Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label Johannes. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Johannes. Alle posts tonen

29 februari 2024

"Weg ermee!" (2-3 maart 2024)

Het Joodse paasfeest is op handen en dan trekken duizenden mensen naar Jeruzalem op bedevaart. Voor de geldwisselaars en koopmannen is het een uitgelezen kans om handel te drijven en inkomsten te halen uit deze grote menigte. Het rovershol dat Jezus aantreft, is dus geen wekelijkse aangelegenheid: het is uitzonderlijk. Zijn verontwaardiging is groot. Hij vindt dat de tempel, die aan zijn Vader toegewijd hoort te zijn, ontheiligd wordt door de geldzuchtige handelaars en Hij jaagt hen er uit. Weg ermee!

El Greco

Eind zestiende en begin zeventiende eeuw wordt de tempelreiniging wel vaker in schilderwerken uitgebeeld: denken we maar aan Stradanus, Jacob Jordaens, Francesco Boneri en Rembrandt. Er is een zekere analogie qua thematiek met de religieuze realiteit van de protestantse reformatie en de daaruit voortkomende katholieke contrareformatie.

El Greco, Spaans voor ‘de Griek’, is geboren in 1541 op Kreta. Hij overlijdt in het Spaanse Todedo in 1614. Zijn echte naam is Domenikos Theotokopoulos. De meeste van zijn werken zijn religieuze taferelen. Hij schildert lange tijd in Venetië en trekt uiteindelijk in 1570 naar Spanje, waar hij gaandeweg zijn eigen stijl ontwikkelt, die gekenmerkt wordt door sterke contrasten, ongebruikelijke kleurencombinaties en rijzige figuren. Hij neemt steeds meer afstand van realistische verhoudingen, waardoor hij in het impressionisme en expressionisme opnieuw onder de aandacht komt.

We bespreken hier El Greco’s Tempelreiniging van omstreeks 1600, geschilderd in tijden van volle godsdienstoorlog. Het werk hangt heden ten dage in de National Gallery in Londen. El Greco heeft doorheen zijn leven vier versies geschilderd.


Het kwaad

Er is in dit werk een figuratieve scheiding gemaakt tussen goed en kwaad. Jezus vormt de formele grens: Hij waakt over het goede en jaagt het kwaad weg. Onder de kooplieden, links afgebeeld in het werk, heerst chaos en verwarring. Ze nemen drukke houdingen aan en kijken van elkaar weg, vooral bekommerd om hun eigen situatie en hun eigen materiaal. Enkelen deinzen angstig terug voor Jezus, in een afwerende houding. Anderen dreigen dan weer te vallen. Vooraan zien we een omvergegooide tafel.



De leerlingen

Aan de rechterzijde krijgen twee leerlingen een rustige, standvastige pose toebedeeld, vooraan. Ze neigen zich naar elkaar toe en kijken aandachtig en met verbazing naar wat zich voor hun ogen afspeelt, alsof ze het analyseren en trachten te begrijpen. De twee apostelen zijn ouder en hebben een baard, wat hun wijsheid wil beklemtonen. Vooral de apostel vooraan heeft er alle vertrouwen in: hij is op één knie neer gaan zitten en laat zijn hoofd op zijn hand steunen. Hij lijkt absoluut niet bang te zijn om omvergeduwd of -gelopen te worden.

Achter hen staan nog eens vier leerlingen te overleggen. Eén leerling springt er uit: de beminde leerling, die veel jonger is dan de anderen. De traditie linkt de evangelist Johannes met de beminde leerling. Hij legt uit wat er gebeurt. Niet toevallig voegt de evangelist Johannes als enige immers toe in het verhaal: “Zijn leerlingen dachten aan wat er geschreven staat: ‘De hartstocht voor uw huis zal mij verteren.’” (Johannes 2, 17) Het Goddelijke mysterie krijgt alle ruimte aan deze zijde van het schilderij. 

Uiterst rechts komt een handelaar nietsvermoedend aan met koopwaar in een mand op het hoofd. Het contrast met de ontredderde man met de mand links kan niet groter zijn. Wanneer de handelaar straks ziet wat er gebeurt, zal deze de fout van de concullega's hopelijk niet meer begaan. Na Jezus’ lijden en dood zullen zijn volgelingen ook een juister inzicht verwerven.

Jezus centraal

Opdat Jezus meteen in het werk zou opvallen, staat Hij centraal en heeft Hij als enige een rood kleed aan. Hij staat bovendien centraal onder de boog van de tempelpoort, een verwijzing naar zijn uitspraak: “Ik ben de deur.” (Johannes 10, 7) Doorheen die poort zien we de buitenwereld. Er lijkt regen aan te komen, wat in het vrij droge klimaat van Israël (en van Spanje) een teken van hoop en nieuwheid is. Zo zal ook Jezus’ dood een nieuw begin inluiden. We zien dus een beloftevolle hemel: donkere wolken die uiteindelijk groei zullen brengen. 

