Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label Samaritaan. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Samaritaan. Alle posts tonen

06 oktober 2025

De dankbare Samaritaan (11-12 oktober 2025)

Tien mensen worden door Jezus genezen. Ze hoefden het alleen maar te vragen. De gulheid van Godswege is groot. Je zou verwachten dat zij Jezus alle tien oneindig dankbaar zijn en Hem uitgebreid komen bedanken. Niets is minder waar: negen van hen gaan verder en kijken niet eens meer om. Wat een ondankbaarheid... Hun genezing wordt niet ongedaan gemaakt door Jezus, maar ze mislopen helaas wel een andere genade.

Grens

In het grensgebied van Samaria en Galilea, op de grens tussen de ‘uitverkorenen’ en de ‘uitgestotenen’, gaat Jezus een dorp binnen. (Lucas 17, 11) De plaatsnaam vernemen we niet. Dat is bijkomstig en wordt dus niet vermeld. (Lucas 17, 12a) We bevinden ons in een grensstreek, een marge. Dat is geen detail, zeker omdat Samaria één van de twee gebieden is.

Samaria was ooit het politieke centrum van het Tienstammenrijk. In die hoogdagen werd echter ook de Baälcultus geïntroduceerd, onder koning Achab, op aandringen van zijn vrouw Izebel. Veel mensen offerden ook aan Baäl, en dat was afgoderij. Na de val van dat rijk werd de streek Samaria een provincie van het Assyrische rijk en er kwamen Macedoniërs wonen. De bevolking vermengde zich en werd dus niet langer als rein beschouwd.

Ziekte

Enkele mensen komen Jezus tegemoet. Ze hebben een huidziekte, melaatsheid in de brede zin van het woord. Doorgaans kan de kwaal niet worden genezen en daarom worden de getroffen mensen geïsoleerd. Ze blijven op een afstand van Jezus. (Lucas 17, 12c)

De reinheidswetten zijn zoals onze Covid- en andere isolatiemaatregelen: het is een kwestie van bescherming van wie nog niet is besmet. Naast de sociale isolatie hangt er ook een religieus stigma aan hun ziek zijn vast: het wordt vaak beschouwd als een straf van God. Dat wakkert op zijn beurt de angst verder aan uiteraard.

Bedevaart

“Jezus, meester, heb medelijden met ons!”, roepen ze luid. (Lucas 17, 13) Ze vragen om medelijden, ze vragen of Hij wil omzien naar hen (in het Grieks: ‘eleèson hèmas’). Deze vraag maakt nog steeds deel uit van onze liturgie: “Heer, ontferm U over ons.” Misschien is dat een iets te zachte vertaling geworden. De tien vragen het niet zomaar, ze roepen Hem luid toe (in het Grieks: èran foonèn, met verheven stem). Er zit een radeloosheid in hun smeekbede.

Hun bede wordt verhoord – tot hun grote verbazing – en Jezus stuurt hen naar de priesters. Merk op dat ze onderweg daarheen worden genezen. (Lucas 17, 14b) Jezus raakt hen niet aan en heelt hen niet met een andere daad of performant woord. Hun weg naar de priesters is een helende bedevaart, die in opvallend weinig woorden wordt omschreven. Er is een sacrale dimensie aan deze passage: ze worden niet zomaar medisch genezen. Waarderen ze dat aspect van de genezing? Tegelijk maakt Jezus verbinding met de joodse traditie door hen naar de priesters te sturen die hen genezen kunnen verklaren.

Vertrekken

De tien vertrekken (in het Grieks: ‘hupagein’). Het is een weg van bevrijding, van de ziekte achter zich laten. Het mag geen toeval zijn dat Johannes hetzelfde werkwoord gebruikt bij Lazarus, die uit de dood wordt opgewekt uit het graf: “Maak de doeken los en laat hem gaan.” (Johannes 11, 44) Lazarus laat de kluisters van de eindigheid achter zich.

Waarom worden ze door Jezus genezen? Waar hebben ze het aan te danken? Welnu, ze hebben geloof in Hem, ze vertrouwen in hun nood op Hem. En daar is niets verkeerds aan. Toch is de wonderlijke genezing, hoe sensationeel ook, absoluut niet de kern van dit verhaal. Lucas houdt de boodschap voor het eind.

Terugkomst

De statistieken vallen zwaar tegen: slechts één van de tien genezen mensen komt terug. Een Samaritaan dan nog wel: niet eens een volwaardige gelovige in de ogen van velen! Erg dankbaar is het alleszins niet van de negen anderen. Jezus brengt het uitdrukkelijk onder de aandacht: “Zijn ze niet alle tien gereinigd? Waar zijn dan de negen anderen?” (Lucas 17, 17) 

Inderdaad, waar zijn ze gebleven? Dit is één van de keren dat Jezus oprecht verontwaardigd is. “Is er niemand teruggekeerd om aan God eer te brengen?” (Lucas 17, 18) Nee, zo blijkt, op één na. Zijn hemelse Vader verdient beter. ‘Dankbaarheid is een bloemke dat in weinig hoven bloeit’, schreef Guido Gezelle ooit… Jezus legt de klemtoon nogmaals op de marge waarin Hij werkt: ‘deze vreemdeling’ is wel teruggekomen, de rest niet. (Lucas 17, 18) Andermaal wordt Jezus geconfronteerd met een overvloed aan opportunisme en oppervlakkigheid.

