Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label inkeer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label inkeer. Alle posts tonen

15 februari 2026

Aswoensdag: As is wat blijft (18 februari 2026)

as is wat blijft
wat rest van wat was
goedheid die faalde
schaduw en kilte

as van nijd
van verdriet
as van woede
en van wrevel

as van vlucht
van verzet
as van stugheid
en ontwijken

as van leed
van misdaan
as van schaamte
en gepieker

as is wat blijft
wat rest van wat was
kans tot verzoening
opnieuw beginnen

as van inkeer
en bereidheid
as van nieuwheid
en bekering

as van delen,
zich ontzeggen
as van stilstaan
en van bidden

as is wat blijft
wat rest van wat was
voeding voor toekomst
in Gods genade

as van hoop:
Nieuw Verbond
as van Leven
uit de dood


Voor een tekstmeditatie bij Aswoensdag: klik hier en klik hier.
Voor de lezingen bij Aswoensdag: klik hier.

02 december 2025

Wegenwerken (6-7 december 2025)

Johannes is de zoon van Maria’s nicht Elisabet. Zijn meest bijzondere band met Jezus is ongetwijfeld van spirituele aard, bijna mystiek zelfs: niet onder woorden te brengen maar onpeilbaar diep. Hij roept de mensen op om de weg klaar te maken voor de Heer, die weldra komt. Johannes inspireert ons ook vandaag om aan de weg te werken. Christen zijn is werken aan de weg: een zware taak, een werk dat nooit af is.

  • Voor de lezingen van deze tweede zondag in de advent A: klik hier.

Potsierlijk

Johannes is in een ruwe kameelharen mantel gekleed en voedt zich met wilde honing en sprinkhanen. (Matteüs 3, 4) Johannes loopt beslist niet rond in eerbiedwaardige klederdracht. In de ogen van de mensen is hij schamel gekleed. Zijn voedsel bestaat uit schenkingen van de schepping: wat er voorhanden is. Het contrast tussen deze verwilderde profeet en de 'gestelde lichamen' van het geloof met hun potsierlijke houding kan niet groter zijn. 

De farizeeën en sadduceeën worden bijzonder hard toegesproken: 'addergebroed' noemt Johannes hen. (Matteüs 3, 7) Ze moeten absoluut niet denken dat ze veilig zijn omdat Abraham hun voorvader was. (Matteüs 3, 9) Nee, ze zullen zélf moeten bewijzen dat ze het hemelrijk waard zijn, langs hun daden. En laten wij vooral niet op de zijlijn gaan staan en ons de rol van (licht geamuseerde) toehoorders toeëigenen. Johannes de Doper richt zich evenzeer tot ons: het is hoogtijd om aan de slag te gaan!

Nieuw begin

Johannes trekt de woestijn in om te prediken dat het koninkrijk van de hemel nabij is. Hij is een profeet, een man die door Jesaja al werd aangekondigd: 'een stem die roept in de woestijn'. (Matteüs 3, 3 en Jesaja 40, 3) In voorbereiding op Jezus’ komst doopt hij mensen, opdat ze tot inkeer komen. (Matteüs 3, 11) Want de bijl ligt aan de wortel van de boom: wie geen goede vruchten draagt, heeft geen goede vooruitzichten. (Matteüs 3, 10)

"Maak de weg van de Heer gereed", zegt Johannes de Doper. Jesaja klinkt hier meteen op de achtergrond mee: "Laat elke vallei verhoogd worden en elke berg en heuvel geëffend, laat ruig land vlak worden en rotsige hellingen rustige dalen." (Matteüs 3, 3 en Jesaja 40, 4) Wat bedoelt hij daarmee? 

Oneffenheden

We zouden de ruwe woestenij bijvoorbeeld kunnen vertalen als: bergen van rijkdom en roem, dalen van onrecht en verdriet, ruig land van oorlog en geweld, en valleien van gemak en verstrooiing. Wanneer die oneffenheden verdwenen zijn, dan zullen we niet meer struikelen, niet meer verdwalen, dan zijn er geen belemmeringen meer, geen beperkingen. Een wereld zo idyllisch en puur als het aards paradijs, zeg maar. Weg met de willekeur en de onberekenbaarheid: de weg moet rechttoe rechtaan zijn, geijkt op Gods Wet. Een Rijk van goedheid, rechtvaardigheid en liefde. 

In de woestijn, omringd door dorre en ruige natuurelementen spreekt Johannes dit visioen uit. In die woestijn heeft hij de soberheid en stilte gevonden, ver weg van de drukte van dorpen en steden. Zijn woorden klinken authentiek, juist door wie Johannes is en waar hij verblijft. Ook wij worden uitgenodigd om tot inkeer te komen en stil te staan bij ons leven, op ons doen en laten. Daar is de advent de uitgelezen tijd voor: tot inzicht komen, ontdekken wat er werkelijk toe doet in het leven. Tot de kern komen: het is een hele opdracht in een wereld vol kitscherige rendieren, irritant lachende kerstmannen en hyperkinetisch knipperende LED-lampjes. 

Aan het werk!

Toch volstaat het niet om ons terug te trekken uit het leven en ons te bezinnen. We moeten aan de slag in deze wereld, in de schepping die God ons te leen heeft gegeven. Niet in een veilige fantasiewereld van goede voornemens, maar in ons dagelijkse bestaan: daar horen we ons voor te bereiden op zijn komst en goede vruchten te dragen. Deze boodschap mag ons inspireren in de advent.

Wanneer we bouwen aan de weg – onze persoonlijke weg, maar evenzeer de gezamenlijke christelijke weg van eeuwen , dan werken we mee aan de komst van het Rijk Gods. De samenleving is niet dezelfde als ten tijde van Jezus, maar de gelijkenissen blijven niettemin stuitend: ook nu is er een grote kloof tussen arm en rijk, ook nu is er oorlog en onrecht, ook nu worden mensen uitgesloten. Daarom blijft de boodschap van Johannes brandend actueel. Helaas. Er is nog veel werk aan de weg! We hebben geen enkel excuus om onze bijdrage uit te stellen. 

We verlangen naar Kerstmis. Laten we bouwen aan de weg door tot inkeer te komen en aan het werk te gaan, geïnspireerd door Johannes de Doper. Laten we ons in deze advent bewust voorbereiden om de Komst van Gods Zoon op aarde, God onder ons. Hij komt weldra!

16 februari 2024

'De tijd is rijp' (17-18 februari 2024)

Jezus verkondigt aan de mensen dat de tijd rijp is. Wat bedoelt Hij daar mee? Wat verlangt Hij van de mensen? De evangelist Marcus geeft in zijn typische, beknopte stijl de kern van de zaak weer. Laten we op ontdekking gaan in dit dichtbegroeide woordenveld.

Meteen na zijn doopsel drijft de Geest Jezus de woestijn in. (Marcus 1, 12) De heilige Geest, waarmee Hij zal dopen, brengt Hem naar de stilte, maar even goed de ruwheid van de woestijn. Hij vindt er verbinding met God, Hij vindt er inspiratie. Veertig dagen brengt Hij in de woestijn door. Hij verblijft er bij de wilde dieren. (Marcus 1, 13ab) Denken we daarbij aan de slang, die in Genesis de verbeelding van het kwaad is. Denken we ook aan de leeuwen bij wie de profeet Daniël wordt gegooid.

Engel en duivel

Jezus wordt op de proef gesteld, uitgedaagd door Satan. Hij is de Tegengestelde, de verpersoonlijking van het kwaad. Het kwaad dat ook de jaloerse mannen drijft om een wet te laten uitvaardigen dat niemand mag bidden, wetend dat Daniel die regel zal overtreden. (Daniël 6, 13) De evangelist Marcus gaat niet in op de beproevingen in de woestijn. (Marcus 1, 13c versus Matteüs 4, 2-11) Hij vernoemt het alleen.

