Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label boodschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label boodschap. Alle posts tonen

15 augustus 2025

Nonconformisme (16-17 augustus 2025)

Een laaiend vuur brengt Jezus op aarde, een gedrevenheid die voortkomt uit het engagement om deelgenoot te zijn aan Gods Verbond met zijn Volk. Christen zijn, mag nooit een makke keuze worden. Het is een bewuste gerichtheid op God en zijn Woord dat van alle tijden is. Het is hier en nu actief werken aan het Rijk van God. 

Niet zomaar verdeeld

De verdeeldheid die kan voortkomen uit het geloof, mag niet verkeerd opgevat worden. Gods Boodschap is geen zaad voor geweld en oorlog. Er wordt de godsdienst(en) wel eens verweten dat ze de grootste bron van mensenleed zijn. Het verwijt klopt deels ook, maar is vooral onvolledig. Elke ideologie leidt tot meningsverschillen. Voor alle duidelijkheid: wanneer men politiek bedrijft vanuit het eigen geloof en dat gelijk met geweld opeist, dan doet men als christen onrecht aan de kern van de Boodschap zelf: God liefhebben en je naaste zoals jezelf.

Er is een trend in de politieke rechtervleugel - in Europa, maar ook in Amerika - om een enge interpretatie van het christelijk geloof te claimen als waarheid en daarmee een behoudsgezind beleid te verantwoorden. Onterecht. Onrecht in stand houden en zelfs actief opdrijven op het vlak van bezit, belang of inspraak, is nooit te verantwoorden vanuit de Schrift. In het evangelie van deze zondag zegt Jezus niet dat er een elite bevoordeeld zal worden. Integendeel zelfs: in de mate dat men soberheid en nederigheid beoefent, zal men deel uitmaken van de volgelingen van Jezus.

Basis

De mogelijke verdeeldheid mag niet gebaseerd zijn op persoonlijke eigengereidheid. Ze kan slechts het gevolg zijn van de trouw aan Gods Boodschap. Het Woord van God is overigens nimmer een synoniem voor een vooraf bepaalde selectie van verzen. Daar is het ego aan het werk. 

De verdeeldheid is ook absoluut geen doel op zich. Het is een vervelend neveneffect. Jezus verlangt geen verdeeldheid. Het is dan ook geen verdienste, geen teken dat je een goed christen zou zijn. Mensen hebben nu eenmaal de neiging om ieder hun eigen grote gelijk te verdedigen en op te dringen aan anderen. Daar is Jezus zich van bewust. De aanleiding voor een conflict ligt bij mensen en hun gedragingen, en niet bij Jezus.

Soms zijn christenen oprecht fier dat ze anders zijn dan de rest. Zo'n fierheid ruikt algauw naar zelfbewieroking. Dat heeft een christen niet van doen. Jezus vraagt ons niet om trots te zijn op onszelf en daarmee te koop te lopen. Sterker nog: Hij verwijt de farizeeën dergelijk gedrag. 

Gehoorzaamheid

De lezingen van deze zondag zijn een belangrijke les in gehoorzaamheid, maar tegelijk ook in zelfrelativering. Jezus heeft ons niet geroepen om onze eigen verdiensten te prijzen. De Heer Jezus volgen op de Weg betekent dat je zelf het traject niet overneemt en hertekent. 

Wanneer christenen uitspraken doen over de samenleving vanuit hun geloofsinspiratie, laat hen dan vooral uitblinken in naastenliefde en verbondenheid. Wanneer deze Goddelijke kwaliteiten niet overduidelijk aanwezig zijn in hun maatschappelijke of politieke visie, dan is het wenselijk om de spreker(s) in kwestie naar de Bron terug te verwijzen, die God is en God alleen. Wie vooral zichzelf graag hoort spreken, die luistert graag naar een dwaas. Hij is immers vergeten te luisteren naar de Heer.

Contrast

Christenen mogen een contrast vormen met de samenleving, en dan in de eerste plaats langs hun doen en laten. Christenen kunnen het verschil maken door een gemeenschap of samenleving aangenamer en menslievender te maken. De zorg voor de armen, de zieken en hulpbehoevenden, de mensen die tegenslag hebben gehad: manieren bij uitstek om je geloof in goede daden om te zetten. Daar liggen belangrijke kansen om het contrast scherp te stellen. Die kansen liggen alleszins niet in het benadelen en denigreren van deze mensen.

