Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label Jesaja. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jesaja. Alle posts tonen

10 juli 2026

Waarom in gelijkenissen? (11-12 juli 2026)

Jezus stapt in een bootje en vertelt aan een grote menigte over een zaaier die kwistig zijn zaden rondstrooit. In de rotsgrond komen de gewassen niet op en tussen de distels kunnen ze geen vruchten voortbrengen. Waarom vertelt Jezus dit aan de mensen? 

  • Voor de lezingen van deze zondag: klik hier

Vraag

Waarom spreekt Jezus tot de mensen in gelijkenissen? Dat vragen de leerlingen Hem verwonderd nadat Hij aan een grote mensenmassa de parabel van de zaaier heeft verteld vanop een bootje aan de oever van het meer. (Matteüs 13, 10) Waarom spreekt Jezus tot de mensen in fictieve verhalen met een diepere betekenis? Waarom vertelt Hij niet over het Koninkrijk van God in ondubbelzinnige, heldere en duidelijke woorden? 

Ook wij moeten ons vooral tevreden stellen met parabels. We krijgen wel uitleg, maar niet zoals de leerlingen die van Jezus hebben ontvangen tussen de vele momenten van verkondiging door. Toch hebben we niet te klagen. De vier evangelies bieden ons heel wat wijsheid aan. We krijgen meer uitleg dan de mensenmassa aan het meer.

Inkeer

Het antwoord van Jezus verwijst naar de profeet Jesaja: 'Jullie zullen goed luisteren maar niets begrijpen, en jullie zullen goed kijken maar geen inzicht hebben.' (Matteüs 13, 14 en Jesaja 6, 9) De leerlingen kunnen de geheimen van het Koninkrijk van de hemel leren kennen omdat hun hart, hun oren en hun ogen geopend zijn voor Gods Boodschap. (Matteüs 13, 11 en 16) Veel mensen staan onvoldoende open voor de verkondiging van Gods Zoon, jammer genoeg. Ze blijven steken in hun eigen gedachten en gewoonten en evidenties. Ze komen niet tot inkeer. (Matteüs 13, 15)

Inkeer is de sleutel tot Gods Rijk. Al vanaf de eerste verkondiging klinkt deze boodschap, bij monde van Johannes de Doper: 'Kom tot inkeer, want het Koninkrijk van de hemel is nabij!' (Matteüs 3, 2) Het betekent je eigen grote gelijk loslaten, je eigen bekrompen ideeën achterlaten, en ten volle open staan voor God en voor de verkondiging van zijn Boodschap. Daarom is Jezus op aarde gekomen. Opdat we tot inkeer zouden komen.

Vruchten

Hoe staan wij in het leven? Zijn we tevreden met oppervlakkige zelfzucht, zoals het zaad dat niet kan wortelen in de harde rotsgrond? Laten we ons inpakken door allerlei leuke maar onbelangrijke bijkomstigheden zoals het zaad dat vruchteloos opschiet tussen het onkruid en erdoor overwoekerd wordt? Of zijn we bereid om vruchten voort te brengen die van Godswege komen? (Matteüs 13, 20-23) Johannes de Doper verweet de farizeeën en sadduceeën al: 'Breng liever vruchten voort die tonen dat jullie tot inkeer gekomen zijn!' (Matteüs 3, 8)

Kort na die harde woorden heeft Johannes Jezus gedoopt in de Jordaan. Jezus stelde zich open voor het hemelse water. (Matteüs 3, 13-15) En zo horen wij ons ook te laven aan de wijsheid van de Heer, aan het Woord dat niet vruchteloos terugkeert naar God maar ons doordrenkt en inspireert. (Jesaja 55, 10-11)

Open

Wellicht is dat vooral inkeer: onbevooroordeeld en onbevangen open staan voor de wijsheid van God. In Hem onze vreugde vinden zoals de Vader in Jezus vreugde vindt. (Matteüs 3, 17)

De menigte zou Jezus' directe taal niet begrijpen. Ze zouden meteen terugvallen op hun enge overtuigingen. Wij, mensen, horen vooral wat we graag willen horen, wat we wíllen dat de ander ons zegt. Jezus tracht hun ogen en oren te openen met een beeld, dat hun gedachten hopelijk opentrekt. Daar kan Hij slechts op hopen. Het zijn de mensen zelf die tot inkeer kunnen komen. Of niet.

22 januari 2026

Het Koninkrijk is nabij! (24-25 januari 2026)

We zijn aan het begin van de gewone zondagen in het liturgisch jaar.  En nu al refereert Jezus naar de eindtijd. De evangelielezing is niet onbezonnen uitgekozen. De evangelist Matteüs heeft een theologische stamboom uitgeschreven, daarna de geboorte van Jezus en vervolgens het optreden van Johannes de Doper. Nu beschrijft Matteüs de aanvang van Jezus' verkondiging op aarde: met de aankondiging van het Koninkrijk. Waarom eigenlijk? Jezus heeft zichzelf amper voorgesteld of Hij verwijst al naar de eeuwigheid. Maakt deze Boodschap ons spontaan blij?

Goed Nieuws

Jezus kondigt goed Nieuws aan. De inhoud is daarom niet noodzakelijk verblijdend. De afzender is de Bron van alle vreugde. 'Het goede Nieuws' - of in een oudere vertaling: 'de blijde Boodschap' - is niet zomaar gekozen als begrip om Jezus' verkondiging samen te vatten. Boodschappen van de keizer worden in die tijd steevast als 'goed nieuws' beschouwd. Los van de inhoud is een bericht van de keizer altijd goed nieuws, precies omdat het van de keizer afkomstig is. Het moét wel goed nieuws zijn: de keizer voltrekt het heil van zijn volk. 

Welnu, Matteüs is duidelijk in dit Schriftfragment: de verkondiging van Gods Koninkrijk is 'goed Nieuws'. (in het Grieks: 'eu aggelion', Matteüs 4, 23c) De verkondiging kan verwonderen of zelfs beangstigen, maar het is een blijde Boodschap, omdat het deel uitmaakt van Gods heilsplan met zijn Volk en met de wereld. Niet de keizer brengt dus het ultieme heil, maar God. En God alleen. De ware inhoud van Gods Boodschap wordt door Jezus verkondigd aan alle mensen. Dat dit Nieuws van Godswege komt, bekrachtigt Jezus door zieken te genezen en wonderen te verrichten. In zichtbare en tastbare Liefde onthult Jezus het Gelaat van de Onzichtbare. (Matteüs 4, 23d)

In de duisternis

In de duisternis van Galilea - duister omdat die streek volgens het Volk van God te ver weg ligt van Jeruzalem - begint Jezus zijn verkondiging. Hij brengt er het Licht onder de mensen, zoals de profeet Jesaja al had aangekondigd. (Matteüs 4, 23ab en Jesaja 8, 23 en 9, 1) Waar kan het Licht beter stralen dan in het donker? De onwetendheid is voorbij: Jezus geeft onderricht in de streek van Kafarnaüm. Ze wonen niet langer in de periferie

God is daar aanwezig, in hun midden. Niet in een grootse tempel van stenen, niet bij een altaar of in een ark, maar gewoon onder hen komt de Zoon van God als Mens onderricht geven, zieken genezen en het heilsplan van God aankondigen. Zo dichtbij is God gekomen. Niet langs een stem zonder gezicht, niet in een teken of langs een profeet, maar uit de mond van de Heer zelf komt de Boodschap. Hij spreekt hen toe, Hij raakt de zieken aan. Het Licht is in  hun midden. Zouden ze het werkelijk beseffen?

Geen troon

Jezus is geen stichter van een politieke beweging. Hij is geen oppositieleider tegen de koning en de keizer. Al spreekt hij over een koninkrijk, het heeft niets te maken met een aardse troon of rijkelijk vertoon. Dit koninkrijk heeft geen landsgrenzen en het is van alle komende tijden. Jezus wijst vooruit: Hij neemt ons in zijn verkondiging mee naar de tijd dat de aarde geen woonplaats meer zal zijn. Dan mogen we onze hoop vervuld zien: God laat ons niet in de steek. 

Maar Jezus staat midden in de tijd en roept zijn volgelingen op om meteen al werk te maken van dat Rijk. Het begint al hier en nuDaarom kunnen ook wij allemaal meebouwen aan dit Rijk, elk op onze eigen manier met onze eigen talenten: door te bidden en te zingen, door te zorgen voor wie in nood is, door te streven naar vrede en gerechtigheid, noem maar op. We hebben geen uitvluchten.

En wie het goede doet maar in de tussentijd helaas toch onrecht wordt aangedaan, die mag blijven hopen. Al valt zij of hij uit de boot in de wereld, God zal deze mensen niet vergeten. De Heer hanteert heel andere maatstaven. Dat lezen we in het volgende hoofdstuk, wanneer Jezus op de berg aan de mensen de zaligsprekingen (of gelukkigprijzingen) declameert. (Matteüs 5, 1-16)

Belofte

De Boodschap van Jezus is geen gezellig nieuwsbericht. Wel is het een Boodschap die ons hoopvol mag stemmen en tegelijk wil aanzetten tot concrete actie, vandaag. We hoeven niet af te zonderen van de wereld, maar wel in de wereld streven naar de best mogelijke samenleving, waar op niemand wordt neergekeken en niemand opzij wordt geschoven, waar zorg gedragen wordt voor wie zwak is en geduld wordt geoefend met wie fouten maakt.

Tegelijk mogen we ook uitkijken naar hoop voorbij onze tijd en ruimte. Ons leven eindigt niet met een allerlaatste ademtocht. Het Leven gaat verder voorbij wat wij kunnen zien en bewijzen. De ultieme verwerkelijking van het Koninkrijk van de hemel is Gods belofte aan ons allen. Ook dat verkondigt Jezus vanaf het begin, daar in de streek van Kafarnaüm. 

Wat kunnen wij God beloven? Waar willen wij ons toe verbinden?