Wel vermeldt hij dat de  engelen zorgen voor Hem in de woestijn (in het Grieks: ‘dièkonoun’, van ‘diakonos’: zorgen, als in: diakonie). (Marcus 1, 13d) Ook bij Daniël zorgen engelen ervoor dat de leeuwen hun bek niet open kunnen doen. Het kwaad krijgt geen kans. (Daniël 6, 23)

Dit beeld vinden we ook terug in Psalm 91: ‘Hij zal je beschermen met zijn vleugels, onder zijn wieken vind je een toevlucht, zijn trouw is een veilig schild.’ (Psalm 91, 4) En verderop klinkt het nog concreter: ‘Hij vertrouwt je toe aan zijn engelen, die over je waken waar je ook gaat.’ (Psalm 91, 11) Ook de wilde dieren worden in de psalm vernoemd: ‘Leeuw en adder zal je vertrappelen, roofdier en slang vermorzelen.’ (Psalm 91, 13)

We treffen een menselijke en een goddelijke symboliek aan in de woestijnervaring van Jezus: Hij wordt op de proef gesteld, maar geniet tegelijk bovennatuurlijke bescherming. De Zoon van God is inderdaad God en mens tegelijk aards en Bovenaards. Dat wordt meteen na zijn doopsel onderstreept. In de plaats van te snuisteren naar eendimensionele, onheilspellende kwaadaardigheid die alom tegenwoordig zou zijn, kunnen we hier dus bovenal een sublieme christologische boodschap in ontdekken.

Tijd

Marcus heeft de gewoonte om de verhalen kort maar krachtig te verwoorden, zonder een woord te veel, en met geen woord te weinig. Hij vermeldt dat het eerste, voorbereidende tijdperk is afgesloten met de gevangenneming van Johannes de Doper. (Marcus 1, 14a) Nu gaat Jezus naar Galilea om de blijde Boodschap te verkondigen. (Marcus 1, 14b) Veel beknopter kon Marcus het echt niet uitleggen. De evangelist beschouwt deze informatie duidelijk als inleidend, om het algemeen kader te schetsen.

“De tijd is vervuld,” zegt Jezus plechtig in het Marcusevangelie (in het Grieks: ‘pepleèrootai’, van ‘plères’: vervolledigd, volgemaakt, vervuld). (Marcus 1, 15a) Bij Matteüs wordt deze dramatische aanhef niet vernoemd. Jezus maakt hiermee in de eerste plaats zichzelf kenbaar. Wat lang is voorzegd, en waar mensen zo intens naar verlangd en uitgekeken hebben, zal nu plaatsgrijpen. De Messiaanse tijd is aangebroken. De Vader heeft het zo gewild.

Vervolgens voorspelt Jezus: “Het koninkrijk van God is nabij.” (‘eggiken’, van ‘eggus’: nadert, komt dichterbij, is op handen) Dat laatste is misschien nog de meest passende vertaling: “Het koninkrijk van God is op handen.” (in het Griekse ‘eggus’ is ‘guion’ verwerkt: hand) (Marcus 1, 15b) Ook hier is de profeet Daniël niet ver weg. In een nachtelijk visioen ziet hij een mensenzoon die komt uit de wolken aan de hemel. Hem worden macht, eer en koningschap verleend. Zijn heerschappij kent geen einde en zal nooit verdwijnen. (Daniël 7, 13-14)

Wat bedoelt Jezus concreet met het koninkrijk van God? Doelt Hij hiermee op zijn eigen leiderschap, waarmee Hij het Oude Verbond zal hernieuwen tot aan de voleinding? Heeft Hij het over het begin van de Kerk, waarvan later Petrus als eerste leider zal aanduiden? Of bedoelt Hij het einde van de tijden op zich? We komen er niet uit... Alleszins is duidelijk dat er iets nieuws begint, en dat het een gunstige, opbouwende verandering betreft volgens Jezus. Hij omschrijft geen doembeeld maar een vervolmaking die goddelijk van oorsprong is.

Nieuw inzicht

“Kom tot inkeer,” drukt Jezus de mensen namelijk op het hart (in het Griels: ‘metano-eite’: bekeer je, kom tot nieuw inzicht), “en hecht geloof aan dit goede nieuws.” (Marcus 1, 15) Jezus kondigt blij nieuws aan. Het zal echter een grote inspanning vergen van de mensen om Hem te kunnen volgen. Tot inkeer komen, vergt zelfinzicht en geloof, en bovenal een bewust en volledig engagement dat het hele leven omhelst.

Het is bijna onvoorstelbaar hoeveel informatie Marcus in één vers kan verwerken. Op deze eerste zondag in de Veertigdagentijd is dit het Christuscitaat waar we ons door mogen laten inspireren: “De tijd is vervuld, het koninkrijk van God is op handen. Kom tot inzicht en geloof in dit goede nieuws.”

Dat het tijdsscharnier waar de mensen Jezus ontmoeten goddelijk en hoogst uitzonderlijk is, wordt volgende week nog duidelijker. 

Geniet van de spirituele rijkdom in deze Veertigdagentijd. Laat je geloof verder wortelen in het Woord!

14 februari 2024

Aswoensdag, een nieuwe start (14 februari 2024)

Zand door onze handen

is uw Woord van Liefde

ongrijpbaar als ons bestaan

ontembaar, onmaakbaar

eindeloos als de woestijn

 

Zandkorrels in de tijd

de dagen van ons leven

het leven, ons gegeven 

dat ons van bij aanvang

ontglipt langs onze vingers

 

Woestijn van zwijgzaam zand

een vredige plek vanbinnen

ontsloten en toegankelijk

als wij tot inkeer komen

ons leven overschouwen

 

Verzand is soms ons hart

bedolven onder smoezen

ophopingen van verweer

vluchtig is onze goedheid

en schurend onze dwaling

 

Woeste vlakte van zand

missie zonder afleiding

beklemmend onbegrensd

benauwend uitgestrekt

veertig dagen onderweg 


Zoekend en ontheemd 

onderweg naar morgen

geslagen door de hitte

van drukte en  overvloed

gaan we door het zand


Pasen tegemoet

26 september 2023

Alles begint met inkeer (30 september - 1 oktober 2023)

In de aanloop naar Jezus’ verkondiging roept Johannes de Doper het Volk van God op tot inkeer en een nieuw begin. Een grote menigte laat zich dopen en belijdt hun zonden. (Matteüs 3, 3) De Vader bevestigt dit doopsel overigens door zijn Geest te zenden en zijn Zoon te openbaren wanneer Hij het doopsel ondergaat. (Matteüs 3, 16-17) Jezus blijft daarna ook veel belang hechten aan de ommekeer in het leven: de bekering. Er zit beweging en wending in deze woorden: inkeer, bekering, ommekeer. Bij die wending hoort echter geen groot drama: het is een stille, inwendige en oprechte verandering. We moeten ons leven niet ijken op uiterlijkheden. Onze binnenkant is wat écht telt. Jezus hekelt de Schriftgeleerden en farizeeën, die Hij vergelijkt met “witgepleisterde graven, die er vanbuiten fraai uitzien, maar die vanbinnen vol liggen met doodsbeenderen en andere viezigheden.” (Matteüs 23, 27) Het klinkt allemaal niet zo aantrekkelijk, daar achter de façade van die religieuze vooraanstaanden. Laat ons hen niet te vlug nawijzen: ook wij kunnen in die categorie belanden.

Voor de lezingen van deze zondag: klik hier.

Inkeer – bekering – ommekeer

Tot inkeer komen – de kritische en bewuste beweging naar binnen maken – veronderstelt nederigheid: je stelt jezelf kwetsbaar op. In die tere kleinheid ontstaat er ruimte voor werkelijke oprechtheid: zij maakt verbinding met je diepste zijn, en met God. Tot inkeer komen, is spirituele oprechtheid nastreven.

