Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label Volk Gods. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Volk Gods. Alle posts tonen

17 november 2025

Christus Koning: de verhevenheid van de vergeving (22-23 november 2025)

Christus Koning sluit het kerkelijk jaar af. Volgende week begint met de advent een nieuw liturgisch jaar. We eindigen met een orgelpunt: Christus wordt gevierd als de Koning van hemel en aarde, van al wat is. Hij is door de Vader naar de aarde gezonden om het Volk van God weer in de armen te sluiten in een Nieuw Verbond.

Verbinding verbroken

Jezus Christus is de Allerhoogste: “Oorsprong is Hij, eerstgeborene uit de dood, om in alles de hoogste te zijn: in Hem heeft heel de volheid willen wonen.” (Kolossenzen 1, 18bcd-19) Hij is ons ideaalbeeld, ons Goddelijk voorbeeld, door de Vader naar de aarde gezonden om het Volk met Zich te verzoenen. Duidelijker kan God niet meer worden, met zijn Volk onderweg. Want het oude Verbond is verwaterd

We krijgen een nieuwe kans van God. De Schrift is een lange historiek van God die verbinding zoekt met zijn Schepping enerzijds en de mensen die telkens weer zijn gulheid met de beste bedoelingen beantwoorden, maar later toch weer verzanden in eigenbelang anderzijds. De trouw van Gods Volk is de achilleshiel. Keer op keer stellen de mensen zich gaandeweg andere prioriteiten. Ze ontdekken snel geluk en ze zien de illusie ervan niet in. Ze willen zichzelf op de eerste plaats zetten en beseffen niet dat hun kracht slechts sporadisch zal volstaan. 

Het Verbond dat ooit in de woestijn werd gesloten, is teniet gedaan. Bij monde van profeten als Jesaja en Jeremia heeft de Heer zijn Volk kwaad toegesproken, maar ook een nieuw begin aangekondigd. Dat komt in Jezus, zijn eniggeboren Zoon: “door Hem en voor Hem (heeft Hij) alles met zich willen verzoenen, alles op aarde en alles in de hemel.” (Kolossenzen 1, 20ab) God blinkt werkelijk uit in vergevingsgezindheid, meer dan een mens ooit zal kunnen opbrengen.

Kruis

De ultieme verzoening is gekomen: langs het Lam dat geslacht is om het kwaad van de wereld te dragen. Verheven aan het kruis strekt Hij zijn armen uit over alle mensen. Een Nieuw Verbond wordt gesloten. Boven Hem wordt een opschrift aangebracht: ‘Dit is de koning van de Joden’. (Lucas 23, 38) Waar komt die titel toch vandaan? Waarom wordt Hij als koning gekruisigd? 

Slechts één van de twee misdadigers die met Hem zijn gekruisigd, erkent Hem als zijn Redder. Hij zegt tegen de gekruisigde Heer: “Jezus, denk aan mij wanneer U in uw koninkrijk komt.” En Jezus antwoordt: “Ik verzeker je: nog vandaag zul je met Mij in het paradijs zijn.” (Lucas 23, 42-43) De misdadiger, die in de schuld staat bij de hemelse Vader, ontvangt vergiffenis, omwille van zijn berouw en zijn geloof. Vandaag nog, niet in een verre toekomst.

Koninkrijk

Pilatus vraagt aan Jezus: “Bent U de koning van de Joden?” Jezus antwoordt: “Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Mijn koninkrijk is niet van hier.” (Johannes 18, 36ad) Het spottende opschrift wordt een heilige titel, de vernederende straf wordt een Overwinning, want Jezus Christus ís de Koning van het Heelal.

Hij bezit absoluut geen koningschap zoals een aardse vorst: zijn koningschap is er niet mee te vergelijken. Wat het betekent is voor ons, mensen, amper voor te stellen. Dit is geen  politieke maar spirituele opdracht: Hij vult zijn Rijk met liefde en gerechtigheid en dat Rijk is al komende. Een Rijk dat gefundeerd is op vergeving en genade, op gulheid en hartelijkheid. Op God zelf. Dit koningschap is hemels van oorsprong en haar taak bestaat uit genade.

Eeuwfeest

100 jaar geleden is het hoogfeest van Christus Koning ingesteld door paus Pius XI, in 1925. Het benadrukt de allesomvattende betekenis van het koningschap van Christus over mens en wereld. Het concept is dus vrij recent, al heeft het uiteraard veel wortels in de traditie en in de Schrift. ‘De Allerhoogste’, zo bezingen we Christus in het ‘Eer aan God’. 

In het boek Openbaring krijgt Hij de naam ‘hoogste Heer en koning’. (Apokalyps 19, 16b) “Jezus Christus (is) de betrouwbare getuige, de eerstgeborene uit de dood, de heerser over de vorsten van de aarde.” (Apokalyps 1, 5a) Het koningschap van Christus is onlosmakelijk verbonden met zijn belofte van het Rijk Gods waar wij hartelijk toe worden uitgenodigd: Christus heeft “een koninkrijk uit ons gevormd en ons gemaakt tot priesters voor God, zijn Vader. Aan Hem komt de eer toe en de macht, tot in eeuwigheid.” (Apokalyps 1, 6)

Uitnodiging

Als de Koning ons met vergeving tegemoet komt, als zijn Troon gebouwd is op Liefde, dan kunnen wij haast niet anders dan deelnemen aan deze Goddelijke goedheid, die ons hier op aarde verheft tot mensen van God. 

Vergeving is wellicht één van de moeilijkste opdrachten doorheen ons mensenleven. De verhevenheid bestaat erin dat we de moeite doen om ons tot Hem te richten en niet voor het oppervlakkig gemak en zelfzuchtige gewoonte te kiezen. Daartoe nodigt de Koning ons uit: God en elkaar lief te hebben. Vergiffenis is de sleutel daartoe.