18 december 2025

God met ons (20-21 december 2025)

Op het einde van de advent horen we hoe God op onze aarde geboren zal worden als Immanuel: God-met-ons. Deze expliciete verbinding die de Heer met ons wil maken, is een belangrijke tegemoetkoming om de afstand veroorzaakt door onze twijfels en onzekerheden te overbruggen. Hij is immers nooit ver weg. En Hij weet wat er omgaat in ons hart. Wat doen wij?

  • Voor de lezingen van de vierde zondag van de advent A: klik hier.

Paniek

Achaz is koning van Juda, het zuidelijke rijk, en hij zit in een benarde positie wanneer Jesaja hem toespreekt. Het noordelijke rijk Israël wil trachten om hem met hulp van buitenaf van de troon te stoten. Volgens Jesaja hoeft Achaz echter niet te vrezen: God is met hem, de koning moet enkel vertrouwen hebben in de Heer. De koning twijfelt echter en raakt in paniek. Uiteindelijk zoekt hij zijn heil bij Assyrië. 

De gevolgen zijn desastreus: Juda wordt een vazalstaat van dat Assyrische rijk. Het Twaalfstammenrijk uit de tijd van koning David was al opgesplitst, maar nu verliest dit zuidelijke koninkrijk daarenboven ook de zelfstandigheid. In plaats van steun te zoeken bij God verkoopt Achaz de vrijheid van zijn volk. Zo brokkelt het ooit zo sterke rijk nog verder af. Mensen hebben de neiging om zichzelf en God teleur te stellen. Dat is een motief dat doorheen het Eerste (Oude) én het Tweede (Nieuwe) Testament steeds terugkeert.

Net als Achaz worden ook wij soms overspoeld door een golf van twijfels in precaire situaties. Het vertrouwen op God kan soms zo ontastbaar aanvoelen. God kan onbereikbaar ver van ons weg lijken. Bovendien is het een hele opgave om de controle uit handen te geven., vooral wanneer de omstandigheden ruw en onbeheersbaar zijn. 

Twijfelachtig

In ons gebrekkige geloof projecteren we onze eigen zwakte op God: wanneer het niet lukt om ons persoonlijk ten volle open te stellen voor God, dan vragen wij Hém om zich aan ons te tonen. En wanneer wij Hem in de steek hebben gelaten, dan willen we bevestiging dat Hij wel degelijk om óns geeft. Onzekerheid wordt vaak doorgeschoven naar de ander. Wie een ander bedriegt bijvoorbeeld, die zal zelf vlugger jaloers zijn. Een vreemd mechanisme.

Omwille van ons menselijke balanceren tussen hoop en vertrouwen aan de ene kant en twijfel, zwakte en onzekerheid daartegenover, is de verhouding lang niet altijd in balans met God. Het gaat soms teveel over onszelf en te weinig over God. Dat wordt in onze tijden van ego en vrijheid terecht opgemerkt, maar het is eigenlijk van alle tijden. In God geloven, is je kwetsbaar opstellen. Het houdt in dat je je vertrouwen stelt in Hem. 

Niet weten

Daar is Achaz over gestruikeld, en in onze tijd is het evenzeer een uitdaging. Geloven is immers fundamenteel niet-weten. Het is voor een groot deel niet (helemaal) begrijpen en toch geloven. Achaz nam het zekere voor het onzekere, maar het zekere bracht onzekerheid, terwijl het Onzekere –  onzeker in zijn rationele of angstige ogen althans – hem juist wel had gered.

God is ons, mensen, nochtans ontzettend veel tegemoetgekomen. Hij heeft ons een ontegensprekelijk teken van Leven gegeven. Hij is Mens geworden, aan ons gelijk, en heeft onder ons gewoond. (Johannes 1, 14) Ons heeft Hij niet in de steek gelaten, hoewel het Volk van God Hem wél al te vaak heeft beschaamd. 

Vervulling

Jesaja mocht deze belofte al doen in moeilijke tijden: “De jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuel noemen.” (Jesaja 7, 14) We naderen nu in het liturgisch jaar de vervulling van deze belofte: met Kerstmis, over enkele dagen al, gedenken we de geboorte van Jezus Christus. Zo is het door de Engel herhaald aan Jozef in een droom: “Ze zal een Zoon baren. Geef Hem de naam Jezus, want Hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden.” Dit alles is gebeurd omdat in vervulling moest gaan wat bij monde van de profeet Jesaja door de Heer is gezegd. (Matteüs 1, 21-22)

Welnu, de geboorte is heel dichtbij. God is heel dichtbij. Hemel en aarde raken elkaar bijna. Het verwachten van de advent wordt weldra vervuld. Stellen wij ons open voor zijn komst? Stellen wij ons vertrouwen op Hem als onze Messias? Of aarzelen we en blijven we paniekerig in de twijfel hangen, zoals Achaz? Rekenen we liever op aardse, tastbare redmiddelen die ons de schijn van geluk en voorspoed voorhouden?

Geloven gaat heel diep en krijgt elke dag opnieuw vorm in ons leven. Zijn we er klaar voor? Hebben we ons goed voorbereid? God wil met ons zijn, maar zijn wij klaar om Hém te ontvangen?

08 december 2025

Heb geduld, houd moed (13-14 december 2025)

We leven in een wereld van verlokking. Onze mobiele telefoon pingelt en tingelt opdat we er geregeld naar zouden kijken: niet eens wanneer iemand ons iets toestuurt, maar om een nieuwtje te melden, of het weerbericht. We worden gelokt. Ook in de winkelstraten en op het internet worden we verleid met flitsende beelden, kleine prijzen en grote beloften. We hebben alles graag groots, met veel toeters en bellen. Onze honger wordt opgewekt en meteen verzadigd. We verwennen onszelf graag. Maar is dat wel goed voor ons? Is het wel gezond? Zouden we af en toe niet beter even op de rem staan? Is een gezonde dosis geduld niet verstandiger en gezonder?

  • Voor de lezingen van de derde adventszondag A: klik hier.

Niet hebberig

Volgens de liturgie beslist wél. Er klinkt een bescheiden vreugde op deze derde zondag van de advent: Gaudetezondag. We verheugen ons stilaan op Kerstmis, op het Geboortefeest, maar die blijdschap blijft ingetogen en wordt niet uitbundig. Verlangen is niet te herleiden tot een lineair stijgende lijn: het is een emotie met hoogten en laagten, waarbij we soms ongeduldiger worden dan op andere momenten. 

Ongeduld heeft iets egocentrisch in zich, iets hebberigs. We willen alles onmiddellijk en helemaal, maar zo werkt de werkelijkheid niet. Dat menselijk euvel is eigenlijk van alle tijden. Daarom worden we in de advent ook uitdrukkelijk aangespoord om door te zetten in het geduld. We mogen het wachten niet op te geven enkel omdat ons verlangen niet voorbarig wordt ingewilligd

Hetzelfde geldt voor het Rijk Gods. Af en toe hoor je mensen schreeuwen dat de tekenen van de wereld duidelijk zijn en dat de eindtijd op handen is. De drijfveer is menselijk ongeduld. Zo werkt God niet. Hij zal komen wanneer wij dat het minst verwachten. (1 Tessalonicenzen 5, 2) Dat hoeft helemaal niet in ons aardse bestaan te zijn. Maar het kan wel natuurlijk.

Leven met hoop

“Het dorre land zal zich verheugen en jubelen, de woestijn zal bloeien als een bloem”, verkondigt Jesaja veelbelovend. (Jesaja 35, 1) “Zeg tegen hen die bang zijn van hart: houd moed, vrees niet!” (Jesaja 35, 3) Jesaja ziet een hoopvolle toekomst, de tegenslag blijft niet duren.

Het Hebreeuwse woord ‘leev’ wordt hier vertaald als ‘hart’, al doet het eigenlijk tekort aan wat er bedoeld wordt. ‘Leev’ omhelst eigenlijk ons mensenbestaan, ons zelfbewustzijn, onze beleving. Daarom is er wellicht ook een etymologische band tussen het Hebreeuwse ‘leev’ en ons woord ‘leven’ (en het Engelse ‘live’ en het Duitse ‘leben’). Het hart is inderdaad bron van leven, maar het leven omhelst meer dan enkel een hartslag. Zo is het ook met dit Hebreeuwse woord. 

We worden door Jesaja opgeroepen om niet angstig te blijven in ons bestaan maar onze moed te bewaren en te koesteren. Want alles komt goed. Zelfs wie de toekomst somber inziet, als een barre woestijn, zal verbaasd staan. Dit saaie en dorre landschap zal opbloeien: er komt redding, nieuw Leven!

Toekomst

De redding komt er echter niet meteen nadat Jesaja zijn woorden heeft uitgesproken. Er wordt geduld gevraagd: de woestijn zal weliswaar bloeien, maar niet over enkele tellen. Wanneer de tijd rijp is, dan zal het gebeuren. In de dichte toekomst verwijst Jesaja hier letterlijk naar de terugkomst van de bannelingen uit Babylon. Verder weg verwijst Jesaja abstracter naar de redding wanneer de Messias komt. 

De twee betekenissen van Jesaja's visioen van hoop zijn met mekaar verbonden. Door de terugkomst van de bannelingen is het Volk van God herenigd om de Messias te ontvangen. Dat ideaalbeeld zal in de werkelijkheid heel anders verlopen, zo weten we.

Wij bevinden ons in een volgende tijdsspanne: tussen de komst van Jezus de Messias en zijn belofte van de wederkomst in heerlijkheid. Ook voor ons draagt Jesaja’s belofte dus een verlangen in zich naar een toekomst die we ons moeilijk kunnen inbeelden omdat die abstract en mysterieus blijft.

Met mildheid

Toch mogen we blij zijn en in de komende dagen blijven uitkijken naar het feest waarop we Gods komst als een Mensenkind op aarde mogen vieren. God is niet ver weg gebleven doorheen de tijd, Hij heeft ons bestaan aangenomen om ons de blijde Boodschap te verkondigen en om ons duidelijk te maken wat God van ons verlangt.