Van daaruit kan bekering ontstaan. Dat is gelouterd een nieuwe weg inslaan: het rechte, rechtvaardige pad van de Heer kiezen. De Heer weerlegt de verwijten van zijn Volk dat Hij onrechtvaardig zou zijn en legt de vinger op de wonde in de eerste lezing van deze zondag: “Ben Ik het die onrechtvaardig is? Gaan júllie niet eerder onrechtvaardige wegen?” (Ezechiël 18, 25b) De duistere kronkelpaden zijn niet van de Heer. Jezus bevestigt Gods goedheid, oprechtheid en rechtvaardigheid: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” (Johannes 14, 6) Die weg zal recht zijn en geëffend, dat kondigt Jesaja al aan. (Matteüs 3, 3 – Jesaja 40, 3) Welnu, als volgelingen van Christus zijn het onze daden, geïnspireerd op innerlijke oprechtheid, die de weg effenen. Het komend Rijk begint nu al, langs onze levenswandel, wanneer wij bouwen aan de weg, voor de Heer en voor elkaar. (Jesaja 43, 18-19)

De nieuwe weg inslaan, de paden van de Heer kiezen, dat is de ommekeer. Het is de daad bij het Woord voegen. We kunnen ons de vraag stellen of dit één moment in het leven betreft: een keerpunt, voor eens en voor altijd. Misschien bedoelen Jesaja en Johannes een allesbepalend ogenblik van inzicht, zoals Amazing Grace bezingt: ‘ooit was ik verloren, maar nu ben ik gevonden’ (‘I once was lost, but now I'm found’). Of gaat het eerder over een terugkerend fenomeen, wanneer we merken dat we van de juiste weg zijn afgedwaald? Mogelijks zijn ze allebei van tel: we zijn mensen met gaven en gebreken. We trachten en proberen, maar slagen niet altijd.

Gezindheid

Paulus wordt geconfronteerd met de ‘kinderziekten’ van de eerste christelijke gemeenschappen en omschrijft hoe de ideale (volmaakte) geloofsgemeenschap hoort te leven in de gezindheid van Christus Jezus. (Filippenzen 2, 2 en 5) Dit maakt zich kenbaar in eensgezindheid: “één in liefde, één in streven, één in geest”. (Filippenzen 2, 2) Het vertaalt zich in concrete handelingen, vrij van geldingsdrang of eigenwaan, waarbij de ander steeds belangrijker wordt geacht dan jezelf. (Filippenzen 2, 3) Dat Jezus Christus de maatstaf is, beklemtoont Paulus nogmaals in de daarop volgende lofrede. (meer hierover in een vorige bijdrage: klik hier)

Foert

Het gaat over een belangrijke onderwerp, en dat betekent bij Jezus doorgaans: tijd voor een parabel. Een man vraagt aan zijn zoon: “Ga vandaag werken in mijn wijngaard.” De zoon heeft absoluut geen zin en zegt dat ook tegen zijn vader. Uiteindelijk bedenkt hij zich echter en gaat hij toch werken. (Matteüs 21, 28-29) 

Tegen de andere zoon zegt de vader precies hetzelfde. Die antwoordt braafjes: “Ja, vader”, maar hij gaat niet naar de wijngaard. Ook hij heeft geen zin om te gaan werken, en hij blijft ook gewoon thuis. (Matteüs 21, 30) “Foert met je wijngaard!”, zal de tweede zoon gedacht hebben. Wellicht is hij wat verwaand en verwend, maar daar gaat Jezus niet op in. Hij laat het aan de toehoorders over om door te denken. Hij stelt de vraag: “Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan? (Matteüs 21, 31)

Heel eenvoudig

Het antwoord ligt voor de hand. De vraag is werkelijk té gemakkelijk. Maar daarom juist stelt Jezus deze vraag: omdat het antwoord evident is voor iedereen: er is geen enkele twijfel mogelijk. Zo werkt een parabel: een heel eenvoudig verhaal vertelt een diepe, schijnbaar complexe boodschap. In dit geval vestigt Jezus onze aandacht op een fundamentele keuze aan het Volk van God. Wil je in de wijngaard van de Heer werken of hou je de schijn op maar doe je eigenlijk niets wezenlijks? Misschien ervaar je weerstand in jezelf om je geloof in daden om te zetten, om je ten volle te engageren. Dat geeft niet. Wat echt van belang is, dat is wat je uiteindelijk doét. Breng je goede vruchten voort?

Welnu, de Schriftgeleerden en farizeeën zijn vooral bezig met hun prestige, macht en aanzien. Zij dragen niets bij in Gods wijngaard, integendeel. Ze werken voor eigen rekening en willen hun privileges veilig stellen. Johannes heeft het volk opgeroepen om de wil van de Vader te volbrengen door tot inkeer te komen. De hogepriesters en de oudsten zijn niet tot inkeer gekomen toen ze hem hoorden spreken. Tollenaars en zondaars daarentegen hebben Johannes wel geloofd en kwamen tot inkeer. (Matteüs 3, 1-10 en 21, 32)

Gesloten

Zij die de Schrift tot de kleinste detail bestuderen, die de aankondiging van de profeet Jesaja hebben gelezen en de waarschuwingen bij de profeet Ezechiël: ze begrijpen Johannes de Doper niet. Hun ogen blijven gesloten voor zijn voorspelling, hun oren horen het niet. Ze zijn met uiterlijkheden bezig: controleren of iedereen allerlei regels nauwkeurig onderhoudt, zich laten groeten op straat en zich laten bewonderen door de mensen.

De Schriftgeleerden en farizeeën hebben geen tijd en geen aandacht voor de woorden van Johannes de Doper. Het past niet in hun kraam. Wanneer Jezus in zijn verkondiging nog feller tegen hun gezag in gaat, schenken ze er wel aandacht aan: Hij vormt immers een bedreiging. Eigenlijk horen ze van Johannes de Doper al waar het op staat: “De bijl ligt al aan de wortel van de boom”. (Matteüs 3, 7-12) Zelfs wanneer tollenaars en zondaars zich bekeren, komen de Schriftgeleerden en farizeeën niet tot inkeer. (Matteüs 21, 32) Stuitend, toch? En Jezus vraagt: “Wie heeft nu de wil van zijn Vader gedaan?” 

Allemaal

Laten we vooral niet te zelfgenoegzaam toekijken hoe de farizeeën nog maar eens in de fout gaan en Jezus’ Boodschap niet begrijpen. Jezus hekelt juist de pretentieuze uitlachcultuur. Aan ieder van ons stelt Jezus dezelfde vraag als aan de farizeeën. Doen wij de wil van de Vader? 

We hoeven onszelf nu ook geen schuldcomplex aan te praten. Dat heeft Jezus ook niet gewild. Dan ligt de haarkloverij weer op de loer die de kern van de Boodschap in de weg staat. Laten we tijd maken om onszelf in vraag te stellen en na te gaan of we op de goede weg zijn en de wil van de Vader volbrengen.

En nu?

We kunnen ons de vraag stellen of de Kerk de wil van de Vader heeft gedaan door misbruik niet ernstig genoeg te nemen en te verdoezelen. Waren de verantwoordelijken van onze Kerk op de wijngaard aan het werken toen ze de aanklachten van de slachtoffers afwimpelden in het belang van de goede naam van het instituut? Wanneer priesters, paters, broeders, zusters, medewerkers zich lieten groeten op straat en respect en ontzag opeisten tot ver voorbij de grens van de schande: waren zij dan Gods wijngaard aan het bewerken? Ook hier ligt het antwoord helaas voor de hand. We mogen teleurgesteld en boos zijn hierover. Het is immers de kernopdracht van de Kerk om Christus centraal te stellen en met Hem ook zijn Boodschap van oprechte, authentieke liefde voor de naasten en voor God. Alles begint met inkeer, ook voor de Kerk. Paulus zei dat al onomwonden in de vroegste gemeenschap, waar het ook niet altijd suiker en zeem was.

Wanneer zusters, broeders en paters werken van vroeg tot laat hebben gezorgd - en nog zorgen - voor zieken, bejaarden, kinderen en wezen, dan krijgen ranken mooie vruchten op de wijngaard van de Vader. Wanneer priesters en diakens mensen in geloof samen brachten - en ook nu samen brengen - en ieder uur van de dag klaar staan om de mensen bij te staan en te helpen, dan bloeit de wijngaard. Wanneer aangestelde, gezonden leken en enthousiaste vrijwilligers hun best doen om de geloofsgemeenschap te inspireren in verenigingen, in gebed, in zorg en in liefdadigheid: dan is de Vader trots op zijn wijngaard. We mogen de bewonderenswaardige traditie van christelijk engagement niet vergeten. Laat ons daar inspiratie uit putten om zelf mee te bouwen aan de Kerk, de wijngaard van de Heer.

