Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label berouw. Alle posts tonen
Posts tonen met het label berouw. Alle posts tonen

23 september 2022

Mag ik mijn rijke familie even waarschuwen alstublieft? (24-25 september 2022)

“Op een kermis vol met ruimtevaart zijn paarden niets waard.” Liesbeth List zong over de vooruitgang in het lied “Kinderen een kwartje”. “Alles wordt plastic,” en “de mensen suizen door de lucht op de vlucht voor de sleur van alledag”. Inmiddels heeft de kermis plaats gemaakt voor heuse animatieparken. Zij produceren nu de pret in industriële proporties. Het lied gaat niet louter over de kermis uiteraard. Alles moet vlug gaan, alles moet in beweging zijn. Stilstaan is achteruitgaan. Snelheid en lawaai jagen de stilte weg. Dan hoef je niet teveel na te denken. Hooguit aan jezelf misschien, en ook dat wordt voorgekauwd in beelden en slogans.

  • Voor de lezingen van deze zondag: klik hier.
  • Voor het lied "Kinderen een kwartje" (Liesbeth List): klik hier.

Let wel, onze huidige tijd heeft absoluut geen patent op de reflex om zelfgenoegzaam te zijn en niet teveel na te denken. Het is van alle tijden. Alleen lijkt de tegenstem nu niet luid genoeg te klinken, zoals de paardenmolen op de kermis in het niets verdwijnt. De boodschap die het makkelijkst aanspreekt, is niet noodzakelijk de beste keuze. In die misleiding schuilt veel gevaar. Twee Wereldoorlogen hebben ons in de vorige eeuw getoond hoe makkelijke slogans tot de grootste ellende kunnen leiden. De mensen zijn erg beïnvloedbaar.

Hier en nu

Maken we voldoende tijd voor de grote vragen? Staan we geregeld stil bij het grotere geheel? Onze tijd hier op aarde is en blijft eindig, hoezeer we ook vertrouwen op de wetenschap en leven in het moment. Alles is ijdel en vergankelijk, hoeveel energie we ook investeren in futiliteiten, in hebben en houden.

In onze drukke tijden denken mensen niet zoveel na over het hiernamaals. We zijn bezig met nu en straks en morgen en volgende week. De grote vragen verdampen in de drukte van plannen en afspreken en doen en daarna ook nog evalueren. Het is zoveel makkelijker om met concrete zaken bezig te zijn: ze zijn tastbaar en het resultaat zie je ook meteen.

Geloven, niet weten

Het hiernamaals is vaag en complex. Jezus vertelt er in beelden over. Hij geeft geen objectief verslag van waar het zich bevindt, hoe het er uit ziet en hoe het er aan toe gaat. Dat maakt het er niet eenvoudiger op. Toch is het logisch. Jezus geeft elkeen de kans om te geloven. Geloven is niet gebaseerd op pure kennis en wetenschap. Geloven is een bewuste keuze, die je volledig maakt of niet, een keuze die niet vrijblijvend is, maar met veel consequenties. Het is een volmondig, positief antwoord op Gods genade.

Als Jezus ons het hiernamaals had omschreven, als dat al had gekund in mensentaal, dan zou het ultieme geschenk met woorden al zijn uitgepakt. Dan is er geen geloven meer aan, enkel weten en aannemen. Dan is er geen verlangen meer: de drijfveer van het geloof. Om diezelfde reden mag Lazarus in de parabel niet terug naar de aarde om in naam van de overleden rijke man zijn familie te overtuigen om zich te bekeren en goed en eerlijk te handelen. Als Mozes en de profeten niet volstaan om hen te overtuigen, dan zal niets volstaan om hen tot geloof te brengen. (Lucas 16, 31) 

Spijt komt te laat

Ten prooi aan de pijn van wroeging en spijt wordt de rijke man gefolterd in het hiernamaals door zijn geweten. Hij komt tot berouw en beseft dat hij het anders had moeten doen. Had hij zichzelf maar niet telkens weer op de eerste plaats gezet. De man had zoveel naastenliefde kunnen betonen, anderen kunnen helpen en bijstaan. Hij had er de middelen toe, hij had er telkens weer de kans toe, maar zijn aandacht werd volledig ingenomen door zichzelf. Spijt is het laattijdig appèl van het geweten, wanneer het al te laat is. Laattijdig omdat het werd versmoord door eigenbelang. Daardoor werd geen beroep gedaan op het gezond verstand om het goede te doen, op het verstand dat ieder van ons van Godswege is gegeven.

