Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label Profeten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Profeten. Alle posts tonen

13 april 2026

Een brandend hart (18-19 april 2026)

Wanneer het vuur traagjes uitgaat, dan blijft er weinig over. De warmte verdwijnt, het licht dooft uit. Zoiets moeten de leerlingen in hun hart hebben gevoeld nadat Jezus in het graf is gelegd: kilte en duisternis. Hoe komt het dat hun vuur voor Jezus uitdooft? Hij heeft ze toch verteld wat er zou gebeuren? Misschien zijn ze te hard geschrokken. Misschien kunnen ze het niet alleen aan...

  • Voor de lezingen van de derde Paaszondag A: klik hier.

Somber

Twee leerlingen zijn onderweg naar Emmaüs. Eén ervan heet Kleopas. (Lucas 24, 18) Somber spreken ze onder elkaar over wat er allemaal is gebeurd. (Lucas 24, 14-17) Ze leefden in de hoop dat Jezus het Volk zou redden en bevrijden, maar dan is Jezus gevangengenomen en gestorven aan het kruis. Drie dagen zijn voorbijgegaan sinds zijn dood intussen. Er gebeurt niets... Jezus is waarschijnlijk zelfs weggenomen uit het graf, zo bleek deze ochtend. (Lucas 24, 24) Geen mens die weet waar Hij is. 

Het is te zeggen: enkele vrouwen beweren dat ze van engelen hebben vernomen dat Jezus leeft. Wat zou daar van aan zijn? (Lucas 24, 22-23) Het is één grote warboel. De leerlingen zien het somber in. (Lucas 24, 21) Hun hoop is vervlogen. We herkennen deze somberheid van bij de apostel Tomas, in het evangelie van vorige week. (Johannes 20, 19-31)

De twee leerlingen spreken er over met een onbekende Man die hen onderweg vervoegt. (Lucas 24, 15-16) Het is Jezus, maar dat zien de leerlingen niet: ze zijn verblind door wanhoop en verdriet. (Lucas 24, 16) Het feit dat ze er met deze onbekende Man over spreken, is toch een teken dat ze Jezus niet hebben afgeschreven. Ze willen wel geloven, maar hun verdriet en twijfel wegen te zwaar door.

Vertrouwenscrisis

Jezus vertelt hun over de profeten, die hebben voorzegd dat de Messias moest lijden om zijn glorie binnen te gaan. (Lucas 24, 26-27) Jezus reageert verontwaardigd: 'Hebben jullie dan zo weinig verstand en zijn jullie zo traag van begrip dat jullie niet geloven in alles wat de profeten gezegd hebben?' (Lucas 24, 25) Dat klinkt best hard. Ze hebben zich laten leiden door hun menselijke afweerreactie, weg van het geloof. De vrouwen hebben immers engelen gezien. En Jezus leeft, Hij moet niet onder de doden gezocht worden.

Het zal duren totdat Jezus het zegengebed uitspreekt en brood breekt vooraleer ze Hem zullen herkennen. (Lucas 24, 31) Zodanig zijn ze verblind dat ze de Man met wie ze drie jaar hebben opgetrokken niet herkennen. Daartoe moeten ze immers eerst wíllen kijken. Hun blik is vertroebeld. Geloven is een hele opdracht voor een mens. We willen zo graag zien en voelen, terwijl onze perceptie ons zo vaak bedriegt. Geloven is vertrouwen op wat je niet ziet. Dat zullen de leerlingen moeten leren. Zoals wij dat moeten doen. 

Vuur

Het vuur in hun hart brandt plots weer. (Lucas 24, 32) Hun hart is geraakt door Jezus, zoals voorheen. De leerlingen hebben zoveel woorden van de Heer gehoord, ze hebben aandachtig geluisterd en vragen gesteld. Toch slagen ze er uit zichzelf niet in om hun geloofsvuur brandend te houden. Op deze mensen zal Christus zijn Kerk bouwen. God stelt veel vertrouwen op ons, zo blijkt.

Er is Kracht van God nodig om ons in staat te stellen om te geloven in de Verrijzenis. (Lucas 24, 34) De dood is niet het einde, hoe logisch het tegendeel ook mag aanvoelen. De blijde Boodschap overstijgt immers de menselijke vanzelfsprekendheden. Onze kennis en wetenschap zijn indrukwekkend, maar uiteindelijk altijd eindig, heel beperkt, onnoemelijk onvolledig. Een stofje in vergelijking met Gods wijsheid. (1Korintiërs 1, 25) 

De leerlingen hebben vuur in hun hart nodig. Hun geloof moet aangevuurd worden. De evangelielezingen van de zondagen na Pasen nemen ons bij de hand op weg naar Pinksteren. Het is de heilige Geest die de leerlingen wijsheid en kracht zal schenken, zodat ze zichzelf overstijgen: Gods Adem van vuur. 

Onderweg

We zijn allen onderweg. De tijd tikt genadeloos vooruit, hij staat niet stil en keert niet weerom. Ons leven staat niet stil. Het verhaal van God met mensen evenmin. Jezus was onderweg met zijn leerlingen. De evangeliën zijn trektochten, op weg naar de Stad van God. De leerlingen zijn naar Emmaüs onderweg, opnieuw samen met de Heer. 