De beeldspraak van de wijngaard wordt volgende week verder uitgediept...

05 maart 2022

Veertigdagentijd: woestijn, inkeer en ommekeer (5-6 maart 2022)

De Veertigdagentijd is een jaarlijkse uitnodiging tot een nieuw begin, een tijd voor inkeer en ommekeer. 

Op Aswoensdag horen we de aanklacht van de profeet Joël. Hij wijst ons op Gods oproep om van ganser harte te vasten en te bidden en niet louter voor de schone schijn, met veel uiterlijk vertoon: “Keer nu terug tot Mij met heel je hart.” (Joël 2, 12). De tussenpsalm van Aswoensdag bevestigt Gods wens om oprecht tot inkeer te komen: “Het offer voor God is een gebroken geest, een gebroken en verbrijzeld hart zult U niet verachten.” (Psalm 51, 19). Geen brandoffers dus, geen uitwendig vertoon, maar een ommekeer vanbinnen. We zijn allemaal mensen, we maken fouten: soms bewust, soms onbedoeld. In deze periode van gebed en vasten is het passend om af te wegen wat we goed en fout doen. Geloof zonder daden, is immers geen levend geloof (Jakobus 2, 14 en 17)

We kunnen onze schuld en onze fouten niet afschuiven op iets uitwendigs. Dat is een gemakkelijke oplossing. Oprecht berouw en de vraag aan God om een nieuw begin is wat de psalmist terecht vraagt: “Schep een zuiver hart in mij” (Psalm 51, 12). Psalm 51 is overigens in zijn geheel een aan te bevelen gebed in de Veertigdagentijd. (Ik schreef er eerder een blog over, om te lezen: klik hier.)

Het kwaad

Deze inkeer zoekt Jezus zelf in het evangelie van de eerste zondag in de Veertigdagentijd. Hij trekt de woestijn in (Lucas 4, 1-13). Jezus gaat er de confrontatie aan met de mogelijke bekoringen die Hem kunnen overkomen tijdens zijn aardse optreden. De figuur van de duivel verpersoonlijkt dit kwaad. 

De evangelist gebruikt een erg figuurlijke verhaalvorm om de boodschap bevattelijker te maken maar gaat daarmee ergens ook voorbij aan de venijnige complexiteit van het kwaad. Het kwaad biedt zich lang niet altijd aan, vergezeld van een boosaardig persoon. Dan zou het erg makkelijk zijn om er aan te weerstaan. Vaak komt verleiding en bekoring gestaag en langs kleine nuances op je af. Het kan binnendringen in je bestaan langs omwegen en een reeks van beslissingen die niet bestaan uit een keuze tussen “het juiste” en “het verkeerde”. Levenservaring leert ons trouwens dat er vaak niet gekozen wordt tussen “goed” en “kwaad”, maar tussen “kwaad” en “minder erg”, of “goed” en “beter”. Daarenboven is op het ogenblik van een keuze niet altijd duidelijk wat de beste keuze is, maar blijkt dat pas later, wanneer alle feiten en gegevens gekend zijn. Soms besef je het pas achteraf, terugkijkend op een keuze.  

Twee bekoringen worden Jezus aangereikt: macht over de mensen en macht over God. Jezus komt onder de mensen met zijn Boodschap en Hij zal door zijn volgelingen algauw als ultieme leider worden gezien in een door de Romeinen bezet land. Jezus komt echter niet om koning van het land te worden en van aardse pracht en praal te genieten. Daarnaast spreekt de Mensenzoon in naam van zijn Vader, God in de hemel. Jezus komt weliswaar niet om God te overheersen en zijn plaats in te nemen. Deze diepere gelaagdheid is belangrijk en dreigt verloren te gaan in een theaterachtig verhaal. Na de woestijnervaring gaat Jezus op weg. Deze zaken moeten uitgeklaard zijn, op voorhand al, om alle misverstanden te vermijden. Het is Jezus niet te doen om macht, welke dan ook.

Keuzes en opdrachten

Ook wij hebben baat bij woestijnmomenten: een tijd van afzondering, om zonder de drukke prikkels om je heen tot gebed en bezinning te komen, belangrijke beslissingen goed te overdenken, tijd te maken voor de essentie, weg van de luidruchtige futiliteiten. Dat kan de Veertigdagentijd voor jou zijn. Daar nodigt God ons toe uit, jaarlijks: een periode van zeven weken waarin we telkens opnieuw de rust en de stilte kunnen opzoeken.

In de Veertigdagentijd periode krijgen we drie opdrachten mee. Op Aswoensdag horen we ze al in de evangelielezing (Matteüs 6, 1-6 en 16-18): vasten (Matteüs 6, 16), gebed (Matteüs 6, 5) en naastenliefde, onder de vorm van aalmoezen (Matteüs 6, 2). Meteen wordt ook beklemtoond dat het niet mag gaan over uitwendig vertoon, maar dat we hier oprecht werk van moeten maken, in het verborgene! Er wordt gewaarschuwd voor de verleiding tot aandachttrekkerij (Matteüs 6, 1-6) en schijnheiligheid (Matteüs 6, 7).


Ik wens je een zinvolle Veertigdagentijd toe!


Mag ik als extra leestip de "roeping van Levi" meegeven? Daar ga ik over enkele dagen op in. Het is de evangelielezing van de zaterdag na Aswoensdag, daags vóór het verhaal van Jezus in de woestijn. (Om het verhaal te lezen: klik hier.)

11 december 2021

Gaudetezondag: wees blij en laat je inspireren (11-12 december 2021)

De derde zondag is de advent wordt Gaudetezondag genoemd. Op de adventskrans staan 4 rode kaarsen of 3 rode kaarsen en één roze kaars. Dat is de Gaudetekaars. De liturgische kleur is in de advent paars, maar op Gaudetezondag mag men oudroze dragen. Dat is de combinatie van paars, dat staat voor inkeer en verwachting en wit, de kleur van de vreugde om het komende Geboortefeest.

Gaudete betekent: “verheug u”, of dichter bij de hedendaagse taal: “wees blij”. De naam is het begin van de Gregoriaanse intredezang die bij deze zondag hoorde. De tekst van deze intrede is Filippenzen 4, 4-7: “Gaudete in Domino semper, iterum dico, gaudete.” We lezen dit fragment niet toevallig als tweede lezing. Zo dadelijk wordt de tekst van naderbij bekeken.

De tekst uit de eerste lezing drukt die zelfde roep tot blijdschap uit: “Jubel, dochter van Sion! Juich, Israël! Verheug u en wees blij, Jeruzalem, met heel uw hart!” (Sefanja 3, 14) De advent is over het algemeen heel ingetogen. We bezinnen ons en kijken verlangend uit naar Kerstmis. Op de derde zondag mag de vreugde echter al even doorklinken.

Ik tracht de tekst uit de Filipenzenbrief zo dicht mogelijk tegen de Griekse tekst te vertalen. Dit is één van de mooiste fragmenten uit de brieven: kort maar bijzonder inspirerend.

Vers 4: “Wees blij in de Heer! Ik zal het telkens opnieuw zeggen: wees blij!” 

We worden niet uitgenodigd om alvast even rond de vroeg geplaatste kerstboom te dansen. Nee, in ons geloof mogen we blij zijn. We mogen vreugde putten uit de gedachte dat het Geboortefeest van de Heer nadert. God laat ons niet verweesd achter, ook al voelt het op eenzame momenten misschien zo. Kerstmis herinnert ons aan Gods liefde voor ons: Hij heeft zijn Zoon op onze wereld geboren laten worden, tastbaar in de tijd. God is niet ver weg gebleven. God blijft nooit ver weg. Hij is altijd nabij. Daarom beklemtoont Paulus zijn uitspraak: hij blijft ze herhalen omdat de boodschap zo belangrijk is, voor de Filippenzen toen, maar ook voor ons hier en nu.