Jezus’ pose is niet krachtig of agressief, maar opvallend sereen. We zien ook geen zweepslag in uitvoering. Het schilderij verbeeldt de enige keer dat Jezus daadwerkelijk zijn kwaadheid uit in krachtdadig handelen. We kennen Jezus als ontroerd of verontwaardigd, maar dat uit Jezus doorgaans hooguit in cassante verbale antwoorden. Vandaar dat de schilder ook hier de figuur van Jezus een zeker rust en standvastigheid wil laten uitstralen.

Op de achtergrond zijn op de muur van de tempel twee reliëfs zichtbaar. Links is de zondeval afgebeeld, die de menselijke aantrekking tot het kwaad binnenbrengt. Net als Adam en Eva uit het Paradijs, worden de kooplieden weggejaagd uit de tempel omdat ze de heiligheid niet respecteren. Rechts zien we Abraham, die bereid is om zijn zoon Isaak te offeren op Gods vraag. Net als Isaak, nadert ook Jezus het zelfoffer: weldra wordt Hij immers gekruisigd. Isaak zal niet gedood worden.

En nu wij

Net als aan het einde van de woelige zestiende eeuw, worden ook wij aan het denken gezet, hier en nu. De keuze van het verhaal en de uitbeelding ervan mogen ons in deze Veertigdagentijd uitdagen om dichter tot God en tot de blijde Boodschap te naderen

Ons lichaam is de tempel, onze geest is de tempel. Zijn wij ons bewust van het kwaad dat er aanwezig is? Neigen we onze aandacht naar de wijsheid en staan we onbevangen open voor het mysterie? Laten we Jezus te allen tijde toe? Trachten we soms ons geweten goedgunstig te stemmen of te sussen met koopwaar? Marchanderen we soms met de inhoud van de Boodschap, zodat die minder uitdagend wordt en beter past bij onze gewoonten? Zijn we zelfbewust genoeg om dat in te zien?

Durven we als Kerkgemeenschap, andermaal in bijzonder woelige tijden, kritisch te kijken naar de mistoestanden die zoveel leed hebben veroorzaakt? Zijn we bereid om met een open blik te betrachten dat de Kerk zich in de toekomst van dergelijk onheil kan vrijwaren en haar zo precieuze openheid en geloofwaardigheid kan bestendigen? Zijn we bereid om daar mee aan te bouwen? 

El Greco vertelde aan de mensen toen een belangrijk verhaal. Ook voor ons mag hij een inspiratiebron zijn. Dat is de kracht van kunst: hoe tijdsgebonden ook, ze is uiteindelijk van alle tijden.

08 december 2022

De kleren maken de man, of niet? (10-11 december 2022)

Jezus spreekt mensen toe die een tijd daarvoor de woestijn in zijn getrokken om er Johannes de Doper te beluisteren. Sommigen puur uit nieuwsgierigheid, anderen omdat ze de Messias verwachten. Johannes heeft veel mensen gedoopt in de korte tijd dat hij de komst van de Heer heeft voorspeld en opgeroepen heeft tot bekering.

Geen wuivend riet

“Waar zijn jullie in de woestijn naar gaan kijken? Naar het wuivend riet in de wind?” (Matteüs 11, 7)

Zijn de mensen de woestijn ingetrokken als toeristische uitstap, met het oog op een fijn ontspanningsreisje? Nee, antwoordt Jezus zelf. Hij spreekt over een woestijn of wildernis (in het Grieks: “erèmon”). Dat klopt ook. De woestijn is geen luxueuze omgeving, geen plaats waar men voor het plezier naartoe gaat. Niet voor niets lijken de woorden woestijn en woestenij zo op elkaar. Er is weinig voedsel te vinden, amper water, de hitte is vermoeiend, het gebied is ongerept en moeilijk doorgankelijk en er leven slangen, hyena’s en andere wilde dieren. 

Natuurlijk zijn de mensen niet voor hun vermaak de wildernis in getrokken. Ze gingen naar Johannes de Doper kijken en luisteren. Niemand was er om het riet te zien wuiven in de wind. Jezus maakt duidelijk dat Johannes de Doper geen deel uitmaakt van een pathetisch plaatje. Johannes voedt zich in de woestijn met sprinkhanen en wilde honing. De ruwheid van de omgeving en de symboliek van de desolate woestijn, waar Johannes bewust voor kiest, passen bij zijn roeping om de mensen tot inkeer te laten komen. Hun bekering is een radicale beslissing. Johannes zoekt extreme omstandigheden op om zijn allesomvattende Boodschap te verkondigen.