Ook ons eigen leven is een tocht. We zijn op weg, en onderweg ervaren we hoogten en laagten, begaan we rustige en moeizame wegen. Bijgevolg staat ook ons geloof niet stil. Het maakt immers een essentieel deel uit van ons bestaan. We mogen de hoop bewaren, ook in moeilijke tijden. God is met ons, zijn Geest zal ons leiden. Laten wij in sombere tijden ons geloof niet verwaarlozen en verliezen, maar juist kracht putten uit de Bron die God is. 

Laat je geloof ook hoop op God inhouden. (1Petrus 1, 21) Wanneer het leven je toelacht, maar evenzeer in angst of verdriet. Ook in het lijden is Christus ons nabij. Hij heeft het leed dat mensen overkomt zelf doorgemaakt. Daarin is Hij ten volle mens geweest. Vergeet niet om in vreugde dankbaar tot de Heer te komen. Hij gaat de weg met ons mee, Hij is met ons onderweg.

Dat je hart altijd vurig mag blijven branden voor Gods Liefde!

26 februari 2026

Het ultieme voorteken (28 februari-1 maart 2026)

Het beklimmen van een berg is een indrukwekkende belevenis. Het vraagt veel kracht en doorzetting en een avontuurlijke ingesteldheid. Het vraagt ook een bewuste keuze om op de veilige, welomlijnde weg van een heuvelachtig landschap toch een afslag te nemen en dat ongemakkelijke bergpad te kiezen. Wie niet goed is voorbereid en niet aandachtig is onderweg, kan zwaar ten val komen. De Veertigdagentijd is de uitgelezen tijd om het bergpad naar binnen heel bewust te kiezen, een avontuurlijk traject dat juist omwille van de uitdaging ook een verrijking kan zijn voor je spiritualiteit en je identiteit.

  • Voor de lezingen van de tweede zondag van de Veertigdagentijd A: klik hier.

Verhaalvorm

De gedaanteverandering van de Heer is een bijzonder complex verhaal. Het kan zeker niet gelezen worden als een feitenrapport. Dit verhaal vertelt een theologische waarheid, het brengt een ons overstijgende werkelijkheid onder woorden. We mogen deze verhaalvorm niet verwarren met fantasie. Er wordt wat verderop geen zwerkbal gespeeld en er klinken geen optaterspreuken begeleid door wild gezwaai met een toverstaf. 

De gedaanteverandering is niet van magische aard. Het vertelt een verhaal omdat een theologisch traktaat nog een stuk ingewikkelder zou zijn. We doen dit verhaal het meest onrecht aan wanneer we haar diepste intentie niet respecteren: dit is christologie in beeldtaal. Het wezenlijke van Christus, zijn Boodschap en zijn aardse verblijf komt hier aan bod.

Hoog

Het verhaal valt meteen met de deur in huis. Jezus beklimt een berg, samen met Petrus, Jakobus en Johannes. Verder is er niemand: het betreft een klein gezelschap. Het is niet zomaar een heuvelrug, nee: ze beklimmen een hoge berg. (Matteüs 17, 1) Hoogte is van belang hier. Jezus en de drie leerlingen komen dichter bij de hemel, en worden verder weg van de vlakke wereld verwijderd. 

Ze kunnen het gewemel overschouwen en maken er geen deel meer van uit. Het landschap is ruiger, de klim is ongetwijfeld een uitdaging. Er is geen drukte, geen rumoer, geen afleiding hoog op de berg. In het majestueuze landschap ervaren ze hoe klein een mens eigenlijk is en hoe prachtig de schepping. Het staat in schril contrast met de onbeduidendheid en het banale waarin mensen zich verliezen in de vlakke wereld van elke dag. 

Berg zonder Naam

Merkwaardig detail: de berg heeft geen naam, terwijl vaak heel specifieke plaatsbeschrijvingen in evangelieverhalen staan vermeld. De plaats doet er immers niet toe. De locatie blijft een mysterie omdat de betekenis van de berg ligt in wat erop staat te gebeuren. Het zal tijd en ruimte overstijgen. We hebben tot nu toe één Bijbelvers gelezen. Verhalen zijn heel effectief om veel te zeggen in weinig woorden.

Het volgende vers is minstens even verhelderend. Het uitzicht op hoge hoogte is wellicht adembenemend, maar vooral een inzicht zal hun keel dicht hebben geknepen. Er gebeurt een metamorfose (in het Grieks: 'metemorfootè', Hij veranderde van gedaante) voor hun ogen. Zijn gelaat wordt stralend als de zon en zijn gewaad witter dan het licht. (Matteüs 17, 2) Het Licht brengt God in beeld. Zoals het vuur van de brandende braamstruik. (Exodus, 3, 1-6) God verschijnt aan Mozes in een onbenaderbaar vuur. Zowel het heldere licht als het vuur scheppen een afstand tussen mens en God. Wij hebben niet zomaar toegang tot God. Er is geen magie in het spel. Dit gaat over symboliek. Over sacramentaliteit.

Tabernakel

Plots blijken ze in vers 3 niet met zijn vieren te zijn op de berg. Uit het niets worden Mozes en Elia vernoemd, die in gesprek zijn met Jezus. Zij spreken met Jezus, niet met de leerlingen. Een Goddelijke dialoog grijpt plaats: Jezus, de Zoon van God, spreekt met Mozes, die de Wet vertegenwoordigt, en met Elia, die staat voor de Profeten. Samen bekleden deze beide verschijningen de Traditie van de Heer die op weg is gegaan met zijn Volk, vanaf het eerste begin tot dat moment. En Jezus staat op gelijke hoogte met hen. (Matteüs 17, 3) Hij wist Wet en Profeten niet uit, maar is organisch met hen verweven. Jezus ís de Wet en Profeten, meer bepaald: de vervulling  van Gods Belofte langs een Nieuw Verbond dat weldra wordt gesloten.