Gaudetezondag verwijst naar de intredezang van de vroegere Latijnse mis op de derde adventszondag, een fragment uit de Filippenzenbrief: ‘Blijf vreugdevol in de Heer. Ik zal het jullie nogmaals zeggen: blijf vreugdevol. Laat iedereen u kennen als milde mensen. De Heer is nabij.’ (Filippenzen 4, 4-5) We worden door Paulus opgeroepen om te allen tijde verheugd te blijven in de Heer en uit te blinken in mildheid (‘epi-eikès’ in het Grieks: mild, gematigd, doordacht). Daaraan moeten de mensen ons herkennen: dat we mild zijn. Het tegengestelde van mild is hier gulzig of overdadig of onbeteugeld. 

In de muziek heet dit ‘allegro moderato’: opgewekt en vlug, maar dan met mate. Zo mag ons verlangen zijn naar Kerstmis, en evenzeer naar de eindtijd: oprecht maar ingehouden, van harte maar geduldig. 

De advent kan ons iets leren in het leven: geduld dat in haar mildheid niets afdoet van de oprechtheid van de emotie. Wat niet voluit wordt beleefd, wordt algauw als flets afgedaan. Ten onrechte: het wachten wordt sterker door het in te perken en zuiver te houden.

04 februari 2025

God en mens, ideaal en realiteit (8-9 februari 2025)

Jesaja is een profeet. Hij heeft een diepe mystieke band met de Heer. Jesaja ziet met lede ogen aan hoe het volk zich afkeert van de Heer en tracht hen te waarschuwen voor de gevolgen van hun zelfgenoegzaamheid. Ze drinken en feesten, ze zoeken hun heil in rijkdom en bezit. Ze kiezen zelfs hun goden, die ze plezieren wanneer het hen uitkomt. Het is duidelijk voor Jesaja: dit kan niet blijven duren. Het volk is allang vergeten wat God voor hen heeft gedaan. In een visioen ziet de profeet wat er komen zal, en dat deelt hij met de mensen, of ze het horen willen of niet. Dat is wat een profeet doet: als geroepene door de Heer de mensen in wijsheid toespreken en waarschuwen.

Visioen

In een visioen ziet hij de Heer, die een mantel draagt, waarvan de zoom de hele tempel vult. (Jesaja 6, 1) Dit gebeurt op het ogenblik dat koning Uzzia is gestorven, voegt Jesaja er aan toe. De troon is leeg. Deze tijdsaanduiding wil niet louter historische geloofwaardigheid toevoegen, maar is ook inhoudelijk relevant: na grote weelde onder Uzzia dreigt aan de horizon een angstige tijd, met oorlog en geweld. 

Hoewel Uzzia over het algemeen geboekstaafd staat als een goede vorst, die tijdens zijn 52 jaar op de troon het leger versterkte en verschillende steden van betere omwalling voorzag, stierf hij van een huidziekte. Hij had zelf wierook geofferd in de tempel, een gebruik dat enkel aan de priesters toekomt. (2 Kronieken 26) Hij wou zijn macht uitbreiden en ook het sacrale beheersen. Er verschijnen inderdaad onweerswolken aan de horizon. De welvaart heeft de mensen verwaand gemaakt, terwijl de macht koning Uzzia had verblind. Het noordrijk Israël zal weldra vallen en later ook het zuidrijk Juda.

Gezien en ook weer niet

Jesaja zag de Heer, zo meldt hij. We mogen niet te vlug over dit vers van Jesaja heen lezen. Hij spreekt namelijk het onmogelijke uit: “Ik zag de Heer.” Het verlangen van zoveel gelovigen lijkt in Jesaja te zijn vervuld. Maar hij spreekt over een beeld in extase, niet over een ontmoeting. De profeet ziet het Goddelijke, het meest zuivere. Hij ziet immers slechts de zoom, de buitenrand. (Jesaja 6, 1) Die zoom alleen al vult de héle tempel. Het mag duidelijk zijn dat onze menselijke bouwsels God nooit kunnen omvatten. Hier wordt de grootheid van God beklemtoond. Dat is net wat het volk lijkt te zijn vergeten, en koning Uzzia ook. De Heer mag niet herleid worden: dat komt ons hoegenaamd niet toe. Niet tot een instrument en evenmin tot een handig hulpmiddel.

Jesaja ziet de troon en de zoom van de mantel van de Heer. Het zijn koninklijke beelden. De koningen in de beide rijken - noord en zuid - zijn nog slechts een schaduw van Davids koningschap. En ook David kreeg de koninklijke macht van God, en van God alleen. (2 Samuel 5 en 24) God is de ultieme Koning, Hij die geen fouten maakt, die smetteloos is, maar die door mensen in hun falende trouw wordt bedrogen. God is de Allerhoogste, door een mens nooit te evenaren. 

Allerheiligst

Bij de Heer staan in het visioen twee serafs die elkaar toeroepen: “Heilig, heilig, heilig is de Heer van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.” (Jesaja 6, 2-4) Deze zin kennen we uit de eucharistie. Het is de enige keer dat serafs (of serafijnen) worden vernoemd in de Schrift. Het zijn engelachtige figuren die dicht bij God staan, maar zelfs zij worden verblind door Gods helderheid: met twee van hun vleugels bedekken ze hun gezicht. (Jesaja 6, 2)

Ze zingen ‘Kadoosj-kadoosj-kadoosj’: tot drie keer toe wordt God heilig genoemd. Dit wijst op een overtreffende trap of superlatief: God is Allerheiligst. Deze aanroeping wordt herhaald in Openbaring (Openbaring 4, 8). De drievoudige herhaling dient ook als benadrukking: er is niet naast te kijken, het staat er drie keer. Er is tevens een morele connotatie: een duidelijk contrast met de onreinheid van mensen. Het drievoud kan ook als tijdsperspectief geïnterpreteerd worden. In alle tijden: verleden, heden en toekomst. Vanuit christelijk perspectief kan de triniteit erin gezien worden. 

De Heer die door de serafs wordt bezongen, heeft zich niet teruggetrokken in de hemel maar vervult de aarde, de hele Schepping. Zijn majesteit is niet gereserveerd voor Kanaän: de héle aarde is vervuld van zijn glorie. Hiermee wordt het allesomvattende karakter van het geloof onder woorden gebracht: niets is groter, niets weegt op tegen de Heer. Er is maar één Heer, één God. Tegelijk brengt dit perspectief een openheid mee voor die hele schepping: iedereen mag in Hem geloven. 

Kleine ik

In contrast met de Allerhoogste beziet Jesaja zichzelf en klaagt: “Wee mij, ik ben verloren, want ik ben een mens met onreine lippen te midden van een volk met onreine lippen!” (Jesaja 6, 5) Er klinkt ontzag, en zelfs angst en fatalisme: Wie ben ik: kleine, nietige ik? Uzzia had zich beter die vraag gesteld: hij liep met zijn lompe voeten de tempel zomaar binnen, denkend dat hij alles kon en mocht. En bij het volk, dat enkel aan zichzelf denkt, horen we helaas evenmin deze kritische zelfreflectie.

Bij zijn eerste ontmoeting zegt Simon tegen Jezus: “Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens.” (Lucas 5, 8b) En de honderdman, die Jezus om een gunst vraagt, zegt heel nederig: “Heer, ik ben het niet waard dat U onder mijn dak komt.” (Lucas 7, 6d) Ook Johannes de Doper verkondigt: “Ik ben het zelfs niet waard om de riemen van zijn sandalen los te maken.” (Lucas 3, 16b) In het bijzijn van God en zijn wonderlijke kracht en grootheid, voelt een mens zich klein. Geloven, dat is ontzag hebben voor God. En de eigen beperkingen onder ogen zien.

Reinheid

Er gebeurt iets opmerkelijks in het visioen van Jesaja. Zijn menselijke gebrekkigheid blijft niet onveranderd bestaan. Eén van de serafs neemt met een tang een gloeiende kool en reinigt daarmee Jesaja’s lippen. Zijn zonden zijn tenietgedaan. (Jesaja 6, 6-7) De menselijke tekortkomingen zijn niet gebrandmerkt, de reiniging wel. En zo zijn er nog vormen van reiniging in de Schrift: met hysop of marjoraan bijvoorbeeld (Psalm 51, 9), door een offer van vogels, of met cederhout of karmozijn (Leviticus 14, 49). Het offer kan ook geestelijk van aard zijn en bestaan uit een een gebroken geest en een verbrijzeld hart (Psalm 51, 19), of uit het belijden van zonden (1 Johannes 1, 9). Door het bloed van Christus is het eigenlijke offer volgens Johannes al geschied. (1 Johannes 1, 7)

Het contrast is duidelijk: reinheid is Goddelijk, en de mens is God niet. Er is altijd onreinheid of zondigheid aanwezig, al van bij de geboorte. (Psalm 51, 7) Deze woorden zijn loodzwaar geworden doorheen de tijd, in die mate zelfs dat in de christelijke geschiedenis sprake is van een toenemend schuldcomplex. Dit kan leiden tot ziekelijk fanatisme: een staat van onvrijheid, waarin men voortdurend angstig is om te falen of teleur te stellen, bang voor de duivel en bang voor de hel. Een andere reactie is doemdenken: wat baat het om je best te doen, als je toch altijd en overal zonden begaat?

Van alle tijden

Er wordt terecht wel eens gespot met de kerkelijke wijsvinger, immer waarschuwend opgestoken, speurend naar zonde en verderf. “Wat hebben ze ons wijsgemaakt?”, hoor ik soms van mensen, of: “Ik mocht werkelijk niets toen ik jong was.” Echter: ook nu kennen we bekende en onbekende mensen een voorbeeldfunctie toe. In de verschillende vormen van seculiere moraal – van links over centrum tot rechts – is evenzeer een ideaalbeeld ontwikkeld en wordt waarschuwend gewezen naar alle mogelijke afwijkingen. De sociale media puilen er zowat van uit: verwijten, veroordelingen en dreigementen over en weer.