Onze vrijheid is een vloek, zegt de Franse filosoof Jean-Paul Sartre (1905-1980): “We zijn veroordeeld tot de vrijheid.” Er zit iets in. Hoewel we vrijheid als kostbaar goed beschouwen, legt het een zware druk op ons bestaan. We moeten keuzes maken en dan hebben we de neiging om te kiezen voor wat het meest aantrekkelijk klinkt en niet voor wat het meest correct is. We kiezen vaak voor ons eigen gemak. Toch mogen we onze keuzevrijheid niet onderschatten, want onlosmakelijk is  een persoonlijke verantwoordelijkheid verbonden aan iedere keuze. 

Dubbelgebod

De rijke man heeft wetens en willens gezondigd tegen het belangrijkste gebod, eigenlijk een dubbelgebod: “Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand.” (Matteüs 22, 37; Marcus 12, 29c-30 en Deuteronomium 6, 5), en: “Heb uw naaste lief als uzelf.” (Matteüs 22, 39b; Marcus 12, 31b en Leviticus 19, 18) Hij kan geen verzachtende omstandigheden inroepen: hij kende het dubbelgebod en hij werd ook niet verhinderd om het uit te voeren. Er is berekend dat de Wet bestaat uit 248 geboden en 365 verboden, maar dit dubbelgebod is het belangrijkste, omdat het de Tien Geboden (Exodus 20, 3-17 en Deuteronomium 5, 7-21) samenvatten. De rijke man heeft echter enkel zichzelf liefgehad en heeft geen aandacht geschonken aan God en de naasten. Hij heeft de geboden met voeten getreden.  

Gehenna

Het hiernamaals wordt vrij plastisch omschreven in de parabel. Het klassieke beeld van de hel is gevoed door  een merkwaardige combinatie van de meest vileine en monsterlijke persoonlijke verbeelding en het volledig gebrek aan interpretatie bij het lezen van de Schriftteksten die het hiernamaals omschrijven. (zie bijvoorbeeld: Matteüs 25, 41b; Lucas 16, 23-28 en Openbaring 20, 10-14) De verhalen zijn nochtans in beeldspraak, in parabels en visioenen verwoord, niet in een feitenverslag. Alle plastische donderpreken ten spijt.

Laten we vooral niet vergeten dat Gods boodschap over Liefde gaat, niet over haat, kwelling en vergelding. Zo kunnen we de hel, of het “gehenna” zoals Jezus het noemt, zien als de àfwezigheid van Gods Licht van de Liefde: een schrale, donkere leegte vol spijt en kwelling (Matteüs 8, 12 en 22, 13 en 25, 30). Dat verwoordt de rijke man ook: “ik lijd pijn” (Lucas 16, 24d) in “dit oord van marteling” (Lucas 16, 28c), afgescheiden door “een wijde kloof” die niemand kan oversteken (Lucas 16, 26). Een onoverbrugbare kloof houdt hem van God gescheiden.

Vreugde

Waar deze parabel uiteindelijk vooral over gaat, is dit: wie het pad van de Heer bewandelt, zal de aanwezigheid van God evenzeer ervaren na het aardse leven. Dit is uiteindelijk geen somber verhaal, maar een les in kiezen voor de vreugde! Laten we elkaar die vreugde toewensen: de vreugde van de Heer...

09 maart 2022

Kort en krachtig: de roeping van Levi (9 maart 2022)

Het evangelie van zaterdag na Aswoensdag zit wat in de vergeethoek, geklemd tussen Aswoensdag en de eerste zondag. Niettemin bevat het een belangrijke boodschap voor de beleving van de Veertigdagentijd. Daarom komen we nog even terug op dit verhaal: de roeping van Levi, misschien wel het kortste roepingsverhaal in het Nieuwe (Tweede) Testament. In het Grieks wordt de roeping in 4 woorden omschreven, die vertaald klinken: “Hij zei hem: Volg Mij.” Kort en bondig. 