Opstaan

Die éne man, een Samaritaan, is wel teruggekomen. “Sta op en ga,”, besluit Jezus. (Lucas 17, 19a) Opstaan doet hier veel snaren tegelijk trillen. Opstaan is een oproep tot morele actie: verhef jezelf, maak iets van je leven, opdat God fier op je mag zijn. Maar het Griekse werkwoord ‘anastas’ wordt ook gebruikt om Christus’ opstanding uit de dood te benoemen. (Marcus 16, 9) Dit detail is niet toegevoegd ter verfraaiing. Er schuilt een grote toegevoegde waarde in het begrip ‘opstaan’? Het is een welgekozen detail, een sacrale opening om te kaderen wat straks nog volgt. Je voelt dat de ontknoping nadert: de cirkel is bijna rond.

“Je geloof heeft je gered.” (Lucas 17, 19b) Gered zijn, is iets compleet anders dan gereinigd zijn. En hier klinkt de ultieme boodschap van Lucas: niet de genezing van de huidziekte is de essentie, maar wel de redding. In het volgende vers gaat Lucas naadloos verder in op het Koninkrijk van God. Want daar heeft Jezus het over wanneer Hij zegt dat de dankbare Samaritaan gered is.

De dankbare Samaritaan leert ons, samen met de barmhartige Samaritaan (Lucas 10, 30-37), dat geloven een grondhouding is, en geen verzameling van uiterlijkheden. Een houding tot God van waaruit men mag hopen op redding van Godswege.

Verwachtingen

In het hoofdstuk voorafgaand aan de parabel van de barmhartige Samaritaan is te lezen hoe een Samaritaans dorp Hem en zijn leerlingen niet ontvangt omdat zij op weg zijn naar Jeruzalem. De Samaritanen hebben immers hun eigen tempel op de Gerizim. “Wilt U dat we vuur uit de hemel afroepen dat hen zal verteren?”, vragen de leerlingen dramatisch aan Jezus. (Lucas 9, 54b) Hij wijst hen streng terecht. (Lucas 9, 55) Als het er op aan komt, is de Mensenzoon immers nergens welkom. (Lucas 9, 58) Ook niet in de tempel van Jeruzalem.

De dankbare Samaritaan is net als de barmhartige Samaritaan de onverwachte gelovige vol liefde en goedheid. Ziehier een niet verkeerd te verstane waarschuwing tegen zelfgenoegzaamheid bij het Volk Gods. Wie genezen wordt door God, maar niet eens de moeite doet om te danken, is dat eigenlijk wel een gelovige? Wie een kwetsbare naaste halfdood laat liggen maar anderen de levieten leest of met Schriftverzen zwaait, is dat een gelovige?

Het zijn lessen voor ons vandaag. De oprechte gelovigen zijn zij die God eren door hun kwetsbare naasten bij te staan en God te danken voor de gunsten die hun worden verleend. En dan heeft een schamele Samaritaan oneindig veel meer kansen om het Koninkrijk van God binnen te gaan dan een zelfverklaarde diepgelovige wiens daden het tegendeel aantonen. 

08 juli 2025

De Samaritaanse draai in de verf (12-13 juli 2025)

De barmhartige Samaritaan is een populaire parabel, ook in de schilderkunst. Dat komt mede omdat er een schokkend element in het verhaal zit: de held is iemand waar men op neer hoort te kijken. Juist daardoor vertelt het verhaal over de kern van de Liefde die God van ons verwacht. Vincent Van Gogh stort zijn hart uit in dit werk, enkele maanden voor zijn dood. Het mag een gelovige cri du coeur zijn naar ons toe. Een wetgeleerde vraagt aan Jezus: Wie is mijn naaste? Jezus' antwoord is een harde noot om te kraken.

Getormenteerd

Vincent Van Gogh (1853, Zundert in Nederland - 1890, Auvers-sur-Oise in Frankrijk) schildert ‘De barmhartige Samaritaan’ met olieverf op doek. Het werk is middelgroot: 73 bij 59,5 cm. In 1889 laat de getormenteerde schilder zich uitgeput, ziek en buiten zichzelf opnemen in de psychiatrische inrichting Saint Paul in Saint-Rémy-de-Provence, een Zuid-Frans gehucht. Het sanatorium is een voormalig klooster gelegen tussen de korenvelden, wijngaarden en olijfbomen: een schilderachtige omgeving. 

(c) Kröller-Müller Museum, Otterlo

Vincent Van Gogh, De barmhartige Samaritaan (1890)

Hij krijgt er twee kleine cellen met tralievensters tot zijn beschikking: één die dient als slaapkamer en de aangrenzende cel als atelier. Zo krijgt hij ruimte om zich artistiek uit te drukken. In deze periode schildert Van Gogh vooral grote werken na, maar hij maakt ze zich eigen langs de compositie, de kleuren en uiteraard ook langs zijn kenmerkende ruwe penseelstreken. 

Interpretatie

Zo interpreteert hij ‘De barmhartige Samaritaan’ van Eugène Delacroix (1798 Charenton-Saint Maurice in Frankrijk - 1863, Parijs in Frankrijk), een klein werkje van 37 bij 30 cm in olieverf op doek. Hij bewondert Delacroix en weet zich door hem geïnspireerd qua kleurgebruik. Zijn reproductie begint hij met een houtskooltekening waarbij hij de compositie van Delacroix meteen spiegelt. Daarna werkt hij het schilderij uit zonder nog te vergelijken met het origineel. Hij gebruikt dit keer niet de heldere kleuren die hem zo typeerden tijdens zijn tijd in Arles. De donkere gedachten in zijn hoofd krijgen aldus vorm in dit werk. In de vage samenklank van kleuren drukt Van Gogh doelbewust het sentiment van de parabel uit.