Dit markeert het tijdloze menselijke conflict tussen ideaal en realiteit, tussen zuiverheid en menselijk falen. Het zal nooit verdwijnen. Wanneer Jesaja echter over zijn visioen spreekt, dan viseert hij geen kleine foutjes. Hij heeft het over iets vreselijks in Gods ogen. Voorafgaand heeft de Heer bij monde van Jesaja immers gefoeterd op het volk dat huizen bouwt, eigendom verzamelt en feest viert, maar dat God vergeet. (Jesaja 5, 8-12) Die eerste zaken zijn voor God nog niet eens het probleem. Maar dat ze Baäl vereren in plaats van God en dat ze vergeten wie hun Schepper en Bevrijder is, dat ze vol van zichzelf van God wegkijken: daar is God kwaad over. (Jesaja 1) Woest zelfs: de edelen zullen in ballingschap verhongeren en het volk zal omkomen van de dorst, zegt Jesaja dreigend. (Jesaja 5, 13) Jesaja is geen waarzegger of wichelaar, hij ziet wat er aan het gebeuren is. Interessante randbemerking: de voorzegging is al vervuld wanneer de teksten van Jesaja en aanvullende profetische teksten in de laatste redactie worden samengebracht tot één boek.

Essentie

We zijn mensen. We doen vaak ons best, en we falen soms. Bij momenten gaan we zelfs bewust in de fout. En spijt komt altijd te laat. Dat is de onreinheid waar het over gaat. Onrein betekent immers: niet smetteloos, niet perfect. En dat zijn wij inderdaad niet, hoe hard we ook ons best doen. We zullen het ook nooit worden. 

Wat de Heer van ons verlangt, is geen regelneverij of kwezelarij. Wat Hij vraagt, is dat we Hem loven, eren en danken, dat we Hem trouw blijven in de geboden. Kort maar krachtig: dat we God niet vergeten of negeren. Daarom vat Jezus God Wet terecht samen in het dubbelgebod van de Liefde. (Matteüs 22, 36-40) We hoeven niet bevreesd te zijn, zoals Jezus ook zegt tegen Simon. (Lucas 5, 10) Ons geloof zal ons op de weg van de Heer brengen.

Met de serafs, en met Jesaja die het visioen heeft verkondigd, mogen wij trots uitroepen: “Heilig, heilig, heilig is de Heer, de God van de hemel, die de aarde vervult!” Het zal God verheugen, en ook ons blij maken.

12 juni 2024

Groeien en bloeien (15-16 juni 2024)

Jezus vraagt zich luidop af waarmee Hij het Koninkrijk van God het beste kan vergelijken. De oren worden gespitst na deze opmaat. De Mensenzoon zoekt in zijn Goddelijke kennis en inzicht naar een herkenbaar beeld. Maar wat volgt, ligt niet in de lijn van de verwachtingen. Er wordt namelijk geen hemelconstructie verbeeld die je je zou kunnen voorstellen. Hij omschrijft geen ruimte of locatie, en al zeker geen paradijselijk weelde. Er wordt geen zekerheid aangeboden, en dat is wat we zo vaak zoeken, vanuit een houding van hebben en houden, van overijverig zoeken naar standvastigheid.

  • Voor de lezingen van deze zondag: klik hier.

Klein

Wat Jezus als beeld aanbrengt, is groei, en wel vanuit het allerkleinste begin. Het Rijk Gods lijkt dus vooral een ingesteldheid, een houding, een engagement te zijn, en geen aanwijsbare plaats. Jezus maakt de vergelijking met een piepklein zaadje van een mosterdplant, dat een grote struik wordt. (Marcus 4, 31-32)

Het Koninkrijk van God ontspruit en groeit in ons geloof. Het vindt een voedingsbodem in ons hart, in het diepste van ons bestaan: geen extern toevluchtsoord, maar een dynamiek die binnen in ons menszijn ontstaat en toeneemt.

Kennelijk is het Rijk Gods wel al aan de leerlingen onthuld, maar de toehoorders krijgen enkel gelijkenissen aangeboden. (Marcus 4, 11-12 en 34) Wat heeft Hij dan gedeeld met de leerlingen, dat niet in de evangeliën staat? Of heeft Hij het gewoon voorgeleefd, Hij die de ultieme voedingsbodem is van het geloof?

Groei

Het beeld van groei vanuit een nieuw begin horen we ook trouwens ook door de profeet Ezechiël verkondigen. Een twijgje zal geplant worden op de hoogste berg van Israël en het zal een grote ceder worden. (Ezechiël 17, 23-24) We horen hier meteen ook Jesaja’s prediking meeklinken, over de telg uit de stronk van Isaï. (Jesaja 11, 1) Groei is geen nieuwe gedachte bij Jezus, het is de kerngedachte van het geloof in God. Men vergeet het helaas al te vaak. Daarom is Jezus gekomen: om ons te verduidelijken dat geloof geen zaak is van regeltjes en uitwendigheden, maar van innerlijke groei.

De profeten en ook Jezus hebben het niet over groei uit het niets, maar gevestigd op de traditie. Het mosterdzaadje is afkomstig van een vorige plant. Bij Ezechiël zal een twijg worden geplant op Sion, de Goddelijke berg, die door koning David werd veroverd op de Jebusieten. (Ezechiël 17, 23) Er begint bij Jesaja een kwetsbare, menselijke nieuwheid, geen gewelddadige revolutie. (Jesaja 53, 2) Ook Paulus beschrijft dit nieuw begin, maar aan de overzijde van Jezus’ komst op aarde, na zijn dood en verrijzenis: ‘Het oude is voorbij, het nieuwe is al gekomen’, schrijft hij. (2 Korintiërs 5, 17)

Levenslang leren

Ons geloof is een levenslange ontwikkeling. Het begint niet groots en allesomvattend. Bij een bekering wordt in grote overmoed soms gedacht van wel. Bekering is overigens geen eenmalige ommekeer, maar een terugkerend gebeuren, bij iemand met een levend geloof wel te verstaan. We raken soms verdwaald. We voelen ons dan ver van de Heer weg.

Dat is van alle tijden: de profeten spreken tot het Volk van God en roepen hen op om terug naar de Heer te komen. (Jesaja 31, 6 en 45, 22 - Jeremia 3, 1) Deze onfortuinlijke toestand kan tegelijk de aanleiding zijn tot een dieper en juister inzicht in God en zijn Boodschap. (Job 40, 4-5 - Jona 2, 3 - Handelingen 2, 1-12)

Dynamisch

Zoals de mosterdplant groeit ons geloof en blijft het zich verhouden tot de elementen, tot wat erbuiten gebeurt, in het dagelijks leven. Geloven is geen statisch gebeuren: het is geen ‘statuut’ maar een levenslange opdracht. Het is van Godswege een bijzonder teken van waardering voor ons menselijk bestaan. Met mensen gaat God een Verbond aan, niet met heiligenbeelden. Met mensen die gaven en talenten hebben maar ook fouten maken. Het zijn mensen die God mogen prijzen, verheerlijken en dankzeggen. God hoopt dat wij groeien en bloeien in zijn Schepping.

30 januari 2024

Weltschmerz (3-4 februari 2024)

Het leven is lang niet altijd een pretje. De één staat sowieso positiever in het leven dan de ander. Sommige mensen ontmoeten ook meer tegenspoed dan andere. De tragiek van het leven is haar onlosmakelijke verbondenheid met de vergankelijkheid. Sterven hoort bij het leven. Het plaatst ons leven in een groter geheel van generaties en van tijden, waar wij een beperkt deeltje van mogen uitmaken. Het weerhoudt ons ervan onszelf en onze betekenis te overschatten. Deze bevestiging van onze kwetsbaarheid is tegelijk een uitdagende en pijnlijke confrontatie. Ons geloof biedt ons een zeker perspectief, en weeft zich doorheen de complexiteit van de gevoeligheden van ons bestaan.

Wie diep nadenkt over het bestaan, kan wel eens stoten op Weltschmerz, op wereldpijn, of misschien nog duidelijker: bestaanspijn, de pijn van het zijn hier op aarde. Een diepe droefheid en melancholie kan zich meester maken van ons, omwille van de worsteling met de onvolmaaktheid van de wereld, en het gevoel altijd tekort te zullen schieten, wat we ook doen.

Romantiek

In de Romantiek, die de culturele stroming in de tweede helft van de negentiende eeuw benoemt, wordt in de filosofie veel nadruk gelegd op het individu, en meer bepaald op de subjectiviteit, op gevoelens en intuïtie. Dat gaat gepaard met existentiële onrust, omdat de grote idealen botsen met de teleurstellende realiteit in de wereld. Ook de eigen beperktheid en gedetermineerdheid van de mens komt duidelijker in de verf te staan. Niet ieder leven is het waard geleefd te worden, meent Schopenhauer. Onze medemens wordt in de eerste plaats een lotgenoot. ‘Het leven is niet goed en de dood is niet slecht,’ stelt Schopenhauer verder. Zware woorden en zware gedachten lijken de ernst en de diepgang van de wijsbegeerte in de verf te willen zetten.

Er klinkt pessimisme omwille van het lijden in de wereld, en tegelijk een diep, fragiel verlangen naar geluk, dat niet voor het grijpen ligt. Men hunkert naar authenticiteit, naar standvastigheid. Het Verlichtingsdenken wordt resoluut naar de prullenmand verwezen, met haar pretentieuze beginsel van de maakbaarheid van het bestaan, haar vooruitgangsideaal, haar leeg objectivisme en zwaar overschatte kracht van de menselijke rede.