Graag wens ik ieder van jullie een zalig liturgisch eindejaar toe, en een hoopvolle en liefdevolle advent.

09 juli 2024

Dank U wel (13-14 juli 2024)

Amos is geen broodprofeet, die geld verdient met lauwe religieuze praatjes die passen in het kraam van de koning. Een eenvoudige schapenfokker en vijgenteler uit Tekoa in het Zuidrijk Juda wordt door de Heer naar Betel gezonden, het religieuze centrum in het Noordrijk Israël op dat ogenblik, om de wantoestanden daar aan te klagen. Hij treft er huichelarij aan, oneerlijkheid, en een grenzeloze ondankbaarheid naar God. Later zal Jezus op aarde verkondigen in soortgelijke omstandigheden. Mensen vergeten het verleden gauw. Een samenleving heeft weinig aanleg tot het behouden van een wijze en verstandige levensstijl. Dat is van alle tijden. Helaas.

Pijnlijke val

In zijn klaaglied over het volk spreekt Amos vlijmscherp: ‘Ze is gevallen, vrouwe Israël, ze zal niet meer opstaan’ (Amos 5, 2a) De teerling lijkt al geworpen, het is al te laat. Of toch niet? ‘Zoek de Heer en leef!’, roept Amos het volk als laatste waarschuwing toe. De gerechtigheid, die zo belangrijk is in Gods ogen, wordt met de voeten getreden, verafschuwd zelfs. (Amos 5, 7) ‘Jullie haten hen die in de poort het recht verdedigen, jullie verafschuwen hen die de waarheid spreken. Jullie vertrappelen de zwakken en eisen een deel van hun graan op.’ (Amos 5, 10-11) De Heer is bij monde van Amos niet mals voor de machtsdragers van Israël. En terecht, zo blijkt.

‘Jullie liggen maar op je ivoren bedden, hangen op je divans, eten lammeren uit de kudde en kalveren uit de stal. Luidkeels zingen jullie bij de harp, en jullie denken te spelen als David zelf.’ (Amos 6, 4-5) Daarmee wordt een gevoelige spreekwoordelijke snaar geraakt. Ze wanen zich David, de grote koning. Verblind door hoogheidswaanzin, rotverwend en vol van gemakzucht, modderen ze maar wat aan en kijken ze zelfvoldaan weg van de problemen. ‘Uit grote schalen drinken jullie wijn en met de beste olie wrijven jullie je in, maar dat Jozefs volk ten onder gaat, dat deert jullie niet.’ Het klinkt allemaal erg zorgelijk.

Bescherming

Het contrast met Davids uiting van dankbaarheid is inderdaad groot (Psalm 139): ‘U hebt mij geschapen en U blijft mij steeds nabij. Alles  wat U doet, is wonderlijk.’ David ervaart God bij zich, naast zich, vóór en achter zich, boven zich. Hij leeft onder Gods bescherming en is zich daar heel bewust bij het zingen van deze psalm.

Welnu, die bescherming van de Heer zal wegvallen, zo kondigt Amos aan. Het Volk zal weldra ondergeschikt worden aan andere heersers. Weg vrijheid, weg vrede, weg zelfbeschikking. Wel luxe en profitariaat ook. Wanneer alles goed gaat, wanneer er welvaart en vrede heerst, dan wordt er door velen geleefd alsof dat allemaal vanzelfsprekend is. Veel mensen lijken hun dankbaarheid maar terug te vinden wanneer ze in onzekerheid terechtkomen. Dan beseft men hoe goed men het heeft gehad. Het is één van onze kleine kantjes, ook nu.

Hebberigheid

Het gaat niet goed met vrouwe Israël, zo blijkt. ‘Huizen van steen hebben jullie gebouwd, maar je zult er niet in wonen’, waarschuwt Amos veelzeggend. (Amos 5, 11b) De huizen zijn immers met steekpenningen en onrechtvaardigheid betaald. Het is een kwade tijd en dat blijft niet onbestraft. (Amos 9, 12-14)

Toch komt de dag dat God het vervallen huis van David zal herbouwen (Amos 9, 11) Maar ook dan zullen de politieke en religieuze heersers God niet herkennen en erkennen, zo weten wij van aan de overzijde van Jezus' komst op aarde. Het blijkt een rode draad te zijn doorheen de heilsgeschiedenis. ‘Dankbaarheid is een bloemke dat in weinig hoven bloeit’, schreef Guido Gezelle. God wordt meer dan eens geconfronteerd met de ondankbaarheid van zijn Volk.

Dankbaarheid

Dankbaarheid is ten diepste een blijk van erkentelijkheid. Naar God toe houdt dat in dat Hij als Ander, als Meerdere erkend wordt en dat zijn eindeloze genade met dankbaarheid beantwoord wordt. Daar faalt het Volk van God grandioos in. God lijkt niet meer te bestaan in de gedachten van de mensen ten tijde van Amos. Sterker nog: Amasja, de priester van Betel, ergert zich aan Amos en stuurt hem weg, terwijl Amos door God is gezonden! Zijn woorden overtuigen de mensen en de koning zou in een slecht daglicht kunnen komen. Waar liggen de prioriteiten van Amasja dan? De straf voor dit alles zal de altaren van Betel treffen. (Amos 3, 14b) De verstrengeling van wereldlijke en spirituele macht zal wel vaker voor wantoestanden zorgen.