Petrus spreekt de Heer aan, midden in dit mystiek gebeuren. Hij stelt voor om drie tenten te bouwen: drie tabernakels, drie beschermende heiligdommen waarin het Goddelijke kan verwijlen, weg van de elementen, (Matteüs 17, 4) zoals eertijds de tent van het Verbond. (Exodus 25) Jezus zal weldra de nieuwe Ark belichamen, wanneer in Hem het Verbond tussen God en zijn Volk wordt vernieuwd. 

Christologie

Een Goddelijk spreken onderbreekt Petrus' voorstel: de hemelse Vader weerklinkt vanuit een wolk. Ook de wolk is vervuld van helder licht. Mozes, Elia, de Zoon en de Vader: ze zijn verenigd in Licht, in goddelijkheid. (Matteüs 17, 5) De Vader herhaalt zijn woorden van bij Jezus' doopsel door Johannes de Doper: "Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind ik vreugde." (Matteüs 3, 17) Dit keer wordt er nog een duidelijk directief aan toegevoegd: "Luister naar Hem." Gehoorzaam Hem. De tijd is immers rijp.

In de volgende hoofdstukken wordt vooral nog gesproken over de hemel en het Rijk Gods. (Matteüs 18-20) Daarna doet Jezus zijn intocht in Jeruzalem en richt Hij zich streng tot de Schriftgeleerden, terwijl Hij voorspelt wat er zal gebeuren wanneer de Mensenzoon terugkomt. (Matteüs 21-25) Het lijden en sterven van de Heer is niet meer ver weg. En dat klinkt ook in hoofdstuk 16, dat aan de gedaanteverandering voorafgaat: "Wie achter Mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en Mij volgen. Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het behouden." (Matteüs 16, 24-25) 

Wellicht de meest veelzeggende aanwijzing om de gedaanteverandering van de Heer te plaatsen, is Jezus' vraag aan zijn leerlingen, eveneens in het vorige hoofdstuk: "En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben? " (Matteüs 16, 15) Wat is het wezen van Christus? Wie is Hij? Het is eveneens Petrus die dan begeesterd spreekt: "U bent de Messias, de Zoon van de levende God." (Matteüs 16, 16) Er klinkt heel veel christologie in de gedaanteverandering. Het is geen luchtige thematiek. Maar dat mag in de Veertigdagentijd, op weg naar Pasen.

Zelfde symbolen

Dichter bij Pasen zal Petrus vloekend en zwerend uitroepen: "Ik ken die man niet!" (Matteüs 26, 74) En daarmee komen we bij het Christusmysterie waar de gedaanteverandering een voorteken van is, een vooruitwijzing: het lijden, sterven en opstaan van de Heer. Daarin komen veel symbolen terug. 

Zijn ondergewaad zal niet worden gescheurd, boven op de heuvel van Golgota. (Matteüs 27, 35 en Johannes 19, 23) Op een minder imposante verhoging dan de hoge berg zal het kruis worden opgericht. Het licht zal doven: duisternis zal de aarde bedekken. (Matteüs 27, 45) Het voorhangsel van de tempel zal scheuren. Het tentdoek wordt door toedoen van mensen vernield. (Matteüs 27, 51)   

De rijkdom van het verhaal van de gedaanteverandering is onuitputtelijk en heel inspirerend in voorbereiding op Goede Vrijdag en Pasen. Laat ons, in navolging van Jezus en de drie leerlingen, de naamloze berg beklimmen en dichter bij de betekenis van het lijden en sterven van de Mensenzoon komen: de betekenis binnen ons geloof en bijgevolg ook voor onze eigen diepste spiritualiteit.

21 mei 2025

Leven in de vredevolle wijsheid van de heilige Geest (24-25 mei 2025)

Jezus is niet op aarde gekomen om door ons getemd te worden. Hij staat niet in functie van ons of van ons geloof. Integendeel: ons geloof is het liefdevolle antwoord op Gods genade. Dat is echter niet vanzelfsprekend: we zien God niet. Wel kunnen we in ons gebed en in ons leven wijsheid van God ontvangen. Daartoe is de heilige Geest onder ons gekomen: de constante Goddelijke aanwezigheid op aarde. Hij schenkt ons inzicht en inspireert ons tot vrede. God heeft ons immers lief en wil zijn Schepping blijven raken met zijn genade. In de Paastijd mogen we ontdekken hoe bevoorrecht we zijn.

Ongelijk

Liefde is het begin van christenzijn. “Wie Mij niet liefheeft, houdt zich niet aan wat Ik zeg. (Johannes 14, 24a) Het is de bewonderende aanbidding van de Heer Jezus Christus die ons geloof aanwakkert. Deze Liefde is geen equivalent van typisch aardse liefde, geen liefde van mens tot mens. Het is geen verliefdheid en ook geen bestendiging van verliefdheid. Het is ook geen liefde zoals je voor een vriend of vriendin voelt. 

Jezus is nooit onze gelijke. Deze Liefde is hemels en aards tegelijk, zoals Jezus Christus evenzeer onder ons is gekomen als hemels en aards tegelijk. Trouw en oprechtheid zijn belangrijk elementen in de Liefde voor God. Daarin verschilt de Liefde voor Christus niet van de verwachtingen in de liefde voor een partner of vriend(in). 