Er zit iets in. We kunnen inderdaad niet ontkennen dat onze persoonlijke invloed op de wereld en op de tijden bijzonder gering is. Enkele roepstemmen om vrede worden algauw door oorlogsgedruis gesmoord. De mensheid is tot de meest barbaarse wandaden in staat. En een natuurramp kan uit het niets al onze verworvenheden zomaar verzwelgen, genadeloos en onstuitbaar. Tevens beseffen we allemaal dat de vergankelijkheid deel uitmaakt van ons leven. En hoe we haar misschien ook vrezen, verachten en verdringing, de dood is wel degelijk levenseigen.

Desoxyribonucleïnezuur

De wetenschap staat ver in het vaststellen van veroudering en sterven, maar een levenselixir dat ons eeuwig jong houdt, bestaat er nog steeds niet. Ons DNA wordt steeds weer gekopieerd. De telomeren zijn daarbij belangrijk: het zijn de landingsplaatsen voor het polymerase-enzym dat het kopiëren mogelijk maakt. Bij het kopiëren worden deze landingsbanen echter steeds korter, heeft men onlangs ontdekt. Meer en meer cellen sterven, de weefselwerking vermindert gestaag, het organisme veroudert langzaam en sterft uiteindelijk.

In een jaar tijd zijn de meeste van onze cellen vervangen door kopieën. Ons lichaam is een vernuftig mechanisme: de kopieerschade in ons genetisch materiaal kan gedeeltelijk gerepareerd worden. Maar helaas niet helemaal. Er ontstaat zogenaamde 'filevorming': de celdeling loopt op steeds grotere schaal vast. Het resultaat doet denken aan een kopieerapparaat: wanneer je een kopie van een kopie van een kopie hebt genomen, dan is het geheel onduidelijker, vager, onleesbaarder geworden. Zo takelt de mens af en sterft, stelt de wetenschap vast. ‘Wat er was, zal er telkens weer zijn. Niets nieuws onder de zon.’ (Prediker 1, 9)

Veldbloem

In de Schrift komt een veelzeggend beeld een aantal keren terug. ‘De mens – zijn dagen zijn als het gras, hij is als een bloem die bloeit op het veld en verdwijnt zodra de wind hem verzengt. De plek waar hij stond, kent hem niet meer.’ (Psalm 103, 15-16) Dit psalmfragment is pure poëzie. Het verbeeldt de vluchtige ongrijpbaarheid van ons bestaan. Ook Jesaja en Petrus roepen dit beeld op: ‘De mens is als gras en zijn schoonheid als een bloem in het veld: het gras verdort en de bloem valt af.’ (1 Petrus 1, 24 en Jesaja 40, 6b-7a)

In Hooglied klinkt het veelbelovend: ‘De bloemen zijn verschenen op het veld, nu breekt de zangtijd aan, het koeren van de duif klinkt op het land.’ (Hooglied 2, 12) Maar Jakobus stelt: ‘Als de zon gaat branden en het gras door de hitte verdort, valt de bloem af en is het gedaan met zijn schoonheid.’ (Jakobus 1, 11) Waarachtig, stilstaan bij de vergankelijkheid is nefast voor elke vorm van feestvreugde. 

Dat doet me denken aan een carnavalslied: Bij ons staat op de keukendeur: 'Het is niet altijd rozengeur', en mijn vader schreef op het behang: 'Lekker is maar ene vinger lang', en op de deur van het buffet, daar heeft mijn moeder opgezet: 'En wat er bij ons ook ooit gebeuren zal, we vieren altijd carnaval!' Welnu, carnaval duurt uiteindelijk maar even, en blijft een wilde, uitbundige vlucht van de werkelijkheid, al te vaak met een ontnuchterende uitwerking.

Job

Bij het thema ‘lijden’ wordt in de theologie spontaan naar het boek Job gegrepen, terecht ook. Job verliest in een oogwenk al wat hij bezit en liefheeft: zijn vee, zijn knechten, zijn zeven zonen en zijn drie dochters. Alles is hij kwijt. Job zwijgt, hij zucht, hij weent en schreeuwt… Maanden van leegte heeft hij doorworsteld. (Job 7, 3a) ’s Avonds kan hij slechts verlangen naar de morgen en ’s morgens weer naar de avond. (Job 7, 4) “Mijn leven haast zich naar een einde, zonder hoop.”, jammert Job. Ook wij voelen ons soms Job.

Job blijft ontzag hebben voor de Heer, hoe kwaad en teleurgesteld hij ook is. “Was alles maar als in de dagen van weleer, als in de dagen dat God over mij waakte, in de tijd dat zijn lamp boven mij scheen en mijn weg door het donker verlichtte, in de tijd dat ik de kracht van de jeugd bezat, met het vertrouwde gezelschap van God in mijn huis.” (Job 29, 2-4) De waaromvraag klinkt doorheen de hoofdstukken.

Jobs vrienden kunnen geen degelijk antwoord geven op Jobs vraag. Elifaz omschrijft zijn eigen ervaringen met de grootheid en rechtvaardigheid van God. Bildad kijkt op een nuchtere blik terug in de geschiedenis en houdt vast aan de traditie dat lijden een vergelding is. Zofar zoekt rigoureus naar zondigheid bij Job, want voor hem is lijden dogmatisch het gevolg van persoonlijk falen tegen God. 

Uiteindelijk antwoordt de Heer op Jobs onophoudelijk vragen. God beklemtoont dat Job Hem niet als zijn gelijke kan beschouwen, en dat Gods heilsplan met de mensen en de wereld Job werkelijk in alles te boven gaat. En Job legt zijn hand op zijn mond en zwijgt. (Job 40, 1-5) Een menselijk antwoord op de waaromvraag volgt er in het boek Job niet echt. Gods antwoord is dan ook meer theologisch dan existentieel van insteek. Is er een afdoend menselijk antwoord op deze vraag?

Paulus

Paulus heeft alles opgegeven in zijn leven voor het evangelie. Hij trekt van stad tot stad om de opdracht te vervullen die de Heer hem heeft toevertrouwd: de blijde Boodschap te verkondigen. (1 Korintiërs 9, 17) ‘Wat is dan mijn verdienste?’, vraagt Paulus zich schrijvend af. (1 Korintiërs 9, 18a) Het antwoord is niet financieel, maar spiritueel: ‘Ik doe alles voor het evangelie om ook zelf aan de beloften ervan deel te krijgen.’ (1 Korintiërs 9, 23) De vrijheid die Paulus ervaart (1 Korintiërs 9, 19), maakt hem ook minder angstig voor de vergankelijkheid. 

Wij hebben vaak de reflex om ons vast te klampen aan ons hebben en houden. Een kind klampt zich vast aan een speelgoed en roept: ‘Het is van mij! Het is van mij!’ Zo illustreerde paus Franciscus onze diepgewortelde zucht naar bezit. Daarbij stelde hij dat gierigheid eigenlijk een uiting is van angst voor de dood. Bezit maakt ons tot knecht, tot onvrije. Door ons zo aan bezittingen vast te klampen, verbinden we onze idealen met een illusie. We kunnen ons bezit immers niet door de poort van de dood meenemen. We zijn slechts passanten hier op aarde, en de aarde is uiteindelijk niet ons bezit. (lees meer: klik hier

Stilte

In het evangelie van deze zondag maakt Jezus drukke tijden door. Van vroeg in de morgen tot laat in de avond komen mensen tot bij Hem, mensen die hunkeren naar wijsheid of naar een wonder. Jezus zondert zich ’s morgens vroeg op een eenzame plek af om te bidden tot zijn Vader. (Marcus 1, 35) Hij maakt ruimte voor het Goddelijke. Enkel aan zijn Vader is Hij onlosmakelijk gehecht.

Jezus zoekt geen populariteit onder de mensen. Hij is geen idool, hij hunkert niet naar succes. De grote menigten ontroeren Hem eerder, omdat het allemaal mensen op zoek zijn. Dat ze speciaal voor Hem zijn gekomen, vleit Hem niet. (Matteüs 14, 14) Jezus wil mensen weer met God verbinden, hen de Weg van de Heer weer doen kennen. Daar gaat het om.

Dat maakt Hij ook duidelijk aan de apostelen: “Laten we naar de dorpen in de omtrek gaan, zodat Ik ook daar het goede nieuws kan brengen. Daarvoor ben Ik immers op weg gegaan.” (Marcus 1, 38) Dat goede nieuws is dat God ons niet in de steek laat, dat Hij barmhartig is en geduldig voor wie dat hier op aarde ook trachten te zijn.

Ultiem

De angst voor de dood, de vrees om het aardse voorgoed achter te laten, roept een spirituele vraag op: wat is er nà de dood? Van Jezus horen we er enkel in gelijkenissen over vertellen. Deze kennis krijgen we niet in bezit. Dat de aarde zelf eindig is en ooit niet meer zal bestaan, is ook de wetenschap ontdekt.

Als we wisten wat er precies volgt, dan zouden we niet meer geloven, maar droogweg weten. Dít weten we wel, Jesaja zegt het meteen na de overpeinzing over de bloemen op het veld: ‘Het Woord van de Heer blijft bestaan.’ (Jesaja 40, 8b)

Geloof is, net als het leven, geen bezit. We hebben het ontvangen. Het is niet van ons, het is onze verdienste niet. Ultiem is voor iedere gelovige alles met God verbonden, met de Oerkracht van ons bestaan. Met deze diepe gedachte rond ik af.

15 december 2023

Een vrolijk verlangen (16-17 december 2023)

De advent is een tijd van inkeer, van stil gebed. Er wordt niet uitbundig gedaan. We bereiden ons ingetogen voor op de komst van Jezus. Toch is de advent geen hoogfeest van strak afgelijnde soberheid. De advent wordt gekleurd door een hartelijk verlangen, door een gevoel van gezamenlijk perspectief, een gedragen groei naar nieuwheid.

Zwaarwichtig

We hebben soms de neiging om in ons religieus denken en spreken alles zwaarwichtig te maken. Ook in onze liturgie zijn we soms aanzienlijk opgewekter op papier dan in de praktijk. Uiteraard is er ook een heel ernstige en respectvolle kant aan ons geloof. Onze diepste geloofsinhoud is beslist geen lachertje. Dat wil echter niet zeggen dat we als gelovigen niet vrolijk en opgewekt mogen zijn. 