Genade valt in dorre aarde bij sommigen, maar niet bij iedereen. ‘In liefde heeft Hij ons voorbestemd om door Jezus Christus zijn kinderen te worden.’ (Efeziërs 1, 5) Geen land is voorbestemd in dit nieuwe tijdperk, geen domein, maar een innige familieband: kinderen van de Vader worden we, waar ook ter wereld, in verbondenheid langs zijn heilige Geest. (Efeziërs 1, 13)

Geen grond

Jezus predikt onderweg. Hij heeft geen eigen synagoge of tempel. De sedentaire invulling van godsdienst blijkt voor wantoestanden te zorgen. Het Volk kan er niet mee overweg. Jezus heeft het Woord als tempel. Zijn leerlingen zendt Hij twee aan twee. Onderweg hebben ze geen reiszak mee, geen geld, geen brood, geen extra kleren, enkel sandalen aan hun voeten en een stok om te wandelen. (Marcus 6, 7) Wanneer iemand hen niet wil ontvangen en niet naar hen wil luisteren, dan moeten ze gewoon verder gaan. “Schud het stof van je voeten als getuigenis tegen hen.” (Marcus 6, 11) 

Niet de aarde, niet het terrein moet herwonnen worden, maar wel de mensen van goede wil. De stoffige aarde in hun sandalen is immers niets waard. Wie niet open staat voor de Boodschap mag het stof houden. Het Nieuwe Verbond is een geestelijke verzoening. Het geloof zet een belangrijke stap vooruit: we zijn verbonden met God langs de heilige Geest. Dit is een spiritueel verbond dat het materiële verbond van in steen gegrifte geboden overstijgt. Het Volk Gods is voor altijd op weg. Met Hem. En vóór alles dankbaar om zijn genade. Het Nieuwe Verbond is ‘neo-nomadisch’ van aard, zouden we kunnen stellen. Terug naar het begin, naar een Volk onderweg. Maar zijn wij daar al aan toe inmiddels?

Zo komen we tot een belangrijk beginsel van ons geloof. In essentie is geloven in God een ingesteldheid, een grondhouding. Gebouwen zijn bijkomstig. God woont niet in stenen. Wel woont hij in de harten van de mensen die tussen die stenen samenkomen om te bidden, de danken, te vieren. 

05 oktober 2023

De wijngaardvariaties (7-8 oktober 2023)

De wijngaard is een beeldspraak waarmee de trouw en de liefde voor God meer dan eens worden verhaald. De Goddelijke grond heeft alles in zich om geloof te doen groeien en bloeien. Het is een kwestie van openstaan voor deze overvloedige gave van Liefde en ze te beantwoorden met dankbare trouw. Geen diepe tekstanalyse deze week, geen Griekse woorden, geen kernwoorden in het vet, maar een ontdekkende, bezinnende promenade van woordschilderijen. We maken in de lezingen van vorige en deze week immers een religieuze wandeling langs enkele sprekende beelden van wijngaarden. Ik wil je graag uitnodigen om me te vergezellen.

Voor de lezingen van deze zondag: klik hier

Een lied: de verloren oogst

We beginnen bij de profeet Jesaja in de eerste lezing van deze week. Hij zingt een lied voor zijn Vriend en Diens wijngaard (Jesaja 5, 1-7). Zijn vriend is God, dat spreekt voor zich. De wijngaard is het Beloofde Land waar het Volk Gods heen is gebracht doorheen de woestijn. 

Jesaja zingt dat zijn Vriend een wijngaard had op een vruchtbare helling. Hij maakte de grond klaar, haalde de stenen uit de aarde en plantte een edele druivensoort: alleen het beste was goed genoeg voor zijn wijngaard.  Hij bouwde een uitkijktoren en hakte een perskuip uit stenen. Alle voorbereidingen waren getroffen. Hij verwachtte een overvloedige oogst van rijpe druiven. De teleurstelling was groot: Hij kreeg alleen wilde, wrange vruchten. Wat had Hij nog meer kunnen doen? De fout lag niet bij Hem. De druivelaars groeiden niet en deden niet wat God hen gevraagd heeft.

In de tweede strofe bezingt Jesaja de gevolgen van wat gebeurd is. De wijngaard heeft geen druiven voortgebracht en dus neemt Jesaja's Vriend de omheining weg zodat de grond kaalgevreten of platgebrand kan worden. Ook maakt Hij de muren stuk, zodat de gaard plat getrappeld kan worden. Hij snoeit er niet meer in. Waarom zou Hij? De distels en doorns hebben vrij spel en de grond verwildert. En de wolken, die hoeven er niet meer op te komen regenen. 

Die wijngaard, zo zingt Jesaja, dat is Israëls huis: in ballingschap gestuurd, overrompeld door andere heersers en onderling verdeeld. Waren ze maar trouw gebleven aan de Heer, hadden ze maar naar zijn Woord geluisterd en zijn geboden in hun hart gedragen. Die wijngaard, dat zijn ook wij: onzeker, falend bij momenten, zelfingenomen en selectief in ons geloof.

Een kortverhaal: de zonen van de wijngaardenier

Mag ik vragen om me te vergezellen naar een intermezzo? Het is een korte vertelling: enkele zinnen, meer niet. Vorige zondag vertelt Jezus in het evangelie een parabel, een kortverhaal. (Matteüs 21, 28-32) Met weinig woorden wordt echter heel veel gezegd. Daar is Jezus goed in. 

Een vader vraagt zijn twee zonen om in zijn wijngaard te gaan werken. De eerste zoon zegt dat hij geen zin heeft. Daarmee kwetst hij zijn vader. Hij bedenkt zich, hij heeft spijt van zijn botte afwijzing en gaat uiteindelijk toch naar de wijngaard om te doen wat zijn vader hem heeft gevraagd. De tweede zoon zegt met gestreken gezicht dat hij er zeker heen zal gaan, wat zijn vader blij stemt. Deze zoon blijft echter thuis en doet waar hij zelf zin in heeft. 