Geen rijke luis

“Wat zijn jullie dan gaan zien? Een mens die rijk gekleed ging? Welnee, wie rijk gekleed is, verkeert in koninklijke kringen.” (Matteüs 11, 8) Nog iets dichter bij de grondtekst klinkt het als volgt: “Waar zijn jullie dan naar gaan kijken? Een man in verfijnde kledij? Die delicate kleding draagt men in de huizen van koningen.”

Johannes de Doper is niet van luxe gediend. Hij beoefent de nederigheid en de soberheid, waarmee hij meteen ook de Boodschap beleeft en voorleeft. De komst van Jezus zal in een levensstijl van soberheid passen, ver weg van rijkdom en aanzien.

De kleren maken de man, wordt wel eens gezegd. Men kleedt zich naar status en functie. Dat heeft met prestige te maken, met herkenbaarheid, maar ook met gemak. Een maatpak is het niet de ideale kledij om straten in open te breken. De straatwerker zal en sterke stof dragen waarin hij makkelijk kan bewegen. Een koning is niet gebaat bij een pyjama of trainingspak tijdens officiële bezoeken. Het straalt immers geen autoriteit uit, hij zal niet ernstig genomen worden.

Wat droeg Johannes de Doper ook weer? Een “kemelharen pij”, zingen we in een lied. Kameelhaar is ruw en wordt door de armsten gedragen. (Matteüs 3, 4) Ook de profeet Elia heeft een kleed van kameelhaar gedragen. (2 Koningen 1, 8)

Profeet bij uitstek

“Maar wat zijn jullie dan wel gaan zien? Een profeet? Jazeker, zeg ik jullie, en zelfs meer dan een profeet.” (Matteüs 11, 9)

Jezus bouwt een spanningsboog op. Hij stelt de vraag en antwoordt tot tweemaal toe verkeerd op de vraag. Pas de derde keer is het antwoord juist. Hij snoert sceptici de mond door hun antwoorden voor te zeggen en te weerleggen. Zo beklemtoont Hij meteen het belang van het correcte antwoord. Het gaat niet over een bijkomstigheid.

Johannes, de man die zovelen hebben gezien en gehoord, is immers “veel groter, veel belangrijker nog” (in het Grieks: “perissoteron”) dan een profeet: de profeet bij uitstek. Een profeet verkondigt de ware Boodschap, de essentie van een goed geloof, in een tijd waar men zich van God noch gebod aantrekt. De band met God is verzwakt. De profeet roept op tot inkeer, tot een nieuw begin, voordat het te laat is. Dat is precies wat Johannes de Doper doet, en Hij kondigt de Messias meteen aan, niet in een verre toekomst, maar heel binnenkort.

“Hij is degene over wie geschreven staat: “Let op, Ik zend mijn bode voor je uit, hij zal een weg voor je banen.” (Matteüs 11, 10) Jezus citeert de profeet Maleachi, aan het einde van het Eerste Testament: “Zie, Ik zend mijn boodschapper en hij zal voor Mij de weg klaarmaken.” (Maleachi 3, 1)

Geloofwaardig

Geen mens had Johannes geloofd als hij in een processie zijn verhaal had gedaan vanop een draagstoel die door de stad werd geparadeerd, in pronkerige kleren en neerkijkend op de mensen. De profeet begrijpt de Boodschap van Hij die komend zal, Hij kijkt op naar de Messias en nodigt iedereen uit om hetzelfde te doen. 

Laten ook wij boodschappers zijn van de Heer. Laten ook wij in steeds toenemende mate de Boodschap eigen maken in ons dagelijkse doen en laten. Geloof verkondigen, vergt immers bovenal geloofwaardigheid.

De kleren maken de man of de vrouw dus wel degelijk. Wie een kleed van boete aantrekt, wie afstand doet van de pronkjas van de hovaardigheid, is op weg naar een nieuw begin. 

02 december 2022

Johannes de Doper over water en vuur (3-4 december 2022)

Dopen doen we gewoontegetrouw met water. Water reinigt je, maakt je schoon. Het water symboliseert een nieuw begin. Vlekkeloos sta je na je doopsel voor je Schepper, in geloof en overgave.

