Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Zaaien en oogsten in Gods rijk (18-19 juli 2026).

10 juli 2026

Waarom in gelijkenissen? (11-12 juli 2026)

Jezus stapt in een bootje en vertelt aan een grote menigte over een zaaier die kwistig zijn zaden rondstrooit. In de rotsgrond komen de gewassen niet op en tussen de distels kunnen ze geen vruchten voortbrengen. Waarom vertelt Jezus dit aan de mensen? 

  • Voor de lezingen van deze zondag: klik hier

Vraag

Waarom spreekt Jezus tot de mensen in gelijkenissen? Dat vragen de leerlingen Hem verwonderd nadat Hij aan een grote mensenmassa de parabel van de zaaier heeft verteld vanop een bootje aan de oever van het meer. (Matteüs 13, 10) Waarom spreekt Jezus tot de mensen in fictieve verhalen met een diepere betekenis? Waarom vertelt Hij niet over het Koninkrijk van God in ondubbelzinnige, heldere en duidelijke woorden? 

Ook wij moeten ons vooral tevreden stellen met parabels. We krijgen wel uitleg, maar niet zoals de leerlingen die van Jezus hebben ontvangen tussen de vele momenten van verkondiging door. Toch hebben we niet te klagen. De vier evangelies bieden ons heel wat wijsheid aan. We krijgen meer uitleg dan de mensenmassa aan het meer.

Inkeer

Het antwoord van Jezus verwijst naar de profeet Jesaja: 'Jullie zullen goed luisteren maar niets begrijpen, en jullie zullen goed kijken maar geen inzicht hebben.' (Matteüs 13, 14 en Jesaja 6, 9) De leerlingen kunnen de geheimen van het Koninkrijk van de hemel leren kennen omdat hun hart, hun oren en hun ogen geopend zijn voor Gods Boodschap. (Matteüs 13, 11 en 16) Veel mensen staan onvoldoende open voor de verkondiging van Gods Zoon, jammer genoeg. Ze blijven steken in hun eigen gedachten en gewoonten en evidenties. Ze komen niet tot inkeer. (Matteüs 13, 15)

Inkeer is de sleutel tot Gods Rijk. Al vanaf de eerste verkondiging klinkt deze boodschap, bij monde van Johannes de Doper: 'Kom tot inkeer, want het Koninkrijk van de hemel is nabij!' (Matteüs 3, 2) Het betekent je eigen grote gelijk loslaten, je eigen bekrompen ideeën achterlaten, en ten volle open staan voor God en voor de verkondiging van zijn Boodschap. Daarom is Jezus op aarde gekomen. Opdat we tot inkeer zouden komen.

Vruchten

Hoe staan wij in het leven? Zijn we tevreden met oppervlakkige zelfzucht, zoals het zaad dat niet kan wortelen in de harde rotsgrond? Laten we ons inpakken door allerlei leuke maar onbelangrijke bijkomstigheden zoals het zaad dat vruchteloos opschiet tussen het onkruid en erdoor overwoekerd wordt? Of zijn we bereid om vruchten voort te brengen die van Godswege komen? (Matteüs 13, 20-23) Johannes de Doper verweet de farizeeën en sadduceeën al: 'Breng liever vruchten voort die tonen dat jullie tot inkeer gekomen zijn!' (Matteüs 3, 8)

Kort na die harde woorden heeft Johannes Jezus gedoopt in de Jordaan. Jezus stelde zich open voor het hemelse water. (Matteüs 3, 13-15) En zo horen wij ons ook te laven aan de wijsheid van de Heer, aan het Woord dat niet vruchteloos terugkeert naar God maar ons doordrenkt en inspireert. (Jesaja 55, 10-11)

Open

Wellicht is dat vooral inkeer: onbevooroordeeld en onbevangen open staan voor de wijsheid van God. In Hem onze vreugde vinden zoals de Vader in Jezus vreugde vindt. (Matteüs 3, 17)

De menigte zou Jezus' directe taal niet begrijpen. Ze zouden meteen terugvallen op hun enge overtuigingen. Wij, mensen, horen vooral wat we graag willen horen, wat we wíllen dat de ander ons zegt. Jezus tracht hun ogen en oren te openen met een beeld, dat hun gedachten hopelijk opentrekt. Daar kan Hij slechts op hopen. Het zijn de mensen zelf die tot inkeer kunnen komen. Of niet.

17 juni 2026

Wees niet bang (20-21 juni 2026)

Volgens recente cijfers worden over de hele wereld 388 miljoen christenen vervolgd. Eén op de zeven volgelingen van Jezus heeft te lijden omwille van zijn of haar geloof en kan dat geloof niet vrij en openbaar belijden. In onze contreien kijkt men al te vaak neer op geloof. Het zou een teken van zwakte zijn: zichzelf iets voorliegen om het leven aan te kunnen. Geloven is een bewuste keuze. Het vraag een groot engagement. 

Angst

Angst is een belangrijk basiselement in ons bestaan. Het is een inwendig signaal dat ons waarschuwt voor gevaar. Angst voelen we zowel geestelijk als lichamelijk. In een onbekende of bedreigende situatie wordt ons lichaam meteen overgezet in de vecht- of vluchtmodus, of in bevriesmodus, zonder er bij na te denken. 

Niet iedere ervaring van angst is even intens. Het kan een sluimerend gevoel zijn in gevaarlijke omstandigheden, denk maar aan een tijd van oorlog of aan een onveilige thuissituatie bijvoorbeeld. Angst kent veel vormen, maar heeft altijd hetzelfde DNA: het wil ons lichaam veilig stellen in een onveilig aanvoelende situatie. Het wil ons de dreiging doen overleven.

Liefde

De profeet Jeremia spreekt de mensen aan op hun gedrag. Ze handelen niet naar Gods geboden, ze zijn Hem ontrouw geworden. Dat wordt hem door de mensen in kwestie absoluut niet in dank afgenomen. Mensen worden niet graag op de vingers getikt. Daarom lachen ze de profeet vierkant uit, spotten ze met hem en bedreigen ze hem. Ze noemen hem 'Paniek overal' en doen hem na om hem belachelijk te maken. (Jeremia 20, 10)

Het is lastig voor Jeremia: hij ervaart enkel maar verdriet en pijn en zijn dagen slijt hij in vreselijke omstandigheden. (Jeremia 20, 18) Wanneer hij iets wil zeggen, dan moet hij wel schreeuwen, anders luistert niemand naar hem. Want spreken, dat moet hij. Het is sterker dan hemzelf. Hij heeft getracht om te zwijgen, maar hij kan zijn mond niet in bedwang houden. Het is God die de mensen toespreekt langs zijn lippen. God heeft hem lief en Jeremia is bezweken voor zijn kracht. (Jeremia 20, 7-9)

Het is nochtans ook hun God, want zij zijn toch Gods Volk? Het is zelfs zover gekomen dat Paschur, een priester, opdracht geeft om Jeremia stokslagen te geven en hem op te sluiten om hem zo het zwijgen op te leggen. Een man die God zou moeten dienen laat een profeet van de Heer folteren. (Jeremia 20, 1-2) Er spelen andere prioriteiten. En er worden andere goden aanbeden. God wordt opzij geschoven. Jeremia ziet het angstig en met lede ogen aan.

Waardevol

Toch zijn de angst en het verdriet van Jeremia om de pijn die hem wordt aangedaan niet zinloos. Er moet iemand spreken. Gods Woord blijft verder gaan, zelfs wanneer het in dovemansoren lijkt te vallen. Mensen doen graag hun eigen ding en deinzen er niet voor terug om mekaar kwaad te doen om het eigen gelijk kracht bij te zetten. Maar daarom hébben ze nog geen gelijk. Wie het hardst kan slaan, heeft niet de waarheid in pacht.

Vader in de hemel is niet onder de indruk van dat menselijk getreiter. En wie Hem trouw blijft, die zal Hij nabij blijven, wat er ook gebeurt. De haren van ons hoofd zijn geteld. Wat we geloven is betekenisvol. Wij zijn waardevol in Gods ogen wanneer we het goede Nieuws aan anderen verkondigen en oprecht voorleven. (Matteüs 10, 26-33)

We hoeven dus niet bang te zijn, al zal de angst ons toch soms overvallen. Wanneer we op tegenslagen botsen en gaan twijfelen aan alles bijvoorbeeld. Ook wie vervolgd wordt om zijn of haar geloof, mag hoop houden. Wie bespot wordt, hoeft zich niet te schamen. De waarheid schuilt nooit in getreiter. Het leeft op in oprechte Liefde. Dat wil niet zeggen dat de onzekerheid ons niet kan bekruipen. Maar we weten dat God ons niet in de steek laat. Op Hem kunnen we bouwen. Bouwen aan het Rijk van de hemel, hier op aarde.

10 juni 2026

Op zoek naar verdwaalde schapen (13-14 juni 2026)

Jezus kijkt om zich heen. Veel mensen zijn er bijeengekomen en ze zijn van goede wil. Hun bedoelingen zijn goed, maar ze hebben het lastig. Het leven is geen plezierrit. Alleen kan Jezus de Boodschap van vreugde niet verkondigen. Hij heeft helpers nodig, mensen die in zijn Naam het evangelie verkondigen en mensen nabij zijn, en heel dringend zelfs.

Oogst

Jezus merkt op dat er te weinig arbeiders zijn voor het vele werk. (Matteüs 9, 37) Daarom doet Hij een oproep: 'Vraag de eigenaar van de oogst of Hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.' (Matteüs 9, 38) Hij geeft deze opdracht aan zijn leerlingen. Zij moeten bidden om meer volgelingen die uitverkoren zijn om het geloof te verkondigen, meer bepaald om te doen wat Jezus zelf de hele tijd doet: onderricht geven in synagogen, het goede Nieuws over Gods Koninkrijk verkondigen en mensen helen. 