Wie heeft nu de wil van de vader gedaan? Doen de farizeeën de wil van de Vader wanneer ze pretenderen in Hem te geloven en zijn geboden na te leven, maar in de praktijk enkel in zichzelf te geloven en eer en ontzag te betrachten bij de mensen? Zijn wij jaloers wanneer mensen kwaad hebben gedaan, maar in een keerpunt in hun leven een nieuwe kans vragen bij God? Gunnen we de anderen dat? En wat te denken van het Kerkelijk instituut dat de schijn van een goede naam belangrijker vindt dan rechtvaardigheid? Weinig woorden kunnen soms heel veel zeggen.

Een kostuumdrama: bloedbad op de wijngaard

Weinig parabels zijn zo bloederig als het verhaal van de kwaadaardige wijnbouwers. (Matteüs 21, 33-43) Veel elementen komen samen in deze tragedie: verbroken vertrouwen, onrecht, samenzwering, geweld en moord.

Een landeigenaar maakt zijn grond gebruiksklaar als wijngaard om die te verpachten. Het is onmogelijk om de verwijzing naar Jesaja niet op te merken: er wordt een omheining gemaakt, een uitkijktoren gebouwd en een wijnpers.

De eigenaar verpacht de wijngaard en vertrekt op reis. Wanneer hij drie van zijn knechten naar de pachters stuurt om zijn oogst in ontvangst te nemen, worden die hard aangepakt: één knecht wordt mishandeld, één vermoord en één wordt gestenigd. Hoe verontwaardigd moet de eigenaar geweest zijn? Waar heeft hij dit verdiend? Hij stuurt een grotere groep knechten, maar ook hen ontzien de pachters niet. Ook zij worden mishandeld of vermoord. De man heeft zijn wijngaard aan een stel meedogenloze schurken verhuurd, zoveel is duidelijk. 

Uiteindelijk zendt de eigenaar zijn eigen zoon naar de wijngaard, zijn eigen bloed. Hij gaat er van uit dat ze hem niet zullen doden, maar dat is een zware vergissing van de eigenaar. De barbaren doden hem genadeloos. De vader verliest ook zijn zoon aan zinloos en brutaal geweld.

De toehoorders hebben zich ingeleefd in het verhaal van Jezus. Hij vraagt hun inbreng: "Wat moet de eigenaar met de wijnbouwers doen?" Emotioneel antwoorden ze dat de eigenaar de pachters een ellendige dood moet laten sterven. De toehoorders denken dat ze een rechtschapen oordeel vellen. Dat is ook zo. Maar eigenlijk veroordelen ze vooral zichzelf in hun uiterlijke ijver. Ze vallen in de kuil die ze voor een ander denken te graven.

Het verhaal voorspelt uiteraard hoe de geloofsgezanten Jezus zullen laten arresteren en vermoorden: de Zoon van God. Het verhaal vertelt echter ook over de mogelijkheid tot barbaarsheid die in elk van ons schuilt. Het waren geen holbewoners die 6 miljoen joden hebben vermoord in concentratiekampen. Het waren grotendeels mensen die een christelijke opvoeding hadden genoten. En dat soort onmenselijkheid bestaat nog steeds, helaas, soms zelfs met de steun van christelijke leiders.

Graven we nog wat dieper, dan merken we dat Jezus met dit verhaal iedere volgeling wil oproepen om de Boodschap te verinnerlijken. Uiterlijke schijn is slechts zinloze leegte. God hoopt op onze goede vruchten. Jesaja vertelt er over, en Jezus geeft in een 'remake' een even toepasselijke waarschuwing. Ook het verhaal over de zonen sluit aan bij deze boodschap.

Een beeldspraak: jullie zijn de ranken

Tot slot neem ik je graag nog mee naar een kleine beeldspraak die in deze periode niet wordt voorgelezen, maar die in deze gaanderij zeker niet mag ontbreken. Geen gesloten verhaal uit een andere tijd dit keer, maar een eenvoudige vergelijking tussen een beeld en de realiteit van ieder van ons. Jezus staat dicht bij ons met dit verhaal, en ook in dit verhaal. (Johannes 15, 1-8) 

Hij noemt zichzelf ben de wijnstok en zijn Vader is de wijnbouwer. En wij, wij zijn de ranken. Als we goede vruchten dragen door de zorg van de wijngaardenier dankbaar aan te nemen en de kracht en voeding van de wijnstok toe te eigenen tot diep in ons hart, dan zullen we van deze genade mogen blijven ontvangen, zoveel als we nodig hebben. Wie dat niet doet, zal verdorren en weggegooid worden. 

Coda

En daarmee besluiten we de wandeling over geloof, over keuze, over engagement. Wil je geloven? Wil je God eren? Beleef dan je geloof van binnenuit en hou je ver weg van eigen roem en uiterlijk vertoon. Geloof mag geen 'cérémonie protocolaire' zijn: geen verzameling van inhoudsloze minutieuze regeltjes die als enig doel hebben zichzelf in stand te houden en God en de geloofsinhoud te willen controleren en manipuleren. 

Veeg dus je hart grondig schoon met de bezem van de radicale Liefde van God, telkens opnieuw: zonder zelfmedelijden, en vooral grondig en kritisch. Dat zelfinzicht komt niet vanzelf. Het vraagt om gebed en meditatie: tot de kern komen, weg van de afleidingen en het ruis van elke dag. Langs gebed en meditatie ontvangen we voeding van God, zoals een druif zich voedt aan de wijnstok en aan de grond. De levensenergie, de spirituele voeding komt altijd tot ons, maar vooral wanneer we ons er bewust voor openstellen. 

Hiermee stuur ik jou - maar mezelf even goed - op weg. Maak wat van je leven, elke dag!