Johannes de Doper is een boeteprediker en heeft zijn bijnaam verworven omdat hij als profeet oproept tot bekering en de bekeerlingen doopt met water (Lucas 3, 16a). Ook Jezus ondergaat het doopsel van Johannes, die een achterneef van Hem is. Jezus voelt zich niet verheven boven dit ritueel, integendeel: door zijn deelname bevestigt Hij de kracht en de symboliek van het doopsel met water. Zelf zal Jezus niet dopen.
Vuur en heilige Geest
Johannes de Doper vernoemt echter een tweede vorm van doopsel, namelijk dat met de heilige Geest en met vuur
 (Lucas 3, 16b). De Zoon is sterker dan Johannes de Doper. Zijn inbreng zal zoveel omvattender zijn dan wat Johannes tot dan toe kan verkondigen. De heilige Geest is de voltooiing van de Drievuldigheid, na de komst van de Zoon. 

Wat moeten we ons voorstellen bij dat vuur? Moeten we dat vuur los zien van de heilige Geest? Is het vuur dat zuivert, zoals men bij goud en zilver doet om onzuiverheden te vernietigen? (Maleachi 3, 3)? Loutert het vuur, zoals de geschroeide aarde vruchtbaarder wordt na een bosbrand of vulkaanuitbarsting?

Of verwijst het vuur juist naar de Pinksterervaring? Dan is het vuur verlichtend, inspirerend, zoals de apostelen hebben mogen ervaren: de gave van de Geest, over de hen verdeeld als vuurtongen. Johannes vernoemt de Geest en het vuur in één adem.

Niet half-om-half
Johannes de Doper vervolgt zijn onheilspellende boodschap (Lucas 3, 17): Jezus zal het kaf van het koren scheiden en het kaf dan verbranden met onuitblusbaar vuur. Het kaf wordt in de beeldspraak verbrand, niet het koren. Dat zou betekenen dat het tweede doopsel juist niet voor de gelovigen bestemd is. Of bedoelt Johannes de Doper dat koren, dat verkeerdelijk bij het kaf terechtgekomen is, het vuur zou overleven? Er blijft twijfel hieromtrent.

Het citaat van Johannes de Doper is heel beknopt. Er wordt vermeld dat hij aan de mensen de blijde Boodschap verkondigt. (Lucas 3, 18) Het blijft dus niet bij dit angstwekkend citaat. Hij stelt het scherp, juist omdat hij de fundamentele keuze verwoordt die Jezus ook zelf zal verkondigen: ofwel geloof je, ofwel niet. Half-om-half geloven, is geen optie. Wat God betreft, is er van geloof geen lightversie beschikbaar.

Beproeving
Misschien kunnen we dit vuur beschouwen als symboliek voor de beproevingen en de tegenslagen die we in ons leven tegenkomen. Men kan gelouterd uit het vuur komen, gelouterd uit de crisis. (1 Petrus 1, 6-7) Het vuur kan ook de macht van het Kwaad zijn. (Efeziërs 6, 16) Door het weerstaan aan het kwaad sta je sterker, weerbaarder in je geloof. Een genadedoop na de eerste doop.

Het Vormsel, dat met Pinksteren verbonden is, voltooit het doopsel. Na het water volgt het vuur. Al is al bij het doopsel de doopkaars een eerste verwijzing naar de vuursymboliek.
Fragiel
Mogelijks is ons hele leven een vuurdoop. Er komt zoveel op ons af. Soms staan we sterk, soms zijn we kwetsbaar. De heilige Geest is met ons, al voelen we dat niet altijd even sterk.

De advent geeft ons de gelegenheid om ons voor te bereiden op Kerstmis, op de geboorte van Jezus op aarde. Ook Hij zal bekoord worden, in de woestijn (Matteüs 4, 1-11). Ook Hij zal het lijden ontmoeten. Even fragiel zal Hij zijn Moeder aankijken van op het kruis als Hij haar aankijkt vanuit de kribbe. Die kwetsbaarheid is menselijk. Dat raakt aan de kern van Kerstmis. 

Intussen steken we een tweede kaars aan en neemt het vuur en het Licht toe. We zijn onderweg, het verlangen groeit in ons.

23 april 2021

Vierde zondag van Pasen: Wie we zijn en hoe we beschouwd worden (24-25 april 2021)

Uit de eerste Johannesbrief wordt komende zondag een fragment gelezen dat gaat over christelijke identiteit. Wie zijn wij? Hoe worden we genoemd? “De wereld begrijpt ons niet en ze kent ons niet, omdat zij Hem niet heeft erkend.”, horen we in de vertaling die wordt voorgelezen. Heel dicht bij de Griekse tekst luidt het: “De wereld kent ons niet omdat ze Hem niet heeft gekend.” Hiermee worden twee interessante thema’s in evenveel verzen verpakt: de eigen identiteit en de verhouding tot de anderen.

  • Voor de lezingen van de vierde zondag van Pasen: klik hier.