Merk op dat Jezus het niet heeft over een abstracte taak of zending die rustig ingepland of uitgesteld kan worden. Wanneer de oogst niet op tijd wordt binnengehaald, dan bederft ze en is het hele groeiproces helemaal verloren. Het gaat dus over een hoognodige en dringende taak.

Voortrekkers

Christen zijn kunnen we niet alleen. We hebben voortrekkers nodig die de menigte met wijsheid en inzicht op weg helpen, die hen bij de Boodschap houden: wakker en alert. Anders dreigen we verloren te lopen. Jezus kijkt naar de mensen en merkt dat ze uitgeput en hulpeloos zijn. (Matteüs 9, 36) 

Ze willen wel luisteren naar zijn Woord, maar hun aandacht is kort van duur. Ze hebben zo veel zorgen en ze hebben zo veel te doen. En ze willen Hem wel volgen, maar ze worden gauw moe en het engagement vraagt veel van hen. Het wekt medelijden op bij Jezus. Dat is een emotie die eigen is aan de Heer: Hij lijdt mee met onze menselijkheid. Jezus kijkt niet neer op de mensen, Hij kent hun tekortkomingen. Het menszijn heeft Hij ten volle aangenomen. 

Naar de kudde

Jezus roept de leerlingen bij zich en zendt hen uit met duidelijke instructies. (Matteüs 10, 1 en 5) Ze moeten zich richten tot het Volk van Israël, niet tot ander mensen. Hoewel hun voorvaderen het Verbond met de Heer hebben verbroken, krijgen zij eerst de gelegenheid om het goede Nieuws te ontvangen en de Mensenzoon te volgen. Het is immers niet hun schuld dat ze verdwaald zijn: 'Mijn volk was een dolende kudde schapen: hun herders lieten hen dwalen, ze dreven hen de bergen in. Daar dwaalden ze over heuvels en bergen, ze vergaten waar hun schaapskooi was.' (Jeremia 50, 6) 

De Heer hoopt immers dat ze Hem weer zullen terugvinden: 'Ze zullen zich opnieuw verbinden met de Heer, in een Verbond dat eeuwig duurt en nooit zal worden vergeten.' (Jeremia 50, 5b) Daarom krijgen zij de gelegenheid van Jezus om terug te komen naar God met de hulp van de leerlingen, die hen verkondigen dat het Koninkrijk van de hemel nabij is. (Matteüs 10, 7)

In zijn Naam

Ze worden op weg gestuurd, de leerlingen van de Heer: Simon Petrus, Andreas (de broer van Petrus), Jakobus (de zoon van Zebedeüs), en Johannes (de broer van Jakobus), Filippus, Bartolomeüs, Tomas, Matteüs (de tollenaar), Jakobus (de zoon van Alfeüs), Taddeüs (ook Judas genaamd), Simon (Kananeüs, de zeloot) en Judas Iskariot. (Matteüs 10, 2-4 - Handelingen 1, 13)

Zij beginnen de verkondiging in Jezus' Naam. Dat doen ze niet enkel met weloverwogen overdenkingen in de synagoge. Ze leven de Boodschap voor en ze delen hun vreugde van hun geloof. Wanneer we bidden om roepingen, in navolging van Jezus' vraag aan de leerlingen, laat ons dan bidden voor arbeiders voor de oogst. 

Er zijn immers veel velden: kerkgebouwen, werkgroepen, scholen, ziekenhuizen, gevangenissen, verenigingen, goede doelen, noem maar op. Voor al die oogst zijn er arbeiders nodig die in de Naam van de Heer met de mensen begaan zijn en enthousiast en doorleefd de Boodschap van Gods Koninkrijk willen delen.

02 juni 2026

Een deal sluiten met God: een illusie (6-7 juni 2026)

Mensen hebben soms een neiging tot het syndroom van Calimero: 'de anderen hebben het beter dan ik en dat is niet eerlijk'. Ook de farizeeën, die zien hoe een tollenaar met Jezus aan tafel mag, voelen zich verongelijkt en reageren kleinzerig. Zij die alles zo correct en goed doen, mogen zij niet eerder bij de Heer aan tafel in plaats van zo'n zondaar? Ook wij kunnen het gevoel krijgen dat we niet genoeg aandacht krijgen van God. Misschien zoeken we dan vooral de verkeerde aandacht.

Geen automaat

De Romeinse godsdienst is opgevat als 'do ut des' (ik geef omdat jij zult geven): wanneer ik moeite doe voor de goden door een offer te brengen, dan moeten zij mij een gunst verlenen. Het is een systeem van wederkerigheid waarbij het initiatief bij de mens ligt. Wanneer die langs een offer een gunst afsmeekt, dan moet de god aan wie wordt geofferd vanzelf handelen. Een ritueel wordt een verdoken machtsmiddel om goden goedgunstig te stemmen. Het levert eigenlijk een omgekeerde situatie op waar een god ten dienste staat van een mens. En die dienstbaarheid is heel instrumenteel en materieel. Een mens wil via het offer iets verkrijgen, met andere woorden: een interessante deal sluiten met God. 

Ook binnen het jodendom bestaat deze traditie. Maar er gebeurt een transformatie in de verhouding tussen God en mens en dus ook in het offeren zelf. God vraagt niet om de offers te verbieden maar beklemtoont dat de menselijke relatie met God moet bestaan uit gebed en goed handelen, om vergeving vragen wanneer dat nodig is en Gods Grootheid steeds erkennen. In ruil schenkt God zijn Liefde en zijn trouw, die ons mogen inspireren. (Psalm 40) Dat is een veel volwassener Godsrelatie dan 'do ut des'. Het betreft een band van wederzijdse liefde. ‘Want liefde wil Ik, geen offers; met God vertrouwd zijn is meer waard dan enig offer.’ (Hosea 6, 6)

Onevenredigheid

 ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel. Overdenk maar eens goed wat dit wil zeggen: “Barmhartigheid wil Ik, geen offers.” Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.’ (Matteüs 9, 12-13) Jezus spreekt de verontwaardigde farizeeën streng toe. Wie zijn zij om Gods aandacht op te eisen langs hun gemor en geklaag? Denken ze dat ze perfect zijn misschien?

God schenkt zijn genade aan wie vraagt om zijn hulp. Gods aandacht gaat naar de hulpbehoevenden, de zwaksten. Gods genade hoort niet thuis in een boekhouding waarin een mens zou ontvangen volgens de inspanning die geleverd is. Dan zou de genade worden herleid tot iets waar een mens recht op heeft, iets wat men kan opeisen. Dat doen de farizeeën. En wij? Doen wij dat soms? 

Wie goed doet, moet daar helemaal geen voortdurende bevestiging voor verlangen. God hoeft niet voortdurend te zeggen dat we het goede doen. Het goede doen, dat is namelijk onze plicht. Dat zou heel normaal moeten zijn. Wanneer iemand meer krijgt dan wij, dan is dat Gods vrijgevigheid: Hij weet wat we nodig hebben.

Doordrenkt door God

Wanneer we een oprechte band met God nastreven, gebaseerd op liefde en trouw, dan is God ons nabij, en wel op een heel diepgaande manier. ‘Dan zullen wij Hem kennen, ernaar streven om de Heer te kennen. Even zeker als de dageraad zal Hij komen, Hij komt naar ons als milde regen, als de lenteregen die de aarde drenkt.’ (Hosea 6, 3) Wat een inspirerend beeld!

Zoals de regen in de aarde drenkt, zo zal God Liefde in ons worden opgenomen. Zoals olie in de steen dringt, zo zal God in ons zijn. De gedachte van zalving met Gods Geest is hier niet ver weg. Vormelingen ontvangen het zegel van de heilige Geest, de gave Gods. Doordrenkt zijn door God, dat is misschien wel het sterkste beeld dat een diep geloof kan uitdrukken.

Leven in zijn nabijheid

‘Hij redt ons na twee dagen van de dood, de derde dag doet Hij ons opstaan: in zijn nabijheid zullen wij leven.’ (Hosea 6, 2) De profeet Hosea voorspelt de Verrijzenis van Jezus Christus. Gods Liefde laat zich niet begrenzen, zelfs niet door de dood. In het nieuwe Verbond dat de Heer met ons heeft gesloten, mogen wij leven in zijn nabijheid en steeds verder groeien in de Liefde die God is.

Laten we God dus blij van hart loven en prijzen, laten wij biddend vragen en danken. Maar laat ons evenzeer het goede doen, eerlijk zijn, en geen aandacht opeisen: niet bij God en ook niet bij vervangmiddelen. 

28 mei 2026

Heilige Drieëenheid: geduld, liefde en trouw (30-31 mei 2026)

Op de zondag na Pinksteren vieren we de heilige Drieëenheid. Na Pinksteren hebben we God leren kennen als hemelse Vader, als Zoon die op aarde de Boodschap heeft verkondigd om een nieuw Verbond te sluiten, en als Geest die neerdaalt over de gelovigen na Christus' hemelvaart. We kennen God op drie manieren, Hij maakt zich kenbaar langs drie verschijningswijzen. Toch zijn Zij één en dezelfde God. Dat wordt nogmaals beklemtoond na Pinksteren. Er is één God die ons genadig nabij blijft.

  • Voor de lezingen van de heilige Drieëenheid A: klik hier.