Vers 5: “Laat jullie goede wil bij alle mensen bekend worden. De Heer is dichtbij!”

We worden niet opgeroepen om verzuurde roeptoeters te worden. De verleiding kan bestaan om in zich het verleden te nestelen en het heden te vervloeken. Ook na de dood van Jezus zal die verleiding hebben bestaan. Toch is dat niet de bedoeling. In goedheid moeten we ons kenbaar maken, niet in antipathie of vijandigheid. De mensen hebben nood aan positiviteit. Laat dit van ons afstralen. Laat ons spreken en handelen verwijzen de blijde Boodschap en inspirerend werken. Weldra vieren we de geboorte van Jezus. Het is een ogenblik dat doorheen de tijden het tedere en liefdevolle in de mens naar boven heeft gebracht. De Heer is dichtbij, we tellen de dagen af.

Vers 6: “Maak jullie toch nergens zorgen om. Maak al jullie vragen bekend bij God in gebed en in smeekbeden, vergezeld van dankzegging,”

We hebben de neiging om te piekeren in deze lange avonden en nachten. Het donker heeft een bepaalde invloed op ons. We leven meer opgesloten, we beschutten ons tegen het koude, gure weer. De zorgen hoeven niet op te hopen in onze gedachten, tot een ballast die ons immobiliseert. Onze zorgen mogen we aan God bekend maken in ons gebed. We mogen ze als het ware aan Hem doorgeven en vragen om zijn hulp en bijstand. Dat mogen we echter nooit doen zonder ook te danken. De balans moet in evenwicht zijn.

Vers 7: “en de vrede van God, die al ons denken overstijgt, zal jullie harten en gedachten ongeschonden bewaren in Christus Jezus.”

Wanneer we geloven, wordt ons denken en ons voelen, het meest innerlijke in ons bestaan, in overgave toegewijd aan Gods vrede. Ze zullen echter puur en ongeschonden blijven, zoals God zelf. Dat klinkt misschien wat hoogdravend en melig tegelijk. In de essentie is het niettemin een belangrijke uitspraak. Geloven is God toelaten in het diepste van je bestaan: in je kleinheid, je onbeholpenheid, je aarzeling, je onzekerheid, je onschuld. God toegang geven tot het meest kwetsbare van je zijn, is een risico. Wat als je er gekwetst uit komt? Wat als je teleurgesteld wordt? 

Welnu, Paulus verzekert ons dat je hart en je gedachten ongeschonden bewaard zal blijven in Christus Jezus. Als je oprecht in Hem gelooft, dan zal je niet teleurgesteld worden. Daarom moet je vertrouwen op God, die ons denken overstijgt. Dat betekent een ernstig engagement en een blijvende toewijding in je geloof. Laat je geloofshouding niet te naïef of sprookjesachtig zijn. Laat het ook niet hebzuchtig zijn, gebaseerd op krijgen en hebben. Laat het in de eerste plaats naar God en zijn Woord gericht zijn, niet naar jezelf. Laat je geloof mee groeien met je gedachten en ervaringen.

Bedenk tot slot dat Paulus deze brief vanuit gevangenschap schrijft (Filippenzen 1, 7-13) aan de eerste christelijke Kerk in Europa. Dit besef maakt het contrast veel scherper wanneer hij zo enthousiast schrijft over blij zijn, over goedheid, zorgeloosheid en Gods vrede. Je leest het anders als je Paulus’ toestand indachtig bent. Ook onze beleving van Kerstmis is anders dan gewoonlijk, het tweede jaar op rij al. Het coronavirus heeft een grote invloed op ons doen en laten. Hoe moeilijk ook, dit kan je beleving van Kerstmis verdiepen, verinnerlijken.

Met Kerstmis wordt het kind Jezus geboren op aarde, op de wereld zoals hij is. Niet in een ideale wereld, niet in een droombeeld, maar in de werkelijkheid. Parallel daarmee wordt ook elk jaar opnieuw ons geloof herboren. De advent heeft ons tot inkeer gebracht. We zijn ons bewust van onze tekorten en de kansen die daaruit voortkomen. We hebben in de Schrift gelezen, tot God gebeden om de komst van zijn Zoon. We staan klaar om de vrede op aarde te verwelkomen, en in ons hart. Met blijdschap en verlangen. 

05 december 2021

Johannes de Doper: authentieke verkondiging (4 en 5 december 2021)

Johannes de Doper heeft een beperkte, maar niettemin indrukwekkende inbreng in de vier evangelies. Hij is een zonderling figuur, die de mensen klaar maakt om de Boodschap van Jezus te ontvangen. Hij is inspirerend en bescheiden, kortom het prototype en schoolvoorbeeld van een verkondiger van de Blijde Boodschap.

Een nieuwe manier van leven

Johannes de Doper leeft zelf naar de boodschap die hij verkondigt. Er is geen onderscheid tussen zijn levensstijl en de boodschap die hij de mensen bijbrengt. Daarom is hij zo authentiek en bijgevolg ook geloofwaardig. 

Johannes is de zoon van de priester Zacharias en van Elisabet, de nicht van Maria (Lucas 1, 5-25. 57-79). Hij is dus verwant aan Jezus. Zijn voorkomen straalt een extreme soberheid uit: hij draagt een ruwe mantel van kameelhaar en een lederen gordel. Hij voedt zich met sprinkhanen en wilde honing (Matteüs 3, 4; Marcus 1, 6). Alvorens hij zijn getuigenis begint, verblijft hij eerst lange tijd in de woestijn, voor vasten en bezinning (Lucas 2, 80). Hij verinwendigt de boodschap die hij zal brengen. Zowel innerlijk als uiterlijk wordt hij een oprechte getuige.

Johannes de Doper is de getuige van het Licht (Johannes 1, 7-8). Hij is de voorbereider, maar is zelf absoluut geen messias (Matteüs 3, 11; Marcus 1, 7-8; Johannes 1, 26-27). Hij komt vóór de verkondiging van Jezus, de Messias, hij gaat voor Hem uit om de weg klaar te maken. Diezelfde opdracht geeft Johannes ook aan iedereen die het horen wil. De Messias is zoveel groter dan hij. Hij citeert daarbij de profeet Jesaja: maak de weg van de Heer klaar (Jesaja 40, 3-5).

Een boodschap van inkeer en verandering

Johannes wordt niet toevallig de Doper genoemd. Het is een belangrijk element in zijn verkondiging, en hij doopt wie dat oprecht verlangt met water (Lucas 1, 3; Matteüs 3, 6; Marcus 1, 4). Tegelijk roept hij de mensen ook op om tot inkeer komen (Lucas 3, 3; Matteüs 3, 2; Marcus 1, 4). Langs het doopsel kunnen ze ook vergiffenis vragen en een nieuw begin aanvatten (Lucas 3, 3; Matteüs 3, 6; Marcus 1, 4). Het zijn allemaal zaken die ook vandaag nog diepgeworteld zitten in onze christelijke praktijk.

Johannes vraagt van de dopelingen een blijvend engagement. Het doopsel is geen verzekering, maar het begin van een nieuwe levenswandel (Lucas 3, 7; Matteüs 3, 7-8). Daarin is de naastenliefde een opdracht (Lucas 3, 11). Daarnaast moeten ze ook eerlijk zijn en niemand bedriegen of oplichten (Lucas 3, 12-14). Wie zich daar niet aan houdt, heeft niets aan het doopsel, want ze beleven het niet.

Een opdracht voor elk van ons

Johannes de Doper is een belangrijk persoon in het christelijk geloof. Hij wordt ook in de vier evangelies uitdrukkelijk vermeld. Wat kunnen wij meedragen van zijn getuigenis, in de aanloop naar de komst van Jezus?