Kinderen van God zijn

Wie zijn wij dan, volgens ons geloof? “We worden kinderen van God genoemd en dat zijn we ook”, schrijft Johannes met klem (1 Johannes 3, 1b). We hebben een naam gekregen en meteen ook de bijhorende identiteit ontvangen van God zelf. Dit is weliswaar geen verworven recht, maar genade: het is een Godsgeschenk dat we uit liefde ontvangen. We zijn deelachtig aan Gods grenzeloze liefde en mogen deze liefde ook delen met elkaar. Daarom noemt Johannes de lezers ook “agapètoi” of “geliefden”, of in een zwakkere vertaling: “vrienden”.

Omdat we kinderen van God zijn - “tekna thèou” in het Grieks -, is God onze Vader. Daar gaat het kind-zijn in wezen over. Het betekent niet dat we onvolwassen of hulpeloze "kindertjes" zouden zijn. De Vader en de Zoon hebben de volgelingen van Jezus als het ware geadopteerd en die beweging gaat doorheen de tijd onophoudelijk verder. Het is bovendien in de eerste plaats een gemeenschappelijke adoptie. We mogen ons rekenen tot het Volk Gods. De christelijke identiteit, het kind-van-God-zijn, is niet in de eerste plaats een individuele titel, maar een gedeelde. In navolging van Gods Zoon, die op aarde heeft geleefd, verkondigd en geleden, mogen ook wij God onze Vader noemen. Jezus noemde God “zijn Vader”, wij noemen Hem “onze Vader”. Daarin ligt een belangrijk verschil.

Deze verhouding tot God maakt ons christelijk geloof zo uniek. We zijn kinderen van God, dat weten we. Wat er komen zal, dat weten we niet precies. Wel mogen we er op hopen dat we God zullen zien van aanschijn tot aanschijn, omwille van ons geloof. Dit “zien” is geen droogweg objectief waarnemen. Het Griekse “opsomai” geeft weer dat het beeld naar binnen komt, dat we begrijpend zien. Wellicht het meest sprekende beeld is dat we zullen zien zoals God ons ziet en kent.

Deze vrij zware analyse staat niet mijlenver van de realiteit. Onze band met God is misschien wel de meest intieme band die mogelijk is tussen God en mensen. Het wordt onmogelijk om ons slechts te beperken tot kennisname van de geloofsinhoud en daar op een objectieve, wetenschappelijke wijze mee om te gaan. Als God onze Vader is, veronderstelt dit onze instemming vanuit ons hart. En het vergt ook dat we Gods Boodschap uitvoeren in ons doen en laten.

Identiteit en openheid

De identiteit van de christenen wordt in Johannes’ briefverzen meteen van contrast voorzien, bij wijze van scherpstelling. Zowel in het Johannesevangelie als in de Johannesbrieven wordt gebruik gemaakt van contrasten om de christelijke identiteit en de geloofswaarheid uit te klaren. Denk maar aan: “Het Woord was in de wereld, de wereld is door Hem ontstaan en toch kende de wereld Hem niet.” (Johannes 1, 10) Met de wereld – “kosmos” in het Grieks – bedoelt men uiteraard niet de planeet op zich. “De wereld” wordt hier gebruikt als tegenhanger van “de christenen”.

Iedere christen ervaart het wel eens. Het kan kwetsend overkomen wanneer je geloof wordt bestempeld als een sprookje of een verzinsel door buitenstaanders. Besef dat je op dat moment een mening hoort, geen feit of realiteit. Een mening is niets meer of niets minder dan een eenzijdige herleiding van de realiteit tot wat men wil zeggen. Er kan alleen constructief en zinvol gediscussieerd worden over geloof wanneer iedereen vertrekt vanuit een houding van respect voor andere visies. Respect betekent dat je de visie van de ander waardeert, en niet in de val trapt om andere visies te herleiden tot het eigen beeld dat je ervan hebt of tot het punt dat je wil maken.

Een evenwichtsoefining

Daarom is het belangrijk om te investeren in je identiteit én in respect voor anderen. Het één hoeft het ander niet uit te sluiten. Wie volop in de christelijke identiteit gaat staan, sluit zich af van de wereld. Wie te ver overhelt in de erkenning en bevestiging van de anderen, kan zijn of haar eigen identiteit verliezen. Laten we voor ogen houden dat het evangelie en de brieven van Johannes zijn geschreven in een tijd van heftig conflict. De tijd van de brieven is een tijd van bedreiging, achtervolging en bestraffing. Dat mag geen vrijgeleide zijn om ons een syndroom van Calimero toe te eigenen: een misnoegd gevoel altijd verkeerd begrepen en onderdrukt te worden. We leven, zeker in onze streken, absoluut niet in gelijkaardige tijden als Paulus en Johannes. God zij dank!