Verbond

Het eerste heilige Verbond tussen God en zijn Volk werd gesloten in de woestijn, onderweg naar het Beloofde Land, na de vlucht uit de slavernij en onderdrukking in Egypte. God heeft zijn Volk bevrijd en gunt het een prachtige toekomst. Hij schenkt langs Mozes de tien geboden aan het Volk, de tien leefregels die het geloof in de Eeuwige samenvatten. Maar het Volk is bij momenten onhandelbaar helaas: het vervalt vaak in geklaag en gemor en het heeft zijn toevlucht gezocht bij een gouden kalf. (Exodus 32-33)

Mozes beklimt de berg Sinaï om aan de Heer te vragen om het Volk toch te blijven begeleiden op weg doorheen de woestijn. De Heer wil een Vertond sluiten. Hij leidt dit in met belangrijke eigenschappen die Hem kenmerken, die zijn Identiteit samenvatten: Hij is een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig. (Exodus 34, 6) Daarom wil Hij een Verbond sluiten, omdat Hij is wie Hij zegt dat Hij is.

En willen dat nu juist kwaliteiten zijn waar het Volk zo pijnlijk in tekortschiet tegenover hun God. En dat is een probleem van alle tijden. Al bij de aanvang van dat eerste Verbond blijkt dat mensen niet altijd uitblinken in liefde, geduld, trouw en waarachtigheid. Laten we drie belangrijke waarden uitdiepen van de aankondiging waarmee God Zichzelf voorstelt aan het Volk: geduld, liefde en trouw. Zo openbaart God zich aan de mensen doorheen de heilsgeschiedenis, tot op vandaag.

Geduld

Het is niet zo dat we een Goddelijke Persoon kunnen toekennen aan elk van deze drie waarden. God is één en zijn Identiteit kan niet zomaar opgedeeld worden. Vooreerst blinkt God uit in geduld. Het feit dat Hij zijn Zoon in de wereld geboren laat worden om de Boodschap te verhelderen onder de mensen, is een ontegensprekelijke uiting van geduld. De eredienst is met geld en macht besmet (Matteüs 21, 13 en Lucas 18, 9-14) en de dagelijkse geloofspraktijk is een geheel van regeltjes geworden (Matteüs 23). Dat wil God bij monde van Jezus bijsturen: met Vaderlijk geduld, niet met wrok.

Ook de Zoon is geduldig: Hij blijft uitleg geven aan de mensen die het willen horen, en ook aan zijn leerlingen, die zijn uitspraken vaak helemaal verkeerd begrijpen, of zelfs helemaal niet. Langs beelden spreekt Hij met zijn apostelen in begrijpelijke taal, zelfs in wonderlijke tekens. (Marcus 4, 35-41 en Matteüs 15, 15-16 en Marcus 4:33-34) Toch lijken ook zij nog bezig te zijn met positie en macht. (Marcus 10, 35-45) Niettemin blijft Jezus hen hierop aanspreken, met het nodige geduld. 

De Geest van God is over ons gekomen nadat de Zoon naar zijn Vader is teruggekeerd. Hij blijft ons inspireren. De eeuwenlange geschiedenis tot nu en ook hierna is alleszins een teken van volgehouden geduld. 

Liefde

De Liefde van God begint al bij de schepping van hemel en aarde. Zijn Kracht heeft alles gemaakt en ons gegeven en wij mogen elke dag genieten van zijn geschenk van Liefde. Het feit dat Hij ondanks de fouten van zijn Volk toch begaan blijft met hen, getuigt evenzeer van deze Liefde die ons menselijk begrip overstijgt. Uit grenzeloze Liefde staat Hij open voor wie Hem de rug heeft toegekeerd, maar die tot berouw komt en vraagt om vergeving. (1Johannes 3, 1 en Lucas 15, 20 en Joël 2, 12) En zijn enige Zoon wordt op aarde gezonden om het Volk opnieuw te redden: niet van de slavernij, maar van de verlorenheid. (Johannes 3, 16)

De Liefde van de Zoon is doorheen zijn aardse optreden duidelijk geworden, maar kent haar hoogtepunt in zijn lijden en sterven. Hij aanvaardt het kruis niet enkel uit gehoorzaamheid aan zijn Vader. Dit lijden is ook noodzakelijk om de schuld van de mensen kwijt te schelden en een Nieuw Verbond te sluiten. (Jesaja 53, 4-5 en Matteüs 20, 28 en Matteüs 26, 28 en 1Petrus 2, 24) Hij wordt het Lam van God. Is er een groter teken van Liefde? (Johannes 13, 1)

De Liefde van de Geest bestaat erin dat Hij in ons aanwezig is en blijft. Hij is de meest nabije vorm waarin God zich openbaart. De Geest maakt ons wakker, vuurt ons aan en inspireert ons om van Gods grote daden te spreken. Hij wakkert de liefde voor God aan in ons. (Romeinen 5, 5 en Galaten 5, 22)

Trouw

De trouw van God zien we doorheen de Schrift. Ondanks de ontrouw van de mensen blijft Hij wel trouw. Ondanks de afvalligheid die Hem wordt aangedaan, laat Hij niemand vallen. Hij wil een Verbond sluiten, een heilige verbintenis met de mensen om de trouw uitdrukkelijk te bestendigen. Daar, in de ruwheid en onzekerheid van de woestijn, komt Hij de mensen tegemoet. En dat gebeurt opnieuw door de hemelse Vader bij het Nieuwe Verbond. 

De trouw van Jezus gaat tot het uiterste toe. Hij gaat niet in op de lokroep van het kwaad, maar blijft zijn Vader trouw. (Matteüs 4, 1-11) Petrus daarentegen, de belangrijkste onder de leerlingen, zal zijn Meester verloochenen, zelf al werd hij er uitdrukkelijk voor gewaarschuwd. (Johannes 13, 38) Jezus blijft trouw, Hij aanvaardt zelfs het lijden. (Matteüs 26, 39 en Marcus 14, 36) Het contrast is groot. Wij zijn geen goden, we zijn mensen met gebreken. Dat weet God.

De trouw van de Geest ligt in zijn ononderbroken genadegave. Hij is in ons aanwezig, zelfs wanneer wij God als ver weg ervaren. De Geest wil ons telkens opnieuw verbinden met de diepste Identiteit van God en ons inspireren om dat geduld, die liefde en die trouw ook te veruitwendigen in wat we zeggen en wat we doen. 

Zo mogen wij getuigen van de Vader die barmhartig is en ons nooit in de steek laat, van de Zoon die ons is geschonken en die aan ons de Boodschap heeft verkondigd en de Geest die eeuwig is en tegelijk in de tijd ons tegemoet komt als bron van kracht en troost. En dat vieren we op het feest van de heilige Drieëenheid. Dat God zich op zoveel manieren aan ons openbaart.

19 mei 2026

Pinksteren: een nieuw begin (23-24 mei 2026)

Vandaag vieren we het feest van Pinksteren, één van de drie liturgische kernmomenten. Met Kerstmis vieren we dat God met de mensen op aarde verbonden wil blijven. Met Pasen belijden we dat de liefde van God verder gaat dan wat wij kunnen begrijpen en waarnemen, tot over de grenzen van dit leven heen. Op Pinksteren zijn we getuige van Gods kracht en inspiratie in de gemeenschap van christenen. 

  • Voor de lezingen van Pinksteren A: klik hier.

Zich laten raken

Wie zich door de Goddelijke Boodschap laat raken, laat verwonderen en begeesteren, zal deze aarde met andere ogen zien. Zo mogen wij de heilige Geest telkens meer in ons bestaan ontdekken. Gods liefde en troost, Gods kracht en sterkte wil ons aanvuren om mee te bouwen aan zijn Koninkrijk hier op aarde.

Wanneer wij ons helemaal en onbevangen openstellen voor zijn bezieling, wanneer wij ons hart afstemmen op zijn stem die zich in ons kenbaar maakt, dan kan Gods Geest onze Helper, onze Troost en onze Bijstand zijn doorheen onze aardse tocht door het leven. We zijn niet alleen, God is ons altijd nabij. Zijn Geest is in ons aanwezig.

Symbolen

Het is belangrijk dat we begrijpen dat het Pinksterverhaal geen beschrijvende uiteenzetting is. Het is geen feitenverslag van een reporter ter plaatse die navertelt wat er precies is gebeurd. De verschijnselen die vernoemd worden, zijn beelden. We horen spreken over ‘een geluid als van een hevige windvlaag’ ('hoosper' in het Grieks: net als, zoals) en ‘een soort vlammen’ ('hoosei' in het Grieks: alsof, als waren het). (Handelingen 2, 2-3) Er was dus geen wind, en er waren geen vlammen. Het leek alleen zo. Die beelden omschrijven het beste wat er wél gaande was. De symboliek van een waaiende wind en vuurtongen die zich verspreiden, wijst ons op Gods intense aanwezigheid.

En waarom denkt Lucas, de schrijver van Handelingen, aan die symbolen? Welnu, het Joodse volk viert met Pinksteren hoe Mozes de Wet van de Heer ontvangt op de berg Sinaï, onderweg in de woestijn (Genesis 19-20). God verschijnt in een donkere wolk en in vuur en in een kletterend onweer. De instelling van het Eerste Verbond gaat met deze krachtige beelden gepaard. En ook het Nieuwe Verbond wordt door deze tekens omringd.

