Ik ben de Opstanding en het Leven (Johannes 11, 25) – Jezus schenkt hen het Leven.
  • Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven (Johannes 14, 6) – Hij wijst hen de weg.
  • Ik ben de Wijnstok (Johannes 15, 1.5) – Hij zet hen aan tot verkondiging.

Interessante aanvullende lectuur in het Engels online: klik hier.


Volgende post: vrijdag 12 maart. Thema: "De wijze schriftgeleerde".