  • Lees de tekst over de roeping van Levi (evangelie van de zaterdag na Aswoensdag): klik hier.

Het antwoord van Levi op de roeping wordt verhaald zonder uitgesproken woorden, opnieuw heel bondig: 5 woorden in het Grieks, vertaald: “Hij liet alles achter, stond op en volgde Hem.” Geen omhaal van woorden, geen uitgebreide discussie, maar eenvoudigweg: geroepen worden en volgen. Marcus vertelt hetzelfde verhaal als Lucas, en even beknopt (Marcus 2, 14-15).

Ook het omringende verhaal met enkele interessante nuances, wordt alles bij elkaar in 5 verzen uitgelegd. Laten we de diepgang in dit beknopte roepingsverhaal ontvouwen. Er wordt immers veel gezegd in weinig woorden.

Veel in een vers

In vers 27 vernemen we dat Jezus een man in het vizier krijgt die tol incasseert. Tollenaars zijn niet geliefd. Ze innen immers belastingen voor de Romeinse staatskas. Er wordt door de tollenaar een garantie voor een bepaald bedrag gegeven, en al wat daarboven wordt geïnd, is zuivere winst voor de tollenaar. Dat systeem stimuleert tot een creatieve interpretatie van de vaste tarieven om meer geld voor zichzelf te verdienen. De tollenaar graait dus in de zuurverdiende centen van brave werkers om het Romeinse rijk én zichzelf te verrijken. Het is niet te verwonderen dat mensen ten tijde van Jezus geen hoge dunk hebben van tollenaars. Ook Jezus zelf vernoemt heidenen en tollenaars overigens in één adem (Matteüs 18, 15-17).

De tollenaar heet Levi. Hij zit neer, in het Grieks: “kathèmenon”. Het voorvoegsel “kata” wijst op een neerwaartse beweging: “omlaag”. De man is een zondaar. Hij wordt door de mensen beschouwd als “laag bij de gronds”. Zijn zittende houding verpersoonlijkt dit.

Jezus spreekt tot Levi en zegt: “Volg Mij”. Deze man is volgens Jezus een passende volgeling. Jezus’ keuze is op zijn minst verwonderlijk te noemen. Hoe weet Hij dat Levi een goede volgeling zal zijn? Zijn dagelijks werk spreekt alleszins niet in zijn voordeel. Hier merken we dat Jezus de Mensenzoon is en niet zomaar iemand met een goed plan. Jezus’ kennis en inzicht overstijgt elk menselijk denken. Hij weet dat Levi op zijn roeping zal ingaan en dat hij een voorbeeldige volgeling zal zijn. Hiermee eindigt vers 27: er staat soms veel informatie in één vers.

Omlaag, omhoog

En inderdaad, in vers 28 staat Levi op, in het Grieks: “anastas”. Het voorvoegsel “ana” wijst op een opwaartse beweging: “omhoog”, richting de hemel, naar het goede. De man laat alles achter. Vanuit het Grieks mag je zelfs vertalen: “werkelijk alles”: er staat niet “panta” maar “hapanta”. Levi trekt prompt en onomkeerlijk een streep onder zijn werk als tollenaar. Het geldgewin, het bedrog, het werken voor de Romeinen: het is allemaal voorbij. Hij staat op, laat alles achter en begint Jezus te volgen: een nieuw begin, een weg naar boven. Eigenlijk staat er in het Grieks niet: “Hij volgt Jezus.”, zoals het vaak vertaald wordt. Het is een imperfectum: “Hij begint Jezus te volgen.” Hij zal Hem blijven volgen.

Net zoals Simon, Jakobus en Johannes eerder in het hoofdstuk laat hij "werkelijk alles" achter om zich toe te wijden aan Jezus en zijn Blijde Boodschap (Lucas 5, 11). Ook dat verhaal is symbolisch ingevuld: de vissers komen uit de donkere nacht waarin ze niets gevangen hebben. Ze ontmoetten Jezus in het licht van de dag en hun netten zijn overvol.