Waarom een nieuw verbond? Welnu, eenmaal aangekomen in het Beloofde Land vergeet het Volk hun God en het Verbond. Zo begint het Volk onderling te ruziën waardoor het rijk in tweeën breekt, en gaan ze ook andere goden aanbidden. Het Verbond is door mensenhanden vernietigd. (Jeremia 11, 10 en 31, 31-32, en Jesaja 1) In Christus herstelt God de verbinding met zijn Volk. Zo vergevingsgezind is God: Hij sluit de wereld weer in de armen, ondanks wat is misdaan. (Hebreeën 8, 6-13)

Helemaal overnieuw

In Jeruzalem wordt met Pinksteren het Nieuwe Verbond bekrachtigd. Jezus heeft de Boodschap van God verkondigd en is na zijn dood en verrijzenis naar zijn Vader opgestegen. Jezus verdwijnt met zijn hemelvaart op een berg in een wolk. (Handelingen 1, 9) Net zoals de wolkenmist op de Sinaï. (Exodus 19, 9)

De volgelingen van Jezus ontvangen de heilige Geest. De komst van de Geest wordt ingeluid door een denderend geluid dat doet denken aan een storm. (Handelingen 2, 2) Zoals het gedonder waarlangs God tot Mozes spreekt. (Exodus 19, 16) Er verschijnen een soort vlammen, die zich over de leerlingen verspreiden. (Handelingen 2, 3) Net zoals het vuur waarlangs God op de Sinaï neerdaalt en aan Mozes verschijnt. (Exodus 19, 18) Al die tekenen bij Mozes komen terug met Pinksteren. God begint opnieuw met zijn Volk, langs dezelfde tekenen.

Persoonlijk openstellen

Er is een nieuw begin gemaakt. Een nieuw Verbond met Gods Volk dat een Kerk zal vormen. Na aangeraakt te zijn door de Geest, zijn de leerlingen vol van Gods genade en ze willen niets liever dan zijn Boodschap uitdragen. (Handelingen 2, 4) Maar dit keer is het niet één persoon die God ontmoet, zoals bij Mozes, maar alle leerlingen persoonlijk. Iedereen is gelijk in de Geest, iedereen die Christus volgt, heeft evenveel deel aan de vurige tongen van de Geest. Daarom spreken de leerlingen ook in alle talen. (Handelingen 2, 7-12) De Geest van God is heel persoonlijk en toch ook gemeenschappelijk.

Gods Geest ademt door heel zijn schepping, de schepping waar wij deel van uit mogen maken. Hij ademt in ons allemaal. Ons antwoord op de Geest is even persoonlijk. Laten wij zelf begeesterd door het leven gaan, op onze eigen manier, maar verenigd in geloof. Laten wij de Geest van God toelaten in ons leven van elke dag!

12 mei 2026

Pinksternovene: gebed en hymne tot de Geest (15-23 mei 2025)

In de Pinksternovene kunnen we alvast het gebed 
en de traditionele Pinksterhymne tot de Geest bidden
in een groeiend verlangen naar Pinksteren toe. 
Hier vind je een eigentijdse vertaling van de beide.

  • GEBED: ZEND ONS UW GEEST
Alleluia!
Zend ons uw Geest, maak alles nieuw,
de aanblik van de hele aarde.

Kom, Geest van God, herschep ons hart
en ontsteek het vuur van uw Liefde. 
Alleluia!

  • HYMNE: VENI SANCTE SPIRITUS
Kom tot ons, heilige Geest,*
kom en steek ons aan
met uw hemels, stralend Licht.

Sta ons bij, zoals we zijn,
schenk uw gaven gul, 
Geest van God, verlicht ons hart.

Met uw kracht, kom over ons,
woon in onze ziel,
waai uw wind door onze geest.

Schenk rust aan wie is vermoeid,
breng verademing, 
en bij tegenslagen troost.

Kom nu, Liefdeslicht van God, 
zo vragen wij U:
vul ons hart tot aan de rand.

Zonder uw standvastigheid
heeft een mens geen doel,
blijft de goedheid wankelen.

Die vervuild zijn, maak hen rein,
neem de dorheid weg
en genees wie werd verwond.

Die verstard zijn, buig hen om,
neem de kilte weg
en breng thuis wie is verdwaald.

Schenk aan al wie op U hoopt
en op U vertrouwt
al uw gaven, Geest van God.

En wil ons belonen ooit
met uw zegening
aan het eind van ons bestaan.

Amen. 
Alleluia!

* (Vanaf de avond van Pinksteren: 'Daal nu neer, heilige Geest, ...')

Sven Vannecke

08 mei 2026

Heerlijk... (14 en 17 mei 2026)

Drie romige bollen vers vanille-ijs, overgoten met warme chocoladesaus en afgewerkt met een koekje: heerlijk is dat op zo'n typische warme voorjaarsdag. Een heerlijke en welgekomen afkoeling. Wij gebruiken het woord 'heerlijk' spontaan voor wat lekker smaakt of aangenaam voelt. Oorspronkelijk verwijst het naar 'verheffing': een beweging naar het adellijke of het hemelse toe. Het heerlijke beweegt ons dichter bij de hoogten waar we met bewondering naar opkijken: het ideale, het perfecte, het goddelijke. De betekenis is dus niet helemaal verloren gegaan bij mijn omschrijving van de 'dame blanche': haar smaak verheft ons uit het dagelijkse, uit het gewone naar een edele puurheid.  

  • Voor de lezingen van de Hemelvaart van de Heer A: klik hier.
  • Voor de lezingen van de zevende Paaszondag A: klik hier.

Veertig dagen na Pasen

De verheffing wordt een centraal thema wanneer de Paastijd op zijn einde loopt. Jezus is over een periode van veertig dagen ter ondersteuning onder zijn leerlingen verschenen. (Handelingen 1, 3) Nu is de tijd gekomen voor Jezus om volledig terug te keren naar zijn Vader in de hemel. Hij wordt omhoog geheven tot in een wolk en verdwijnt uit hun zicht. (Handelingen 1, 9) Jezus belooft dat de heilige Geest over hen zal neerdalen. (Handelingen 1, 8) Pinksteren komt genaakbaar dichtbij. De hemelvaart is niet zozeer een fysieke beweging tot boven de wolken, maar eerder een verheffing naar het hemelse: Christus wordt verheerlijkt en opgenomen bij zijn Vader. En uit die hemelsferen zal de heilige Geest over de leerlingen komen.

Jezus is van het aardse terug naar het hemelse teruggekeerd: dat is de boodschap die we horen op Hemelvaartdag. De overgang na Jezus' dood is voltooid: Jezus verschijnt niet meer. Negen dagen van samen waken en bidden zijn ze verwijderd van de neerdaling van de heilige Geest. (Handelingen 1, 14) 

Negen dagen van gebed

De leerlingen blijven met God verbonden en kijken de toekomst onzeker maar met vertrouwen tegemoet. De redeloze, chaotische twijfel van de eerste dagen na de verrijzenis zijn voorbij. Er wordt nu rustig maar doordacht gehandeld: een nieuwe leerling wordt gekozen in de plaats van Judas Iskariot: Mattias vervolledigt de twaalf. (Handelingen 1, 17-22a) Alles is in gereedheid gebracht in afwachting van een nieuw hemels teken, zoals Jezus hen heeft beloofd. (Handelingen 1, 22b) Wat ze precies te verwachten hebben, dat weten ze niet. God zal het hun wel duidelijk maken.

Met Hemelvaart begint de Pinksternovene: een tijd van eensgezinde stilte en gebed tot de apotheose van de Paastijd: Pinksteren. (Handelingen 1, 14) Het gebed is de nieuwe communicatievorm met de Heer nu Hij naar de Vader in de hemel is teruggegaan. Het Griekse woord 'proseuchè' wijst op het intieme en persoonlijke karakter van hun gebed, intens en vurig van aard ('proseuchè' is een samentrekking van 'pros': naar, en 'euchè': wensen; dus: aan God toewensen, naar God toe wensen). Dit gebed is niet smekend, vragend of ontvangend van aard, maar eerder aanbiddend en gevend. 

De leerlingen vragen niet om nieuwe zekerheden, ze verblijven geduldig bij de Heer, die hun heeft beloofd dat ze niet verweesd achter zullen blijven. (Handelingen 1, 4) Daar vertrouwen ze op: ze hebben intussen begrepen dat de Heer altijd woord houdt. Ze brengen hun Heer lof en eer omwille van zijn heerlijkheid.

Hoop

De dood en verrijzenis van de Heer was voor de leerlingen aanvankelijk een 'scandalum', een struikelblok. Ze begrepen niet wat er gebeurde en waarom het zo moest gaan. Ze voelden zich verdrietig en verward, verlaten en verloren. (Matteüs 24, 21-24) Hoe Jezus Tomas toesprak, die zo volhardde in zijn twijfel, mag een belangrijke les zijn. (Johannes 20, 26-29) Geloven gaat voorbij het zien en het weten. Op weg naar Emmaüs verbaasde de Heer zich over het wankele geloof van Kleopas en een andere leerling. (Matteüs 24, 25-26) De heerlijkheid, de verhevenheid van Christus is onlosmakelijk verbonden met zijn lijden, sterven en verrijzen. Dat moeten ze aanvaarden.

Nu pas lijken de leerlingen werkelijk in te zien dat dit alles zo moest gebeuren. Ze beseffen dat de dood het einde niet is. Jezus heeft de dood overwonnen en een nieuw Verbond gesloten tussen God en zijn Volk. Uiteindelijk worden wij in de Paastijd uitgenodigd om mee te groeien in dit verrijzenisgeloof, dat de menselijke logica ver overstijgt. Geloven in de verrijzenis is geloven in de heerlijkheid van Jezus Christus. 

Drieëenheid

God heeft Jezus hoog verheven en Hem de heilige Naam toegekend die alle namen overstijgt: Jezus Christus is de Heer. Bij het noemen van Jezus' Naam moet elke knie zich buigen: in hemel, op aarde en onder de aarde. (Filippenzen 2, 9-11) Dat is de heerlijkheid die Christus van God heeft ontvangen. Jezus' Naam eindigt niet bij zijn sterven. Zijn dood is overwonnen. Hij is de Verrezene, de Heer. Die Naam vat de heerlijkheid samen waaraan Jezus deelachtig is.