Een christen, een volgeling van Christus, dat bén je, of misschien nog correcter: dat wórd je telkens weer. Het vergt een levensverbintenis vanuit je hele zijn: je denken, je spreken, je doen en laten. Het is geen zijdelings engagement dat ergens op de achtergrond af en toe meeklinkt. Christen zijn, veronderstelt dat je de Boodschap in de praktijk beleeft, en niet alleen in woorden bevestigt.

Dit betekent ook dat je geregeld tot inkeer komt, jezelf en je veronderstelde evidenties in vraag stelt, dat je je bewust bent van je fouten en tekortkomingen en om vergiffenis vraagt, met de bijhorende intentie van het beter te doen, van nog dichter bij Gods Nieuw Verbond te leven. 

Dan gaan wij misschien ook vóór de Heer uit, en zijn wij voor anderen een aanstekelijke en inspirerende richtingaanwijzer naar de Schrift en naar Jezus' Boodschap. De sterkste vorm van verkondigen, is het evangelie voorleven in ons dagelijks leven.

Het is aan ons om ons in deze advent voor te bereiden en net als Johannes de Doper en in zijn spoor de weg klaar te maken voor de Heer. Want, om het te zeggen met de woorden van Augustinus: "Als Jezus duizend keer geboren zou zijn in de stal van Betlehem, maar niet in ons hart, dan was zijn geboorte waardeloos."

17 maart 2021

Psalm 130: Uit de diepten heb ik U aangeroepen (18 maart 2021)


Uit de diepten heb ik U aangeroepen, Heer,
mijn Heer, hoor mijn stem,
heb toch aandacht voor mijn roep om genade.

Als U fouten blijft aanrekenen,
wie houdt dan stand, Heer?
Maar bij U is vergeving,
daarom heeft men ontzag voor U.

Ik zie uit naar de Heer,
mijn ziel wacht op uw Woord
mijn ziel wacht op Hem,
meer dan wachters op de morgen,
meer dan wachters uitzien naar de morgen.

Israël, hoop op de Heer,
want bij Hem is genade
en vergeving in overvloed.
Hij zal Israël van alle zonden verlossen.

De psalmist bidt uit de diepte: een diepe spreekwoordelijke kloof waarin hij gevangen zit, een diepe verlatenheid waarin hij zich kwetsbaar voelt, misschien wel een diepe zee waarin hij zich overspoeld weet door spijt en schuldgevoel. Het is geen letterlijke diepte, maar de diepte is beslist dramatischer dan louter een gevoel. De diepte belemmert hem in zijn doen en laten. Hij kan het niet loslaten. Hij worstelt ermee.
We bevinden ons niet aan het begin van een bede, we staan er middenin.
Hij heeft geroepen tot God, een roepstem vol wanhoop. Dit gebed is niet nieuw, hij heeft al tot God geroepen. In onze Nederlandse vertalingen staat er meestal: “roep ik”, maar in de Hebreeuwse tekst staat eigenlijk een voltooid deelwoord. De psalmist heeft al geroepen. We bevinden ons niet aan het begin van een bede, we staan er middenin.

De psalmist roept om verhoring. Hij hoopt niet enkel dat God zal luisteren naar de roepstem. Er wordt geroepen om vergeving, om een nieuwe kans te mogen ontvangen van de Heer. De psalmist is zich bewust van het kwaad dat hij heeft gedaan en hij heeft er oprecht spijt van. Tegelijk weet hij ook dat niemand zichzelf kan vergeven. De ultieme kracht tot vergeving van schuld en zonde ligt bij God.
Vergiffenis komt er niet vanzelfsprekend.
Tegelijk heeft God ook de keuzemogelijkheid om juist géén vergeving te schenken. Daarom is de Heer ook zo ontzagwekkend. Vergiffenis komt er niet vanzelfsprekend. De smeekbede leidt niet automatisch tot vergiffenis. Zonder ontzag van de mens die vraagt om vergiffenis, komt er geen genade. Wie zich gelijk waant aan God, zal geen verhoring ontvangen.

De psalmist verlangt naar de Heer en stelt al zijn hoop op Hem, op Hem alleen. Er is geen ander die kan helpen. Tot wie zou hij zich anders moeten richten? Wie is zo genadig? Enkel God. Daarom hoopt hij op zijn Woord, op het verlossende woord van vergiffenis. Hij ziet er meer naar uit dan wachters aan de stadsmuren die naar de ochtend verlangen. Meer dan de tempelwachters die het eerste daglicht afwachten voor de ochtendritus van de levieten. De klemtoon ligt hier op tijd, op het lang afwachten in pijn en ongeduld, hopend op een nieuw begin, op het licht van de nieuwe morgen na het duister van het kwaad. Daarom wordt de zinsnede nog eens herhaald: “Meer dan wachters uitzien naar de morgen.”
Een nieuwe start, waarna het beter moét gaan.
Want er is hoop voor Israël, voor het Volk van God. Iedere gelovige mag zich aangesproken voelen door de psalmist in deze uitnodiging: “Israël, hoop op de Heer.” We mogen net als hij de louterende weg van inkeer en berouw gaan en vragen om verhoring, vragen om zijn genade. Die Goddelijke genadegave uit zich in vergiffenis: in een nieuwe start, waarna het vast en zeker beter zal gaan, waarin beter moét gaan. Anders is het zinloos om te vragen om vergeving natuurlijk.

Psalm 130 is geen ellendig lied vol kommer en kwel. Er zijn fouten gemaakt, maar wie oprecht spijt heeft, mag hopen op de Heer, die de gave van vergiffenis bezit, en wel in overvloed!

De Veertigdagentijd is de uitgelezen gelegenheid om schoon schip te maken, om streng te zijn voor zichzelf bij het overschouwen van eigen doen en laten. Dit is de psalm bij uitstek om met eigen fouten, tekortkomingen en zonden tot God te naderen in gebed en te vragen om genade. “Want bij Hem is genade en vergeving in overvloed!”


Volgende post: zondag 21 maart. Thema: "Een Nieuw Verbond".

15 maart 2021

Jezus in de woestijn (16 maart 2021)

Gustave van de Woestyne schilderde in 1939 “Jezus in de woestijn” met olieverf op hardboard.

Naar een schilderij moet je kijken. Het spreekt in vormen en kleuren. We zien een grote zandvlakte, de horizon in de verte en een man vooraan. Het schilderij is uitermate sober en bestaat slechts uit enkele kleurvlakken met nuances. Dit werk schreeuwt niet, het fluistert. Het is niet op verfijnd canvas geschilderd maar op een houten plaat. Deze sobere materiaalkeuze zet meteen de juiste toon.

De woestijn is licht golvend en er zijn amper kleurverschillen te ontwaren. Dit is een desolate vlakte zonder indrukken of bezienswaardigheden. Behalve zand is er niets: geen oase, geen planten, zelfs geen houten karkas van wat ooit een struik was. De vaalgele achtergrond had op een icoon kunnen staan. De woestijn neemt een groot deel van het schilderij in en laat je niet afzijdig. De woestijn lijkt je naar zich toe te trekken met al zijn leegte: het is de mystiek van de woestijn. De horizon staat heel hoog afgebeeld, als het ware in de marge. Dit werk vertelt niet over de hemel, niet over de variatie op aarde, maar over de monotone woestijn. 

De man vooraan is Jezus. Dat kunnen we niet uit het schilderij afleiden, maar uit de titel van het werk. Er is geen aureool rond zijn hoofd. Hij is niet imposant met sterke jukbeenderen, wijd gespreide armen en lang haar. Integendeel: deze Jezus is schriel en mager, met een vrij onbeduidend, ingevallen gelaat dat geen emotie uitdrukt. Zijn blik is niet zelfzeker en extravert, maar naar binnen gekeerd. Hij kijkt ons ook niet aan. Hij staart verstild in de verte. De man is tijdloos, zijn uiterlijk overstijgt de typische clichés en verwachtingen. Jezus' haartooi, een scheiding in het midden, wat langer in de nek, is een merkwaardige maar doordachte keuze. Hij staat dichter bij onze tijd dan de klassieke weergave van Christus, maar tegelijk is Hij niet "Jan met de pet". Hij is een zonderlinge verschijning. Jezus is herkenbaar en toch anders, toegankelijk maar toch ongenaakbaar.