Volgen

Het verschil ligt enerzijds in de grenzeloze liefde die van God op ons afstraalt. Hij overstijgt in alles de liefde in al haar diversiteit zoals mensen die voor elkaar kunnen voelen. Er hangt anderzijds ook een gehoorzaamheid aan deze liefde vast, een bereidheid om te volgen. Daarin krijgt de ongelijkheid tussen God en mens concreet vorm. Wie Christus liefheeft, houdt zich aan wat Hij zegt.

Christus volgen verschilt in het geheel niet van de Vader volgen. “Wat jullie Mij horen zeggen, zijn niet mijn woorden, maar de woorden van de Vader, door wie Ik gezonden ben. (Johannes 14, 24b) Jezus heeft geen nieuw geloof gesticht, Hij heeft de Wet en de Profeten uitgelegd en de afwijkingen aangeklaagd in het beleven en uitdrukken van die Boodschap. In die zin is er een Nieuw Verbond ingesteld, een nieuw begin. Opnieuw een teken van Gods grenzeloze Liefde.

Nieuwe vorm

Jezus heeft op tijd aan zijn leerlingen verteld dat zijn verblijf op aarde slechts tijdelijk zou zijn, dat Hij hen zou moeten verlaten. Jezus zegt hun: “Dit alles zeg Ik tegen jullie nu Ik nog bij jullie ben. (Johannes 14, 25a) Na Pasen verandert alles: het is een scharniermoment. Sindsdien ervaren we een andere dimensie van Gods Liefde: ze is, net als God zelf, fundamenteel onzichtbaar en ontastbaar. Onze belijdenis zit niet in stenen vervat. Dat maakt van geloof een hele uitdaging. 

Wanneer Johannes in het boek Apokalyps zijn visioen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde kenschetst, dan schrijft hij over de heilige stad: Een tempel zag ik niet in de stad, want God, de Heer, de Almachtige, is haar tempel, met het lam. (Apokalyps 21, 22) Wij leven in het tijdperk van de ontastbare God. We klampen ons vast aan zijn Woord als getuigenis en inspiratiebron.

Met wijsheid, in vrede

Maar er is meer. Jezus voorzegt aan zijn leerlingen: “Later zal de Vader jullie in mijn naam een pleitbezorger zenden, de heilige Geest.” (Johannes 14, 25b) God is en blijft een Aanwezige onder ons, maar na Jezus tijd op aarde, is dat onder een heel nieuwe vorm: als Begeestering. Wat betekent dat concreet? Welnu: “Hij zal jullie alles duidelijk maken en alles in herinnering brengen wat Ik tegen jullie gezegd heb.” (Johannes 14, 26) Dat is een belangrijke wijze waarop de heilige Geest ons helpt en bijstaat: met zijn Goddelijke wijsheid.

Aansluitend bij zijn uitleg over de komst van de heilige Geest, zegt Jezus: Ik laat jullie vrede na; mijn vrede geef Ik jullie, zoals de wereld die niet geven kan. (Johannes 14, 27a) De heilige Geest inspireert ons tot de Goddelijke vrede die Jezus ons laat, hier op aarde, nadat Hij naar de hemel opstijgt. Die vrede moet ons niet alleen inspireren maar zelfs kenmerken. Volgelingen van Jezus leven in vrede - een hemelse vrede gebouwd op de blijde Boodschap - gesterkt door de heilige Geest. 

Ziedaar een belangrijke opdracht voor ons allen! Moge de Geest in ons allen waaien als een doorleefde en inspirerende ‘aggiornamento’!

16 augustus 2023

Voor iedereen! (19-20 augustus 2023)

Een Kanaänitische vrouw spreekt Jezus aan. Hij heeft zich in Fenicië afgezonderd, samen met zijn leerlingen, na een zoveelste aanvaring met farizeeën. De vrouw moet veel moeite doen om een respons van Jezus uit te lokken. Bij een oppervlakkige lezing lijkt het een merkwaardig verhaal met atypisch gedrag van Jezus. We staan dan ook op een keerpunt in de verkondiging: na de 'binnenjoodse' focus begint hier het 'christelijke' verhaal, nog heel pril en kleinschalig, kruimeltjesgewijs.

Fenicië ligt ten noorden en ten westen van Galilea. Nadat het Volk Gods doorheen de woestijn naar Kanaän is geleid om zich er te vestigen, trekt de oorspronkelijke bevolking noordwaarts. Het is een vissersvolk met de kwalijke reputatie om woekerwinsten te halen uit hun handel. Ze zijn gekend voor hun Baälcultus. Isebel, de vrouw van koning Achab, is een Fenicische en introduceert deze cultus bij de Joden. De profeet Elia wordt door haar bedreigd en vervolgd omdat hij de afgoderij aan de kaak stelt. (1 Koningen 18-19) Fenicië, met de steden Tyrus en Sidon, staat ten tijde van Jezus ook onder Romeins bewind.

"Heb medelijden"

“Heb medelijden, Heer, Zoon van David!”, roept de vrouw Jezus toe. (Matteüs 15, 22) Ze is klaarblijkelijk vertrouwd met zijn Messiaanse titel. De vrouw erkent Hem in weinig woorden uitdrukkelijk als de Zoon van God en spreekt een typisch joodse gebedsformule uit. Haar dochter is ziek en ze hoopt op de hulp van Jezus.

