Mensen hebben soms een neiging tot het syndroom van Calimero: 'de anderen hebben het beter dan ik en dat is niet eerlijk'. Ook de farizeeën, die zien hoe een tollenaar met Jezus aan tafel mag, voelen zich verongelijkt en reageren kleinzerig. Zij die alles zo correct en goed doen, mogen zij niet eerder bij de Heer aan tafel in plaats van zo'n zondaar? Ook wij kunnen het gevoel krijgen dat we niet genoeg aandacht krijgen van God. Misschien zoeken we dan vooral de verkeerde aandacht.
Geen automaat
De Romeinse godsdienst is opgevat als 'do ut des' (ik geef omdat jij zult geven): wanneer ik moeite doe voor de goden door een offer te brengen, dan moeten zij mij een gunst verlenen. Het is een systeem van wederkerigheid waarbij het initiatief bij de mens ligt. Wanneer die langs een offer een gunst afsmeekt, dan moet de god aan wie wordt geofferd vanzelf handelen. Een ritueel wordt een verdoken machtsmiddel om goden goedgunstig te stemmen. Het levert eigenlijk een omgekeerde situatie op waar een god ten dienste staat van een mens. En die dienstbaarheid is heel instrumenteel en materieel. Een mens wil via het offer iets verkrijgen, met andere woorden: een interessante deal sluiten met God.
Ook binnen het jodendom bestaat deze traditie. Maar er gebeurt een transformatie in de verhouding tussen God en mens en dus ook in het offeren zelf. God vraagt niet om de offers te verbieden maar beklemtoont dat de menselijke relatie met God moet bestaan uit gebed en goed handelen, om vergeving vragen wanneer dat nodig is en Gods Grootheid steeds erkennen. In ruil schenkt God zijn Liefde en zijn trouw, die ons mogen inspireren. (Psalm 40) Dat is een veel volwassener Godsrelatie dan 'do ut des'. Het betreft een band van wederzijdse liefde. ‘Want liefde wil Ik, geen offers; met God vertrouwd zijn is meer waard dan enig offer.’ (Hosea 6, 6)
Onevenredigheid
‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel. Overdenk maar eens goed wat dit wil zeggen: “Barmhartigheid wil Ik, geen offers.” Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.’ (Matteüs 9, 12-13) Jezus spreekt de verontwaardigde farizeeën streng toe. Wie zijn zij om Gods aandacht op te eisen langs hun gemor en geklaag? Denken ze dat ze perfect zijn misschien?
God schenkt zijn genade aan wie vraagt om zijn hulp. Gods aandacht gaat naar de hulpbehoevenden, de zwaksten. Gods genade hoort niet thuis in een boekhouding waarin een mens zou ontvangen volgens de inspanning die geleverd is. Dan zou de genade worden herleid tot iets waar een mens recht op heeft, iets wat men kan opeisen. Dat doen de farizeeën. En wij? Doen wij dat soms?
Wie goed doet, moet daar helemaal geen voortdurende bevestiging voor verlangen. God hoeft niet voortdurend te zeggen dat we het goede doen. Het goede doen, dat is namelijk onze plicht. Dat zou heel normaal moeten zijn. Wanneer iemand meer krijgt dan wij, dan is dat Gods vrijgevigheid: Hij weet wat we nodig hebben.
Doordrenkt door God
Wanneer we een oprechte band met God nastreven, gebaseerd op liefde en trouw, dan is God ons nabij, en wel op een heel diepgaande manier. ‘Dan zullen wij Hem kennen, ernaar streven om de Heer te kennen. Even zeker als de dageraad zal Hij komen, Hij komt naar ons als milde regen, als de lenteregen die de aarde drenkt.’ (Hosea 6, 3) Wat een inspirerend beeld!
Zoals de regen in de aarde drenkt, zo zal God Liefde in ons worden opgenomen. Zoals olie in de steen dringt, zo zal God in ons zijn. De gedachte van zalving met Gods Geest is hier niet ver weg. Vormelingen ontvangen het zegel van de heilige Geest, de gave Gods. Doordrenkt zijn door God, dat is misschien wel het sterkste beeld dat een diep geloof kan uitdrukken.
Leven in zijn nabijheid
‘Hij redt ons na twee dagen van de dood, de derde dag doet Hij ons opstaan: in zijn nabijheid zullen wij leven.’ (Hosea 6, 2) De profeet Hosea voorspelt de Verrijzenis van Jezus Christus. Gods Liefde laat zich niet begrenzen, zelfs niet door de dood. In het nieuwe Verbond dat de Heer met ons heeft gesloten, mogen wij leven in zijn nabijheid en steeds verder groeien in de Liefde die God is.
Laten we God dus blij van hart loven en prijzen, laten wij biddend vragen en danken. Maar laat ons evenzeer het goede doen, eerlijk zijn, en geen aandacht opeisen: niet bij God en ook niet bij vervangmiddelen.