Jezus heeft verbleven in de woestijn. Zijn contouren verraden dat Hij niet rijkelijk heeft geleefd. Hij heeft weinig te eten gehad. Jezus lijkt gelouterd. De soberheid van Jezus stemt overeen met de soberheid van de woestijn. Hij lijkt harmonie te hebben gevonden, vrede.

Zijn gezicht en zijn handen zijn gedetailleerd uitgewerkt, verder niets. Jezus draagt een ivoorkleurig kleed. Een doopkleed of een doodskleed, kunnen we denken. Een verrijzeniskleed kan het niet zijn, daar is het te vroeg voor. Het volgt de contour van zijn schouders maar wordt daarna helemaal vormloos. Enkel wat de schilder wil vertellen, schildert hij in detail. Rond de hals en op de armen sluit het kleed zo hecht aan dat het er bijna niét is. Het lijkt hooguit een onderkleed. Jezus staat niet afgebeeld in een majestatische mantel, maar een soort hemdje. Geen pracht en praal, maar een man die bevrijd is van de nood aan bezit en aanzien.

Hij houdt zijn handen gekruist voor zijn wit kleed in een vreemde houding. Het lijkt een ritueel gebaar: Jezus spreekt met zijn handen. Hij houdt zijn handen niet in een symmetrische rusthouding. De handen verschillen ook van elkaar in kleur. Een bloedarme hand lijkt te ontvangen. De arm is vrij van bloed en overstijgt daarmee het menselijke, meer bepaald de sterfelijkheid. De houding vertelt dat Jezus ontvankelijk is voor het Woord van zijn Vader. De andere hand heeft meer kleur en Hij houdt die tegen het hart. Dit is wat Hij kan geven: zijn lichaam en zijn bloed. De houding van de handen vat samen wat de opdracht van de Mensenzoon zal inhouden. Wanneer Jezus de woestijn verlaat, begint zijn tocht naar Jeruzalem, waar Hij zal lijden, sterven en opstaan uit de dood. 

In de Veertigdagentijd kan dit werk een bron van inspiratie zijn. Het hoeft niet mooi gevonden te worden. Dat is niet de intentie van de schilder. De sterkte van het werk zit niet in de techniek en vormgeving maar in de overdracht van een boodschap. Maak je even tijd vrij om je te laten inspireren? Neem misschien de vragen hieronder erbij.

Heb je in de Veertigdagentijd aandacht voor soberheid? 

Op welke wijze zoek je harmonie met jezelf? 

Leef je in harmonie met je omgeving?

Heb je een woestijnruimte, een plaats waar je tot rust kan komen? 

Hoe ga je om met stilte?

Hoe ziet de Mens Jezus er volgens jou uit? 

Welke boodschap treft jou in dit werk?


Volgende post: donderdag 18 maart. Thema: Psalm 130.

13 maart 2021

God heeft de wereld lief (14 maart 2021)

 

God heeft de wereld lief:

Hij is rijk aan erbarmen

en sluit ons in zijn armen,

God heeft de wereld lief.

 

God heeft de wereld lief:

ook als wij Hem ontwijken,

voor geld en pracht bezwijken,

God heeft de wereld lief.

 

God heeft de wereld lief:

ondanks ons doen en laten,

Hij zal ons nooit verlaten,

God heeft de wereld lief.

 

God heeft de wereld lief:

zijn wij door spijt omgeven,

dan zal Hij ons vergeven,

God heeft de wereld lief.

 

God heeft de wereld lief:

Hij heeft zijn Zoon gegeven

en met Hem ook nieuw Leven,

God heeft de wereld lief.


God heeft de wereld lief:

wij zijn in Hem herboren,

zo gaan we nooit verloren,

God heeft de wereld lief.

 

God heeft de wereld lief:

laat ons Hem dankbaar bidden

voor zijn Woord in ons midden,

God heeft de wereld lief.

 

God heeft de wereld lief:

Hij is rijk aan erbarmen

en sluit ons in zijn armen,

God heeft de wereld lief.

 

(bij de vierde zondag in de Veertigdagentijd: Efeziërs 2, 4-10 – Johannes 3, 14-21)

Voor de lezingen van de vierde zondag: klik hier.


Volgende post: dinsdag 16 maart. Bespreking van het schilderwerk "Jezus in de woestijn".

04 maart 2021

Wie is zoals U, God? (6 maart 2021)

In de eerste lezing van zaterdag draagt Micha een lofdicht voor, gericht tot God en tot de mensen. Hij heeft het volk gewezen op hun wangedrag en hen opgedragen om terug te keren tot de Heer. De Heer zal hen opnieuw in de armen sluiten als ze spijt hebben. Zij waren God vergeten, maar God zal daar niet kwaad om blijven.

  • Om de Schriftlezingen van de tweede zaterdag in de Veertigdagentijd te lezen: klik hier.

Het lofdicht van Micha bezingt Gods goedheid (chessed, in het Hebreeuws) en trouw (emmet). Het is niet verwonderlijk dat beide woorden vooral voorkomen in het boek Psalmen, in de liederen die de Heer met woorden omschrijven, in aanbidding, in angst of verdriet, of uit dank. “Chessed” en “emmet” zijn twee eigenschappen die de God van Israël typeren. Enerzijds is de Heer standvastig, betrouwbaar, waarheidsgetrouw. De Heer is echter niet alleen afstandelijk en statisch, maar ook begripvol nabij: Hij toont ons keer op keer zijn mededogen, ontferming en genade.  

Twee koninkrijken in verval

De ‘kleine’ profeet Micha uit Moreset, in de Judese heuvels tussen Jeruzalem en de kust, is actief in dezelfde tijd als de ‘grote’ profeet Jesaja, circa 740 tot 670 vóór Christus. In die periode bestaat het Volk Gods aanvankelijk uit twee zelfstandige koninkrijken.

Israël, het tienstammenrijk in het noorden, met Samaria als hoofdstad, kent voornamelijk koningen die God negeren en zich ook richten tot afgoden. Het Noordrijk wordt door de Assyriërs ingepalmd en de opperlaag van de bevolking wordt gedeporteerd tijdens de Assyrische ballingschap, in 721 vóór Christus. Juda, het zuidelijke tweestammenrijk, met Jeruzalem als hoofdstad, kent afwisselend Jahwe-getrouwe koningen en koningen die ook andere cultussen toelaten. Het Zuidrijk wordt door Assyrië belegerd en wordt een vazalstaat van Assyrië.

Aanklacht tegen afgoderij en onrecht

Midden in die woelige evolutie roept Micha op tot bekering. Dan zal het volk weer mogen ervaren hoe genadig God is en zal er opnieuw voorspoed komen. Micha verzet zich op verwijtende toon tegen de bovenlaag van de bevolking: grootgrondbezitters, machthebbers, rechters, priesters en profeten, die zich aan onrecht schuldig maken. Zijn stijl is direct, zijn taal ruwer dan van Jesaja. Micha legt de klemtoon op de persoonlijke verantwoordelijkheid: iedereen staat in voor zijn eigen gedrag, dat moet overeenstemmen met de tien geboden. God roept allen op tot trouw aan de Heer, en aan Hem alleen.

Micha sluit af met een bijzonder inspirerend lofdicht. Zo dicht mogelijk tegen de Hebreeuwse bijbeltekst aanleunend, klinkt het als volgt:

 

Wie is zoals U, God,

die ongerechtigheid vergeeft

en voorbijgaat aan overtredingen

van wie er overblijft van uw getrouwen.

 

Hij houdt niet voor altijd vast aan zijn woede,


want Hij verheugt zich in barmhartigheid.


Hij zal opnieuw medelijden hebben met ons,


Hij zal onze tekortkomingen tenietdoen


en onze zonden in de donkere diepten van de zee werpen.

 

Aan Jakob toont U uw trouw,

aan Abraham uw goedheid,

zoals U aan onze voorouders hebt beloofd


in de dagen van weleer.


Volgende post: zondag 7 maart. Thema: "De tempelreiniging".