Als volgeling van Christus pik je dus niet zomaar alles, inderdaad. Goedkope cynische praat aanvaard je niet, zeker niet wanneer het uitspraken zijn die in Jezus' Naam worden gedaan maar die zijn Boodschap meteen met de grond gelijk maken. Wie spot met anderen omdat ze anders zijn, die spot met God zelf. Op dat vlak is het zeker onze plicht om nonconformisme in ons leven toe te laten. 

20 juni 2025

Iedereen gelijk in Christus (21-22 juni 2025)

We verschillen allemaal van elkaar, maar we zijn wel gelijkwaardig. In Christus is geen mens ook maar één fractie meer waar dan een ander. Dat is een fundamenteel-christelijk beginsel. Toch komt dit maar zwakjes uit de verf in de praktijk, nu én vroeger. Hoe zou dat komen? En wat zou dan doorslaggevend zijn hier op aarde om iemand meer waarde toe te kennen?

Doopsel verbindt

Door het doopsel dat we ontvangen hebben en dat we dag aan dag gelovig bevestigen, zijn we verenigd in Christus. (Galaten 3, 26-27) Het doopsel is niet enkel een persoonlijk sacramenteel merkteken, het impliceert ook een verbinding met alle andere gedoopten, met alle volgelingen van Christus die dat engagement in het sacrament hebben bestendigd: wie ook, waar ook ter wereld. Het doopsel maakt ons allen tot kinderen van God.

We zijn gelijkwaardig in het doopsel. Onder de hoede van Christus is niemand meer waard dan iemand anders. Ongelijkwaardigheid zou immers impliceren dat sommigen belangrijker zijn en dichter bij God zouden staan. Er is dus geen slaaf meer of vrije, geen man of vrouw. (Galaten 3, 28-29) Niet dat ons onderscheidt mag onze identiteit ten diepste bepalen, enkel het feit dat we christen zijn. Het gemeenschappelijk geloof is belangrijker dan de onderlinge verschillen. 

Geschiedenis

Er is dus geen enkele rechtvaardiging voor welke vorm ook van klassen- of standenkerk. Jezus geeft nergens aanleiding tot een privilegekerk met ereplaatsen en minderwaardige plekken. Edelman of arme proleet: ze horen naast elkaar te zitten in onze eredienst.

Deze boodschap valt doorheen de geschiedenis echter zelden goed bij de goegemeente, de elite en de kerkelijke hiërarchie. Dit principe lijkt steeds weer haaks te staan op onze maatschappelijke rangorde. De tijden zijn veranderd: de klassieke orde van adel tot arm heeft plaatsgemaakt voor een vooruitgangsdenken. Maar daarmee is het onderscheid tussen de welstellenden (in het Engels: de 'haves') en de minderbedeelden (de 'have-nots') staande gebleven. Wie zou zich willen inzetten als er geen beloning tegenover staat?

Maatschappelijke maaksels sluiten lang niet altijd aan bij Christus' Boodschap. Toch is Jezus heel duidelijk: "Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen." (Matteüs 9, 24) Dit wordt vaak terecht verbonden aan het lijden om de Boodschap, wat Jezus zelf heeft voorgeleefd. Er zit echter ook een bezitsconnotatie aan vast: wie wil houden wat hij heeft, zal dat zeker verliezen. En ook daarin was Jezus een sprekend voorbeeld. 

Vergankelijkheid

Wie verworven welstand, macht en eer in stand wil houden, is bij Christus niet aan het goede adres. Sterker nog: het zal voor rijken veel moeilijker zijn om het Rijk Gods te bereiken. (Matteüs 19, 23-24) Als er een voordeel zou zijn, dan ligt dat in het kamp van wie arm is. Dat zegt Jezus heel stellig, tot tweemaal toe zelfs. Merkwaardig dat die verzen telkens zo vlotjes naar de achtergrond zijn verdwenen. We lezen selectief.