Hij schenkt ogenschijnlijk geen aandacht aan haar smeekgebed. De leerlingen verzoeken zelfs om haar weg te sturen(Matteüs 15, 23) Ze verstoort de rust, ze is een storend element. Het is een heel spontane reactie, die ook in christelijke gemeenschappen vandaag soms kwalijk aanwezig is en als normaal wordt beschouwd: vooroordelen koesteren, neerkijken op anderen, veroordelen en het eigen gemak vooropstellen.

Afgelijnd

Heel afgemeten antwoordt Jezus: “Ik ben alleen tot de verloren schapen van Israëls huis gezonden.” (Matteüs 15, 24) Jezus stuurt haar dus niet weg, maar verklaart zijn gedrag vanuit zijn oorspronkelijke, afgelijnde missie: de Vader heeft zijn eniggeboren Zoon op aarde de missie gegeven om het Verbond tussen God en zijn Volk te vernieuwen. De afgoderij was één van de redenen voor het verbreken van het 'oude' Verbond. Mogelijk maakt Jezus zich toch zorgen over de mogelijke vermenging van godsdiensten. Reli-shopping noemen we dat tegenwoordig, maar het fenomeen is van alle tijden. Zou het toeval zijn dat Jezus juist in Fenicië als Zoon van God wordt bevestigd?

Nu heeft Jezus zich wat afgezonderd na de confrontatie met farizeeën en Schriftgeleerden (Matteüs 15, 1-11). Hij heeft ze zopas huichelaars genoemd. (Matteüs 15, 7) Het wordt stilaan duidelijk dat de tegenstand tegen de blijde Boodschap bijzonder groot is en gestuurd wordt door de vooraanstaanden in het geloof, die vooral bekommerd zijn om hun macht en aanzien. Zou het toeval zijn dat Jezus in Fenicië erkenning krijgt nadat Hij door farizeeën ontrouw aan de traditie is verweten? (Matteüs 15, 2) 

“Heer, help mij”, smeekt ze nogmaals, dichter bij Jezus. Hij dient haar van antwoord: “Het is niet goed om het brood voor de kinderen aan de honden te voeren.” (Matteüs 15, 26) Met andere woorden: eerst moet de Boodschap aan het Volk Gods verkondigd worden. Zo is het bedoeld.

Kruimeltjesgewijs

Haar derde toenadering is meer gedurfd: “Toch wel, Heer!”, zo spreekt ze Hem vol overtuiging tegen. Het is één van de weinige keren dat Hij wordt tegengesproken door iemand die om hulp vraagt. Ze maakt Hem duidelijk dat er kruimels genoeg overblijven. (Matteüs 15, 27) Het Volk Gods en de leiders stellen Hem inderdaad teleur. Maar ook los daarvan klopt haar overtuiging: er is genoeg voor iedereen.

De Fenicische vrouw heeft het over de ‘tafel van de meesters’. Dat is een niet onbelangrijke beeldspraak: de vrouw erkent langs de ‘meesters’ het Oude Verbond: de Wet en de Profeten, of Mozes en Elia. Jezus heeft ze op die manier ook als haar Messias benoemd. Deze vrouw erkent de traditie en gelooft in Jezus.

Nu komen we op het keerpunt in het verhaal. De kruimels van geloof waar de vrouw over spreekt, worden door Jezus opgewaardeerd: “Je hebt een groot geloof.” (Matteüs 15, 28) Samen met ons stelt Jezus vast dat er ook groot geloof kan ontstaan buiten het Volk Gods. Hier kijkt Jezus door Gods ogen, in tegenstelling tot de leerlingen, die haar hadden weggestuurd. Het is één van de weinige keren dat we een inkijk krijgen in de dynamiek binnen Jezus' zending.

Het open geloof van de Kanaänitische vrouw staat in schril contrast met het regeltjesdenken van de farizeeën en Schriftgeleerden, dat Jezus even daarvoor als volgt met ergernis omschrijft: “Hun hart is ver van Mij, tevergeefs vereren ze Mij.” (Matteüs 15, 8-9) Het tweede deel van die zin is een citaat uit Jesaja, om zijn oordeel kracht bij te zetten. (Jesaja 29, 13) 

Wonderlijke broodaccolade

Wat de vrouw bijna profetisch uitspreekt, wordt daarna symbolisch bevestigd in een broodwonder. (Matteüs 15, 32-39) Na het uitdelen van wat visjes en het breken van zeven broden, zijn er inderdaad meer dan genoeg kruimels overgebleven na de maaltijd: zeven volle manden! En in het vorige hoofdstuk is er ook al een broodwonder geschied: dan verdelen de leerlingen vijf broden en twee vissen en halen ze twaalf manden op achteraf. (Matteüs 14, 15-21) Het verhaal van de Fenicische vrouw wordt dus door een accolade van eucharistische symboliek omsloten. Zou dat toeval zijn? Nee, uiteraard niet. Dat is het antwoord op de drie vragen trouwens.

God bevestigt de ruimere zending van zijn Zoon. Jezus spreekt een dankgebed tot de Vader en krijgt een wonder als antwoord. Nergens staat er dat Jezus een hand heeft opgelegd of een uitspraak heeft gedaan die het wonder doet geschieden. Dit is een teken uit de hemel. Jezus vindt groot geloof waar niemand het verwacht en zijn Vader bevestigt zijn openheid van Geest.