(c) Privécollectie

Eugène Delacroix - De barmhartige Samaritaan (1849)

Het lijkt geen toeval dat Van Gogh voor dit werk van Delacroix kiest. De Samaritaan onderbreekt zijn reis om een beroofde en hulpeloze man te helpen. Wellicht herkent Vincent zichzelf in de zieke man. Misschien ziet hij in de Samaritaan zijn broer Theo, die altijd voor hem klaarstaat wanneer hij hulp nodig heeft. Van Gogh is er immers erg aan toe. In de inrichting maakt hij verschillende crisissen door. Enkele maanden later overlijdt hij.

Vereenzelviging

De Samaritaan wordt Messiaanse kleuren toegedeeld. De tulband is wit en symboliseert de Goddelijke zuiverheid. Zijn fez is rood, verwijzend naar het bloed van het Verbond. Het goud van zijn mantel verbeeldt zijn koninklijke waardigheid. Het blauw van de broek spreekt van de verbinding die de Samaritaan, net als Jezus, legt tussen hemel en aarde. Het slachtoffer wordt door de Samaritaan vol medelijden op zijn rijdier geduwd. Je ziet hoe hij zijn hele lichaam inzet om hem op te tillen. De wil om te helpen wordt langs zijn hele houding uitgedrukt.

De grove toetsen waarmee de bergen zijn weergegeven, lijken te drukken op de beide figuren. Zo ziet de schilder zichzelf: als iemand die tegen alle druk in anderen toch barmhartigheid wil bewijzen. Die goede wil komt in zijn leven echter lang niet zo goed uit de verf. Waar hij ook verblijft, overal krijgt hij ruzie. Op het laatst vindt Van Gogh daar in Noord-Frankrijk de dood na een ruzie met een stel kwajongens. Hoewel Van Gogh dolgraag geliefd wil zijn, ontmoet hij in zijn leven vooral afwijzing en tragiek. De koffer die opzij op de grond ligt, is leeggeplunderd: een verwijzing naar het vele kwaad in de wereld. Mensen kunnen mekaar veel onrecht aandoen.

Vincent van Gogh wil in zijn inleving een barmhartige Samaritaan zijn, maar lijkt uiteindelijk veel meer op het slachtoffer langs de kant van de weg: berooid en verworpen. Hij hunkert naar genade, maar vindt nergens de barmhartige Samaritaan die hem kan optillen en genezen. Of toch? Zijn broer Theo zal opnieuw naar hem toe komen en hem tegen zich aan trekken na de schotwond hem fataal wordt. Van Gogh schildert zijn Samaritaan in mei 1890, vlak voor zijn vertrek uit Saint-Paul, goed twee maanden voor zijn dood.

Perspectief

Als contrast breng ik de parabelinterpretatie van de Zwitserse schilder Ferdinand Hodler (1853, Bern in Zwiterland - 1918, Genève in Zwitserland) aan. Dit is een groot doek van 71 bij 112 cm, met olieverf beschilderd. Hij kiest hier voor een opmerkelijk laag perspectief, een inkijk die de scène een grote intimiteit geeft. De kijker staat op gelijke hoogte met het tafereel en wordt meegezogen in de dialoog van empathie en hulpeloosheid. Zo wordt het publiek letterlijk uitgenodigd om een naaste te worden van de Samaritaan en de beroofde man. Iedereen komt op gelijke hoogte. Dat is ook wat Jezus ons wil laten aanvoelen. De Samaritaan die de beroofde man wél helpt, dààr moeten we ons aan spiegelen.

(c) privécollectie

Ferdinand Hodler - De barmhartige Samaritaan (1886)

De ander is hier geen lastig obstakel maar een mens die zorg nodig heeft. De Samaritaan gaat bij de man neerzitten - zelfs bijna neerliggen - en is bereid om hem te helpen. De arme stakker ligt naakt en kwetsbaar neer en is kennelijk hard op de stenen terechtgekomen. Gelukkig wordt hij niet door iedereen in de steek gelaten. De Samaritaan legt zijn arm om de nek en schouder van de man heen en reikt hem iets te drinken aan.

Niemand hoeft zich verheven te voelen. De priester en leviet, die in een boog om hem heen zijn gelopen, hebben groot ongelijk. Ze hebben God niet liefgehad: een zware fout. De Samaritaan echter, die als onrein wordt beschouwd in de cultuur ten tijde van Jezus: hij is ons voorbeeld. De wetgeleerde kan en wil hem zelfs niet uitdrukkelijk benoemen. De noties van juist en ‘verkeerd’ zijn helemaal ontwricht in de samenleving. Dat is wellicht de meest lastige ‘draai’ in het verhaal. We moeten helemaal niet neerkijken op anderen, louter omdat ze anders zijn dan wij, maar juist de goede daden overnemen van de mensen om ons heen.

Kaffie en stuten

Als toemaatje een merkwaardig lied van Willem Vermandere (°1940, Lauwe in België). (Klik hier om het lied te beluisteren.) In ‘De Barmhartige Samaritaan’ (1970) is het personage lichtjes beschonken op weg van Ieper naar Veurne en belandt hij uiteindelijk langs de kant van de weg. De pastoor passeert, maar hij heeft enkel een preek en een zegen voor hem over. Een minister met chauffeur in ‘tenue’ scheldt hem uit en zet zijn reis ook verder. Er komt een kloosterzuster langs die een verkeerd oordeel over hem velt, een dokter die van hem wegkijkt, en een boer en een notaris die eveneens doorlopen zonder te helpen. De Samaritaan neemt hier de gedaante aan van een oud-ijzermarchand die de arme man uiteindelijk toch ‘kaffie en stuten’ (koffie en boterhammen) aanbiedt: al wat hij nodig heeft. Geen vooroordelen, geen verwijten, maar verkwikking.