God brengt zijn Volk een bevrijdende Boodschap. Steeds weer is Hij zijn Volk nabij. Hij staat hen bij met raad en daad. Wat kan er meer vertederend zijn dan een pasgeborene? Wat is er mooier dan God die ons zijn Eniggeboren Zoon zendt om ons meer dan ooit nabij te kunnen zijn? Hoe kan je daar niét blij van worden?

Geheel en al

De uitbundigheid van de zwangere Maria bij haar nicht Elisabet is een aanstekelijke uiting van blijheid en dankbaarheid. Haar 'Magnificat' is een bevlogen, vurig loflied dat ons  herinnert aan de spontane en opgewekte kant van ons geloof. (Lucas 1, 46-48) 

De profeet Jesaja weet zich begeesterd en gezonden om de blijde Nieuws te verkondigen, een boodschap van hoop en bevrijding. (Jesaja 61, 1) Bij die boodschap horen vreugdeolie en een feestgewaad. (Jesaja 61, 3) Ons geloof is niet enkel Woord en rede. Onze spiritualiteit is onlosmakelijk verbonden met onze geest, ons lichaam én onze ziel, geheel en al. (1Tessalonicenzen 5, 22)

En komt Johannes de Doper niet om te getuigen van het Licht? (Johannes 1, 6) Zijn nieuws is zeker hoopvol. Het licht maakt ons blij en dankbaar. Jezus wordt immers geboren als Zoon van God, als Heiland en Redder. Ja, we mogen ons verheugen omwille van dit Goddelijk Geschenk.

Gaudete

Daarom vieren we in de advent Gaudete-zondag. Het liturgische paars wordt even roze: een mengeling van paars en wit. Deze derde zondag van de advent is namelijk iets minder sober en ingetogen. Er klinkt een eerste kleine jubel van vreugde, nu Kerstmis nadert. Wat ingehouden klinkt in de klassieke Latijnse introïtuszang: "Wees blij in de Heer, nogmaals: wees telkens weer blij!" (Filippenzen 4, 4) Gods komst kan niet enkel in stil verlangen voorbereid worden.

Maak je nergens zorgen om, zo gaat het lied verder, vraag aan de Heer wat je nodig hebt. (Filippenzen 4, 6) Er klinkt een onbezorgde luchtigheid, een bijna kinderlijk enthousiasme: de Heer is nabij, Hij zal voor je zorgen.

Volwassen

Dat wil hoegenaamd niet zeggen dat ons geloof naïef of infantiel zou zijn. Wel mogen we ons telkens weer openstellen voor Gods genade, voor zijn Boodschap, voor zijn wijsheid. Een volwassen geloof veronderstelt een volwassen vreugde in de Heer: blijheid van hart. Geen blijheid om een verkregen traktatie, maar blijheid uit dank, uit ontzag, uit bewondering en aanbidding. 

Voor een nuchtere Westerling, met polderaarde klevend in de nerven van de zolen, kan dat wat kinderachtig en onnozel klinken. Wie echter niet verwonderd blijft in het leven, wie niet gedreven wordt door onbevangen interesse, die verschrompelt stilaan en verdort. Teveel mensen vervallen in passieve, gelaten negativiteit. Het is alleszins geen christelijke grondhouding. En daarom is Gaudete-zondag een 'reminder'. Enthousiasme in woord en daad en blijheid van hart geven kleur aan je geloof! 

We mogen in deze advent opgewekt verlangen.

28 november 2023

Een waakzaam verlangen (2-3 december 2023)

De advent is een bijzondere tijd. De dagen zijn op hun kortst. Het is ’s morgens lang donker en ’s avonds al vroeg weer duister. Het is koud en guur bij momenten. We worden naar binnen gezogen. We doen vlug de deur dicht, om de koude buiten te houden en de warmte binnen. Veel mensen vertrekken in het donker naar het werk en komen in het donker ook weer thuis. We kijken uit naar het licht. Dat licht komt met Kerstmis. December is een maand vervuld van verlangen.

  • Voor de lezingen van deze eerste zondag in de advent: klik hier.

Geen geduld

Sommige mensen hebben het geduld niet om te wachten. Ze willen alles nu meteen. De kerstboom staat al fel en tomeloos te knipperen half november, met veel lampjes en boa’s en blinkende kerstballen. Het heeft iets triest in zich. Zonder veel spiritualiteit groeit de hunker naar het opvullen met materiële gezelligheid om zich heen.

Wie vergeten is wat verlangen betekent, verliest de diepste drijfkracht in het leven: de spirituele dieptelaag. Het adventsverlangen is immers vooral symbolisch. Er is geen spannende onbekende in het spel. Het is een liturgisch, meditatief, ritueel verlangen. Natuurlijk weten we dat de dagen vanzelf weer langer worden vanaf eind december. Uiteraard leggen we met Kerstmis een kindje in de kribbe. Maar daar gaat het eigenlijk niet om. Het gaat juist over een verder verdiepen van je geloof, over tijd maken om jezelf vanbinnen klaar te maken voor dit feest van Licht, over God als Nabije te ervaren in gebed en meditatie. En samen met de Verwachte ook naar het onverwachte uit te zien.

De vroegtijdige kerstboom is een typisch voorbeeld van impulsief ongeduld. Onze cultuur is gebaseerd op ongeduld. Het moet vlug gaan, leuk zijn en niet te ingewikkeld. Wachten is tijdverlies, meningen uitwisselen ook. Men wil zelf de kalender bepalen. Zelf beslissen. En tegelijk beseffen we maar al te goed dat we voor de gek gehouden worden door de reclamewereld, dat ons brein op allerlei ingenieuze manieren wordt gemanipuleerd. Maar we gaan er als samenleving ook in mee: slogans doen het beter dan gedachten, botte bijlen zijn populairder dan de gelaagdheid van de nuance.

Prioriteit

Ondoordacht kopen mensen wat ze niet nodig hebben en wat ze zich eigenlijk niet kunnen veroorloven. Mensen verzamelen materiaal rond zich bij hopen, vaak om de leegte in hun ziel ruimtelijk te compenseren. Het instinct wint het op het verstand. Ook kinderen krijgen al te vaak wat ze maar verlangen. 'Veel geven aan iemand' wordt verward met 'veel geven om iemand'. Er wordt alom geklaagd dat het leven onbetaalbaar is geworden, vaak door mensen die verdrinken in de rotzooi, met twee auto’s voor de deur omdat de garage een berging is geworden. Voor sommigen is het leven inderdaad onbetaalbaar duur. Zij roepen niet het luidst, vaak uit schaamte. Voor anderen is het echter een kwestie van foute prioriteiten stellen.

We werpen veel weg, zonder er bij na te denken. We prijzen artiesten de hemel in en verwerpen ze een jaar later voor een ander idool. Het lijkt een radeloos spartelen door de tijd: pakken en weggooien, grijpen en weer loslaten. En weer gaat een jaar voorbij. En vraag niet waarom of waarvoor. 

Ben ik een cultuurpessimist wanneer ik dit zo allemaal oplijst? Of is het een bezorgd realisme? Ik vind het jammer wanneer ik geconfronteerd word met lege gedachten en holle woorden. Wij, mensen, zijn tot zoveel meer in staat.

Bewust verlangen

Hebben wij ons van God afgekeerd? Heeft God zich ook van ons afgekeerd? (Jesaja 63, 17d) We lijken wel platgeslagen door onze vrijheid. Het put ons mentaal uit. Mensen zijn meer en meer onbuigzaam geworden en passen de wereld aan de eigen wensen aan. (Jesaja 63, 17b) Daarom maken we alles rondom ons maakbaar, manipuleerbaar, buigzaam. En waar is God in dat hele gebeuren? Het lijkt wel alsof niemand van Hem heeft gehoord. Alsof zijn Naam nooit werd uitgesproken. (Jesaja 63, 19) 

In een eucharistieviering kijk ik om me heen en ik tel twintig mensen, waar er ooit tweehonderd waren. Die scherpe kilte wordt niet verzacht door de verwarming. Scheurde U de hemel maar open om af te dalen, God. (Jesaja 63, 19c)

Geloven is verlangen. Het is hopen om een glimp van God op te vangen, in ons dagelijks leven, op gewone en ongewone momenten. Geloven brengt ons dichter bij onszelf. Vreemd genoeg worden gelovigen verweten dat ze in ontkenning leven en van zichzelf vervreemd zijn. Het tegendeel is waar: ons geloof stelt ons in vraag en doet ons bewust stilstaan bij de diepste zin van ons bestaan.

Slaperigheid

Ondertussen amuseert onze samenleving ons rustig verder in slaap. Lachbanden masseren ons tot we de ogen sluiten. Filmpjes van ingestudeerde dansjes brengen ons in een leuke, gezellige maar vooral lege roes. Alles kan je kopen. En dan ben je even gelukkig, of iets wat op geluk lijkt: verzadiging. Religie was het opium, volgens Marx. Zou het kunnen dat mensen graag verdoofd zijn? Wellicht is ons bestaan zonder interpretatiekader ondraaglijk complex, amper leefbaar.

Jezus waarschuwt ons tegen de vlucht van spiritualiteit weg, in een slaap van afleiding en verveling: waakzaam moeten we zijn. (Marcus 13, 37) Laat je niet in slaap wiegen, maar leef wakker en bewust! (Marcus 13, 36) Zoek de diepte in je leven, het perspectief in je bestaan. Het is geen banale, nuttige tip van Jezus, en dat wordt duidelijk door de plaats van dit fragment in het Marcusevangelie: in het volgende hoofdstuk wordt het Laatste Avondmaal gevierd. 

Het is één van de kernboodschappen van Jezus: wees waakzaam, verlang naar de Heer!