Vreemd genoeg haalt de realiteit ons keer op keer in, zij het dan steevast veel te laat. Wie zich als levensdoel vooropstelt om succesvol te worden, ziet niet in hoe vergankelijk het leven is en hoe nietig wij zijn op deze aardkloot. Hoe komt het dan dat we er zo moeilijk in slagen om mekaar als gelijkwaardig te beschouwen in het dagelijks leven? En hoe is het mogelijk dat het zelfs als christengemeenschap zo moeilijk lukt? 

Niet glamoureus

Mensen zoeken naar standvastigheid en willen beloond worden voor wat ze bereiken. Mensen willen houden wat ze hebben. Christus volgen, biedt echter geen tastbare zekerheid of standvastigheid. Geloof is geen verzekering tegen schade en tegenslag. Er is wel degelijk een zekerheid in het volgen van Jezus: het Woord van God. Maar dat is niet glamoureus of prestigieus van aard. Het is hemels, niet aards. Transcendent, niet grijpbaar. 

De vraag is uiteindelijk wat er belangrijker is. Waar ligt onze prioriteit, los van alle mogelijke vervagende nuanceringen? Misschien moeten we onszelf vooral op dat vlak meer verloochenen om ons kruis op te nemen... 

06 maart 2025

Mond en hart (8-9 maart 2025)

De Veertigdagentijd biedt ons de uitgelezen kans om onszelf in vraag te stellen. Dat voelt altijd wat vreemd. Het is de kwetsbaarheid toelaten, de dagelijkse evidenties op hun waarde toetsen en leegtes niet opvullen met oppervlakkige praatjes. Onszelf in vraag stellen is het vernislaagje van uiterlijkheden afkrabben om er onder te kijken hoe het werkelijk gesteld is met onszelf en met ons geloof. Dat vraagt om een royale portie doorzetting en eerlijkheid. De Veertigdagentijd is een periode om ons hart te doorgronden, om het te bekijken vanuit Gods perspectief, wel wetend dat we zijn wijsheid en doortastendheid nooit zullen bezitten. Met de middelen die we hebben, kunnen we niettemin aan de slag.

  • Voor de lezingen van deze eerste zondag in de Veertigdagentijd C: klik hier.

“Waar het hart van vol is, loopt de mond van over.” (Lucas 6, 45) Onze diepste overtuigingen kunnen we moeilijk stil houden. Een levend geloof vraagt om uitingen van vreugde en dankbaarheid, om uitgesproken vragen en onzekerheden. Onze levensvisie is niet wetenschappelijk-rationeel maar existentieel van aard. Het is niet ons hoofd, maar ons hart dat de weg naar God zoekt. Dat betekent niet dat ons geloof redeloos is, dat we ons verstand niet van doen hebben. Maar met ons hoofd alleen zullen we God niet vinden. Ons geloof overstijgt de rede immers telkens opnieuw in de overtreffende trap. En wat er leeft in ons hart, komt steeds weer langs onze mond tot uiting. 

Dichtbij

We hoeven niet ver te zoeken om God te vinden. “Het Woord is dicht bij jullie”, zegt Paulus. (Romeinen 10, 8) Meer bepaald: in onze mond en in ons hart. Ons hart gelooft dat Christus is verrezen, onze mond belijdt dat Jezus de Heer is. (Romeinen 10, 9) In ons hart is openheid voor het existentiële, voor transcendentie, voor ongrijpbare idealen en waarden. Zo kan het hart ons tot het mooiste aanzetten, maar ook tot het slechtste. (Marcus 7, 21) Het hart staat voor het meest menselijke, voor ons aanvoelen van wat we als goed en verkeerd ervaren. 

Onze mond staat in deze Paulusbrief voor de liturgie en de verkondiging. Zo zullen we door ons hart rechtvaardigheid ontvangen, en door onze mond redding. (Romeinen 10, 10) In ons hart kunnen we een beroep doen op ons geweten. Onze mond deelt het geloof dat we belijden. Door juiste keuzes, goede daden en eerlijke woorden kunnen we ons geloof beleven en voorleven voor anderen. Bovenal geven we blijk van toewijding en dankbaarheid aan God. En dat geldt voor iedereen, alle volken. (Romeinen 10, 12) 

Synchroon

Waarom doorstaat Jezus de worstelingen in de woestijn zo goed? (Lucas 4, 13) Wel, omdat zijn hart en mond op één lijn zijn: ze bevestigen en versterken elkaar. Van Jezus worden zijn Woorden en zijn Hart vaak aanbeden en verheerlijkt, en terecht. Hij is ons ultieme Voorbeeld, mede omdat Hij mens is geworden, aan ons gelijk. Duidelijker kan God zijn Boodschap niet maken. 