De leerlingen zullen na Jezus' dood en verrijzenis steeds wijder rondtrekken om te verkondigen, zo ver als ze reizen kunnen. De kiemen voor deze universele missie liggen in dit fragment. De joodse religie is immers nooit missionair geweest. Het Nieuwe Verbond, dat in Christus is ingesteld, is voor iedereen bestemd. Er zijn kruimels van geloof voor iedereen die er open voor staat. Werkelijk voor iedereen!

25 juli 2023

Oud en nieuw tevoorschijn brengen (29-30 juli 2023)

In een schatkamer berg je geen rommel op. Zo stel ik mij dat toch voor. Ik ben niet rijk, en zal het ook nooit worden. Jezus spreekt niet over een schatkamer om ons te doen streven naar exuberante geldelijke rijkdom. Hij vergelijkt het geloof met een schatkamer en de geloofsinhoud met schatten die getuigen van geestelijke rijkdom. Het feit dat Hij die vergelijking maakt, betekent dat Hij de geloofsinhoud van het Joodse volk naar waarde schat. Het is een schat die gekoesterd moet worden. 

Jezus omschrijft de Schrift als een schatkamer waaruit we parels van verzen en verhalen mogen bewonderen. Hij richt zich immers tot de Schriftgeleerden vandaag. Het oude en het nieuwe weet Jezus naar waarde te schatten. Het oude wordt niet uitgewist of overschreven of weggegooid, maar krijgt een nieuw aanzien samen mét het nieuwe.

Verbond en testament

Hij spreekt vandaag over oude en nieuwe schatten (in het Grieks: ‘kaina kai palaia’), maar bevestigt daarmee meteen dat Hij geen jota van de Schrift zal aanpassen. (Matteüs 5, 18) De teksten van Mozes en de Profeten zijn heilig en dat blijven ze ook na Jezus’ komst op aarde. Met Jezus begint het Nieuwe Verbond. Dat zal neergeschreven worden in het Nieuwe (Tweede) Testament, maar daarin levert Hij geen bijdrage. Een verkondiger is Hij, geen schrijver. In Hem begint iets nieuws: een Nieuw Verbond.

Verbond en testament mogen in de Bijbelse context eigenlijk door elkaar gebruikt worden. Het Hebreeuwse woord voor verbond is ‘beriet’. Het verwijst naar een plechtig beëdigde wederzijdse afspraak. In het Grieks wordt ‘verbond’ eigenlijk vertaald als ‘suntèkè’. In de Griekse Schriftvertaling wordt dit begrip echter (op één uitzondering na) niet gebruikt. Wanneer een testament wordt bedoeld, dat een nalatenschap of overdracht regelt, zoals wij dat ook nu kennen, dan wordt in het Grieks de term ‘diatèkè’ gebruikt. Maar ‘diatèkè’ wordt ook als vertaling voor het woord ‘verbond’ gebruikt. We kunnen stellen dat verbond en testament in onze christelijke lezing onderling uitwisselbaar zijn. De band tussen God en mens en de overdracht van Goddelijke wijsheid vormen één geheel. Het geloof en de geloofsinhoud vormen een eenheid, net zoals sacrale rituelen en dagelijkse gewone handelingen bij elkaar aan horen te sluiten. Misschien kunnen we deze nuance poneren: het Verbond leidt tot een Testament.

Het Oude

Met het ‘oude’ bedoelt Jezus de geschriften van (of beter: over) Mozes en de Profeten, die het Oude Verbond verhalen. Abraham bevestigt op rituele wijze Gods belofte die Hij in een verschijning aan Abraham heeft gedaan. Er wordt een altaar gebouwd en een offer opgedragen. (Genesis 12, 7b) Het is een ritueel dat een bijzonder plechtig en sacraal verhaal afrondt. (Genesis 12, 1-7) Mozes en het volk erkennen later het Verbond, dat concreet vorm krijgt in de tien geboden, eveneens met een ritueel. (Exodus 24, 1-8) Het volk bevestigt gezamenlijk en volmondig de geboden te zullen onderhouden. (Exodus 24, 3) Daarna bekrachtigt Mozes het Verbond met offerbloed (Exodus 24, 8) Dat zal Jezus tijdens het Laatste Avondmaal op rituele wijze niet toevallig overdoen, of beter: overtreffen.

In het Eerste Testament wordt gemeld dat het heilig Verbond tussen God en zijn volk verbroken wordt. God verklaart op voorhand nochtans klaar en duidelijk wat er gebeurt wanneer men het Verbond niet onderhoudt. (Leviticus 26, 14-16) De Heer vertrouwt aan Mozes al toe dat het Verbond verbroken zal worden, dat het volk andere goden zal eren. (Deuteronomium 31, 16-20) Alles verandert in de lange crisisperiode van de val van het verenigde rijk en de ballingschappen. 

Het Verbond is verbroken, en God doet voorzichtig al de belofte dat de dag zal komen van een Nieuw Verbond. Hij spreekt dit uit langs profeten. Het zal geen verbond zijn dat op steen is gebeiteld maar in het hart van de mensen. (Jeremia 31, 31-34 – Hebreeën 8, 8-13) Het zal een eeuwig Verbond zijn, met hart en ziel, een Verbond van Liefde. (Jeremia 32, 40 – Jesaja 54, 9-10) God zal iets nieuws beginnen. Sterker nog: het begint al te ontkiemen. (Jesaja 43, 18-19)