Afsluiten doe ik met een fragment uit Jezus' gebed tijdens het Laatste Avondmaal in het Johannesevangelie, dat op de zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren weerklinkt: 'Ik ben al niet meer in de wereld, Ik ga naar U toe, maar zij blijven wel in de wereld. Heilige Vader, bewaar hen door uw Naam, de Naam die U ook aan Mij gegeven hebt, zodat zij één zijn zoals Wij één zijn.' (Johannes 17, 11) De eenheid van Jezus met zijn Vader zal met Pinksteren worden uitgebreid tot de Goddelijke driehoek: de Drieëenheid van Vader, Zoon en Geest: één God die op drie wijzen met ons, mensen, is verbonden.

05 mei 2026

Hulp gevraagd (9-10 mei 2026)

De leerlingen beleven een bijzondere tijd samen met Jezus, die ze vol overtuiging volgen. Hij zuivert hun geloof en hun leven van allerlei menselijke ingrepen. De Vader in de hemel: Hém moeten ze aanbidden en verheerlijken. Zijn Rijk van vrede: dààr moeten ze aan bouwen, hier op aarde al. Ze leven in een heerlijk nu-moment, maar beseffen niet dat het slechts een aanloop is naar het Nieuwe Verbond, en dat ze een heel andere rol toebedeeld zullen krijgen. In deze Paastijd mogen we mijmeren over onze diepe verbinding met de Onzichtbare. Dit gegeven maakt immers deel uit van ons geloof.

  • Voor de lezingen van de zesde zondag van Pasen A: klik hier.

In tegenstelling tot wat we spontaan zouden verwachten, gaat Jezus' komst gepaard met veel onrust. Denk maar aan Maria, die schrikt wanneer de engel haar bezoekt. Haar geplande leven wordt helemaal overhoop gehaald. Denk aan Jozef, die twijfelt of hij bij zijn verloofde kan blijven. Herodes' bedoelingen zijn al helemaal onrustwekkend. 

Ook wanneer Jezus zijn leerlingen gaat verlaten om terug naar zijn Vader te keren, gaat dit met veel onrust gepaard. Het zal een zware uitdaging worden voor de leerlingen om het verkondigingswerk in zijn Naam verder te zetten zonder Hem aan hun zijde. God neemt de onrust niet weg. Hij gaat midden in die onrust staan met zijn Aanwezigheid.

Pleitbezorger

Ze zullen niet langer op Jezus kunnen terugvallen voor wijsheid en parabels. Maar Jezus vertrekt niet zomaar. Hij zal de Vader vragen om een andere Pleitbezorger te zenden, die altijd bij hen zal zijn. (Johannes 14, 16) De leerlingen worden niet in de steek gelaten. Ze hebben het unieke voorrecht gehad om God in Jezus tastbaar nabij te mogen ervaren, iedere dag. Welnu, God zal aanwezig blijven, maar op een heel nieuwe manier.

De heilige Geest zal over de leerlingen komen en hen bijstaan in alles wat ze doen. De Geest wordt niet zomaar aan de hele wereld geschonken: wie niet in Hem gelooft, kan Hem niet zien en kent Hem niet. De leerlingen kennen Hem wel. Zo zal de Geest bij hen blijven. Sterker nog: Hij zal in hen verblijven. (Johannes 14, 17bcd) Dit is heel intiem.

Kracht en Aanwezigheid

Pinksteren nadert stilaan aan het eind van deze Paastijd. De dood en verrijzenis van Jezus Christus is geen sluitstuk van de verkondiging, maar de voorzegde overgang naar een nieuwe tijd. Jezus laat zijn leerlingen niet als wezen achter: niet in deze overgang en ook niet nadien. (Johannes 14, 18a) Hij blijft hen bijstaan in de merkwaardige (en hachelijke) tijd van de stichting van de Kerk.

Ze worden niet aan hun lot overgelaten op dit cruciale moment. God stuurt hulp aan de leerlingen: 'De Helper, de heilige Geest die de Vader in mijn Naam zal zenden, Hij zal jullie alles leren en jullie alles in herinnering brengen wat Ik jullie gezegd heb.' (Johannes 14, 26) Zodoende zullen zij met de Kracht van God bouwen aan een uitgestrekte gemeenschap van volgelingen van Jezus. Ze kunnen Gods hulp goed gebruiken.

Niet om te houden 

De Geest van God is geen bezit. Gods Geest daalt neer over de leerlingen, maar zij zullen die Geest op hun beurt over nieuwe volgelingen laten komen langs hun gebed en langs het doopsel. Philippus schenkt de Geest aan wie tot geloof komt en zich laat dopen, zo lezen we. (Handelingen 8, 17) God is geen bezit, maar een Kracht die we mogen delen met al wie voor Hem openstaat.

De Geest maakt een essentieel deel uit van de bekering tot God. Zonder de Geest kunnen wij, volgelingen van Jezus, niet geloven. Hij brengt ons de blijde Boodschap in herinnering. Het is de Geest van God die ons bij het Verhaal houdt dat God met mensen schrijft. Het is de heilige Geest die ons begeestert om te blijven bouwen aan het Rijk van God.

Geen mensen verafgoden

De Geest is tegelijk een essentiële barricade tegen het in bezit nemen van God en geloof. Dat is immers een risico bij mensen. Mensen hebben algauw de neiging om zich de Boodschap toe te eigenen als bezit, als machtsinstrument. Dat kan niet de bedoeling zijn. De farizeeën deden dit met veel spektakel en zelfingenomenheid, en dat blijft ook nu een gevaar. 

De geloofswijsheid komt van God, niet van de mens. Een mens kan maar beter zuinig zijn met de bewering dat hij of zij spreekt vanuit de Geest. Wanneer dat niet klopt, heeft hij of zij immers een enorme blunder begaan. Tegenover God zelf nog wel. Let wel: het is zeker mogelijk dat Gods Geest ons inzicht geeft. 

Mensen moeten zich niet laten vereren. Dat vernemen we trouwens als van Paulus, die na een wonder voor Hermes werd aanzien. 'Wij zijn mensen, net als jullie,' reageert Paulus geschokt. (Handelingen 14, 15b) Ons geloof is geen mensencultus. We bekeren ons tot de levende God, die de hemel en de aarde en de zee heeft geschapen en alles wat daar leeft. (Handelingen 14, 15cd) Daar gaat ons geloof ten diepste over: God en zijn heilsplan met ons.

28 april 2026

Een kwestie van vertrouwen (2-3 mei 2026)

Er heerst een akelige sfeer in de kamer. De stemming is plots helemaal omgeslagen. Een kaartenhuisje van evidenties en gewoonten valt ineen. Het zal niet altijd blijven zoals het nu is, zo blijkt. Sterker nog: de verandering is al begonnen. Judas is zonet kwaad weggelopen. Tomas wordt bang en Filippus wil duidelijkheid.

  • Voor de lezingen van de vijfde Paaszondag A: klik hier.

Ongerustheid

De leerlingen krijgen van Jezus de raad om te vertrouwen op de hemelse Vader, en dus ook op Hemzelf. (Johannes 14, 1) Onrust heeft zich onder de leerlingen genesteld. Jezus schat dit juist in. Tomas zegt angstig: 'We weten niet waar U heen gaat, Heer, hoe zouden we dan de weg moeten kennen?' (Johannes 14, 5) In zijn vraag klinkt angst en verdriet. En Filippus wil meteen de vlugge oplossing kennen: 'Laat ons meteen de Vader zien, Heer, meer vragen wij niet.' (Johannes 14, 8) Je zou voor minder radeloos worden. 'Ken je Me nog niet, Filippus?', laat de Heer zich ontvallen. Maar Hij blijft geduldig en legt uit wat Hij precies bedoelt.

De ongerustheid bij de leerlingen is te begrijpen. Jezus heeft hun meegedeeld dat Hij weldra terug naar de Vader zal vertrekken. Hij zal dus niet onder hen aanwezig blijven. (Johannes 13, 31-33) Zonet heeft Hij de voeten van zijn leerlingen gewassen. En er was onrust bij Jezus zelf toen Hij kenbaar maakte dat iemand Hem zal uitleveren: Judas. (Johannes 13, 21-30) Hetzelfde Griekse woord wordt gebruikt om de onrust van hart bij de leerlingen uit te drukken en de onrust van geest bij Jezus (Johannes 14, 1: tarassestoo, en Johannes 13, 21 etarachtè: agitatie, onrust, bezorgdheid). De Mens Jezus ziet op tegen het lijden dat Hem scheidt van de terugkeer naar zijn Vader. De leerlingen zien op tegen het moment dat hun Meester niet meer op aarde zal zijn.

Vertrouwen

De leerlingen hoeven niet verontrust te zijn. In het huis van de Vader zijn veel kamers. Er is een plaats voor ieder van hen klaargemaakt. (Johannes 14, 2) Langs Jezus zullen ze bij de Vader komen. (Johannes 14, 3 en 10-12) Wie vertrouwt op de Vader, zal ook vertrouwen op de Zoon, want de Vader is in de Zoon en de Zoon in de Vader. (Johannes 14, 11a) Het klinkt ingewikkeld, maar eigenlijk is het heel eenvoudig: Vader en Zoon zijn één in God. 

Wie gelooft in de Vader, gelooft in de Zoon. Ziedaar in alle eenvoud het vertrouwen dat ons geloof inhoudt. Jezus is op aarde gekomen om de blijde Boodschap te verkondigen dat het Rijk Gods werkelijkheid wordt, en om het geloof van de mensen te verdiepen en weg te keren van uitwendigheden en van machtsgrepen. Daarom zegt Hij ook stellig: 'Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.' (Johannes 14, 6a) De hemel komt dichterbij langs Jezus en zijn Woord is onze leidraad. We zullen de eeuwigheid erven langs Hem. En wat vraagt Jezus hiervoor terug? Vertrouwen en overgave, meer niet.