Laten we vooral niet vergeten dat we samenleven met veel andere overtuigingen, die even waardevol kunnen zijn. Laten we tegelijk elke dag opnieuw investeren in ons eigen geloof, door tijd en ruimte vrij te maken voor God.

09 maart 2021

De dooppericopen van Johannes (vanaf 8 maart 2021)

In het Johannesevangelie staan 3 passages die doorheen de traditie een belangrijke rol hebben gekregen binnen de vasten. Ze worden de "dooppericopen van Johannes" genoemd. Het gaat om de ontmoeting met de Samaritaanse vrouw, de genezing van de blindgeborene en de opwekking van Lazarus.

In de Tridentijnse ritus werden de drie evangelieteksten gelezen op vrijdag van de derde week en woensdag en vrijdag van de vierde week. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie zijn de teksten opgenomen in de zondagslezingen. In de A-cyclus worden ze op de derde, vierde en vijfde zondag van de Veertigdagentijd gelezen. In de jaren van de B- en C-cyclus zijn ze daarom toegevoegd aan de weekdaglezingen, om op een weekdag naar keuze te lezen in respectievelijk weken 3, 4 en 5 van de Veertigdagentijd. Sinds de advent van 2020 tot Christus Koning 2021 bevinden we ons in de B-cyclus. De lezingen zijn dus vrij in te voegen in de weekdagen van de komende weken.

In de Veertigdagentijd worden in de eerste twee weken langs de lezingen en liturgische teksten in de eucharistie en het getijdengebed vooral aanzetten tot een grondig gewetensonderzoek gegeven. Vanaf de derde week wordt de betekenis van een leven in navolging van Christus overwogen. Dit is de tijd om de diepste identiteit van een christen te ontdekken en meer en meer toe te eigenen.

Jezus ontmoet de Samaritaanse vrouw

Het evangelie toegevoegd aan de derde week in de Veertigdagentijd is dat van de ontmoeting tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw (Johannes 4, 5-42). (Online lezen: klik hier.) Het gesprek is opgebouwd rond de symboliek van water. De Mensenzoon benadert een vrouw die de Messias verwacht. Jezus maakt zich kenbaar als de Messias met de veelzeggende uitspraak: “Ik ben het”, in het Grieks klinkt het met klem: “egô eimi” (Johannes 4, 26).

“Ik ben” doet binnen het Joodse traditie onmiddellijk denken aan de Heer die zijn Naam aan Mozes bekend maakt: “Ik ben die ben”, in het Hebreeuws: “ayeh asher ayeh” (Exodus 3, 14). Het is geen toevallige verwoording. Verderop in het evangelie horen we Jezus in de tempel verklaren dat Hij er al was vóór Abraham (Johannes 8, 58). Dat aanwezigen Hem terstond willen stenigen, wijst op de ondubbelzinnige Goddelijke claim die Jezus met “egô eimi” bedoelt.

Terug naar de ontmoeting met de Samaritaanse vrouw. Samen met de Samaritaanse ervaren we dat Jezus ons beter kent dan wij onszelf kennen. Hij kent ons levensverhaal, Hij kent onze noden, onze dorst. De Samaritaanse komt tot geloof vanuit de bevestigde Messiasverwachting en verkondigt het aan al wie ze ontmoet.

Jezus geneest de blindgeborene

In de vierde week kan het verhaal van de genezing van de blindgeborene worden gelezen (Johannes 9, 1-41). (Online lezen: klik hier.) Dit verhaal is uitgewerkt rond de thematiek licht. De man kan de Mensenzoon dank zij zijn genezing zien. Op de vraag of hij gelooft in de Mensenzoon, vraagt de man wie de Mensenzoon is. Jezus antwoord opnieuw met: “Ik ben het”. Ditkeer zegt Jezus het onder een andere vorm: “Je hebt Hem gehoord en gezien” (Johannes 9, 37)

Met de blindgeborene ervaren we dat Jezus kent onze tekorten kent en ons de ogen opent, dat Hij onze “blinde vlekken” van duisternis kent en ze aan het licht brengt opdat we steeds meer in het Licht zouden leven. De blindgeborene verkondigt al van het wonder voordat Hij weet wie Hem heeft genezen.

Jezus en de opwekking van Lazarus

Het derde verhaal met dooppericopen kan in de vijfde week van de Veertigdagentijd worden gelezen en betreft de opwekking van Lazarus (Johannes 11, 1-45). (Online lezen: klik hier.) In dit verhaal staat het Leven centraal, met hoofdletter, dus doelend op het geloof in de Verrijzenis. Jezus zegt onomwonden: “Ik ben de Verrijzenis en het Leven.”, opnieuw met de woorden: “Egô eimi”, en vraagt aan Marta of ze dit ook gelooft (Johannes 11, 25-26). Marta bevestigt zonder aarzeling haar geloof in Hem.