Geen drama

Op Aswoensdag hoorden we Jezus duidelijk zeggen hoe we horen te vasten en te bidden (Matteüs 6). Er zijn enkele opmerkelijke parallellen te ontwaren tussen de roeping van Levi en Matteüs 6.

Zowel Jezus als Levi voeren in het roepingsverhaal publiek geen uitgebreide gesprekken met mooie bewoordingen, geen omhaal van woorden (Matteüs 6, 7). Jezus rept met geen woord over het werk dat Levi doet. Er wordt geen aanklacht uitgesproken tegen het onrecht dat hij berokkent, geen oordeel. De bekering is een ultiem gebed en wanneer Hij Jezus begint te volgen, behoeft dat van Levi zelf dus geen fijnzinnige redevoeringen, spijtbetuigingen en intentieverklaringen. Een duidelijke, ondubbelzinnige daad volstaat. Die daad verbeeldt tegelijk ook geen groots uiterlijk vertoon waar de mensen van opkijken. Het is eerlijk en klein tafereel, zonder franjes.

Een tweede parallel: zoals Jezus oproept om te bidden, te vasten en goede daden te stellen in het verborgene, zo wordt Jezus ook uitgenodigd voor een groot feestmaal, binnenskamers (vers 29). Er is weinig uitleg nodig om te begrijpen dat dit een symbolische voorafbeelding is van het Laatste Avondmaal.

Aaibaar ego

Zoals wel vaker het geval is, begrijpen de Farizeeën er helemaal niets van. Ze morren, zoals mensen wel vaker doen (al doen we dat tegenwoordig vooral digitaal, in plaats van analoog zoals de Farizeeën). Hun reactie is heel menselijk: waarom gaat Jezus aan tafel met tollenaars en zondaars? (vers 30) Jezus antwoordt dat een dokter er is voor de zieken, met andere woorden: zondaars hebben een roeping tot bekering nodig, niet de rechtvaardigen (vers 31). Die laatsten beantwoorden Gods roeping immers al, zoals het hoort. De Farizeeën willen echter aandacht en bewondering genieten omdat ze zo voorbeeldig zijn. Dat is buiten Jezus gerekend: de aandacht hoort gericht te zijn op God, niet op het eigen aaibare ego.

Een opmerkelijk gegeven is dat dit verhaal zowat letterlijk bij Matteüs wordt verteld (Matteüs 9, 9), maar dat de tollenaar daar niet Levi heet, maar… Matteüs. Het betreft hier de apostel en de persoon aan wie het Matteüsevangelie wordt toegeschreven. Het is weliswaar niet ongebruikelijk dat Joodse mensen twee namen hadden. Misschien is Levi na zijn bekering beloond met een nieuwe naam. Matteüs betekent “geschenk van de Heer”.

En wij?

Wat kan het verhaal van Levi voor ons betekenen, in de Veertigdagentijd? Laten we beseffen dat we in ons doen en laten soms struikelen en vallen, dat we soms vast blijven zitten in verkeerde gedachten. We gaan mee in een verhaal, terwijl we diep vanbinnen beseffen dat het niet de juiste weg is of dat het beter kan. Dan is het tijd voor verandering. 

Jezus roept ons, zonder ons verwijten na te roepen over wat we fout deden, zonder ons verleden op te rakelen. Hij is er voor ons: niet met een vonnis, maar met zijn vergiffenis. Ook wij mogen aanzitten aan de tafel van de Heer. Laten we dat nooit vergeten: God is liefde en vergeving, Hij is roeping en zending, elke dag opnieuw. 

Het is een voorrecht van elk mens: in berouw en inkeer God (opnieuw) te leren kennen en zijn grenzeloze goedheid te mogen ervaren. 

17 maart 2021

Psalm 130: Uit de diepten heb ik U aangeroepen (18 maart 2021)


Uit de diepten heb ik U aangeroepen, Heer,
mijn Heer, hoor mijn stem,
heb toch aandacht voor mijn roep om genade.