Wie onze naaste is? Iedereen die hulp nodig heeft, die wat liefde kan gebruiken, die gebaat is bij wat aandacht en wat begrip. Daar kan Gods liefde waar worden, ver weg van hoogmoed, arrogantie en oordelen. Die Samaritaanse draai van ontnuchtering kan wat zwaar vallen. Het is juist daarom des te belangrijker om er vaak aandacht aan te schenken als volgeling van Jezus Christus. Zijn we wel goed bezig?

24 oktober 2023

Naastenliefde en gastvrijheid: de kern van ons geloof (28-29 oktober 2023)

Het Volk van God lijkt het meest toegewijd onderweg. Eenmaal een volk zich settelt en gronden en huizen tot bezit worden, ontstaat een typisch menselijke transitie van ‘zijn’ naar ‘hebben’. Mensen worden elkaars concurrent in ongelijkheid. Een nomadenfamilie onderweg is toevertrouwd aan Gods genade. Een dorp is verdeeld in strikt gescheiden eigendommen. Er ontstaat een andere dynamiek in het samenleven. God krijgt ook een vaste plaats. En die plaats kan floreren, maar ook vernietigd worden.

Egyptische samenleving

Vóór hun tijd in Egypte trekken de Hebreeën rond, zoals veel volkeren in die tijd. Al krijgt Jozef van de Farao de taak om het paleis en bij uitbreiding het land te besturen, hij en zijn broers worden aan een aparte tafel gezet wanneer die op bezoek komen. (Genesis 41, 38-45) Hebreeën en Egyptenaren eten nooit samen. (Genesis 43, 32) De hongersnood waardoor zijn broers bij Jozef komen smeken om hulp, illustreert de fragiliteit van het nomadenbestaan. Een dorp of stad waarin landbouwers samenwerken, kan een buffer trachten op te bouwen voor minder goede tijden. (Genesis 42, 1-5) Nomaden moeten het stellen met wat er voorhanden is, en desnoods verhongeren ze. De grond waarvan hun dieren grazen, is hun eigendom niet, ze gebruiken het. Ze hebben enkel roerend goed.

De Egyptenaren kijken neer op nomaden. Hun eigen samenleving beschouwen ze als veel meer geëvolueerd, meer geciviliseerd: ze vestigen zich op de vruchtbare grond rond de Nijl. Er worden steden opgetrokken, met grootse gebouwen en monumenten. Daar is een stelletje herders in tenten niets bij, vinden ze. Ook in het Westerse denken wordt een rondtrekkend volk beschouwd als primitiever en marginaler, met de bijhorende vooroordelen.

Van nomadisch naar sedentair

Na hun vlucht uit de slavernij, zijn de Hebreeën jarenlang onderweg naar het Beloofde Land. Dat Land is de eerste stap naar een sedentair, gevestigd bestaan, met huizen, dorpen en steden. Aanvankelijk trekken ze nog van grasland naar grasland in het land dat hen wordt toegewezen, onderweg met hun kudde. Er wordt echter niet meer getrokken naar andere kontrijen. In de tijd van de grote koningen Saul, David en Salomo is het volk grotendeels sedentair geworden: er wordt volop gebouwd. (1 Koningen 6-7)

Dit levert een meteen fundamentele godsdienstcrisis op. De samenleving gaat steeds meer aan landbouw doen en men verkiest meer en meer de vruchtbaarheidscultus van de Kanaänieten als hulp voor hun oogst. Hebberigheid beïnvloedt het spiritueel denken. Het Rijk wordt in Noord en Zuid opgesplitst en wordt kwetsbaarder: hun groeiende rijkdom trekt machtige buurlanden aan.

Geboden onderweg

De Heer heeft aan het Volk onderweg de belangrijkste leefregels gegeven. De tien geboden zijn onmiskenbaar geijkt op het nomadische bestaan: ze beschrijven de omgangsregels rond respect voor God, voor de ander, voor het bezit van de ander, voor de goede zeden en voor de familiebanden. (Exodus 20, 1-17) In de aanvullende verordeningen na de geboden zegt de Heer in de eerste lezing van vandaag uitdrukkelijk: “Vreemdelingen mag je niet uitbuiten of onderdrukken, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte.” (Exodus 22, 20) Dat wordt overigens bijna letterlijk nog eens herhaald verderop. (Exodus 23, 9)

Gastvrijheid wordt doorheen het Eerste (Oude) Testament vooropgesteld als basisprincipe. Dat is ook essentieel in een nomadische of semi-nomadische samenleving. Op verplaatsing moet je er op kunnen rekenen dat je welkom geheten wordt onderweg en op je bestemming. Anders overleef je het niet.

Abraham en Lot

Het onthalen en het verwelkomen van passanten is belangrijk in een bewegende samenleving. Er zijn immers geen herbergen of ontvangstplekken. Wanneer je je naaste niet onthaalt in de tent, blijft hij kwetsbaar overgeleverd aan de natuurelementen. Zo wordt Abraham als gastheer in de verf gezet wanneer drie mannen zijn tent bij de eiken van Mamre voorbijgaan. (Genesis 18, 1-15) 

Zijn gastvrijheid is diepgeworteld. Hij noemt zichzelf ‘hun dienaar’ en vraagt waarmee hij hen van dienst kan zijn. Ze kunnen hun voeten wassen, iets eten en op krachten komen. (Genesis 18, 4-5) Het is immers op het heetst van de dag. (Genesis 18, 1)