Met Lazarus weten we dat Jezus ons nieuw Leven schenkt, eeuwig leven. Marta geloofde al in de opstanding op de laatste dag, nu gelooft ze in Jezus als Heer van de Verrijzenis.

Huisliturgie

Meteen is duidelijk waarom deze teksten zo waardevol geacht worden. Ze zijn als mogelijke weekdaglezingen vrij toe te voegen in de derde, vierde en vijfde week van de Veertigdagentijd in de jaren waar ze niet op zondag worden gelezen. Dat kan voor ons allen ook een aanzet zijn tot huisliturgie. We kunnen tijd en ruimte vrijmaken om stil te staan bij deze teksten die de kern van ons geloof onder woorden brengen. Voel je vrij om te bidden rond deze bijzondere Schriftteksten, misschien aan de hand van de gebedsdienst in de Veertigdagentijd die aan deze blog is toegevoegd: klik hier.
Dooppericopen
Met deze analyse van de drie evangelieteksten is echter nog niet duidelijk gemaakt waarom dit dooppericopen genoemd worden. De symboliek maakt veel duidelijk: water, licht en Leven. We herkennen deze symbolen uit de Paaswake. Het is niet toevallig dat we na de riten van water en licht in het Leven gaan staan door de hernieuwing van onze doopbeloften in de Paasnacht.

In het doopsel keren deze symbolen terug: het doopwater, de doopkaars en het geloof in de Verrijzenis. Catechumenen, volwassenen die zich voorbereiden op hun doopsel, leren deze tekenen kennen in hun geloofsinitiatie. Ze staan centraal in ons geloof. Johannes’ dooppericopen bevatten heel veel geloofsinhoud in weinig woorden. Jezus komt naar je toe, zonder vooroordelen, en wijst je de Weg. Hij kent je en doorgrondt. Jezus opent je ogen voor de Waarheid. Hij brengt je langs je doopsel tot het nieuw Leven, we worden bekleed met de nieuwe mens (Efeziërs 4, 24). In Johannes 14 verbindt Jezus de Weg, de Waarheid en het Leven aan zich als Mensenzoon. Het zijn alle drie vervolledigingen van een bekering
Egô eimi
Sta mij tot slot toe om Jezus’ uitspraken binnen een bredere dynamiek van “egô eimi”-uitspraken te plaatsen die Johannes doorheen zijn evangelie opbouwt. Dit zijn de titels die de Mensenzoon zich toeëigent:
  • Ik ben het Brood des Levens (Johannes 6, 35) – Jezus voedt zijn volgelingen.
  • Ik ben het Licht van de Wereld (Johannes 8, 12) – Hij plaatst hen in het licht.
  • Ik ben de Deur (Johannes 10, 9) – Jezus geeft ze de toegang tot het geloof.
  • Ik ben de Goede Herder (Johannes 10, 11-14) – Hij waakt over zijn volgelingen.
  • Ik ben de Opstanding en het Leven (Johannes 11, 25) – Jezus schenkt hen het Leven.
  • Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven (Johannes 14, 6) – Hij wijst hen de weg.
  • Ik ben de Wijnstok (Johannes 15, 1.5) – Hij zet hen aan tot verkondiging.

Interessante aanvullende lectuur in het Engels online: klik hier.


Volgende post: vrijdag 12 maart. Thema: "De wijze schriftgeleerde".

06 maart 2021

De tempelreiniging (7 maart 2021)

Het verhaal van de tempelreiniging kent zowat iedereen. Het heeft alle eigenschappen van een goede actiescène: goeden en slechteriken, woede, spanning en geweld. Dergelijke animositeit is weinig terug te vinden in de evangeliën. We volgen de versie van Johannes. 

  • Om de Schriftlezingen van de derde zondag in de Veertigdagentijd te lezen: klik hier.

Het decor is een tempel, het huis van de Heer, dat echter ontsierd wordt door offerdieren en door geldwisselaars. Er is keuze genoeg wat offerdieren betreft: duiven, schapen, runderen. De geldwisselaars en verkopers hebben een prima verdienste. En dat in het huis van de Heer. De spanning neemt toe. Jezus ergert zich, sterker nog: Hij wordt woedend. Volgens Johannes knoopt Hij koorden aan elkaar tot een zweep, waarmee Hij de dieren de tempel uit jaagt. Hij gooit de tafels met muntstukken met veel lawaai tegen de vlakte. Het moet een ravage zijn geweest. Jezus schreeuwt dat ze van het huis van de Heer een markt hebben gemaakt: een stevig verwijt. Verbijstering alom. Wie denkt Hij wel dat Hij is, om zo’n vernieling aan te richten? “Breek deze tempel af en Ik zal hem in drie dagen weer oprichten,” zegt Jezus. Een tempel waar 46 jaar aan is gebouwd? Onmogelijk! Einde van de scène. “Cut!”, hoor je een regisseur haast roepen. Veel drama in dit verhaal, op het eerste zicht. Maar eigenlijk is er vooral veel dubbele bodem. Er staat niet wat er staat. Daar is Johannes heel sterk in.