Controle  

Karmelietes en mystiek theologe Teresia van Avila heeft het in een korte meditatie geformuleerd: 'Laat niets je verontrusten. Laat niets je beangstigen. Alles gaat voorbij, maar God blijft. Met geduld zal je alles bereiken. Wie zich vasthoudt aan God zal niets tekort hebben. God alleen volstaat.' (Nada te turbe, nada te espante, todo se pasa, Dios no se muda. La paciencia, todo lo alcanza. Quien a Dios tiene, nada le falta. Solo Dios basta.) We vluchten soms in twijfel en onrust of in noodgrepen terwijl het zo evident is dat God onze enige zekerheid is. De Tomas en de Filippus in ons kunnen deze raad goed gebruiken.

Geloven is niet-weten maar vertrouwen op Hem. Eigenlijk staat dat haaks op onze menselijke grijpreflex. De angst van Tomas om te verdwalen in zijn geloof en de nood van Filippus om de snelste weg te kennen, vertellen ons één ding. We hebben graag controle, en dat veronderstelt dat we ons denkkader kunnen verifiëren aan de werkelijkheid. We moeten het kunnen begrijpen, bevatten, voelen en zien. Dit is één van de grootste aanleidingen voor de huidige geloofscrisis. 

Illusie

Onze welvaart is er sterk op vooruitgegaan en de wetenschap is enorm geëvolueerd. Het schenkt ons de illusie van controle: we bezitten wat we nodig hebben en de wetenschap en de economie vormen de fundamenten waarop gebouwd wordt. Alles lijkt op rolletjes te lopen. Echter, er zijn zoveel facetten waar we geen vat op hebben en de vooruitgang wordt lang niet altijd te goedertrouw aangewend. En iedere vooruitgang heeft ook grenzen.

We leven in tijden van besparingen, het groeimodel stagneert. En ons bestaan blijft eindig en voelt vaak als veel te kort aan. Ondanks ons wegkijken en vluchten in kleine kringetjes van zekerheid blijven we toch een onrust voelen. En velen onder ons verzuren erdoor. Er worden schuldigen gezocht en, zoals dat altijd gaat, ligt het probleem duidelijk bij anderen. Heel wat mensen vinden geen uitweg voor deze  neerwaartse ervaring, want er is geen existentieel kader om zich binnen te plaatsen. Daarom is vanuit christelijk perspectief de mystieke meditatie van Teresia van Avila zo kernachtig voor onze tijd: God alleen volstaat, je hebt eigenlijk niets anders nodig. Jezus zegt tegen zijn leerlingen en tegen ons: 'Vertrouw op de Vader en vertrouw op Mij.'

De Vader en de Zoon zijn één. We naderen het einde van de Paastijd. Met Pinksteren zal de Drieëenheid vervolledigd worden. Dan zijn we in het tijdperk van de Kerk aanbeland, dat nog altijd doorgaat. Met ons.

20 april 2026

De deur naar de Vader (25-26 april 2026)

Een deur is een afsluiting die zorgt dat een opening niet zomaar open en doorgankelijk is. We sluiten een voordeur wanneer we ons beschermd en veilig willen voelen. Een voordeur openen we enthousiast wanneer we iemand hartelijk ontvangen in ons huis. Wanneer een deur wijd voor je opengaat, dan ben je welkom en mag je erlangs. Een deur kan ook gesloten blijven. Jezus is de deur naar de Vader, zegt Hij aan zijn leerlingen. Ze begrijpen het niet goed... 

  • Voor de lezingen van de vierde Paaszondag A: klik hier.

Plechtig in beeld

Wanneer Jezus een belangrijke boodschap deelt met zijn leerlingen, eigenlijk de kern van de blijde Boodschap, dan luidt Hij die woorden plechtig in. Daarom begint Jezus als volgt: 'Echt waar, echt waar, ik zeg jullie...' ('Amèn, amèn, legoo humin' in het Grieks). Vroeger werd dit vertaald als: 'voorwaar voorwaar' en dat was helemaal niet verkeerd. 'Amen' betekent immers: 'het is zo', 'het is waar'. Wij eindigen onze gebeden ermee. Het waarheidsgehalte wordt op voorhand al duidelijk onderstreept door Jezus opdat de leerlingen goed zouden luisteren. En wij dus ook.

Zoals altijd volgt er van Jezus geen feitenrelaas, geen wetenschappelijke uiteenzetting. Hij spreekt in beelden, daarmee komt Hij immers het dichtst bij ons begrippenkader. Wat Hij wil zeggen, is inhoudelijk niet makkelijk voor ons. Bovendien hebben we er de taal niet voor, onze woorden volstaan niet. Wij spreken talen van mensen, talen die Gods heilsplan zo moeilijk in woorden kunnen vatten. 

Jezus heeft het in de gelijkenis over schapen, over de herder, een stal en poortwachters. (Johannes 10, 1-5) De schapen, dat zijn de volgelingen van Christus. Wij dus. Christus is de herder: Hij kent ons en roept ons. Hij leidt ons op weg en langs Hem komen we binnen in de schapenstal. De poortwachters doen voor Hem open, ze zijn zoals het slot op een (voor-)deur. De stal is Gods Koninkrijk, dat hier en nu al werkelijkheid wordt, en ultiem in de hemel. De herder kent de weg en trekt voor de schapen uit om hun de juiste weg te tonen. De schapen volgen Hem. Ze kennen zijn stem. Een vreemde zullen de schapen niet volgen. 

Begrijpen

De leerlingen begrijpen zijn gelijkenis helaas niet. (Johannes 10, 6) Ze begrijpen niet wat Hij ermee wil zeggen. Nochtans heeft Jezus vlak ervoor duidelijk gemaakt aan de genezen blindgeborene dat Hij de Mensenzoon is. (Johannes 9, 35-39) Hij is op aarde gezonden om de wereld weer met God te verzoenen. Daarom volgen ze Hem. En toch begrijpen ze niet wat Hij bedoelt.

Het is een fenomeen dat geregeld terugkomt doorheen de evangeliën. (zie bijvoorbeeld Marcus 4, 13 - Marcus 6, 52 - Matteüs 16, 5 - Matteüs 16, 21-23) Toegegeven, wat Jezus hun duidelijk tracht te maken, is ook ingewikkeld. Het Koninkrijk van God is niet in één zin uit te leggen. De taak van de Messias op aarde evenmin. En het lijden dat Hij zal moeten doormaken al helemaal niet. Woorden kunnen altijd maar een facet van het geheel benoemen. Beelden gaan ruimer, maar zelfs die hebben hun beperkingen.

Jezus is als Gods Zoon op aarde gekomen om uitleg te geven bij Gods heilsplan. De mensen hebben de Boodschap misbegrepen, verengd en naar hun hand gezet. Er is een nieuw Verbond nodig. Als er iets is dat we altijd terug zien komen bij Jezus, dan is het zijn geduld met wie Hem willen volgen. Gelukkig maar. Het is niet vreemd dat de leerlingen de diepte van zijn verhaal niet meteen vatten. Daarom legt Jezus het nog eens uit. Opnieuw gebruikt Hij hiervoor beeldtaal.

Redding

De schapen komen langs de deur de schaapsstal binnen. Ze worden binnengeleid door de herder. De herder staat garant voor de toegang tot de stal. Hij ís de toegang. Vandaar dat Jezus zichzelf tegelijk de deur noemt en de herder. (Johannes 10, 7 en 11) Langs Hem komen we tot zijn Vader. Dat is de redding waar Jezus het over heeft. Vanaf zijn eerste optreden onder de mensen gaat het daarover: het Rijk van God. 

De redding waar Hij het over heeft, is niet beangstigend of beknellend. We mogen vrij in en uit lopen. We leven op aarde en we leven ons mensenbestaan, maar wel in verbinding met Jezus en met het Rijk van zijn Vader. (Johannes 10, 9a) De redding is dus geen eindpunt, zoals op een ganzenbord. Het is een wijze van bestaan: leven in verbondenheid met de Heer.

Overvloed

De herder - de toegangsdeur tot de schaapstal - is bekommerd om zijn schapen. Hij wil ze naar goede weidegronden begeleiden. (Johannes 10, 9b) Wat de Messias ons wil schenken, wat Hij ons gunt, is Leven, en wel in overvloed. (Johannes 10, 10b) Niet enkel het hoogst nodige dus, datgene waarmee we zouden kunnen overleven. Nee, veel meer: een overvloed aan genade!

Het gaat over een veelheid die ons ver overstijgt. Hiermee is meteen de geestelijke dimensie aangegeven. Jezus heeft het niet over voedsel, maar evenmin over geld of eer of macht. Dat is wat de dief gretig weggraait, door te roven, te slachten en te vernietigen. (Johannes 10, 10a) De Heer heeft het over wat ons leven tot vrijheid en vrede brengt, juist door ons steeds meer los te maken van de hebberigheid.

Samen

Echte vrijheid is een gedeelde vrijheid: een vrijheid met verantwoordelijkheid. Echte vrijheid bestaat in vrede, in een breed gedragen liefdevol samenzijn. Vandaar dat Jezus het beeld van schapen gebruikt: zij leven samen in een kudde. Mensen zijn niet gemaakt om in eenzaamheid te bestaan. We zijn vooral sociale wezens. De ander brengt ons wijsheid en nuance, soms bevestiging en soms een nieuwe kijk. We worden betere mensen door samen te leven.