In dit verhaal vol gastvrijheid wordt Sodom vernoemd, en dat is geen toeval.  Er zijn grote klachten over deze stad. (Genesis 18, 20-21) In het volgende hoofdstuk blijkt dat het een ongastvrije stad is met een erg vijandige houding ten aanzien van vreemdelingen. Daarom gaan de mannen er op bezoek: om na te gaan of de inwoners inderdaad zo intolerant en ongastvrij zijn. (Genesis 19, 4-38) 

Lot is net als zijn neef Abraham een toonbeeld van gulle gastvrijheid. Zelfs wanneer de mannen zijn aanbod vriendelijk afslaan, blijft Lot aandringen. (Genesis 19, 1-3) Lot wordt daarna echter zelf een vreemdeling genoemd door de agressieve inwoners, die de gasten én Lot een lesje willen leren door hen te vernederen. (Genesis 19, 4-9) Bezit verandert de zeden, soms ten kwade. De ander wordt een bedreiging voor het eigen bezit. Dat bezit wordt daarom ook vernield door God als straf. Het is geen toeval dat de stad samen met haar bewoners wordt vernield. (Genesis 19, 24-25) 

Wil je meer lezen over het al te kortzichtig geïnterpreteerde verhaal van Sodom? Klik hier.

Verstedelijking

God keurt het sedentair leven niet af. Zo vernielt Hij Soar niet wanneer Lot de bergen niet in wil vluchten, maar de bescherming van het stadje verkiest. Dit is een belangrijk scharnierpunt in de geschiedenis van het Godsvolk. Het stadje zal niet weggevaagd worden, omdat er gastvrijheid zal heersen. Zijn vrouw kijkt om naar de ongastvrije stad, ze kijkt terug naar dat oord dat Gods regels verfoeide. Had ze heimwee? Ze versteent, ze wordt een zuil, een monument. Ze verontmenselijkt: haar leven en haar vrijheid worden haar ontnomen. (Genesis 19, 23-29) Ze is niet eens bij naam genoemd in het verhaal.

Dat gastvrijheid beloond blijft, toont het verhaal van de weduwe in de stad Sarefat aan. Daar ontmoet de profeet Elia een vrouw die hout sprokkelt. Hij vraagt haar om water en wat brood, en dat wil ze hem geven, al heeft ze niets meer. Ze wordt beloond: haar meelpot en haar oliekruik raken niet leeg. Ze hebben alle dagen voldoende te eten. (1 Koningen 17, 8-16) Wie geeft, die ontvangt van God.

Naastenliefde

In het Tweede (Nieuwe) Testament wordt deze vrijgevigheid bevestigd in de zeven werken van barmhartigheid. Dit betreft de plicht om de nodige zorg te verlenen aan mensen die honger hebben of dorst, schamel gekleed gaan, geen onderdak hebben, ziek zijn, gevangen of overleden. (Matteüs 25, 31-46) Jezus beoordeelt ons christenzijn immers op basis van onze liefde en zorg voor onze naasten. (1 Johannes 4, 21) De goedheid van de barmhartige Samaritaan en het nalaten om te helpen door anderen geldt als waarschuwing. (Lucas 10, 25-37) We moeten handelen zoals die Samaritaan.

Waarom? Heel eenvoudig: het evangelie van deze zondag legt het fundament van ons geloof uit: ‘Heb God lief, en je naaste zoals jezelf’. (Matteüs 22, 34-40) Naastenliefde is de diepste uiting van godsdienst, van eredienst aan God. (Johannes 14, 23) Christen zijn, is gastvrij zijn. Christen zijn, is het opnemen voor de zwakke en kwetsbare mensen. Voor vluchtelingen, verschoppelingen, voor mensen die neerbuigend marginaal worden genoemd. Jezus is duidelijk: daaraan zijn de Wet en de Profeten verbonden. Daarin ligt de kern van ons geloof: goede daden voor onze naasten, en dus voor God. 

07 oktober 2022

De kracht van dankbaarheid (8-9 oktober 2022)

“Dankbaarheid is een bloemke dat in weinig hovekens bloeit.”, zo schreef priester-dichter Guido Gezelle in een ver verleden, in een tijd waarin poëzie nog moest opboksen tegen het nuchter boerenverstand en verder niets. De slogan heeft sindsdien veel schouwen versierd, op een tegeltje gedrukt en netjes ingekaderd. 

Dankbaarheid is nooit vanzelfsprekend geweest, in tegenstelling tot vragen en krijgen. Het wordt wel nog steeds met veel vertoon aangeleerd. Je ziet het overal waar een kind een geschenk krijgt. Ouders staan meteen in gereedheid: “En wat zeg je dan?” De kindergezichten die daarna volgen, zijn vaak wonderlijk. Al die priemende blikken, en de strenge stilte in afwachting van het gewenste antwoord. Misschien leren we dankbaarheid iets te dwangmatig aan, zonder uit te leggen wat de diepe waarde ervan is…

Geschenken

Dankbaarheid is de bevestiging van een geschenk. Pas dan is de gave voltrokken. Het geschenk wordt aangenomen met de uitdrukking van dankbaarheid. Niet de inhoud van het cadeau is de aanleiding tot dankbaarheid, maar de gave zelf. Daarom pakken we geschenken ook onherkenbaar in. Het feit dat iemand een geschenk speciaal voor jou heeft uitgezocht en jou dat gunt, is de aanleiding voor de dankbaarheid. Zo niet, zou je enkel bedanken in de mate dat het geschenk je bevalt.