23 juni 2023

"Daar heb je Jeremia, de drama queen!" (24-25 juni 2023)

Jeremia is niet populair in zijn omgeving. Hij wordt nageroepen. Ze noemen hem spottend “Overal paniek!” (Jeremia 20, 10) Ze lachen hem uit, ze bespotten hem. Het liefst willen ze hem pakken op een fout of een verspreking. Dan hebben ze een aanleiding om hem te grazen te nemen en ten val te brengen.


Pestgedrag

Sarcasme en pestgedrag zijn helaas van alle tijden. Dit gaat steevast gepaard met manipulatie van de feiten. Men verdraait de feiten en dikt ze aan tot een voldoende sterk argument. Daarbij wordt eigen wangedrag niet zelden geprojecteerd op de ander. Het is de ander die liegt en onzin uitkraamt, de ander is overdramatisch, kortom: alle schuld ligt bij de ander. Dan klinkt de waarheid ineens niet meer zo overtuigend. Het is een sociaal fenomeen dat volwassenen tot grote kinderen herleidt. De groep voelt zich sterk tegen de geviseerde enkeling.

Dit is typisch voor collectief narcisme: een groep voelt zich verheven boven de rest en legt anderen het zwijgen op. En alleen de groep heeft gelijk. Wanneer dat gelijk wordt tegengesproken of zelfs onvoldoende wordt bevestigd, is men tot groot kwaad in staat. Mensen doen mekaar graag de duvel aan uit eigenbelang. Ook in onze dagen bestaat dit fenomeen helaas. Het is nooit ver weg. Ook de hedendaagse maatschappelijke polarisatie verloopt volgens dit aloude boekje.

Niet populair

Jeremia voelt zich weliswaar geviseerd, maar in geen geval zwak. Hij heeft God aan zijn zijde. Wat hij zegt, is waar. Men wil het niet graag horen, het is niet stoer of populair. De dag komt dat ze beschaamd zullen staan. Hun doel zullen ze niet bereiken. (Jeremia 20, 11b) Jeremia bezingt de Heer, hij looft de Heer, omdat Hij hem redt, telkens weer. (Jeremia 20, 12) Dat moet vreselijk jeuken bij zijn tegenstanders.

Overdrijft Jeremia, zoals zijn opponenten beweren? Hij werd door priester Paschur veroordeeld tot stokslagen en opsluiting. (Jeremia 20, 2) Zelfs zijn vrienden keren zich tegen hem. (Jeremia 20, 10) Hij overdrijft dus niet wanneer hij de agressie aanklaagt. Hij betreurt dat de mensen God zijn vergeten, dat ze willen naar hun eigen regels. (Jeremia 18, 2) Ze branden wierook voor goden die niets waard zijn en waar ze eertijds tevergeefs op hadden vertrouwd. (Jeremia 18, 15ab) God begrijpt het niet, Jeremia evenmin.

Party pooper

Waar komt de ergernis bij de mensen vandaan? Jeremia is de boodschapper van Gods verontwaardiging en kwaadheid. Het volk is vol van zichzelf en stoort zich mateloos aan Jeremia’s aanhoudende aanklacht. Er wordt geschoten op de pianist, op de boodschapper. Jeremia is een ‘party pooper’: hij bederft de feestvreugde. Men beslist om niet langer te luisteren naar zijn woorden en om hem in opspraak te brengen. (Jeremia 18, 18c) Dat werkt altijd: geroddel en propaganda.

Is er dan zoveel reden tot feesten en eigendunk? Het lijkt eerder een vlucht. Het bredere plaatje is niet mooi. Het Noordrijk Israël is al lang gevallen. Het Zuidrijk Juda zal weldra volgen. Het land is dor en droog, de regen blijft uit en water is een kostbaar goed geworden. Het volk loopt rouwend met het hoofd naar beneden gericht. (Jeremia 13-14) Ze beroepen zich radeloos op alle mogelijke machten en krachten, terwijl het antwoord zo dicht bij hen is.

Jeremia is kwaad. Het uitverkoren Volk is hun God helemaal vergeten. Alles wat Hij voor hen heeft gedaan, de raad die Hij hun heeft gegeven: het is verleden, voorbij, vergeten. Ze doen maar raak. Jeremia doet wat een profeet hoort te doen: hij waarschuwt, hij verkondigt, hij klaagt aan en wijst de andere kant uit.

Tevergeefs

Ze noemen hem min of meer een ‘drama queen’. Hij doet veel te gewichtig, hij blijft maar roepen, tegen beter weten in. De traditie wil dat hij gestenigd is door de mensen, die zijn aanklachten moe gehoord waren, na de val van Jeruzalem onder Nebukadnezar (586 vóór Christus), ergens weggevlucht, in Egypte. Hij had zolang gewaarschuwd dat het verkeerd zou aflopen. Niemand had geluisterd. En zelfs na de val van de heilige Stad had men geen oren naar zijn boodschap.

Het is een verhaal van een koppig volk dat geen oren heeft naar een koppige profeet die blijft waarschuwen. Het is de historie van donkere dagen en van iemand die tevergeefs wijst naar het licht. Het is een geschiedenis van God met mensen, die telkens weer van het paadje afwijken, hooghartig en eigengereid als we zijn.