Als U fouten blijft aanrekenen,
wie houdt dan stand, Heer?
Maar bij U is vergeving,
daarom heeft men ontzag voor U.

Ik zie uit naar de Heer,
mijn ziel wacht op uw Woord
mijn ziel wacht op Hem,
meer dan wachters op de morgen,
meer dan wachters uitzien naar de morgen.

Israël, hoop op de Heer,
want bij Hem is genade
en vergeving in overvloed.
Hij zal Israël van alle zonden verlossen.

De psalmist bidt uit de diepte: een diepe spreekwoordelijke kloof waarin hij gevangen zit, een diepe verlatenheid waarin hij zich kwetsbaar voelt, misschien wel een diepe zee waarin hij zich overspoeld weet door spijt en schuldgevoel. Het is geen letterlijke diepte, maar de diepte is beslist dramatischer dan louter een gevoel. De diepte belemmert hem in zijn doen en laten. Hij kan het niet loslaten. Hij worstelt ermee.
We bevinden ons niet aan het begin van een bede, we staan er middenin.
Hij heeft geroepen tot God, een roepstem vol wanhoop. Dit gebed is niet nieuw, hij heeft al tot God geroepen. In onze Nederlandse vertalingen staat er meestal: “roep ik”, maar in de Hebreeuwse tekst staat eigenlijk een voltooid deelwoord. De psalmist heeft al geroepen. We bevinden ons niet aan het begin van een bede, we staan er middenin.

De psalmist roept om verhoring. Hij hoopt niet enkel dat God zal luisteren naar de roepstem. Er wordt geroepen om vergeving, om een nieuwe kans te mogen ontvangen van de Heer. De psalmist is zich bewust van het kwaad dat hij heeft gedaan en hij heeft er oprecht spijt van. Tegelijk weet hij ook dat niemand zichzelf kan vergeven. De ultieme kracht tot vergeving van schuld en zonde ligt bij God.
Vergiffenis komt er niet vanzelfsprekend.
Tegelijk heeft God ook de keuzemogelijkheid om juist géén vergeving te schenken. Daarom is de Heer ook zo ontzagwekkend. Vergiffenis komt er niet vanzelfsprekend. De smeekbede leidt niet automatisch tot vergiffenis. Zonder ontzag van de mens die vraagt om vergiffenis, komt er geen genade. Wie zich gelijk waant aan God, zal geen verhoring ontvangen.

De psalmist verlangt naar de Heer en stelt al zijn hoop op Hem, op Hem alleen. Er is geen ander die kan helpen. Tot wie zou hij zich anders moeten richten? Wie is zo genadig? Enkel God. Daarom hoopt hij op zijn Woord, op het verlossende woord van vergiffenis. Hij ziet er meer naar uit dan wachters aan de stadsmuren die naar de ochtend verlangen. Meer dan de tempelwachters die het eerste daglicht afwachten voor de ochtendritus van de levieten. De klemtoon ligt hier op tijd, op het lang afwachten in pijn en ongeduld, hopend op een nieuw begin, op het licht van de nieuwe morgen na het duister van het kwaad. Daarom wordt de zinsnede nog eens herhaald: “Meer dan wachters uitzien naar de morgen.”
Een nieuwe start, waarna het beter moét gaan.
Want er is hoop voor Israël, voor het Volk van God. Iedere gelovige mag zich aangesproken voelen door de psalmist in deze uitnodiging: “Israël, hoop op de Heer.” We mogen net als hij de louterende weg van inkeer en berouw gaan en vragen om verhoring, vragen om zijn genade. Die Goddelijke genadegave uit zich in vergiffenis: in een nieuwe start, waarna het vast en zeker beter zal gaan, waarin beter moét gaan. Anders is het zinloos om te vragen om vergeving natuurlijk.

Psalm 130 is geen ellendig lied vol kommer en kwel. Er zijn fouten gemaakt, maar wie oprecht spijt heeft, mag hopen op de Heer, die de gave van vergiffenis bezit, en wel in overvloed!