Het kwaad haalt geen verhaal in de periode dat Jezus de eenzaamheid en verlatenheid opzoekt in de woestijn, omdat het kwaad niet overeenstemt met wat zijn hart gelooft en wat zijn mond belijdt. Hoe komt dat? De clou zit al in het begin van de verhaalboog verwerkt: de heilige Geest is over Hem gekomen. (Lucas 4, 1) Zijn hart en mond zijn vervuld van Gods Geest. Ook wij worden uitgenodigd om de spirituele woestijn in te trekken en de uitdaging aan te gaan om ons voelen en ons spreken te synchroniseren met Gods Woord. De Geest kan ook ons daarin leiden.

Woestijnwijsheden

De woestijnervaring van Jezus is niet louter een intrigerend verhaal waarin Jezus het wint van het kwaad. Er worden ons ‘vastenpuntjes’ aangereikt in deze bijzondere passage, of proportioneel correcter geformuleerd: fundamentele geloofswaarheden. Jezus citeert drie keer uit de Torah. Hij ent zijn overtuiging heel duidelijk in de Traditie. Deze citaten kunnen ons doorheen de hele Veertigdagentijd inspireren.

  • “Een mens leeft niet van brood alleen.” (Lucas 4, 4 en Deuteronomium 8, 3) Een mens leeft van alles wat de mond van de Heer voortbrengt: in de eerste plaats van zijn Woord (Deuteronomium 8, 3) Het Woord is een oneindige bron van inspiratie. Stilstaan bij het Woord van de Heer hoort bij een geloof dat wakker en alert is. Wanneer we tot inkeer willen komen, dan is Gods Woord onze leidraad.
  • “Aanbid de Heer, je God, vereer alleen Hem.” (Lucas 4, 8 en Deuteronomium 6, 13) Laat je niet verleiden door aantrekkelijke praatjes waarvan je aanvoelt dat ze eigenlijk totaal niet stroken met Gods Boodschap. Hou je geloof in je hart levend, betrek je geloof in je dagelijkse leven, zodat het veranderd is in je bestaan. Dat is wat God van ons verlangt: dat we van ganser harte in Hem geloven. Wanneer we tot inkeer willen komen, dan kan dat alleen wanneer we met God in verbinding blijven langs geloofsgesprekken, bezinning, gebed en liturgie.
  • “Stel God niet op de proef.” (Lucas 4, 12 en Deuteronomium 6, 16) Dan leef je namelijk in de illusie dat God jouw gelijke zou zijn of zelfs ondergeschikt gemaakt kan worden aan jouw wil. Tijdens de honger en dorst in Massa in de tocht door de woestijn, riep het Volk tot Mozes: “Is de Heer in ons midden of niet?” (Exodus 17) God moést een teken verrichten of ze geloofden niet meer in Hem. Dat kan niet de bedoeling zijn. Wanneer we tot inkeer willen komen in deze Veertigdagentijd, dan is God onze Bron en ons doel, Hij alleen en niet in een versie die beter bij ons past. Wij zijn immers degenen die de ommekeer moeten maken, niet God. We kunnen wel vragen om zijn hulp en nabijheid. Altijd.

Ik wens je van harte toe dat je geloof extra gevoed wordt langs gebed en meditatie tijdens deze Veertigdagentijd. 

18 september 2024

De ondraaglijke leegte van prestatiedrang (21-22 september 2024)

Prestatiedrang is een overdreven vorm van gedrevenheid. Het is een gedrevenheid die toegeëigend is, waardoor het ego er onlosmakelijk in verstrengeld raakt. Waar jaloezie (naijver) en egoïsme (eerzucht) heersen, vieren wanorde (onrust) en allerlei kwaad hoogtij. Op zich is de wil om idealen in de praktijk te bereiken zeker niet slecht. Slecht wordt het wanneer de wil van het ego of negatieve idealen nagestreefd worden of wanneer de drang ten koste van anderen gaat, of ten koste van Gods heilsplan met deze wereld. Dat heilsplan is Goddelijke Wijsheid.