Streng, barmhartig en wijs

En toch… Jezus waarschuwt dat iedereen die Hem verloochent, door Hem bij zijn Vader verloochend zal worden. (Matteüs 10, 33) Petrus zal Jezus tot driemaal toe verloochenen, al meteen nadat Jezus is gearresteerd, bij het eerste stroobreed dat hem in de weg gelegd wordt. (Matteüs 26, 69-74 – Marcus 14, 66-72 – Lucas 22, 55-62 – Johannes 18, 15-27) Het staat bij de vier evangelisten vermeld, er valt niet aan te twijfelen. En toch zal God in zijn wijsheid diezelfde Petrus kort nadien aanstellen als het hoofd van zijn Kerk, zoals al werd voorspeld. (Johannes 21, 15-18 – Matteüs 16, 18-19)

De Goddelijke wijsheid gaat ons verstand te boven, telkens opnieuw. Waarom blijft God met ons op weg gaan? Waarom worden mensen aangesteld om taken op te nemen in de Kerk? Omdat God het zo gewild heeft. Zwakke, wankele, afwijkende, onstandvastige mensen. Want er zijn geen andere in de realiteit. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Dat heeft Jeremia ervaren, dat heeft Petrus moeten aanvaarden en ook wij kunnen enkel ons best doen, niets meer, maar liefst ook niets minder. Gelukkig handelt Jezus milder dan Hij waarschuwt...

23 april 2021

Vierde zondag van Pasen: Wie we zijn en hoe we beschouwd worden (24-25 april 2021)

Uit de eerste Johannesbrief wordt komende zondag een fragment gelezen dat gaat over christelijke identiteit. Wie zijn wij? Hoe worden we genoemd? “De wereld begrijpt ons niet en ze kent ons niet, omdat zij Hem niet heeft erkend.”, horen we in de vertaling die wordt voorgelezen. Heel dicht bij de Griekse tekst luidt het: “De wereld kent ons niet omdat ze Hem niet heeft gekend.” Hiermee worden twee interessante thema’s in evenveel verzen verpakt: de eigen identiteit en de verhouding tot de anderen.

  • Voor de lezingen van de vierde zondag van Pasen: klik hier.

Kinderen van God zijn

Wie zijn wij dan, volgens ons geloof? “We worden kinderen van God genoemd en dat zijn we ook”, schrijft Johannes met klem (1 Johannes 3, 1b). We hebben een naam gekregen en meteen ook de bijhorende identiteit ontvangen van God zelf. Dit is weliswaar geen verworven recht, maar genade: het is een Godsgeschenk dat we uit liefde ontvangen. We zijn deelachtig aan Gods grenzeloze liefde en mogen deze liefde ook delen met elkaar. Daarom noemt Johannes de lezers ook “agapètoi” of “geliefden”, of in een zwakkere vertaling: “vrienden”.

Omdat we kinderen van God zijn - “tekna thèou” in het Grieks -, is God onze Vader. Daar gaat het kind-zijn in wezen over. Het betekent niet dat we onvolwassen of hulpeloze "kindertjes" zouden zijn. De Vader en de Zoon hebben de volgelingen van Jezus als het ware geadopteerd en die beweging gaat doorheen de tijd onophoudelijk verder. Het is bovendien in de eerste plaats een gemeenschappelijke adoptie. We mogen ons rekenen tot het Volk Gods. De christelijke identiteit, het kind-van-God-zijn, is niet in de eerste plaats een individuele titel, maar een gedeelde. In navolging van Gods Zoon, die op aarde heeft geleefd, verkondigd en geleden, mogen ook wij God onze Vader noemen. Jezus noemde God “zijn Vader”, wij noemen Hem “onze Vader”. Daarin ligt een belangrijk verschil.

Deze verhouding tot God maakt ons christelijk geloof zo uniek. We zijn kinderen van God, dat weten we. Wat er komen zal, dat weten we niet precies. Wel mogen we er op hopen dat we God zullen zien van aanschijn tot aanschijn, omwille van ons geloof. Dit “zien” is geen droogweg objectief waarnemen. Het Griekse “opsomai” geeft weer dat het beeld naar binnen komt, dat we begrijpend zien. Wellicht het meest sprekende beeld is dat we zullen zien zoals God ons ziet en kent.

Deze vrij zware analyse staat niet mijlenver van de realiteit. Onze band met God is misschien wel de meest intieme band die mogelijk is tussen God en mensen. Het wordt onmogelijk om ons slechts te beperken tot kennisname van de geloofsinhoud en daar op een objectieve, wetenschappelijke wijze mee om te gaan. Als God onze Vader is, veronderstelt dit onze instemming vanuit ons hart. En het vergt ook dat we Gods Boodschap uitvoeren in ons doen en laten.

Identiteit en openheid

De identiteit van de christenen wordt in Johannes’ briefverzen meteen van contrast voorzien, bij wijze van scherpstelling. Zowel in het Johannesevangelie als in de Johannesbrieven wordt gebruik gemaakt van contrasten om de christelijke identiteit en de geloofswaarheid uit te klaren. Denk maar aan: “Het Woord was in de wereld, de wereld is door Hem ontstaan en toch kende de wereld Hem niet.” (Johannes 1, 10) Met de wereld – “kosmos” in het Grieks – bedoelt men uiteraard niet de planeet op zich. “De wereld” wordt hier gebruikt als tegenhanger van “de christenen”.

Iedere christen ervaart het wel eens. Het kan kwetsend overkomen wanneer je geloof wordt bestempeld als een sprookje of een verzinsel door buitenstaanders. Besef dat je op dat moment een mening hoort, geen feit of realiteit. Een mening is niets meer of niets minder dan een eenzijdige herleiding van de realiteit tot wat men wil zeggen. Er kan alleen constructief en zinvol gediscussieerd worden over geloof wanneer iedereen vertrekt vanuit een houding van respect voor andere visies. Respect betekent dat je de visie van de ander waardeert, en niet in de val trapt om andere visies te herleiden tot het eigen beeld dat je ervan hebt of tot het punt dat je wil maken.