18 februari 2021

Psalm 51: een koningspsalm (19 februari 2021)

Psalm 51 is de koningspsalm van de Veertigdagentijd. Daarom wordt hij ook in de eerste dagen van de vasten gebeden, op Aswoensdag en op vrijdag in die week, tussen de eerste lezing en het evangelie door. De psalm is een schuldbelijdenis, of beter: een schuldbekentenis. Het is ook letterlijk een koningspsalm, toegeschreven aan de grote koning David. Hoewel, in deze psalm wordt David zich van zijn kleinheid en menselijkheid bewust. Daar kom ik later nog even op terug. Als je de psalm helemaal doorleest, kan een wat diepere tocht doorheen de woorden bepaalde nuances scherp stellen. De tekstcommentaar is vrij lang geworden. Laat je er niet door afschrikken…

  • Online kan je de Nederlandse Bijbelvertaling van 2004 van Psalm 51 hier lezen.

Koning David zit ergens mee. Al in het eerste vers vraagt hij aan God om ontferming: “ontferm U in uw goedheid”. David weet dat God liefde is en goedheid. Hij heeft veel gunsten van Godswege genoten. Hij is immers tot koning gezalfd in Gods naam. Maar kennelijk heeft David zich misdragen, is hij hoogmoedig geworden. Zo direct als de opening stelt hij ook meteen een vraag aan God: “wis mijn overtredingen uit”. Hij vraagt om een nieuw begin waarbij zijn fouten worden uitgewist, zoals krijt op een bord of potloodschrijfsels op papier.

Koning David was hoogmoedig geworden. Hij vraagt om een nieuw begin.

Hij gaat dieper in op de vraag met een gelijkaardige beeldspraak. David hoopt dat God zijn onvolkomenheden wil “wegwassen”, niet vaag en oppervlakkig maar letterlijk vertaald uit het Hebreeuws: lang en uitgebreid. God zal grondig moeten wassen om de storende vlek te kunnen verwijderen. De vlek zit diep in de weefsels van zijn menszijn. Toch gelooft David dat God dit kan, als Hij dat wil, maar hij beseft dat het niet vanzelfsprekend is wat hij vraagt.

David bekent dat hij zijn overtredingen steeds voor zich ziet, hij wordt er voortdurend mee geconfronteerd. David heeft last van een knagend geweten. Hier noemt hij zijn misdragingen voor het eerst “zonde”.

Zonde is in onze dagen een beladen begrip. We leven in de nagalm van een tijd waarin zonde alom tegenwoordig was, ingedeeld in klassen, met de stem van de duivel binnen luisterbereik. Het gevolg van dit overbenadrukken, waarover grootouders en overgrootouders nog spreken, is dat er nu nog moeilijk over gesproken kan worden. “Te” is nooit goed. We leven in een “moratorium”: een tijd van stilte waarin het begrip bevroren wordt om de rust te laten weerkeren.

Laten we onbevangen te rade gaan bij David voor duiding bij het begrip zonde. David noemt zonde “doen wat God niet wil”, het Verbond tussen God en mens schenden. Ieder mens begaat fouten, we zijn immers mensen. Vanaf onze geboorte hebben we onze zwakheden. David zingt zijn lied tot God echter niet omwille van een akkefietje. Dat voel je doorheen de hele tekst. David wil ons hier niet aanzetten tot het systematisch verachten van onszelf omdat we maar mensen zijn. Hij deelt een diep schuldgevoel na een zware misstap.

David wil ons niet aanzetten tot het systematisch verachten van onszelf omdat we maar mensen zijn.

Wat is er dan gebeurd? In het eerste vers wordt gealludeerd op een verhaal dat je in het tweede boek van Samuël kan lezen (2 Samuël 12). De profeet Natan houdt David een spiegel voor, hij confronteert de grote vorst met zijn gedrag. Koning David is verliefd geworden op Betseba, de vrouw van zijn generaal Uria, die vecht aan het oorlogsfront. Betseba wordt zelfs zwanger van David. David wil dat ze zijn vrouw wordt en laat een bericht overmaken aan oppergeneraal Joab aan het front: laat Uria sneuvelen in de strijd. Zo gebeurt het. Hij dacht zich alles te kunnen permitteren als koning. Maar de mensen morren, ze vinden het een schande. Hoogmoed komt voor de val. Dit verhaal wordt vaak geïnterpreteerd als een levensles rond overspel. Ten onrechte, want het verhaal gaat ten diepste over onrecht en het belang van rechtvaardigheid. Uria is een Hetiet, geen uitverkorene, maar hij is wel eerlijk en rechtvaardig. David, de koning van het Godsvolk, is echter onrechtvaardig. Het contrast kan niet groter zijn. Dat is de belangrijkste levensles waar het hele verhaal rond is opgebouwd. Jammer genoeg leest men teksten soms bevooroordeeld en gaat men aan de bedoeling van de schrijver voorbij.

Nu is David een gebroken man, maar als God hem goedgezind is, kan hij weer blij worden.

Terug naar de psalm, vers 7. David vraagt niet om gewassen te worden. Zijn vraag ligt op een spiritueel niveau. Daarom vraagt hij om door God besprenkeld te worden met een tak van hyssop. Hij zal rein worden: dit wassen zal hem witter dan sneeuw maken. Sneeuw vind je maar weinig in Israël. Zo onbereikbaar schoon kan Davids geweten worden als God het wil. Nu is hij een gebroken man, maar als God hem goedgezind is, kan hij weer blij worden.

God, die hemel en aarde heeft geschapen, kan ook Davids hart herscheppen tot een hart dat zuiver is. “Laat de geest in mij vernieuwd worden.”, voegt David aan zijn smeekbede toe, “Gooi mij niet weg, keer mij niet af van uw aangezicht.” (Psalm 51, 10-11)

David smeekt tot God om zijn heilige Geest niet weg te nemen van hem. De “ruach” in het Hebreeuws, de goddelijke Adem, komt wel vaker voor in het Oude (Eerste) Testament. De tweede Schriftvers vernoemt de Geest al, die zweeft over de nog dorre en lege aarde (Genesis 1, 2). De Geest geeft kracht, doet mensen machtige daden stellen. Profeten vernoemen de Geest in hun oproep tot bekering (Joël 3, 1-5). Koning Saul raakt zelfs in een trance en voert een wervelend ritueel uit, door de Geest beroerd (1 Samuël 19, 19-24).

Het vijftiende psalmvers is een vaste waarde in het getijdengebed. Het is een openingsvers dat oneindig veel vertelt in zo weinig woorden. “Heer, open mijn lippen, en mijn mond zal uw lof verkondigen.” Als we heel dicht bij de Hebreeuwse tekst blijven, klinkt het: “Heer, U zal mijn lippen openen en ik zal U loven.” Nu nog niet, nu zit David nog gevangen in zijn schuld.

Oprechte spijt kan je niet wegschuiven, maar moet je inwendig doormaken.

Het psalmlied eindigt met het belang van oprechte spijt, die niet weggeschoven kan worden, maar die je inwendig moet doormaken, opdat je er iets uit zou leren. God vraagt geen dierenoffers, maar “een gebroken en verbrijzeld hart”. Een sterk beeld. Vergiffenis komt niet vanzelf, het is Gods geschenk na oprecht berouw.

Dit is één van de mooiste psalmen. Maak je wat tijd vrij in de komende tijd? Wanneer je tot inkeer komt in de Veertigdagentijd, neem deze psalm dan ter hand en doorgrond je hart in gebed, in gesprek met God… Spijt en berouw na een misstap zijn geen uiteindelijk doel. Ze vormen slechts de aandrijving tot een beter, wijzer, oprechter leven. De menselijke zwakte en neiging tot zonde is in het verleden al te vaak een refrein geweest. Niet het schuldbesef hoort centraal te staan in het Christendom, maar vergeving en de wil tot een beter leven. Dat is waar koning David naar verlangt in dit lied.


Volgende post: zaterdag 20 februari. Thema: "Woestijn", bij het evangelie van de zondag.