Verontwaardigd

In de Jakobusbrief legt de apostel uit aan de lezers waarom hij zo verontwaardigd is over hun eigengereidheid. Ze hebben de Boodschap van Christus niet begrepen. In die Boodschap ligt de Wijsheid. En die Wijsheid komt van boven en is vóór alles zuiver, verder ook vredelievend, mild en voor rede vatbaar, rijk aan barmhartigheid en brengt niets dan goede vruchten voort, ze is onpartijdig en oprecht. (Jakobus 3, 16-17) Sta me toe je mee te nemen doorheen een vers dat tot aan de rand gevuld is met Wijsheid.

Deze Wijsheid komt van boven, niet van beneden. De aarde wordt al te vaak bepaald door hebzucht, eerzucht en heerszucht. Bijgevolg is ook de aardse wijsheid vatbaar voor deze ‘zuchten’. Hemelse Wijsheid is dat niet, die komt van God. Dat is geen menselijk maaksel, maar een geschenk van boven.

Essentie

Jakobus analyseert deze Wijsheid en weet haar te omschrijven door haar wezenlijke eigenschappen op te sommen. Eerst en vooral is de Wijsheid zuiver, puur, smetteloos (‘hagnè’ in het Grieks: zuiver, rein, heilig; religieuze termen voor perfectie en netheid). Dat is de essentie van de Wijsheid. Vrij van smet en kwaad is de Wijsheid, onbevlekt. Deze invulling is duidelijk spiritueel: hemels, met de hemel verbonden. Minder expliciet is er ook een morele dimensie aanwezig: ze staat voor het absolute tegengestelde van het kwaad.

Deze Wijsheid is niet academisch of intellectueel van oorsprong, maar ingegeven door de Geest: ze is voor iedereen toegankelijk. Deze Wijsheid vereist geen zware theoretische onderbouw, maar spreekt voor zich. Dat neemt niet weg dat we ons kunnen verdiepen in die Wijsheid. Maar we wéten diep vanbinnen al wat hoort en wat niet, wat edel en wat ongemanierd is, wat zuiver is en wat niet. Deze zuiverheid is essentieel: zonder zuiverheid wordt de Wijsheid troebel en onduidelijk.

Basis

Vanuit die zuiverheid ontstaan drie basishoudingen die eigen zijn aan de Wijsheid. Vooreerst is de Wijsheid te allen tijde vredelievend (‘eirènikè’ in het Grieks: gericht op de vrede). Er ontspringt uit haar een voortdurende wil om vrede te stichten, desnoods door zelf opofferingen te doen om die vrede te kunnen bewaren. Wanneer een mens hemelse Wijsheid nastreeft, dan zal hij of zij in vrede kunnen samenleven met anderen: het is een logisch gevolg. Bijgevolg leidt godsdienst niet tot onvrede: indien ze gestoeld is op de Wijsheid, brengt ze alleen maar vrede voort. Wanneer godsdienst een bron van geweld wordt, is ze losgerukt van de Wijsheid en ten onrechte vastgemaakt aan menselijke prestatiedrang.

In de Wijsheid huist ook zachtmoedigheid (‘epi-eikès’ in het Grieks: mild, zacht, passend). Ze brengt geen hardheid en rigiditeit, maar juist zachtheid.

Verder komt uit de Wijsheid ook redelijkheid voort (‘eupeithès’ in het Grieks: meewerkend, inschikkelijk, toegeeflijk). In de Wijsheid is geen ruimte voor koppigheid, somberheid of zuurheid. Dat zijn vruchten van het ego. Integendeel: de Wijsheid is voor rede vatbaar en staat open voor nieuwe kansen en mogelijkheden, door toegevingen te doen en het eigenbelang opzij te schuiven in het voordeel van het algemeen goed.