Wanneer een geschenk herleid wordt tot een nuttige uitwisseling waarbij de waarde domineert, dan is het geen geschenk maar een transactie. Welk passend geschenk zou je dan kunnen geven op Moederdag of Vaderdag, als je uit een warm nest komt en je ouders je overal in hebben gesteund? Hoe bepaal je dan de prijs van het geschenk? Een geschenk is symbolisch van aard en dus ook van waarde. Een geschenk is een gave van affectie, of van liefde, of respect. Het is in se een gave van dankbaarheid.

Een geschenk is eigenlijk ten diepste immaterieel, al is er meestal materie bij betrokken. Alhoewel... Stel, je wil iets opschrijven, maar je vindt geen pen. Iemand leent je zijn of haar pen uit. Dan zeg je: “dank je wel”. Straks geef je de pen gewoon weer terug. Toch bedank je, en terecht: er werd je iets geschonken. Hopelijk doe je dat niet enkel uit vriendelijkheid. Dankbaarheid hoort immers welgemeend te zijn, geen schone schijn. Je bedankt niet voor de pen zelf, want die krijg je enkel te leen. Je bedankt de ander voor de hulp die geboden wordt. De ander is zo opmerkzaam om te zien dat je geen pen bij hebt en schiet je te hulp. Naast die hulp is ook het geschonken vertrouwen is een reden voor dankbaarheid. De ander vertrouwt je iets van zichzelf toe.

Genade

Wanneer God ons iets schenkt, noemen we dat genade. Zijn genade wordt ons gratuit geschonken, uit goedheid, waar God grenzeloos in is.

Ook Jezus’ genezing van de tien melaatsen is een daad van genade. Hij hoeft dat helemaal niet te doen. Het is hun gegund. Ze vragen Jezus in hun ellende om zijn ontferming. Jezus verhoort hun gebed en vraagt dat ze zich aan de priesters laten zien. Onderweg worden ze gereinigd. Genezen komen ze aan bij de priesters, die hen anders niet hadden ontvangen omdat ze onrein waren.

Samaritaan

Daarna gebeurt iets merkwaardigs. Eén van de genezen mensen komt terug. Het is een Samaritaan, een vreemdeling. De anderen hebben de moeite niet gedaan om Hem te komen bedanken. Jezus vraagt hun strikt genomen ook niet om terug te komen, maar het lijkt Hem wel vanzelfsprekend en passend. De statistiek blijft teleurstellend: 10 procent toont Hem dankbaarheid. Guido Gezelle heeft zich misschien op deze cijfers gebaseerd voor zijn boutade.

De Samaritaan wordt omwille van zijn dankbaarheid niet alleen lichamelijk rein: ook zijn ziel wordt rein. Omwille van zijn geloof ontvangt hij een bijkomende zegen: Hem wordt het rijk Gods gegund. De anderen, die teveel op zichzelf gericht zijn en te weinig op Gods genade, worden niet gered. Hun genezing wordt weliswaar niet ongedaan gemaakt. Genade is een geschenk, en een geschenk neemt ook God niet terug.

De Samaritaan geeft heel uitdrukkelijk vorm aan zijn dankbaarheid: hij werpt zich voor Jezus’ voeten. Hij brengt Jezus eer en dankt Hem. Daarop wordt de man gezonden: “Sta op en ga.” Met de zegen van de Heer mag hij zijn weg verderzetten, gered omwille van zijn dankbaar geloof.

Inspiratie

De dankbaarheid van de Samaritaan mag ons inspireren om ons geloof te verdiepen. Ook wij zijn op weg, gezonden door de Heer. We kunnen onze dankbaarheid aan God kenbaar maken in ons gebed en tijdens de liturgie. Geloven in God vraagt van ons dat we Hem loven en danken om wie Hij voor ons is: “Ik ben er” (Exodus 3, 14). Hij is onze Schepper en Bevrijder en heeft zijn Zoon naar de wereld gezonden om de Boodschap te verkondigen. Zijn Geest inspireert ons elke dag opnieuw.

In de eucharistie bezingen we in het Eer aan God (Gloria) al heel vroeg in de tekst de opgewekte vormen van gebed: loven, prijzen, aanbidden, verheerlijken en dankzeggen. Persoonlijk vind ik de dankzegging het mooiste gebed. 

29 juli 2022

De succesvolle dwaas (30-31 juli 2022)

Een verongelijkte man roept uit de menigte naar Jezus: “Meester, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen!” (Lucas 12, 13) Volwassen mensen worden soms de kleinste kinderen wanneer het over geld gaat. Heel merkwaardig. “Dat is van mij!” “Nee, laat los, het is van mij!” Terecht antwoordt Jezus dat beslissen over geld niet zijn bevoegdheid is. Daarna krijgt het verhaal een meer extreme en fundamentele wending. 

Een succesvolle dwaas

Jezus waarschuwt de man: “Hoed je voor elke vorm van hebzucht!” (Lucas 12, 15b) Niet enkel deze mogelijk vorm, maar élke vorm. Hij vertelt een verhaal ter illustratie. Het kon inspiratie zijn voor een dramaserie met veel rijkdom en glitter. Een rijke man had een mooi landgoed. Hij werkte verstandig en ondernemend: hij zaaide op het land en oogstte alles netjes op tijd. Er was graan in overvloed, veel meer dan verwacht. “Wat ik zal doen is dit: ik breek mijn schuren af en bouw grotere, waar ik al mijn graan en goederen kan opslaan.” (Lucas 12, 18bc) Dat is een goed plan: meer ruimte, meer omzet, meer kapitaal! Voor jaren is hij veilig, niets of niemand die hem nog klein krijgt. Zo'n man zou nu op de tv komen als succesvolle rijkaard. Hij zou een trendsetter zijn, aanbeden en verheerlijkt door de massa. “Heb je dat gezien? Die man heeft het helemaal gemaakt! Kijk eens wat een schuren, wat een geld, wat een kast van een huis! Dat wil ik ook!