Een evenwichtsoefining

Daarom is het belangrijk om te investeren in je identiteit én in respect voor anderen. Het één hoeft het ander niet uit te sluiten. Wie volop in de christelijke identiteit gaat staan, sluit zich af van de wereld. Wie te ver overhelt in de erkenning en bevestiging van de anderen, kan zijn of haar eigen identiteit verliezen. Laten we voor ogen houden dat het evangelie en de brieven van Johannes zijn geschreven in een tijd van heftig conflict. De tijd van de brieven is een tijd van bedreiging, achtervolging en bestraffing. Dat mag geen vrijgeleide zijn om ons een syndroom van Calimero toe te eigenen: een misnoegd gevoel altijd verkeerd begrepen en onderdrukt te worden. We leven, zeker in onze streken, absoluut niet in gelijkaardige tijden als Paulus en Johannes. God zij dank!

Laten we vooral niet vergeten dat we samenleven met veel andere overtuigingen, die even waardevol kunnen zijn. Laten we tegelijk elke dag opnieuw investeren in ons eigen geloof, door tijd en ruimte vrij te maken voor God.

22 februari 2021

Het Onze Vader (23 februari 2021)

Tijdens de bergrede, de spreekwoordelijke “master class” die Jezus in het Matteüsevangelie aan zijn verzamelde volgelingen uiteenzet, spoort Jezus de mensen aan om te bidden. Hij geeft duidelijke instructies en zegt hoe ze horen te bidden, en hoe ze zeker niet mogen bidden. We hebben het geluk om een inspirerende Schriftpassage te lezen, een prachtig geschenk in de Veertigdagentijd.

  • Voor de lezingen van dinsdag 23 februari 2021: klik hier.

Wat hoegenaamd niet in het voordeel werkt, is een veelheid aan woorden. Lange uiteenzettingen vol mooie woorden en overvloedige herhalingen hebben geen invloed op Gods verhoring. Je hoeft niet goed ter tale te zijn om verhoord te worden. De Heer weet immers al wat je nodig hebt (Matteüs 6, 8). Daarna maakt Jezus duidelijk hoe het wel hoort. Hij bedoelt niet dat we letterlijk maar één gebed mogen bidden, namelijk het Onze Vader, maar dat we op een bepaalde wijze horen te bidden.

We mogen onszelf beschouwen als kinderen van de Vader.

“Onze Vader in de hemel”. De inleiding van het gebed is een aanspreking die een totaal nieuwe Godsrelatie beoogt. We mogen onszelf beschouwen als kinderen van de Vader. God is niet veraf en onbereikbaar, maar vertrouwd en liefdevol nabij, zoals een vader. Alle gelovigen zijn bijgevolg ook broeders en zusters. Tussen haakjes: centraal staat hier het beeld dat we geliefde kinderen zijn (Matteüs 18, 3-4) en het Vaderbeeld creëert deze symboliek. God kan echter ook als Moeder beschouwd worden, wanneer het Vaderbeeld bijvoorbeeld teveel obstakels schept, misschien door een traumatisch of negatief menselijk vaderbeeld. Dit even terzijde.

Jezus moedigt ons niet aan om God als “mijn Vader” aan te spreken. Het gebed roept door het woord “onze” meteen de verbondenheid met de hele geloofsgemeenschap op vanaf de aanspreking. We zijn samen broeders en zusters in de Heer, we zijn het Volk van God.

Het Onze Vader bid je wereldbreed en hemelhoog.

De toevoeging “in de hemel” geeft aan dat God echter ook onzichtbaar en ongrijpbaar voor ons. Het Onze Vader bid je wereldbreed en hemelhoog. Met enkele woorden omschrijft Jezus de afstand en de nabijheid van God: Hij is onze Vader, maar dan in hemel. Meteen wordt vermeden dat een al te knus godsbeeld zou ontstaan - “ik en mijn godje” -, waarbij God kneedbaar en tembaar zou zijn. De aanspreking in het gebed is eigenlijk een kernachtige samenvatting van de realiteit van ons geloof en de complexiteit ervan.

Het is niet vanzelfsprekend om het Onze Vader te vertalen in het Nederlands. Sinds enkele jaren bidden we daarom een nieuwe Nederlandstalige versie. Matteüs schrijft in het koinè-Grieks, een soort volksgrieks. Het Onze Vader is geschreven in de “aorist”: een in het Nederlands onbestaande vervoegingsvorm die een eenmalige of niet-continue of niet-vanzelfsprekende gebeurtenis uitdrukt. Meestal betreft het een gebeurtenis uit verleden, maar in het koinè-Grieks worden gebeden wel vaker in deze vervoegingsvorm geschreven en verwijzen ze niet naar het verleden. Belangrijk is dat het ogenblik van de gebeurtenis niet precies bepaald is, zoals het woord ‘ooit’ in het Nederlands uitdrukt: ooit in het verleden of als wens in de toekomst. Bovendien is het gebed in de bevelende wijs geschreven: “doe dit”. In een gebed is de bevelende wijs weliswaar eerder een verzoek met aandrang dan een bevel pur sang. Ter informatie: Lucas neemt het Onze Vader ook op in zijn evangelie, maar dan veel beknopter en niet in de “aorist” geschreven (Lucas 11, 2-4). Matteüs en Lucas ontlenen de tekst waarschijnlijk uit de Q-bron of Logienquelle, een geschreven verzameling van Christuscitaten. 

Laten we ons in het gebed verdiepen, en daarbij zo dicht mogelijk bij de Griekse tekst blijven van Matteüs’ versie van het Onze Vader.

  • Het gebed vangt aan met drie beden over God en hoe de wereld met Hem om hoort te gaan.