Daden

Daarna wordt het daadwerkelijk karakter van de Wijsheid door Jakobus onder woorden gebracht. Hoe zie je die wijsheid in de praktijk vorm krijgen? Welnu, vooreerst is ze vol van ontferming (‘ele-oes’ in het Grieks: begrip, medelijden), en wel tot ver voorbij onwetendheid, schuld en zelfs slechtheid bij anderen. De Wijsheid sluit zich ook nooit af voor wie hulpbehoevend zijn, maar zal hen juist helpen en bijstaan. God is immers genadig en vol van ontferming, en van Hem komt de Wijsheid uit.

Daarnaast is ze vol van goede vruchten (‘karpoon agatoon’ in het Grieks: goede vruchten, vruchten van goedheid) en plant ze deze in het hart van mensen, waardoor ze duidelijk zichtbaar en meteen herkenbaar wordt in concrete daden.

Vruchten

Twee van deze goede vruchten worden duidelijk vernoemd daarna. Het zijn vruchten die eenheid en vereniging nastreven: een hemels component. Aards, menselijk denken en handelen leiden immers al te vaak tot verdeeldheid. Jakobus drukt deze vruchten uit in een omgekeerd-negatief, waardoor het negatieve, waar de vrucht tegenover staat, ook duidelijk in beeld komt. Beide negatieven eindigen op ‘kritos’, op verdeeldheid (‘krinein’ in het Grieks: verdelen, opsplitsen).

Voor de vrucht van standvastigheid wordt ‘on-bevooroordeeld’ gekozen (‘adiakritos’ in het Grieks). De vrucht van de eerlijkheid wordt benoemd als ‘on-geveinsd’ (‘anupokritos’ in het Grieks).

De twee vruchten vernoemt Jakobus omdat ze onmisbaar zijn. Wanneer alle voorgaande kenmerken aanwezig zijn, maar zelfs één van deze twee vruchten ontbreekt, dan wordt de zuiverheid toch ongedaan gemaakt. De wijsheid kan zelfs ongewild en onbedoeld gecorrumpeerd worden door het ego. Dit kan niet voldoende beklemtoond worden. 

Niet alle goede bedoelingen leiden tot de Wijsheid. Niet alle goede bedoelingen zijn zuiver. Wanneer er prestatiedrang ten kwade in ons denken, spreken en handelen vermengd raakt, dan worden ze ijdel: op zichzelf gericht en bijgevolg zinloos. Ziedaar de ondraaglijke lichtheid van prestatiedrang. Zonder de Wijsheid is ze vluchtig, nietig en onnodig. Verloren energie.

De vruchten van de Geest worden veel uitgebreider opgesomd door Paulus in de Galatenbrief: De vrucht van de Geest is liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. (Galaten 5, 22-23a) Ze sluiten naadloos aan bij de uiteenzetting van Jakobus.

De eerste, de beste

Wat zegt Jezus over hemelse Wijsheid en menselijke prestatiedrang? De leerlingen spreken onderling over wie de grootste is in belang, in aanzien, in macht. Meteen wanneer Jezus hen aanspreekt, op een luchtige wijze zelfs, beseffen ze dat ze zwaar in de fout zijn gegaan. Dit is ‘not done’ als volgelingen van Jezus. (Marcus 9, 33-34)

Jezus gaat zitten om een antwoord te geven. Dit zal tijd vragen. Het is te belangrijk om er van weg te kijken. (Marcus 9, 35) Wie Jezus wil volgen, mag zich niet afvragen of hij of zij belangrijk zal zijn, laat staan de eerste en belangrijkste. Dat is precies wat Jakobus in zijn brief bedoelt met het gevaar van jaloezie en egoïsme. (Jakobus 3, 16) Deze emoties trekken ons naar beneden en ze zitten bijzonder diep in ons geworteld.

Godsdienst, het dienstbaar leven voor God, zou nooit door negatieve prestatiedrang vervormd mogen worden. Dan wordt de Boodschap immers persoonlijk opgeëist en vastgegrepen, wat leidt tot allerlei vormen van radicalisme. Het is steeds nefast voor de Boodschap zelf. Dat illustreren ten tijde van Jezus de farizeeën al. De enige aanvaardbare prestatiedrang mag het realiseren zijn van de hemelse wijsheid: de laatste willen zijn en de meest dienstbare.