“Succesvol zijn en winst maken, daar gaat het om,” hoor je de rijke man denken. “Alles draait om een goede bedrijfsstrategie en een verstandig management: dan wordt mijn bedrijf nog groter en nog beter! Wat wil je nog meer?” Welnu, het ontbreekt hem toch aan iets, want God noemt hem… een dwaas! Hij was beter wat ambitieuzer geweest los van zijn geldkist. Hij had tot God kunnen bidden en geluisterd hebben naar het Woord. God zegt: “Dwaas, nog deze nacht zal je leven van je worden teruggevorderd. Voor wie zijn dan die schatten die je hebt opgeslagen?” (Lucas 12, 20) Hij is steenrijk geworden, jazeker, maar niet bij God. Bij God is hij straatarm.

Absurd

De echo’s van Prediker klinken in Jezus’ woorden: “Ook al is een mens bij alles wat hij heeft bereikt bekwaam te werk gegaan, met wijsheid en kennis van zaken, hij moet het iemand geven die er niets voor heeft gedaan.” (Prediker 2, 21) Dat is niet de zin van je leven, dat is “ijdel” (in het Hebreeuws: “Havel havalim”), vroeger vertaald als “ijdelheid der ijdelheden”, of meer eigentijds: “je reinste absurditeit”, of ook “lucht en leegte”. Het heeft allemaal te maken met een intense ervaring van teleurstelling. Er blijkt niets over te blijven van alle inspanningen. Een zuchtje, mee niet. Abel (Genesis 4) klinkt in het Hebreeuws “Hével”. Hij was een zuchtje in vergelijking met zijn sterke en ambitieuze broer Kaïn.

Ondernemerschap

Is God dan tegen investering en vooruitgang? Nee, op voorwaarde dat je minstens evenveel gedrevenheid investeert in je geloof! In het verhaal hebben geld en succes de welvarende man verblind. De man is veranderd in een zakenman, er is geen plaats meer voor geloof. Het is een kwestie van de juiste prioriteiten te stellen.

Jezus spreekt zich niet uit over ondernemerschap. Misschien kunnen we in de kantlijn ook stellen dat Jezus geen expert of adviseur is in economische wetenschappen. Ook daartoe is Hij door de Vader niet aangesteld, net zo min als in onderhandelingen in erfrecht. Maar in een diepere laag kunnen we ons de vraag stellen of Jezus een afkeer heeft van bezit en de bijhorende ongelijkheid? Hij is alleszins geen strijder voor het kapitalisme of monetarisme. Een rijke jongeling die Hem aanspreekt en die Hem wil volgen, moet eerst zijn bezit verkopen, waarna hij afdruipt. (Marcus 10, 17-27) Dan zegt Hij aan zijn leerlingen dat het moeilijker is voor rijke mensen om in Gods rijk te komen. Het hangt immers van God af. Wie aan geld denkt, vergeet God. En als je slechts halfhartig kiest voor God, kan Hij ook niets doen voor je.

Geld zonder macht

Ik denk spontaan aan een merkwaardige uitspraak van de Britse premier Margaret Thatcher (1925-2013): "Niemand zou ooit van de Samaritaan hebben gehoord, mocht hij enkel goede bedoelingen hebben gehad. Hij had ook geld bij." Inderdaad, hij betaalde de waard, zodat hij goed voor de zieke man kon zorgen, en als de 2 denariën niet genoeg waren om de kosten te dekken, zou hij later het verschil nog bijpassen. (Lucas 10, 30-37) Daar heeft ze een punt: ook Jezus denkt niet aan een wereld zónder geld. De arme weduwe gooit enkele muntjes in de offerkist en wordt er om geprezen door Jezus, omdat ze van haar armoede geeft. (Lucas 21, 1-4) Ze wordt niet afgeraden om geld in de kist te stoppen, zelfs niet in het huis van God. Jezus zegt niet: “Geld is het slijk der aarde: gooi hier geen geld in, en al zeker niet in de tempel.”

We kunnen ons ook de vraag stellen of een wereld zonder ambitie en zonder geld wel leefbaar is. Is ongelijkheid immoreel? Welnu, wij hebben in het Nederlands een gekende nuance: gelijkheid en gelijkwaardigheid (het Franse 'equité' bijvoorbeeld, is niet zo goed ingeburgerd). Ongelijkwaardigheid is een immoreel gegeven. Maar ongelijkheid bestaat overal en altijd. We zijn niet allemaal hetzelfde, we verschillen van elkaar. Dat brengt een fundamentele dynamiek op gang. In een wereld waar iedereen gelijk is, verdwijnt elke ambitie en energie uit de samenleving. Waarom zou je nog voor dokter studeren en al die verantwoordelijkheid dragen, als je evenveel verdient als iemand die minder risicovol werk verricht? Waarom nog de moeite doen als het niet loont? Het is één van de redenen voor het falen van het communisme: de drijfveer tot initiatief was weg. Allemaal gelijk: het klinkt mooi in een wereld waar de verschillen té groot zijn, maar het is op zich uiteindelijk een even extreme houding.

God indachtig

Jezus is op zich niet tégen geld, maar vindt dat geld nooit mag regeren. Zolang het een werkmiddel is ten dienste van de mensen, is het nuttig, en bijgevolg ook niet goed en niet kwaad. Zoals wielen aan de kar, zoals deuren aan een huis. Wanneer de wielen wapens gaan dragen of deuren mensen uitsluiten, dàn is er een probleem. Wanneer geld mensen afleidt en God doet vergeten, dan is het een kwalijk gegeven. Net zoals macht, kan ook geld corrumperen.