05 oktober 2023

De wijngaardvariaties (7-8 oktober 2023)

De wijngaard is een beeldspraak waarmee de trouw en de liefde voor God meer dan eens worden verhaald. De Goddelijke grond heeft alles in zich om geloof te doen groeien en bloeien. Het is een kwestie van openstaan voor deze overvloedige gave van Liefde en ze te beantwoorden met dankbare trouw. Geen diepe tekstanalyse deze week, geen Griekse woorden, geen kernwoorden in het vet, maar een ontdekkende, bezinnende promenade van woordschilderijen. We maken in de lezingen van vorige en deze week immers een religieuze wandeling langs enkele sprekende beelden van wijngaarden. Ik wil je graag uitnodigen om me te vergezellen.

Voor de lezingen van deze zondag: klik hier

Een lied: de verloren oogst

We beginnen bij de profeet Jesaja in de eerste lezing van deze week. Hij zingt een lied voor zijn Vriend en Diens wijngaard (Jesaja 5, 1-7). Zijn vriend is God, dat spreekt voor zich. De wijngaard is het Beloofde Land waar het Volk Gods heen is gebracht doorheen de woestijn. 

Jesaja zingt dat zijn Vriend een wijngaard had op een vruchtbare helling. Hij maakte de grond klaar, haalde de stenen uit de aarde en plantte een edele druivensoort: alleen het beste was goed genoeg voor zijn wijngaard.  Hij bouwde een uitkijktoren en hakte een perskuip uit stenen. Alle voorbereidingen waren getroffen. Hij verwachtte een overvloedige oogst van rijpe druiven. De teleurstelling was groot: Hij kreeg alleen wilde, wrange vruchten. Wat had Hij nog meer kunnen doen? De fout lag niet bij Hem. De druivelaars groeiden niet en deden niet wat God hen gevraagd heeft.

In de tweede strofe bezingt Jesaja de gevolgen van wat gebeurd is. De wijngaard heeft geen druiven voortgebracht en dus neemt Jesaja's Vriend de omheining weg zodat de grond kaalgevreten of platgebrand kan worden. Ook maakt Hij de muren stuk, zodat de gaard plat getrappeld kan worden. Hij snoeit er niet meer in. Waarom zou Hij? De distels en doorns hebben vrij spel en de grond verwildert. En de wolken, die hoeven er niet meer op te komen regenen. 

Die wijngaard, zo zingt Jesaja, dat is Israëls huis: in ballingschap gestuurd, overrompeld door andere heersers en onderling verdeeld. Waren ze maar trouw gebleven aan de Heer, hadden ze maar naar zijn Woord geluisterd en zijn geboden in hun hart gedragen. Die wijngaard, dat zijn ook wij: onzeker, falend bij momenten, zelfingenomen en selectief in ons geloof.

Een kortverhaal: de zonen van de wijngaardenier

Mag ik vragen om me te vergezellen naar een intermezzo? Het is een korte vertelling: enkele zinnen, meer niet. Vorige zondag vertelt Jezus in het evangelie een parabel, een kortverhaal. (Matteüs 21, 28-32) Met weinig woorden wordt echter heel veel gezegd. Daar is Jezus goed in. 

Een vader vraagt zijn twee zonen om in zijn wijngaard te gaan werken. De eerste zoon zegt dat hij geen zin heeft. Daarmee kwetst hij zijn vader. Hij bedenkt zich, hij heeft spijt van zijn botte afwijzing en gaat uiteindelijk toch naar de wijngaard om te doen wat zijn vader hem heeft gevraagd. De tweede zoon zegt met gestreken gezicht dat hij er zeker heen zal gaan, wat zijn vader blij stemt. Deze zoon blijft echter thuis en doet waar hij zelf zin in heeft. 

Wie heeft nu de wil van de vader gedaan? Doen de farizeeën de wil van de Vader wanneer ze pretenderen in Hem te geloven en zijn geboden na te leven, maar in de praktijk enkel in zichzelf te geloven en eer en ontzag te betrachten bij de mensen? Zijn wij jaloers wanneer mensen kwaad hebben gedaan, maar in een keerpunt in hun leven een nieuwe kans vragen bij God? Gunnen we de anderen dat? En wat te denken van het Kerkelijk instituut dat de schijn van een goede naam belangrijker vindt dan rechtvaardigheid? Weinig woorden kunnen soms heel veel zeggen.

Een kostuumdrama: bloedbad op de wijngaard

Weinig parabels zijn zo bloederig als het verhaal van de kwaadaardige wijnbouwers. (Matteüs 21, 33-43) Veel elementen komen samen in deze tragedie: verbroken vertrouwen, onrecht, samenzwering, geweld en moord.

Een landeigenaar maakt zijn grond gebruiksklaar als wijngaard om die te verpachten. Het is onmogelijk om de verwijzing naar Jesaja niet op te merken: er wordt een omheining gemaakt, een uitkijktoren gebouwd en een wijnpers.

De eigenaar verpacht de wijngaard en vertrekt op reis. Wanneer hij drie van zijn knechten naar de pachters stuurt om zijn oogst in ontvangst te nemen, worden die hard aangepakt: één knecht wordt mishandeld, één vermoord en één wordt gestenigd. Hoe verontwaardigd moet de eigenaar geweest zijn? Waar heeft hij dit verdiend? Hij stuurt een grotere groep knechten, maar ook hen ontzien de pachters niet. Ook zij worden mishandeld of vermoord. De man heeft zijn wijngaard aan een stel meedogenloze schurken verhuurd, zoveel is duidelijk. 

Uiteindelijk zendt de eigenaar zijn eigen zoon naar de wijngaard, zijn eigen bloed. Hij gaat er van uit dat ze hem niet zullen doden, maar dat is een zware vergissing van de eigenaar. De barbaren doden hem genadeloos. De vader verliest ook zijn zoon aan zinloos en brutaal geweld.

De toehoorders hebben zich ingeleefd in het verhaal van Jezus. Hij vraagt hun inbreng: "Wat moet de eigenaar met de wijnbouwers doen?" Emotioneel antwoorden ze dat de eigenaar de pachters een ellendige dood moet laten sterven. De toehoorders denken dat ze een rechtschapen oordeel vellen. Dat is ook zo. Maar eigenlijk veroordelen ze vooral zichzelf in hun uiterlijke ijver. Ze vallen in de kuil die ze voor een ander denken te graven.

Het verhaal voorspelt uiteraard hoe de geloofsgezanten Jezus zullen laten arresteren en vermoorden: de Zoon van God. Het verhaal vertelt echter ook over de mogelijkheid tot barbaarsheid die in elk van ons schuilt. Het waren geen holbewoners die 6 miljoen joden hebben vermoord in concentratiekampen. Het waren grotendeels mensen die een christelijke opvoeding hadden genoten. En dat soort onmenselijkheid bestaat nog steeds, helaas, soms zelfs met de steun van christelijke leiders.

Graven we nog wat dieper, dan merken we dat Jezus met dit verhaal iedere volgeling wil oproepen om de Boodschap te verinnerlijken. Uiterlijke schijn is slechts zinloze leegte. God hoopt op onze goede vruchten. Jesaja vertelt er over, en Jezus geeft in een 'remake' een even toepasselijke waarschuwing. Ook het verhaal over de zonen sluit aan bij deze boodschap.

Een beeldspraak: jullie zijn de ranken

Tot slot neem ik je graag nog mee naar een kleine beeldspraak die in deze periode niet wordt voorgelezen, maar die in deze gaanderij zeker niet mag ontbreken. Geen gesloten verhaal uit een andere tijd dit keer, maar een eenvoudige vergelijking tussen een beeld en de realiteit van ieder van ons. Jezus staat dicht bij ons met dit verhaal, en ook in dit verhaal. (Johannes 15, 1-8) 

Hij noemt zichzelf ben de wijnstok en zijn Vader is de wijnbouwer. En wij, wij zijn de ranken. Als we goede vruchten dragen door de zorg van de wijngaardenier dankbaar aan te nemen en de kracht en voeding van de wijnstok toe te eigenen tot diep in ons hart, dan zullen we van deze genade mogen blijven ontvangen, zoveel als we nodig hebben. Wie dat niet doet, zal verdorren en weggegooid worden. 

Coda

En daarmee besluiten we de wandeling over geloof, over keuze, over engagement. Wil je geloven? Wil je God eren? Beleef dan je geloof van binnenuit en hou je ver weg van eigen roem en uiterlijk vertoon. Geloof mag geen 'cérémonie protocolaire' zijn: geen verzameling van inhoudsloze minutieuze regeltjes die als enig doel hebben zichzelf in stand te houden en God en de geloofsinhoud te willen controleren en manipuleren. 

Veeg dus je hart grondig schoon met de bezem van de radicale Liefde van God, telkens opnieuw: zonder zelfmedelijden, en vooral grondig en kritisch. Dat zelfinzicht komt niet vanzelf. Het vraagt om gebed en meditatie: tot de kern komen, weg van de afleidingen en het ruis van elke dag. Langs gebed en meditatie ontvangen we voeding van God, zoals een druif zich voedt aan de wijnstok en aan de grond. De levensenergie, de spirituele voeding komt altijd tot ons, maar vooral wanneer we ons er bewust voor openstellen. 

Hiermee stuur ik jou - maar mezelf even goed - op weg. Maak wat van je leven, elke dag!

26 september 2023

Alles begint met inkeer (30 september - 1 oktober 2023)

In de aanloop naar Jezus’ verkondiging roept Johannes de Doper het Volk van God op tot inkeer en een nieuw begin. Een grote menigte laat zich dopen en belijdt hun zonden. (Matteüs 3, 3) De Vader bevestigt dit doopsel overigens door zijn Geest te zenden en zijn Zoon te openbaren wanneer Hij het doopsel ondergaat. (Matteüs 3, 16-17) Jezus blijft daarna ook veel belang hechten aan de ommekeer in het leven: de bekering. Er zit beweging en wending in deze woorden: inkeer, bekering, ommekeer. Bij die wending hoort echter geen groot drama: het is een stille, inwendige en oprechte verandering. We moeten ons leven niet ijken op uiterlijkheden. Onze binnenkant is wat écht telt. Jezus hekelt de Schriftgeleerden en farizeeën, die Hij vergelijkt met “witgepleisterde graven, die er vanbuiten fraai uitzien, maar die vanbinnen vol liggen met doodsbeenderen en andere viezigheden.” (Matteüs 23, 27) Het klinkt allemaal niet zo aantrekkelijk, daar achter de façade van die religieuze vooraanstaanden. Laat ons hen niet te vlug nawijzen: ook wij kunnen in die categorie belanden.