Zo is het ook met ons geloof. Jezus trekt niet in zijn eentje door het land op weg naar Jeruzalem. Hij roept mensen die met Hem mee gaan. Geloven is spiritualiteit delen. Daarin bestaat ook de kracht van liturgie en van caritatief engagement. Jezus leeft ons deze verbondenheid ook spiritueel voor: in alles blijft Hij verbonden met zijn Vader. Ook nu wordt de hemelse Vader uitdrukkelijk vernoemd wanneer Jezus verder uitleg geeft bij zijn beeldspraak. (Johannes 10, 14-15 en 17-18) 

God brengt mensen samen. Geloven in je eentje kan als zinvol ervaren worden, maar je mist de gedragenheid van een gemeenschap die je ondersteunt, met je mee op weg gaat, ervaringen en gedachten deelt. Samen komt de vreugde van het Paasgeloof meer tot uiting. Christus, door wie wij bidden en naar wie wij leven, inspireert ons om dit geloof te blijven delen. Dat heeft Hij ons zelf voorgedaan.

13 april 2026

Een brandend hart (18-19 april 2026)

Wanneer het vuur traagjes uitgaat, dan blijft er weinig over. De warmte verdwijnt, het licht dooft uit. Zoiets moeten de leerlingen in hun hart hebben gevoeld nadat Jezus in het graf is gelegd: kilte en duisternis. Hoe komt het dat hun vuur voor Jezus uitdooft? Hij heeft ze toch verteld wat er zou gebeuren? Misschien zijn ze te hard geschrokken. Misschien kunnen ze het niet alleen aan...

  • Voor de lezingen van de derde Paaszondag A: klik hier.

Somber

Twee leerlingen zijn onderweg naar Emmaüs. Eén ervan heet Kleopas. (Lucas 24, 18) Somber spreken ze onder elkaar over wat er allemaal is gebeurd. (Lucas 24, 14-17) Ze leefden in de hoop dat Jezus het Volk zou redden en bevrijden, maar dan is Jezus gevangengenomen en gestorven aan het kruis. Drie dagen zijn voorbijgegaan sinds zijn dood intussen. Er gebeurt niets... Jezus is waarschijnlijk zelfs weggenomen uit het graf, zo bleek deze ochtend. (Lucas 24, 24) Geen mens die weet waar Hij is. 

Het is te zeggen: enkele vrouwen beweren dat ze van engelen hebben vernomen dat Jezus leeft. Wat zou daar van aan zijn? (Lucas 24, 22-23) Het is één grote warboel. De leerlingen zien het somber in. (Lucas 24, 21) Hun hoop is vervlogen. We herkennen deze somberheid van bij de apostel Tomas, in het evangelie van vorige week. (Johannes 20, 19-31)

De twee leerlingen spreken er over met een onbekende Man die hen onderweg vervoegt. (Lucas 24, 15-16) Het is Jezus, maar dat zien de leerlingen niet: ze zijn verblind door wanhoop en verdriet. (Lucas 24, 16) Het feit dat ze er met deze onbekende Man over spreken, is toch een teken dat ze Jezus niet hebben afgeschreven. Ze willen wel geloven, maar hun verdriet en twijfel wegen te zwaar door.

Vertrouwenscrisis

Jezus vertelt hun over de profeten, die hebben voorzegd dat de Messias moest lijden om zijn glorie binnen te gaan. (Lucas 24, 26-27) Jezus reageert verontwaardigd: 'Hebben jullie dan zo weinig verstand en zijn jullie zo traag van begrip dat jullie niet geloven in alles wat de profeten gezegd hebben?' (Lucas 24, 25) Dat klinkt best hard. Ze hebben zich laten leiden door hun menselijke afweerreactie, weg van het geloof. De vrouwen hebben immers engelen gezien. En Jezus leeft, Hij moet niet onder de doden gezocht worden.

Het zal duren totdat Jezus het zegengebed uitspreekt en brood breekt vooraleer ze Hem zullen herkennen. (Lucas 24, 31) Zodanig zijn ze verblind dat ze de Man met wie ze drie jaar hebben opgetrokken niet herkennen. Daartoe moeten ze immers eerst wíllen kijken. Hun blik is vertroebeld. Geloven is een hele opdracht voor een mens. We willen zo graag zien en voelen, terwijl onze perceptie ons zo vaak bedriegt. Geloven is vertrouwen op wat je niet ziet. Dat zullen de leerlingen moeten leren. Zoals wij dat moeten doen. 

Vuur

Het vuur in hun hart brandt plots weer. (Lucas 24, 32) Hun hart is geraakt door Jezus, zoals voorheen. De leerlingen hebben zoveel woorden van de Heer gehoord, ze hebben aandachtig geluisterd en vragen gesteld. Toch slagen ze er uit zichzelf niet in om hun geloofsvuur brandend te houden. Op deze mensen zal Christus zijn Kerk bouwen. God stelt veel vertrouwen op ons, zo blijkt.

Er is Kracht van God nodig om ons in staat te stellen om te geloven in de Verrijzenis. (Lucas 24, 34) De dood is niet het einde, hoe logisch het tegendeel ook mag aanvoelen. De blijde Boodschap overstijgt immers de menselijke vanzelfsprekendheden. Onze kennis en wetenschap zijn indrukwekkend, maar uiteindelijk altijd eindig, heel beperkt, onnoemelijk onvolledig. Een stofje in vergelijking met Gods wijsheid. (1Korintiërs 1, 25) 

De leerlingen hebben vuur in hun hart nodig. Hun geloof moet aangevuurd worden. De evangelielezingen van de zondagen na Pasen nemen ons bij de hand op weg naar Pinksteren. Het is de heilige Geest die de leerlingen wijsheid en kracht zal schenken, zodat ze zichzelf overstijgen: Gods Adem van vuur. 

Onderweg

We zijn allen onderweg. De tijd tikt genadeloos vooruit, hij staat niet stil en keert niet weerom. Ons leven staat niet stil. Het verhaal van God met mensen evenmin. Jezus was onderweg met zijn leerlingen. De evangeliën zijn trektochten, op weg naar de Stad van God. De leerlingen zijn naar Emmaüs onderweg, opnieuw samen met de Heer. 

Ook ons eigen leven is een tocht. We zijn op weg, en onderweg ervaren we hoogten en laagten, begaan we rustige en moeizame wegen. Bijgevolg staat ook ons geloof niet stil. Het maakt immers een essentieel deel uit van ons bestaan. We mogen de hoop bewaren, ook in moeilijke tijden. God is met ons, zijn Geest zal ons leiden. Laten wij in sombere tijden ons geloof niet verwaarlozen en verliezen, maar juist kracht putten uit de Bron die God is. 

Laat je geloof ook hoop op God inhouden. (1Petrus 1, 21) Wanneer het leven je toelacht, maar evenzeer in angst of verdriet. Ook in het lijden is Christus ons nabij. Hij heeft het leed dat mensen overkomt zelf doorgemaakt. Daarin is Hij ten volle mens geweest. Vergeet niet om in vreugde dankbaar tot de Heer te komen. Hij gaat de weg met ons mee, Hij is met ons onderweg.

Dat je hart altijd vurig mag blijven branden voor Gods Liefde!

07 april 2026

Beloken Pasen: Hoop tegen de rede in (11-12 april 2026)

De luiken van de Paasweek gaan weer dicht: beloken Pasen. Deze week van feestdagen eindigt met de apostel Tomas die weigert om zomaar aan te nemen dat Jezus aan de andere leerlingen is verschenen. Jezus is in het graf gelegd, punt. Alle hoop is verloren in de ogen van Tomas. Er is enkel nog verdriet en pijn. Tomas wordt 'de ongelovige' genoemd, omdat hij de wonden van de Heer wil voelen vooraleer hij kan geloven dat Jezus leeft en verschijnt aan hen. Geloven gaat voorbij het tastbare. Dat maakt het tot een uitdaging voor iedere mens. We kunnen veel leren van Tomas...

  • Voor de lezingen van Beloken Pasen A: klik hier.

Gerustgesteld

Op de avond die Paasdag afsluit, wordt een klein verhaal verteld bij Johannes. Het is heel intiem van opzet en emotioneel geladen. Dit is wat er gebeurt. De leerlingen hebben de ramen en deuren gesloten. Ze zijn bang voor de Joden. Jezus verschijnt plots onder hen en Hij zegt: 'Vrede zij met jullie!' (Johannes 20, 19) Hij toont hun de wonden op zijn handen en zijn zijde. (Johannes 20, 20a) Er is geen twijfel: dit is Jezus. Hij herhaalt zijn vredesboodschap en zendt de leerlingen, zoals de Vader Hem heeft gezonden. Daarna blaast Hij de heilige Geest over hen. (Johannes 20, 21-22)

Wanneer Jezus weer weg is, blijft er een blijheid achter bij de leerlingen. (Johannes 20, 20b) Ze voelen zich gerustgesteld en bevestigd. Ze zijn dankbaar dat ze de Heer mogen zien. De blijheid wint het van de angst, onzekerheid en droefheid. Ze hoeven niet meer te huilen: alles komt goed. Dat is de boodschap die Jezus hun brengt. Eén leerling is niet aanwezig op dat moment: Tomas.

Sombere tweeling

We leren Tomas kennen als een apostel die in het Grieks 'tweeling' wordt genoemd: Didymus. Misschien is hij de tweelingsbroer van de apostel Matteüs, de tollenaar: ze worden in de evangeliën immers telkens samen vernoemd. (Matteüs 10, 2-4 - Marcus 3, 16-19 en Lucas 6, 13-16) 

Tomas lijkt eerder somber van gedachten te zijn. Wanneer Jezus naar Lazarus toe wil gaan, brengen de leerlingen in dat het gevaarlijk is: misschien wordt Hij wel gestenigd. (Johannes 11, 7-8) Tomas zegt tegen de leerlingen: 'Laten wij gaan om met Hem te sterven.' (Johannes 11, 16) Dit kan als dapperheid gezien worden, maar wellicht is het eerder een uiting van angst en radeloosheid. Wat als Jezus inderdaad wordt gestenigd, daar in Betanië? Dan is alles verloren!