Een kind

Jezus pakt een kind op en zet het op zijn schoot. Dat kind staat voorbeeld voor wie opgenomen moet worden in het midden van de apostelen. (Marcus 9, 35-37) Geïdealiseerd is een kind deels onwetend, onervaren, onschuldig, nog niet volwassen. Het staat onbevangen open om te leren en is ontvankelijk voor nieuwheid: “Wat is dat? Waarom is dat zo? Hoe werkt dat?” 

Het beste kunnen wij onbevooroordeeld en kinderlijk naïef zijn om in Gods genade zijn Wijsheid te ontvangen. Dan staan we immers volledig open voor de nieuwheid van de heilige Geest, en zijn onze perceptie en ontvankelijkheid niet vervormd door eigenbelang. 

20 augustus 2024

'Dat is niet om aan te horen!' (24-25 augustus 2024)

In de reclamewereld weet men als geen ander hoe men de dingen mooi en aanlokkelijk moet verwoorden. De woordkeuze is heel belangrijk: het moet goed bekken. Er wordt soms humor gebruikt, of verleiding. Of men speelt in op de verbeelding. Jezus wil zijn Boodschap niet ‘verkopen’. Hooguit gebruikt Hij een beeldspraak of een parabel, maar nooit ten koste van de waarheid. Dat zijn Boodschap soms bevreemdend of schokkend kan aankomen, is voor Jezus geen bekommernis.

  • Voor de lezingen van deze zondag: klik hier.

Gemor

Er klinkt gemor (gonggudzoosin in het Grieks: klagen, mopperen, konkelfoezen, koeren als duiven). “Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik blijf in hem.”, heeft Jezus net verkondigd. (Johannes 6, 56) De reacties zijn misprijzend: “Dit gaat te ver! Zoiets zeg je toch niet? Daar valt niet naar te luisteren!” (Johannes 6, 60) Het zijn dit keer niet de farizeeën of Schriftgeleerden die morren, maar leerlingen van Jezus. Er is muiterij in de eigen rangen.

Het is een ernstig voorval: sommige leerlingen willen Jezus een vorm van censuur opleggen. Hij mag sommige dingen niet meer zeggen omdat ze afstotend klinken. De beeldspraak van lichaam en bloed wordt niet gesmaakt. Wansmakelijk vinden sommige volgelingen van Jezus het. Maar zal Jezus zijn lichaam niet opofferen aan het kruishout en zal zijn bloed niet vloeien alvorens Hij zal verrijzen op de derde dag?

Weggaan

Jezus weet dat er gemor klinkt. “Ergeren jullie je hieraan?”, vraagt Hij, rechttoe rechtaan. (Johannes 6, 61b) Wat willen ze dan? Willen ze misschien een wonder om zeker te zijn dat Hij de Messias is? Zijn woorden zijn immers hard en onaangenaam om te beluisteren, en dat zijn ze van Jezus tot nog toe niet gewend. Jezus volgen is plots niet zo vrijblijvend meer. Daar wringt het schoentje. Het gaat niet over de verpakking, maar over de inhoud.

Jezus legt de vinger op de wonde: “Wat ik jullie zeg is vol van Geest en leven. Maar sommigen van jullie geloven niet.” (Johannes 6, 63b-64a) Dat blijft niet zonder gevolg: veel leerlingen gaan weg en zullen Hem niet langer volgen. (Johannes 6, 66) Het is een drastisch besluit. Jezus vraagt teveel van hen. Zijn boodschap is niet aaibaar genoeg, niet maakbaar genoeg. Ze zullen hun heil elders zoeken, waar er minder luisterbereidheid en aanpassing van hen wordt gevraagd.

Tekst, taal en tijd 

De reactie van de morrende leerlingen is op zich heel menselijk, en van alle tijden bovendien. Ook nu leggen wij de Boodschap soms een vorm van censuur op. Sommigen mijden bewust bepaalde passages of beperken zich tot enkele ‘highlights’. Anderen houden vast aan een interpretatie van een passage, ook als die de tekst weinig eer aandoet. Er wordt ook al te vaak naar verzen gezocht die bij een mening passen, zonder rekening te houden met de verzen die die visie tegenspreken. Het evangelie van deze zondag is nochtans heel duidelijk: de boodschap is niet kneedbaar. Dan maak je hem stuk.