De tempelreiniging is bij Johannes een flash-forward naar de verrijzenis.

De tempelreiniging komt bij de vier evangelisten voor: Matteüs 21, 10-13, Marcus 11, 15-18, Lucas 19, 45-48 en Johannes 2, 13-28. Aan de hoofdstukken merk je al een bijzonder verschil tussen Johannes en de andere evangelisten. Bij hem staat het verhaal helemaal aan het begin, terwijl de anderen het verhaal naar het einde toe plaatsen. Dat is geen toeval. De tempelreiniging is bij Johannes enkel een vooruitwijzing naar de verrijzenis. Hij illustreert dat meteen door de oppervlakkige verstaanders aan het woord te laten en daarna vooruit te wijzen naar de leerlingen, die de dieptesymboliek pas na Jezus’ verrijzenis begrijpen: een korte, maar belangrijke flash-forward. Al vanaf het begin van het evangelie van Johannes is de uitkomst duidelijk. Het evangelie is opgebouwd naar de realisatie van dit geloofsmysterie toe.

Jezus' optreden in de tempel is bij Johannes niet de directe aanleiding tot zijn lijden en dood, maar het begin van een spanning tussen Jezus en de gevestigde waarden. De symboliek van de tempel blijft daardoor zuiver op de verrijzenis van de Heer gericht. Bij de andere evangelisten komt de tempelreiniging aan het einde van Jezus’ optreden en is het een aanleiding tot zijn arrestatie. Niet bij Johannes.

Johannes schrijft zijn evangelietekst geruime tijd na de verwoesting van de tempel.

In tegenstelling tot de andere evangelisten, zegt Jezus in het Johannesevangelie ook: “Laten jullie deze tempel afbreken en Ik zal hem in drie dagen weer oprichten.” Johannes schrijft zijn evangelietekst als laatste van de vier, omstreeks 90 na Christus, geruime tijd na de verwoesting van de tempel. Dat wordt ook geïllustreerd wanneer Jezus tot de Samaritaanse zegt: “Er komt een ogenblik dat je niet meer naar de tempel zal kunnen gaan.” (Johannes 4, 21).

De tempel is niet door Christus vernield, maar door de Romeinen tijdens de Joodse opstand, 70 na Christus. Merkwaardig detail: op het ogenblik van de tempelreiniging is er al 46 jaar gebouwd aan het nieuwe tempelcomplex. Het tempelgebouw zelf is zo goed als af. Dat staat in het antwoord te lezen van de Joden in vers 20. Het gebouw met de voorhoven is pas volledig afgewerkt rond 64 na Christus.

Al die minutieuze regeltjes weerhouden je ervan om je geloof te verdiepen.

Jezus reinigt de tempel. Eigenlijk reinigt Hij het geloof van alle betekenisloze regeltjes en gewoontes. Dat doet Hij voortdurend. De oprechtheid van je geloof wordt niet bepaald door plichtsgetrouw regels op te volgen. Sterker nog: al die minutieuze regels weerhouden je ervan om je geloof te verdiepen en een liefdevolle band met de Vader te ontwikkelen. Voor Jezus is de tempel eigenlijk overbodig. Hij reinigt de tempel niet alleen, Hij heft de functie van de tempel op. Waartoe dient de tempel nog als er geen offers meer gebracht worden?

Jezus heft de functie van de tempel op.

De ware spirituele ruimte wordt het geloof in Christus, de Verrezene, of nog preciezer: Christus zelf. Wanneer Jezus zegt dat Hij de tempel zal oprichten, wordt het Griekse werkwoord “egeirein” gebruikt. Dit werkwoord wordt in koinè-Grieks ook aangewend voor de verrijzenis. Hetzelfde werkwoord komt bij Johannes terug in het verhaal over Lazarus (Johannes 12, 1.8.17), ook daar in de context van een vooruitwijzing naar zijn eigen verrijzenis.  

In die mysterieuze spirituele ruimte mogen we verwijlen, biddend in de Veertigdagentijd: “Heer Jezus, wij verkondigen uw dood en wij belijden tot Gij wederkeert, dat Gij verrezen zijt.” (1 Korintiërs 11, 26 en 1 Petrus 1, 3)


Volgende post: dinsdag 9 maart. Thema: "De dooppericopen van Johannes".