Enkele hoofdstukken verder bemoedigt Jezus zijn leerlingen: ze moeten hun vertrouwen stellen in de Vader en in Hemzelf. Hij gaat weldra terug naar zijn Vader maar Hij zal een plaats voor hen gereedmaken en zal terugkomen om hen mee te nemen. Ze kennen immers de weg. (Johannes 14, 1-4) Bij Tomas slaat de opnieuw de angst toe: 'We weten niet waar U heen gaat, Heer. Hoe zouden we dan de weg daarheen kennen?' (Johannes 14, 5) Er klinkt wanhoop in de opmerking van Tomas.

Twijfelaar

Tomas lijkt erg bang te zijn om Jezus te verliezen uit hun midden. De Heer brengt zekerheid en vertrouwen in het leven van de apostel. Zonder Hem is hij verloren. En Jezus sterft inderdaad aan het kruis en wordt in het graf gelegd. Dat graf blijkt met Pasen leeg te zijn. Nu leren we Tomas kennen als een twijfelaar, een kritische zoeker. Waar hij voor heeft gevreesd, dat is gebeurd. 

Tomas lijkt een manier te zoeken om met dit enorme verlies om te gaan. Hij heeft Jezus vol overgave gevolgd, en nu is hij zijn Meester kwijt. Alles lijkt verloren nu. Tomas zoekt misschien de zekerheid en het vertrouwen waar hij zo'n heimwee naar heeft. Waar is de tijd dat hij alles achterliet om Jezus te volgen en vol bewondering naar Hem te luisteren.

Ongeloof

De leerlingen vertellen hem dat ze Jezus hebben gezien. Plots verscheen de Heer onder hen, toen Tomas weg was. (Johannes 20, 25a) Hij zegt resoluut: 'Alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie en met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zijde kan leggen, zal ik het geloven.' (Johannes 20, 25b)

Tomas stelt zich duidelijk kritisch op. Misschien was de verschijning een zinsbegoocheling, een spiritueel fata morgana. Ze wilden Hem zo graag nog even zien: dàt is het misschien geweest. Maar Hij is gestorven en begraven: de feiten spreken voor zich. Dat het graf leeg blijkt te zijn, komt in Tomas' denken wellicht doordat de Joden het lichaam hebben weggenomen. Een laatste daad van wraak. Dat dacht Maria van Magdala trouwens ook, toen ze het lege graf zag. (Johannes 20, 1-2) En daarmee is alles weg, werkelijk àlles.

Al wat nodig is

Is Tomas werkelijk ongelovig, zoals de traditie hem zo streng labelt? De somberheid en de rede weerhouden hem ervan te geloven en te vertrouwen. Wellicht is hij diep gekwetst. Is Tomas daarin niet gewoon menselijk? Hij lijkt zichzelf te willen beschermen. Daarom wil hij Jezus kunnen zien en voelen vooraleer hij er zelfs maar aan wil denken om de leerlingen te geloven. Hij wil niet nog eens teleurgesteld worden. Jezus is niet kwaad op Tomas. Een week later krijgt de apostel de gelegenheid om Jezus te ontmoeten en zijn wonden te voelen en eindelijk gelooft hij wat de andere apostelen hem hebben verteld.

Eigenlijk brengt Jezus vooral met zijn vredewens wat Tomas nodig heeft, veel meer dan met het voelen van de wonden. Vrede heeft Tomas van doen: vrede in zijn hart om zich opnieuw open te kunnen stellen voor het liefdevolle mysterie dat God is. Waar vrede is, daar is hoop. 

En wij?

Tomas herkent Jezus en roept uit: 'Mijn Heer en mijn God!' (Johannes 20, 29a) Wat moet hij zich schamen voor zijn twijfel en zijn uitval tegen de anderen. Wat moet hij zich schamen tegenover Jezus. Tomas krijgt geen uitbrander van Jezus. Wel merkt Jezus op: 'Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.' (Johannes 20, 29b) Want dat is christen zijn vanaf dan: niet zien en toch geloven. Hopen tegen de kille rede in, niet vluchten voor wat ons denken overstijgt en ons menszijn verheft.

Daarmee eindigt het Johannesevangelie. De evangelist sluit af met de hoop uit te drukken dat we geloven dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en dat we door te geloven leven ontvangen in zijn Naam. (Johannes 20, 31) Niet langer door Hem te ontmoeten als mens en Hem te volgen zoals de leerlingen destijds. Die wonderlijke tijd is voorbij en sluiten we liturgisch af met Pasen. Nu gaan we op weg naar Pinksteren, naar een nieuwe manier van volgeling zijn: in de Geest, die de leerlingen bij Johannes ontvangen bij de eerste verschijning, op de avond na Pasen. 

Langs Tomas leren we dat we zoekend zijn. We zoeken soms een schuilplaats in weten en zien en voelen. Maar geloven betekent ten diepste dat je je vertrouwen stelt in de Heer, die je niét zomaar zien kan, niet proefondervindelijk bewijzen kan. De Geest is onze Steun en onze Kracht daarin: God, werkzaam in ons.

05 april 2026

Pasen: een nieuw begin (5 april 2026)

Pasen markeert een nieuw begin. Het oude is voorbij. Voorbij het gemis en het verdriet om Jezus die in het graf is gelegd. Voorbij de wonderlijke verkondigingstocht doorheen het land. Voorbij ook het dramatische einde. Een nieuw begin vangt aan. Het graf is leeg, de Heer is niet dood. Het verhaal is niet gedaan, het begint pas!

Maria van Magdala

Vroeg in de morgen gaat Maria van Magdala naar het graf van Jezus. Het is nog donker. (Johannes 20, 1a) De nacht trekt nog weg achter de einder. Ze wil bij Jezus zijn. Zijn dood heeft haar diep getroffen. Maria van Magdala klampt zich vast aan het enige tastbare van Hem op aarde, na al die tijd van meetrekken met Hem. Ze heeft Hem steeds bewonderd. Wat Hij zei of deed, was waarheid.

Haar ontsteltenis is groot wanneer ze het graf nadert en merkt dat de zware sluitsteen is weggenomen. Het graf is geopend... (Johannes 20, 1b) De rustplek van Jezus is geschonden, en Jezus is weggehaald uit het graf! Waarheen hebben ze Hem meegenomen? En wie heeft dit gedaan? Helemaal overstuur rent Maria van Magdala weg en haast zich naar Petrus en de geliefde leerling. (Johannes 20, 2) 

Twee leerlingen

De twee leerlingen lopen naar het graf en zien wat Maria van Magdala hun heeft verteld. De zware steen die het graf afsloot, is weggerold en in het graf liggen de linnen doeken waarin Jezus was gewikkeld. (Johannes 20, 3-8) Wat ze zien is geen hersenschim, geen hallucinatie. Jezus, die gestorven is aan het kruis en in het graf is neergelegd, is niet meer in het graf. Wat er gebeurd is, dat weten ze niet. Maar ze zien wel wat ze zien.

Nochtans heeft Jezus hen willen voorbereiden op deze dag, wanneer Hij sprak over de tempel die in drie dagen heropgebouwd zou worden (Johannes 2, 19-22) en over de graankorrel die in de aarde sterft om nieuwe vruchten voort te brengen (Johannes 12, 24). Ondubbelzinnig was Jezus toen Hij tegen Marta zei: 'Ik ben de Verrijzenis en het Leven.' (Johannes 11, 25a) 

De Kerk

De dood van Jezus heeft de leerlingen angstig gemaakt en verward. Ze staan er nu alleen voor. Hun Meester is gevangengenomen, veroordeeld en gedood. En nu is zijn Lichaam zelfs weg! Dat terugplooien op zichzelf is eigenlijk compleet misplaatst. Daar zal de Heer hen weldra langs verschijningen en tekenen op wijzen. Hebben ze wel aandachtig geluisterd naar Jezus' woorden? De leerlingen zijn helemaal niet zielloos achtergelaten, integendeel. Weldra zal God werkzaam worden in hen. 

De Verrijzenis is geen schouwtoneel met klank- en lichteffecten. Niemand aanschouwt de verrijzenis van Jezus. Ze zien dat de opsluiting van de dood is ontsloten. In alle stilte. De Verrijzenis is een stille kracht. Er ontspruit zonder woorden nieuwe hoop uit de vergankelijkheid. Het lijden is niet betekenisloos geweest. De doeken zijn opzijgelegd. Het graf is leeg. Hoewel de leerlingen het nieuwe begin nog moeten inzien, mogen wij al de vreugde uit ons hart laten klinken: "De Heer is waarlijk verrezen! Alleluia!". En ook voor ons blijft de Verrijzenis een mysterie.

En wij

Tegelijk beseffen we dat geloven uiteindelijk geen theatraal en bombastisch gebeuren is. Het is een vreugde die zich uit in kleine daden en tekenen, in liefde die blijft, in goedheid tegen het sarcasme in. Gods Liefde is grenzeloos en gaat ver buiten ons menselijke verstaan. Dat blijkt nog maar eens aan het graf. Maria van Magdala en de leerlingen begrijpen niet wat er is gebeurd, al hebben ze zo aandachtig geluisterd naar Jezus' woorden.

Er is hoop, er is een nieuw begin met Pasen. Christus is opgestaan en het Nieuwe Verbond kan gesloten worden. Met de steen die is weggerold, is dat Verbond werkelijkheid geworden. Wij leven in de tijd van het Nieuwe Verbond. Laten we dus dankbaar zijn en blij dat God ons nabij blijft! En laat die vreugde ons aanzetten tot daden van naastenliefde...