De Veertigdagentijd is de uitgelezen gelegenheid om schoon schip te maken, om streng te zijn voor zichzelf bij het overschouwen van eigen doen en laten. Dit is de psalm bij uitstek om met eigen fouten, tekortkomingen en zonden tot God te naderen in gebed en te vragen om genade. “Want bij Hem is genade en vergeving in overvloed!”


Volgende post: zondag 21 maart. Thema: "Een Nieuw Verbond".

04 maart 2021

Wie is zoals U, God? (6 maart 2021)

In de eerste lezing van zaterdag draagt Micha een lofdicht voor, gericht tot God en tot de mensen. Hij heeft het volk gewezen op hun wangedrag en hen opgedragen om terug te keren tot de Heer. De Heer zal hen opnieuw in de armen sluiten als ze spijt hebben. Zij waren God vergeten, maar God zal daar niet kwaad om blijven.

  • Om de Schriftlezingen van de tweede zaterdag in de Veertigdagentijd te lezen: klik hier.

Het lofdicht van Micha bezingt Gods goedheid (chessed, in het Hebreeuws) en trouw (emmet). Het is niet verwonderlijk dat beide woorden vooral voorkomen in het boek Psalmen, in de liederen die de Heer met woorden omschrijven, in aanbidding, in angst of verdriet, of uit dank. “Chessed” en “emmet” zijn twee eigenschappen die de God van Israël typeren. Enerzijds is de Heer standvastig, betrouwbaar, waarheidsgetrouw. De Heer is echter niet alleen afstandelijk en statisch, maar ook begripvol nabij: Hij toont ons keer op keer zijn mededogen, ontferming en genade.  

Twee koninkrijken in verval

De ‘kleine’ profeet Micha uit Moreset, in de Judese heuvels tussen Jeruzalem en de kust, is actief in dezelfde tijd als de ‘grote’ profeet Jesaja, circa 740 tot 670 vóór Christus. In die periode bestaat het Volk Gods aanvankelijk uit twee zelfstandige koninkrijken.

Israël, het tienstammenrijk in het noorden, met Samaria als hoofdstad, kent voornamelijk koningen die God negeren en zich ook richten tot afgoden. Het Noordrijk wordt door de Assyriërs ingepalmd en de opperlaag van de bevolking wordt gedeporteerd tijdens de Assyrische ballingschap, in 721 vóór Christus. Juda, het zuidelijke tweestammenrijk, met Jeruzalem als hoofdstad, kent afwisselend Jahwe-getrouwe koningen en koningen die ook andere cultussen toelaten. Het Zuidrijk wordt door Assyrië belegerd en wordt een vazalstaat van Assyrië.

Aanklacht tegen afgoderij en onrecht

Midden in die woelige evolutie roept Micha op tot bekering. Dan zal het volk weer mogen ervaren hoe genadig God is en zal er opnieuw voorspoed komen. Micha verzet zich op verwijtende toon tegen de bovenlaag van de bevolking: grootgrondbezitters, machthebbers, rechters, priesters en profeten, die zich aan onrecht schuldig maken. Zijn stijl is direct, zijn taal ruwer dan van Jesaja. Micha legt de klemtoon op de persoonlijke verantwoordelijkheid: iedereen staat in voor zijn eigen gedrag, dat moet overeenstemmen met de tien geboden. God roept allen op tot trouw aan de Heer, en aan Hem alleen.

Micha sluit af met een bijzonder inspirerend lofdicht. Zo dicht mogelijk tegen de Hebreeuwse bijbeltekst aanleunend, klinkt het als volgt:

 

Wie is zoals U, God,

die ongerechtigheid vergeeft

en voorbijgaat aan overtredingen

van wie er overblijft van uw getrouwen.

 

Hij houdt niet voor altijd vast aan zijn woede,


want Hij verheugt zich in barmhartigheid.


Hij zal opnieuw medelijden hebben met ons,


Hij zal onze tekortkomingen tenietdoen


en onze zonden in de donkere diepten van de zee werpen.

 

Aan Jakob toont U uw trouw,

aan Abraham uw goedheid,

zoals U aan onze voorouders hebt beloofd


in de dagen van weleer.