Voor de lezingen van deze zondag: klik hier.

Inkeer – bekering – ommekeer

Tot inkeer komen – de kritische en bewuste beweging naar binnen maken – veronderstelt nederigheid: je stelt jezelf kwetsbaar op. In die tere kleinheid ontstaat er ruimte voor werkelijke oprechtheid: zij maakt verbinding met je diepste zijn, en met God. Tot inkeer komen, is spirituele oprechtheid nastreven.

Van daaruit kan bekering ontstaan. Dat is gelouterd een nieuwe weg inslaan: het rechte, rechtvaardige pad van de Heer kiezen. De Heer weerlegt de verwijten van zijn Volk dat Hij onrechtvaardig zou zijn en legt de vinger op de wonde in de eerste lezing van deze zondag: “Ben Ik het die onrechtvaardig is? Gaan júllie niet eerder onrechtvaardige wegen?” (Ezechiël 18, 25b) De duistere kronkelpaden zijn niet van de Heer. Jezus bevestigt Gods goedheid, oprechtheid en rechtvaardigheid: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” (Johannes 14, 6) Die weg zal recht zijn en geëffend, dat kondigt Jesaja al aan. (Matteüs 3, 3 – Jesaja 40, 3) Welnu, als volgelingen van Christus zijn het onze daden, geïnspireerd op innerlijke oprechtheid, die de weg effenen. Het komend Rijk begint nu al, langs onze levenswandel, wanneer wij bouwen aan de weg, voor de Heer en voor elkaar. (Jesaja 43, 18-19)

De nieuwe weg inslaan, de paden van de Heer kiezen, dat is de ommekeer. Het is de daad bij het Woord voegen. We kunnen ons de vraag stellen of dit één moment in het leven betreft: een keerpunt, voor eens en voor altijd. Misschien bedoelen Jesaja en Johannes een allesbepalend ogenblik van inzicht, zoals Amazing Grace bezingt: ‘ooit was ik verloren, maar nu ben ik gevonden’ (‘I once was lost, but now I'm found’). Of gaat het eerder over een terugkerend fenomeen, wanneer we merken dat we van de juiste weg zijn afgedwaald? Mogelijks zijn ze allebei van tel: we zijn mensen met gaven en gebreken. We trachten en proberen, maar slagen niet altijd.

Gezindheid

Paulus wordt geconfronteerd met de ‘kinderziekten’ van de eerste christelijke gemeenschappen en omschrijft hoe de ideale (volmaakte) geloofsgemeenschap hoort te leven in de gezindheid van Christus Jezus. (Filippenzen 2, 2 en 5) Dit maakt zich kenbaar in eensgezindheid: “één in liefde, één in streven, één in geest”. (Filippenzen 2, 2) Het vertaalt zich in concrete handelingen, vrij van geldingsdrang of eigenwaan, waarbij de ander steeds belangrijker wordt geacht dan jezelf. (Filippenzen 2, 3) Dat Jezus Christus de maatstaf is, beklemtoont Paulus nogmaals in de daarop volgende lofrede. (meer hierover in een vorige bijdrage: klik hier)

Foert

Het gaat over een belangrijke onderwerp, en dat betekent bij Jezus doorgaans: tijd voor een parabel. Een man vraagt aan zijn zoon: “Ga vandaag werken in mijn wijngaard.” De zoon heeft absoluut geen zin en zegt dat ook tegen zijn vader. Uiteindelijk bedenkt hij zich echter en gaat hij toch werken. (Matteüs 21, 28-29) 

Tegen de andere zoon zegt de vader precies hetzelfde. Die antwoordt braafjes: “Ja, vader”, maar hij gaat niet naar de wijngaard. Ook hij heeft geen zin om te gaan werken, en hij blijft ook gewoon thuis. (Matteüs 21, 30) “Foert met je wijngaard!”, zal de tweede zoon gedacht hebben. Wellicht is hij wat verwaand en verwend, maar daar gaat Jezus niet op in. Hij laat het aan de toehoorders over om door te denken. Hij stelt de vraag: “Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan? (Matteüs 21, 31)

Heel eenvoudig

Het antwoord ligt voor de hand. De vraag is werkelijk té gemakkelijk. Maar daarom juist stelt Jezus deze vraag: omdat het antwoord evident is voor iedereen: er is geen enkele twijfel mogelijk. Zo werkt een parabel: een heel eenvoudig verhaal vertelt een diepe, schijnbaar complexe boodschap. In dit geval vestigt Jezus onze aandacht op een fundamentele keuze aan het Volk van God. Wil je in de wijngaard van de Heer werken of hou je de schijn op maar doe je eigenlijk niets wezenlijks? Misschien ervaar je weerstand in jezelf om je geloof in daden om te zetten, om je ten volle te engageren. Dat geeft niet. Wat echt van belang is, dat is wat je uiteindelijk doét. Breng je goede vruchten voort?

Welnu, de Schriftgeleerden en farizeeën zijn vooral bezig met hun prestige, macht en aanzien. Zij dragen niets bij in Gods wijngaard, integendeel. Ze werken voor eigen rekening en willen hun privileges veilig stellen. Johannes heeft het volk opgeroepen om de wil van de Vader te volbrengen door tot inkeer te komen. De hogepriesters en de oudsten zijn niet tot inkeer gekomen toen ze hem hoorden spreken. Tollenaars en zondaars daarentegen hebben Johannes wel geloofd en kwamen tot inkeer. (Matteüs 3, 1-10 en 21, 32)

Gesloten

Zij die de Schrift tot de kleinste detail bestuderen, die de aankondiging van de profeet Jesaja hebben gelezen en de waarschuwingen bij de profeet Ezechiël: ze begrijpen Johannes de Doper niet. Hun ogen blijven gesloten voor zijn voorspelling, hun oren horen het niet. Ze zijn met uiterlijkheden bezig: controleren of iedereen allerlei regels nauwkeurig onderhoudt, zich laten groeten op straat en zich laten bewonderen door de mensen.

De Schriftgeleerden en farizeeën hebben geen tijd en geen aandacht voor de woorden van Johannes de Doper. Het past niet in hun kraam. Wanneer Jezus in zijn verkondiging nog feller tegen hun gezag in gaat, schenken ze er wel aandacht aan: Hij vormt immers een bedreiging. Eigenlijk horen ze van Johannes de Doper al waar het op staat: “De bijl ligt al aan de wortel van de boom”. (Matteüs 3, 7-12) Zelfs wanneer tollenaars en zondaars zich bekeren, komen de Schriftgeleerden en farizeeën niet tot inkeer. (Matteüs 21, 32) Stuitend, toch? En Jezus vraagt: “Wie heeft nu de wil van zijn Vader gedaan?” 

Allemaal

Laten we vooral niet te zelfgenoegzaam toekijken hoe de farizeeën nog maar eens in de fout gaan en Jezus’ Boodschap niet begrijpen. Jezus hekelt juist de pretentieuze uitlachcultuur. Aan ieder van ons stelt Jezus dezelfde vraag als aan de farizeeën. Doen wij de wil van de Vader? 

We hoeven onszelf nu ook geen schuldcomplex aan te praten. Dat heeft Jezus ook niet gewild. Dan ligt de haarkloverij weer op de loer die de kern van de Boodschap in de weg staat. Laten we tijd maken om onszelf in vraag te stellen en na te gaan of we op de goede weg zijn en de wil van de Vader volbrengen.

En nu?

We kunnen ons de vraag stellen of de Kerk de wil van de Vader heeft gedaan door misbruik niet ernstig genoeg te nemen en te verdoezelen. Waren de verantwoordelijken van onze Kerk op de wijngaard aan het werken toen ze de aanklachten van de slachtoffers afwimpelden in het belang van de goede naam van het instituut? Wanneer priesters, paters, broeders, zusters, medewerkers zich lieten groeten op straat en respect en ontzag opeisten tot ver voorbij de grens van de schande: waren zij dan Gods wijngaard aan het bewerken? Ook hier ligt het antwoord helaas voor de hand. We mogen teleurgesteld en boos zijn hierover. Het is immers de kernopdracht van de Kerk om Christus centraal te stellen en met Hem ook zijn Boodschap van oprechte, authentieke liefde voor de naasten en voor God. Alles begint met inkeer, ook voor de Kerk. Paulus zei dat al onomwonden in de vroegste gemeenschap, waar het ook niet altijd suiker en zeem was.

Wanneer zusters, broeders en paters werken van vroeg tot laat hebben gezorgd - en nog zorgen - voor zieken, bejaarden, kinderen en wezen, dan krijgen ranken mooie vruchten op de wijngaard van de Vader. Wanneer priesters en diakens mensen in geloof samen brachten - en ook nu samen brengen - en ieder uur van de dag klaar staan om de mensen bij te staan en te helpen, dan bloeit de wijngaard. Wanneer aangestelde, gezonden leken en enthousiaste vrijwilligers hun best doen om de geloofsgemeenschap te inspireren in verenigingen, in gebed, in zorg en in liefdadigheid: dan is de Vader trots op zijn wijngaard. We mogen de bewonderenswaardige traditie van christelijk engagement niet vergeten. Laat ons daar inspiratie uit putten om zelf mee te bouwen aan de Kerk, de wijngaard van de Heer.

De beeldspraak van de wijngaard wordt volgende week verder uitgediept...