Het Nieuwe

Wanneer God als Mens, kwetsbaar en aan ons gelijk, op aarde is komen wonen, in onze wereld en in onze tijd, is iets totaal nieuws begonnen. Met Jezus vangt het langverwachte Nieuwe Verbond aan. Jezus’ verkondiging geschiedt in de naam van de Vader in de hemel. Jezus’ liefde tot het uiterste toe, in zijn lijden, zijn dood en verrijzenis, bezegelt dat Nieuwe Verbond zoals Mozes met offerbloed het Eerste Verbond had bekrachtigd, maar dan in de opperste overtreffende trap

De belangrijke aanvulling die Jezus doet op de Wet is het centraal plaatsen van de Liefde: we dienen God lief te hebben, en onze naaste als onszelf. (Matteüs 22, 37-40 – Marcus 12, 29-31 – Lucas 10, 27) De band met de traditie van de Wet en de Profeten is duidelijk aanwezig. Daarin is het fundament van de liefde voor God en de liefde voor de naaste immers al gelegd. (Deuteronomium 6, 5 en Leviticus 19, 18) Deze Liefde draagt Jezus zijn volgelingen op. Jezus vertrekt daarbij uit de Liefde van de Vader voor de Mensenzoon. (Johannes 15, 9-17) Deze Liefde is een bron van diepe vreugde.

Het authentieke

Deze vreugde stralen de farizeeën en Schriftgeleerden hoegenaamd niet uit. Hun geloof is tot een gewoontegodsdienst verworden. Ze zijn te allen tijde omringd door zwermen van zelfgemaakte regeltjes die ze nauwgezet moeten volgen en die ze alle gelovigen opleggen. De kern van het geloof is niet meer belicht. De aandacht is verschoven naar bijkomstigheden.

Wanneer gezegd wordt hoe mooi de tempel wel is, voorspelt Jezus al dat geen steen meer op een andere zal blijven, dat alles zal worden afgebroken. (Lucas 21, 5-6) Hij doet ook de gewaagde uitspraak dat men de tempel man afbreken. In drie dagen zal Jezus hem heropbouwen. (Johannes 2, 19) Net zoals het oude Verbond in zijn oorspronkelijke vorm, onderweg in de woestijn, zal ook het Nieuwe Verbond niet gebonden zijn aan stenen gebouwen, zelfs niet aan stenen tafelen, maar aan het hart van een volk onderweg.

Het perspectief van waaruit Jezus het geloof belicht, is eigenlijk niet zozeer nieuw, maar vooral authentiek. Het Licht dat Hij straalt op de eeuwige Wet, is dat van de Liefde, die men eigenlijk al had moeten herkennen in Gods Naam: “Ik ben er voor u”. (Exodus 3, 14)

Parabel

“Heb je dit alles verstaan?”, vraagt Jezus aan zijn leerlingen (Matteüs 13, 51) Hij heeft immers in parabels gesproken en voegt er nog eentje toe. Wanneer Jezus spreekt over de huiseigenaar die oude en nieuwe kostbaarheden uit zijn schatkamer haalt, dan spreekt Hij opnieuw in een gelijkenis. 

Het is één van de kortste parabels, waarmee Hij de opdracht verheldert van de Schriftgeleerden, maar bij uitbreiding van iedereen die leerling is geworden in het Koninkrijk van de hemel. Oud en Nieuw zijn waardevol en vormen samen de grootste rijkdom die we in het leven mogen koesteren in haar zuiverste vorm: ons geloof in God, onze Schepper en Bevrijder. Oud en nieuw brengen we tevoorschijn wanneer we uit de Schrift lezen. Kaina kai palaia.

12 mei 2023

God liefhebben in de Wet en de Profeten (13-14 mei 2023)

Jezus roept ons op om God niet te zien als een verre, Afstandelijke die we goedgunstig moeten stemmen door allerlei zelfgemaakte wetten en regels scrupuleus te volgen. Daarin schuilt geen liefde voor de Vader. Het is hooguit het beheersbaar en controleerbaar maken van de godsdienst. Dat is wat de farizeeën zo graag willen: indruk maken door toonbeelden van mateloze godsvrucht te zijn. Ze overdrijven in hun gedrevenheid, wat in essentie een vorm van egocentrisme is. Op anderen, die niet op die wijze in hun geloof staan, kijken ze neer. Ze verwijten hen laksheid en gebrek aan respect voor God. Zicht op hun eigen gebreken hebben ze niet. Jezus vindt het hoogtijd om in te grijpen.

Jezus veegt de geboden niet uit. Integendeel: het onderhoud van de geboden beschouwt Hij als een voorwaarde om Hem lief kunnen te hebben (Johannes 14, 15). En wie Jezus liefheeft, langs de Wet en de Profeten, die wordt bemind door de Vader. (Johannes 14, 21) De wederzijdse liefde tussen God (Vader en Zoon) en de mens blijft onlosmakelijk verbonden met de Wet. De heilsgeschiedenis wordt niet verticaal geklasseerd, maar juist herbevestigd.

Kramp

Het probleem bevindt zich niet in de Wet, maar in de beleving van de Wet. De Wet is Goddelijk, aan het Volk Gods geschonken op weg naar het Beloofde Land. Dat land blijft echter niet zelfstandig. De confrontatie met andere culturen die het land zijn binnenkomen met de opeenvolgende vreemde overheersers, is groot. Sommigen zijn gaandeweg in een religieuze kramp geschoten. 

Omdat hun levenswijze fundamenteel in vraag wordt gesteld als enige waarheid en mensen het niet zo nauw meer nemen met die heilige Wet, is dat ergens een begrijpelijke reactie. Het is een fenomeen dat in onze tijden ook opduikt. Sommige gelovigen klampen zich vast, maar knijpen op die manier, door angst, onmacht en onbegrip gedreven, de essentie van hun geloof stuk.