Volgende post: zondag 7 maart. Thema: "De tempelreiniging".

18 februari 2021

Psalm 51: een koningspsalm (19 februari 2021)

Psalm 51 is de koningspsalm van de Veertigdagentijd. Daarom wordt hij ook in de eerste dagen van de vasten gebeden, op Aswoensdag en op vrijdag in die week, tussen de eerste lezing en het evangelie door. De psalm is een schuldbelijdenis, of beter: een schuldbekentenis. Het is ook letterlijk een koningspsalm, toegeschreven aan de grote koning David. Hoewel, in deze psalm wordt David zich van zijn kleinheid en menselijkheid bewust. Daar kom ik later nog even op terug. Als je de psalm helemaal doorleest, kan een wat diepere tocht doorheen de woorden bepaalde nuances scherp stellen. De tekstcommentaar is vrij lang geworden. Laat je er niet door afschrikken…

  • Online kan je de Nederlandse Bijbelvertaling van 2004 van Psalm 51 hier lezen.

Koning David zit ergens mee. Al in het eerste vers vraagt hij aan God om ontferming: “ontferm U in uw goedheid”. David weet dat God liefde is en goedheid. Hij heeft veel gunsten van Godswege genoten. Hij is immers tot koning gezalfd in Gods naam. Maar kennelijk heeft David zich misdragen, is hij hoogmoedig geworden. Zo direct als de opening stelt hij ook meteen een vraag aan God: “wis mijn overtredingen uit”. Hij vraagt om een nieuw begin waarbij zijn fouten worden uitgewist, zoals krijt op een bord of potloodschrijfsels op papier.

Koning David was hoogmoedig geworden. Hij vraagt om een nieuw begin.

Hij gaat dieper in op de vraag met een gelijkaardige beeldspraak. David hoopt dat God zijn onvolkomenheden wil “wegwassen”, niet vaag en oppervlakkig maar letterlijk vertaald uit het Hebreeuws: lang en uitgebreid. God zal grondig moeten wassen om de storende vlek te kunnen verwijderen. De vlek zit diep in de weefsels van zijn menszijn. Toch gelooft David dat God dit kan, als Hij dat wil, maar hij beseft dat het niet vanzelfsprekend is wat hij vraagt.

David bekent dat hij zijn overtredingen steeds voor zich ziet, hij wordt er voortdurend mee geconfronteerd. David heeft last van een knagend geweten. Hier noemt hij zijn misdragingen voor het eerst “zonde”.

Zonde is in onze dagen een beladen begrip. We leven in de nagalm van een tijd waarin zonde alom tegenwoordig was, ingedeeld in klassen, met de stem van de duivel binnen luisterbereik. Het gevolg van dit overbenadrukken, waarover grootouders en overgrootouders nog spreken, is dat er nu nog moeilijk over gesproken kan worden. “Te” is nooit goed. We leven in een “moratorium”: een tijd van stilte waarin het begrip bevroren wordt om de rust te laten weerkeren.

Laten we onbevangen te rade gaan bij David voor duiding bij het begrip zonde. David noemt zonde “doen wat God niet wil”, het Verbond tussen God en mens schenden. Ieder mens begaat fouten, we zijn immers mensen. Vanaf onze geboorte hebben we onze zwakheden. David zingt zijn lied tot God echter niet omwille van een akkefietje. Dat voel je doorheen de hele tekst. David wil ons hier niet aanzetten tot het systematisch verachten van onszelf omdat we maar mensen zijn. Hij deelt een diep schuldgevoel na een zware misstap.

David wil ons niet aanzetten tot het systematisch verachten van onszelf omdat we maar mensen zijn.