“Uw Naam moet geheiligd worden.” Regels en gewoontes zijn niet heilig. We moeten er ons niet blind op staren, zoals de farizeeën dat wel vaak doen. Ook tempels, gebouwen en plaatsen hebben niet de hoogste heilige status. Allerheiligst is de Naam van God. In zijn Naam zijn we samengebracht als Volk van God. Wij vernoemen Gods Naam met het grootste respect. God heiligt ook zelf zijn Naam door zijn grenzeloze liefde en trouw, door de ultieme voorbeeldfunctie die Hij opneemt en uitstraalt. Aangezien Gods Naam allerheiligst is, mogen we ons niet richten tot afgoden of vervangidealen, zoals rijkdom, macht of aanzien. Gods Naam staat daar hoog boven.

“Laat uw koninkrijk komen.” Dat rijk bevindt zich niet louter ver weg aan het einde van de tijden. Ook hier op aarde wordt Gods koninkrijk realiteit, in het geloof en in het doen en laten van mensen. Dit koninkrijk realiseert zich nu én in de eeuwigheid.

“Laat uw wil gebeuren (uw wil moet gebeuren), in de hemel en op aarde.” Het is helder en klaar: de Wet van God staat centraal. Het zijn de geboden die Mozes op de berg Sinaï ontving die wij als gelovigen horen na te leven, samengebald in de twee geboden van de Zoon: je moet God liefhebben, en je naaste als jezelf (Matteüs 22, 37-40). Terwijl in het Onze Vader de plicht om Gods Wil te verwezenlijken duidelijk doorklinkt, is er ook een vragend element, aan God gericht: help ons bij ons menselijk streven.

  • Na de beden over Gods Naam, zijn Rijk en zijn Wil, volgen er vier beden waarin gevraagd wordt om Gods hulp en bijstand aan ons, mensen.

“Geef ons vandaag het nodige brood (voldoende brood).” Hier merk je meteen een verschil op met de versie die wij gebruikelijk bidden. Ook de nieuwste versie luidt anders. Wij spreken in deze eerste bede over “dagelijks” brood, maar dat is een wat wazige vertaling. “Heden” wordt herhaald in het woord “dagelijks”. We struikelen over het koinè-Griekse woord “epiousion”. Al van in het vroege Christendom hangt er een zeker mysterie rond dit woord.

Het woord is eigenlijk nergens anders in teksten teruggevonden. Dit noemen we een hapax (Grieks voor "eenmaal"). Er is een nuance: het is wellicht eenmalig in de Q-bron neergeschreven, en van daaruit gekopieerd door Matteüs en door Lucas. Het probleem is al vrij vroeg in de christelijke geschiedenis opgemerkt, maar zonder helder antwoord. Dit zijn enkele pogingen: genoeg voor vandaag (epi tèn: voor de, ousan: vandaag), voldoende om te leven (epi: voor, ousia: bestaan), voor de dag die komt (epi: voor, ienai: wat komt), of in dezelfde vertaallijn: voor het rijk dat komt.

Al deze vertalingen houden alvast verband met de kerngedachte dat we open staan voor Gods genadige gave, dat we ontvankelijk moeten zijn voor de Goddelijke voorzienigheid. Denk aan het ‘manna’ dat de Heer in de woestijn schonk aan de hongerige Israëlieten onderweg (Exodus 16). De honger die men gestild wil zien door God kan zowel fysiek als geestelijk zijn. De bede is ook een ondubbelzinnige oproep tegen materialisme en egoïsme.

“En laat onze schulden weggaan van ons zoals ook wij de schulden laten gaan van onze schuldenaren.” “Laten gaan” kan ook vertaald worden als kwijtschelden of vergeven. Er is een duidelijke voorwaarde verbonden aan Gods vergiffenis: we moeten zelf onze naasten vergiffenis schenken. Dat wordt in de verzen 14 en 15, na het gebed, duidelijk herhaald. Onze vergiffenis is overigens onbeperkt in hoeveelheid: tot zeventig maal zeven maal toe (Matteüs 18, 21-22). Jezus wil ook dat we ons schuldgevoel niet in brandoffers projecteren en zo iets te gemakkelijk van ons afzetten. Neen: we moeten onze schuld inwendig ervaren en van daaruit vragen om vergiffenis.

“En breng ons toch niet binnen in de beproeving.” Het leven biedt kansen en uitdagingen, maar ook tegenslagen en trauma’s. Om hier mee om te gaan, mogen we rekenen op hulp van God: Hij is er voor ons, Hij is het Volk Gods onderweg nabij. Zoals Hij zijn Volk vergezelde tijdens hun tocht door de woestijn, zo is Hij ook onze Nabije. We mogen Hem ook om hulp vragen in onze roeping: opdat we vasthouden aan ons geloof, vooral wanneer twijfel en onzekerheid ons lijken te overwoekeren. Deze bede drukt eigenlijk de wens uit om God en zijn goedheid niet te vergeten en negatieve ervaringen niet als beproeving te moeten doorstaan.

“Maar red ons uit het kwade.” Deze laatste bede klinkt erg zwaar. We vragen hier om bevrijd te worden uit de kluisters van het kwade, om de vrede van Gods vergiffenis te mogen ervaren. In de Kolossenzenbrief heeft Paulus het over “losscheuren” of “ontrukken” aan de macht van de duisternis (Kolossenzen 1, 13)

Het is een groot voorrecht voor ons, christenen, om van Jezus zelf een gebed te hebben ontvangen.

Hiermee komen we aan het einde van het Onze Vader. Het is een groot voorrecht voor ons, christenen, om van Jezus zelf een gebed te hebben ontvangen. God heeft ons een spirituele rijkdom geschonken langs de Mensenzoon. In deze Veertigdagentijd, het pad van bezinning op weg naar Pasen, mag dit gebed niet ontbreken.

Interessante lectuur hierbij:

Karl BARTH, Het gebed, Callenbach, 1951. Online te raadplegen: https://www.karlbarth.nl/gebed-1/3/


Volgende post: donderdag 25 februari. Thema: "Vraag en er zal je gegeven worden", bij het evangelie van die dag.