De farizeeën en sadduceeën eigenen zich religieuze macht toe als tegengewicht voor de wereldse vreemde leiders. In dat proces wordt de godsdienst in afnemende mate een doel, maar steeds meer een middel. Daar loopt het fout. Men wil respect afdwingen door voorbeeldig te zijn en datzelfde van de anderen te eisen. Er ontstaat een machtsverhouding en dat heeft nefaste gevolgen.

Essentie

In deze context trekt Jezus door het land. Hij ergert zich mateloos aan het gedrag van farizeeën en verwijt hen dat ze aan zelfverheerlijking doen. God lijkt bijkomstig te zijn geworden. Ze etaleren hun vroomheid, en voeren onderling competitie in formalisme. (Matteüs 23, 2-7) Jezus gaat terug naar de essentie. Daar ligt de sleutel tot een inspirerend geloof, een aanstekelijk geloof dat zich niet manifesteert in negativiteit, maar juist in liefde. Liefde is het beginsel van ons geloof, en dus moet de Wet niet in scrupule maar in liefde worden beleefd. (Johannes 5, 39-44)

Identiteit

De farizeeën beschuldigen Jezus dat Hij de Wet niet volgt maar een eigen verhaal creëert. Ze beschuldigen hem van Godslastering. (Johannes 8, 53) Vooral wanneer Hij zichzelf de Weg, de Waarheid en het Leven noemt. Wanneer Hij de Wet bespreekt, doet Hij dat uit eigen autoriteit: “Dit zeg Ik daarover”. (Mt 5, 22a.28a.32a.34a.39a.44a) Het is niet vreemd dat de farizeeën morren en zich afvragen: “Wie denkt Hij wel dat Hij is?” Maar juist in die vraag schuilt het antwoord dat zij niet zien.

Liefde

Nee, Jezus is niet gekomen om de Wet af te breken, maar om ze te vervullen. (Matteüs 5, 17) Die vervulling, die in het Nieuw Verbond bekrachtigd wordt, bestaat in de verinnerlijken van de Wet en de Profeten. De profeet Jeremia voorspelt dit op sublieme wijze: “Dit is het verbond dat Ik in de toekomst met het volk van Israël zal sluiten: Ik zal mijn wet in hun geest leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal Ik hun God zijn en zij mijn volk.” (Jeremia 31, 33) De Wet wordt door God in je hart geplant.

Jezus legt de focus op het dubbelgebod van de liefde: “Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf.” (Matteüs 22, 36-39, eerste gebod: Deuteronomium 6, 5) En dat is de samenvatting van alles wat in Wet en Profeten staat. (Matteüs 22, 40)

Correctie

Er gebeurt dus een ombuiging naar het positieve door Jezus. Omdat de tien geboden eigenlijk vooral verboden verwoorden, zaken die niet mogen, is er een opening ontstaan tot farizeïsme. Daarin brengt Jezus een correctie. Niet in de inhoud, maar in de vorm kiest Hij voor een andere benadering van de Wet.

De Wet onderhouden is een teken van liefde, nee: het ultieme teken van liefde. Jezus brengt de Wet en de Profeten terug naar hun oorspronkelijke essentie. God eren en geen andere goden aanbidden, is een teken van zuivere Godsliefde. Ook in de naastenliefde hebben we God lief: het goede dat je aan de minsten van de Zijnen doet, dat doe je aan God zelf… (Matteüs 25, 35-40) Jezus zet ons aan om ook  te streven naar volmaaktheid, maar dan in liefde, in trouw en oprechtheid naar God toe en onze naasten. (Johannes 5, 41) Zelfverheffing en huichelarij hebben we niet van doen: zij leiden ons juist wég van God. (Matteüs 23, 11-12)

Gedaanteverandering

Franciscaan Eloï Leclerc (1921-2016) spreekt over de gedaanteverandering van de Wet (in zijn boek ‘De verboden wegen van Gods Koninkrijk’). We aanschouwen de diepste heiligheid van de Wet en de Profeten vanuit het perspectief van de Liefde. De Wet is zoveel méér dan een geheel van afzonderlijke voorschriften. Het is in de allereerste plaats het vertrekpunt naar de intieme geloofsband met de Vader, een band die de mens vanuit het hart veruitwendigt in gebed en naastenliefde, en die de Vader op zijn beurt bevestigt in de gave van de heilige Geest. (Johannes 14, 26)

Het is de Geest van waarheid, onze Trooster en Helper, die in ons verblijft. Zo worden we, ondanks de afstand tussen God en ons, ondanks de onzichtbaarheid en de onaanraakbaarheid van God, niet verweesd achtergelaten wanneer Jezus van de aarde ten hemel oprijst. (Johannes 14, 18)

Laten we dus niet verkrampen door angst, of troost zoeken in tastbare zekerheden. Laten we niet wanhopen en doemdenken. De Geest leeft in ons en zal ons steeds vergezellen. We zijn geen uitgeschudde wezen. De tijden dat het christelijk geloof een evidentie was, liggen achter ons, dat is waar. En dat is goed. Geloven is immers bovenal een bewuste keuze, een daad van vrijwillige liefde. Laten wij die liefde voorleven als ultiem geloofsgetuigenis, credo in actie, ondanks tegenwind, ondanks vooroordelen, gesterkt in hoop en vertrouwen. In Gods liefde.