Daar kunnen we nog veel van leren in onze samenleving.

08 juli 2022

De Samaritaan en de naastenliefde: zoveel meer dan een clichébeeld (9-10 juli 2022)

“Wie is mijn naaste?”, vraagt een wetgeleerde aan Jezus. De man wil Hem op de proef stellen. Zoals vaker in vileine confrontaties met Jezus, loopt het voor de wetgeleerde op een pijnlijke sisser af. 

Jezus vertelt hem namelijk een verhaal waarin een gewonde man voor dood achtergelaten is door rovers. Een priester komt voorbij, maar beent in een grote cirkel om de man heen en maakt zich uit de voeten. Een leviet doet precies hetzelfde. Deze twee mannen met aanzien zijn een teleurstelling in dit verhaal.

Onrein

Een Samaritaan, een man die als niet volwaardig joods wordt beschouwd, houdt wel halt, verbindt zijn wonden, brengt de zieke naar een herberg en zorgt voor hem. “Wie is er een naaste voor de arme man geweest?” (Lucas 10, 36) De wetgeleerde weet dat hij moet antwoorden: “De Samaritaan.”, maar hij is waarschijnlijk bang dat hij zich zal verslikken in de woorden. De wetgeleerde maakt een omwegje, zoals de priester en leviet in het verhaal. “De man die medelijden heeft getoond.”, antwoordt hij. (Lucas 10, 37a) Jezus apprecieert de omweg niet en antwoordt meteen op de aanvankelijke vraag: “Wil je een naaste zijn? Doe dan zoals de Samaritaan.” (Lucas 10, 37b) Wat de Samaritaan is voor de wetgeleerde, dat is de in elkaar geslagen vreemde voor de priester en de leviet.

Zelf heb ik de priester en de leviet nooit begrepen. Waarom zouden ze de man mijden? Gewoon omdat hij onrein is? Voelen ze zich te goed om hem te verzorgen? Willen ze hun handen niet vuil maken? Je zou hun omweg zo kunnen begrijpen. Het is ook vaak zo geïnterpreteerd. Er is echter meer aan de hand. Het verhaal speelt zich af in een tijd zonder echte geneeskunde. Ziekte kan altijd fataal aflopen. Voornamelijk daarom is de joodse reinheidscultus ontwikkeld. Wanneer je weg blijft van bepaalde mogelijks gevaarlijke zaken, verhoog je je overlevingskansen. De man ligt halfdood langs de weg. Heeft hij een besmettelijke ziekte opgelopen en bezwijkt hij daaraan? Is hij verzwakt en daardoor besmettelijk geworden? Langs het woord “smet” zit deze logica in onze taal verweven: een vuile vlek is iets wat niet rein is.

Corona

Corona heeft iets verandert in mijn begrip van dit verhaal. Een mysterieuze ziekte heeft onze samenleving volledig halt toegeroepen. Zonder lockdown had de ziekte tienduizenden, misschien zelfs honderdduizenden mensenlevens gekost. We hebben een tijd lang in de onzekerheid gedeeld die heel normaal is in Jezus’ tijd, zonder antivirale medicatie en antibiotica. De priester en de leviet zijn niet zozeer hooghartig, ze zijn vooral doodsbang. Stel dat ze een ziekte oplopen en die verspreiden.

De Samaritaan staat anders in het leven. Hij weet wat het is om een verschoppeling te zijn, om aan de rand van de samenleving te staan. Er wordt op de Samaritanen neergekeken, ze zijn geen volbloed-joden. De Samaritaan deelt vast in dezelfde angst als de priester en de leviet, maar zijn gevoel voor naastenliefde weegt zwaarder door, wellicht omdat hij meer dan voldoende ervaringen heeft meegemaakt waar het aan naastenliefde ontbrak. Hij wil niet dat die man zo behandeld wordt. Deze man heeft al genoeg doorgemaakt.

Denkt de wetgeleerde spontaan bevooroordeeld bij zichzelf: “Die rovers waren vast weer Samaritanen”? Het kan. Er bestaat een diepgewortelde angst voor wat ons vreemd is, toen en ook nu. Die angst rationaliseert vaak in categorieën en groepen, helaas. Ook nu zijn onze naasten niet enkel de mensen die wij kennen en leuk vinden. Vooral en bovenal zijn onze naasten de vele hulpbehoevenden die we niet kennen. Zoals de man die langs de weg ligt. Zoals de Samaritaan die zich wel over de man ontfermt. Laten ook wij naasten zijn in de ware betekenis van het woord.

Afstraling

De verhaal van de Samaritaan is niet zozeer verhaal over twee hooghartige priesterlijke figuren en een gewone man die wel barmhartig is. Het verhaal gaat over de juiste prioriteiten stellen. Naastenliefde krijgt volgens Jezus altijd en onvoorwaardelijk de hoogste prioriteit. Zoals jezelf behandeld wil worden, zo hoor je anderen te behandelen. De zorgverleners zijn in de coronacrisis zonder enige twijfel de barmhartige Samaritanen van onze tijd geweest. Hun taak is zwaar en niet te onderschatten. Nog zwaarder werd hun taak wanneer corona in grote golven over ons allemaal heen kwam. Laten we dat niet vergeten. 

Laat hun inzet een bron van inspiratie zijn, een afstraling van Gods Liefde voor de mensen. Daarin schuilt Gods oproep tot naastenliefde: liefde voor al onze naasten.