Jezus kijkt om zich heen. Veel mensen zijn er bijeengekomen en ze zijn van goede wil. Hun bedoelingen zijn goed, maar ze hebben het lastig. Het leven is geen plezierrit. Alleen kan Jezus de Boodschap van vreugde niet verkondigen. Hij heeft helpers nodig, mensen die in zijn Naam het evangelie verkondigen en mensen nabij zijn, en heel dringend zelfs.
- Voor de lezingen van deze zondag: klik hier.
Oogst
Jezus merkt op dat er te weinig arbeiders zijn voor het vele werk. (Matteüs 9, 37) Daarom doet Hij een oproep: 'Vraag de eigenaar van de oogst of Hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.' (Matteüs 9, 38) Hij geeft deze opdracht aan zijn leerlingen. Zij moeten bidden om meer volgelingen die uitverkoren zijn om het geloof te verkondigen, meer bepaald om te doen wat Jezus zelf de hele tijd doet: onderricht geven in synagogen, het goede Nieuws over Gods Koninkrijk verkondigen en mensen helen.
Merk op dat Jezus het niet heeft over een abstracte taak of zending die rustig ingepland of uitgesteld kan worden. Wanneer de oogst niet op tijd wordt binnengehaald, dan bederft ze en is het hele groeiproces helemaal verloren. Het gaat dus over een hoognodige en dringende taak.
Voortrekkers
Christen zijn kunnen we niet alleen. We hebben voortrekkers nodig die de menigte met wijsheid en inzicht op weg helpen, die hen bij de Boodschap houden: wakker en alert. Anders dreigen we verloren te lopen. Jezus kijkt naar de mensen en merkt dat ze uitgeput en hulpeloos zijn. (Matteüs 9, 36)
Ze willen wel luisteren naar zijn Woord, maar hun aandacht is kort van duur. Ze hebben zo veel zorgen en ze hebben zo veel te doen. En ze willen Hem wel volgen, maar ze worden gauw moe en het engagement vraagt veel van hen. Het wekt medelijden op bij Jezus. Dat is een emotie die eigen is aan de Heer: Hij lijdt mee met onze menselijkheid. Jezus kijkt niet neer op de mensen, Hij kent hun tekortkomingen. Het menszijn heeft Hij ten volle aangenomen.
Naar de kudde
Jezus roept de leerlingen bij zich en zendt hen uit met duidelijke instructies. (Matteüs 10, 1 en 5) Ze moeten zich richten tot het Volk van Israël, niet tot ander mensen. Hoewel hun voorvaderen het Verbond met de Heer hebben verbroken, krijgen zij eerst de gelegenheid om het goede Nieuws te ontvangen en de Mensenzoon te volgen. Het is immers niet hun schuld dat ze verdwaald zijn: 'Mijn volk was een dolende kudde schapen: hun herders lieten hen dwalen, ze dreven hen de bergen in. Daar dwaalden ze over heuvels en bergen, ze vergaten waar hun schaapskooi was.' (Jeremia 50, 6)
De Heer hoopt immers dat ze Hem weer zullen terugvinden: 'Ze zullen zich opnieuw verbinden met de Heer, in een Verbond dat eeuwig duurt en nooit zal worden vergeten.' (Jeremia 50, 5b) Daarom krijgen zij de gelegenheid van Jezus om terug te komen naar God met de hulp van de leerlingen, die hen verkondigen dat het Koninkrijk van de hemel nabij is. (Matteüs 10, 7)
In zijn Naam
Ze worden op weg gestuurd, de leerlingen van de Heer: Simon Petrus, Andreas (de broer van Petrus), Jakobus (de zoon van Zebedeüs), en Johannes (de broer van Jakobus), Filippus, Bartolomeüs, Tomas, Matteüs (de tollenaar), Jakobus (de zoon van Alfeüs), Taddeüs (ook Judas genaamd), Simon (Kananeüs, de zeloot) en Judas Iskariot. (Matteüs 10, 2-4 - Handelingen 1, 13)
Zij beginnen de verkondiging in Jezus' Naam. Dat doen ze niet enkel met weloverwogen overdenkingen in de synagoge. Ze leven de Boodschap voor en ze delen hun vreugde van hun geloof. Wanneer we bidden om roepingen, in navolging van Jezus' vraag aan de leerlingen, laat ons dan bidden voor arbeiders voor de oogst.
Er zijn immers veel velden: kerkgebouwen, werkgroepen, scholen, ziekenhuizen, gevangenissen, verenigingen, goede doelen, noem maar op. Voor al die oogst zijn er arbeiders nodig die in de Naam van de Heer met de mensen begaan zijn en enthousiast en doorleefd de Boodschap van Gods Koninkrijk willen delen.