Wat is er dan gebeurd? In het eerste vers wordt gealludeerd op een verhaal dat je in het tweede boek van Samuël kan lezen (2 Samuël 12). De profeet Natan houdt David een spiegel voor, hij confronteert de grote vorst met zijn gedrag. Koning David is verliefd geworden op Betseba, de vrouw van zijn generaal Uria, die vecht aan het oorlogsfront. Betseba wordt zelfs zwanger van David. David wil dat ze zijn vrouw wordt en laat een bericht overmaken aan oppergeneraal Joab aan het front: laat Uria sneuvelen in de strijd. Zo gebeurt het. Hij dacht zich alles te kunnen permitteren als koning. Maar de mensen morren, ze vinden het een schande. Hoogmoed komt voor de val. Dit verhaal wordt vaak geïnterpreteerd als een levensles rond overspel. Ten onrechte, want het verhaal gaat ten diepste over onrecht en het belang van rechtvaardigheid. Uria is een Hetiet, geen uitverkorene, maar hij is wel eerlijk en rechtvaardig. David, de koning van het Godsvolk, is echter onrechtvaardig. Het contrast kan niet groter zijn. Dat is de belangrijkste levensles waar het hele verhaal rond is opgebouwd. Jammer genoeg leest men teksten soms bevooroordeeld en gaat men aan de bedoeling van de schrijver voorbij.

Nu is David een gebroken man, maar als God hem goedgezind is, kan hij weer blij worden.

Terug naar de psalm, vers 7. David vraagt niet om gewassen te worden. Zijn vraag ligt op een spiritueel niveau. Daarom vraagt hij om door God besprenkeld te worden met een tak van hyssop. Hij zal rein worden: dit wassen zal hem witter dan sneeuw maken. Sneeuw vind je maar weinig in Israël. Zo onbereikbaar schoon kan Davids geweten worden als God het wil. Nu is hij een gebroken man, maar als God hem goedgezind is, kan hij weer blij worden.

God, die hemel en aarde heeft geschapen, kan ook Davids hart herscheppen tot een hart dat zuiver is. “Laat de geest in mij vernieuwd worden.”, voegt David aan zijn smeekbede toe, “Gooi mij niet weg, keer mij niet af van uw aangezicht.” (Psalm 51, 10-11)

David smeekt tot God om zijn heilige Geest niet weg te nemen van hem. De “ruach” in het Hebreeuws, de goddelijke Adem, komt wel vaker voor in het Oude (Eerste) Testament. De tweede Schriftvers vernoemt de Geest al, die zweeft over de nog dorre en lege aarde (Genesis 1, 2). De Geest geeft kracht, doet mensen machtige daden stellen. Profeten vernoemen de Geest in hun oproep tot bekering (Joël 3, 1-5). Koning Saul raakt zelfs in een trance en voert een wervelend ritueel uit, door de Geest beroerd (1 Samuël 19, 19-24).

Het vijftiende psalmvers is een vaste waarde in het getijdengebed. Het is een openingsvers dat oneindig veel vertelt in zo weinig woorden. “Heer, open mijn lippen, en mijn mond zal uw lof verkondigen.” Als we heel dicht bij de Hebreeuwse tekst blijven, klinkt het: “Heer, U zal mijn lippen openen en ik zal U loven.” Nu nog niet, nu zit David nog gevangen in zijn schuld.

Oprechte spijt kan je niet wegschuiven, maar moet je inwendig doormaken.

Het psalmlied eindigt met het belang van oprechte spijt, die niet weggeschoven kan worden, maar die je inwendig moet doormaken, opdat je er iets uit zou leren. God vraagt geen dierenoffers, maar “een gebroken en verbrijzeld hart”. Een sterk beeld. Vergiffenis komt niet vanzelf, het is Gods geschenk na oprecht berouw.

Dit is één van de mooiste psalmen. Maak je wat tijd vrij in de komende tijd? Wanneer je tot inkeer komt in de Veertigdagentijd, neem deze psalm dan ter hand en doorgrond je hart in gebed, in gesprek met God… Spijt en berouw na een misstap zijn geen uiteindelijk doel. Ze vormen slechts de aandrijving tot een beter, wijzer, oprechter leven. De menselijke zwakte en neiging tot zonde is in het verleden al te vaak een refrein geweest. Niet het schuldbesef hoort centraal te staan in het Christendom, maar vergeving en de wil tot een beter leven. Dat is waar koning David naar verlangt in dit lied.


Volgende post: zaterdag 20 februari. Thema: "Woestijn", bij het evangelie van de zondag.