Soms hoor ik mensen beweren: “Ik lees zoals het er staat, heel simpel.” Dat is helaas een waanbeeld. Het kan helemaal niet, tenzij je vlot Hebreeuws en Grieks kan lezen én je ten volle vertrouwd bent met de tijdsgeest en de symboliek en beeldspraak van Jezus’ tijd. We lezen een vertaling en we leven in een compleet andere tijd: we interpreteren dus altijd. Dat levert een lastig dilemma op: hoe rekbaar is het Verhaal? 

Verdieping

Hoe komen we zo dicht mogelijk bij Jezus’ Boodschap vanuit het hier en nu? Het antwoord ligt wellicht in een actieve combinatie van spiritualiteit, lectuur, bijleren en beleven. En nooit oogkleppen opzetten. Het vraagt engagement.

Terug naar Jezus, die op een eerste breekpunt gekomen is in zijn verkondiging. Hij vraagt aan de twaalf overgebleven leerlingen of zij ook van plan zijn om te vertrekken. (Johannes 6, 67) Hij vraagt het ook aan ons. “Naar wie zouden we anders moeten gaan, Heer?”, antwoordt Petrus. (Johannes 6, 68b) Bij momenten kan Petrus een bullebak zijn, maar soms is hij ontzettend wijs en ontwapenend. Zijn woorden mogen een inspiratie zijn voor ons. 

16 augustus 2023

Voor iedereen! (19-20 augustus 2023)

Een Kanaänitische vrouw spreekt Jezus aan. Hij heeft zich in Fenicië afgezonderd, samen met zijn leerlingen, na een zoveelste aanvaring met farizeeën. De vrouw moet veel moeite doen om een respons van Jezus uit te lokken. Bij een oppervlakkige lezing lijkt het een merkwaardig verhaal met atypisch gedrag van Jezus. We staan dan ook op een keerpunt in de verkondiging: na de 'binnenjoodse' focus begint hier het 'christelijke' verhaal, nog heel pril en kleinschalig, kruimeltjesgewijs.

Fenicië ligt ten noorden en ten westen van Galilea. Nadat het Volk Gods doorheen de woestijn naar Kanaän is geleid om zich er te vestigen, trekt de oorspronkelijke bevolking noordwaarts. Het is een vissersvolk met de kwalijke reputatie om woekerwinsten te halen uit hun handel. Ze zijn gekend voor hun Baälcultus. Isebel, de vrouw van koning Achab, is een Fenicische en introduceert deze cultus bij de Joden. De profeet Elia wordt door haar bedreigd en vervolgd omdat hij de afgoderij aan de kaak stelt. (1 Koningen 18-19) Fenicië, met de steden Tyrus en Sidon, staat ten tijde van Jezus ook onder Romeins bewind.

"Heb medelijden"

“Heb medelijden, Heer, Zoon van David!”, roept de vrouw Jezus toe. (Matteüs 15, 22) Ze is klaarblijkelijk vertrouwd met zijn Messiaanse titel. De vrouw erkent Hem in weinig woorden uitdrukkelijk als de Zoon van God en spreekt een typisch joodse gebedsformule uit. Haar dochter is ziek en ze hoopt op de hulp van Jezus.

Hij schenkt ogenschijnlijk geen aandacht aan haar smeekgebed. De leerlingen verzoeken zelfs om haar weg te sturen(Matteüs 15, 23) Ze verstoort de rust, ze is een storend element. Het is een heel spontane reactie, die ook in christelijke gemeenschappen vandaag soms kwalijk aanwezig is en als normaal wordt beschouwd: vooroordelen koesteren, neerkijken op anderen, veroordelen en het eigen gemak vooropstellen.

Afgelijnd

Heel afgemeten antwoordt Jezus: “Ik ben alleen tot de verloren schapen van Israëls huis gezonden.” (Matteüs 15, 24) Jezus stuurt haar dus niet weg, maar verklaart zijn gedrag vanuit zijn oorspronkelijke, afgelijnde missie: de Vader heeft zijn eniggeboren Zoon op aarde de missie gegeven om het Verbond tussen God en zijn Volk te vernieuwen. De afgoderij was één van de redenen voor het verbreken van het 'oude' Verbond. Mogelijk maakt Jezus zich toch zorgen over de mogelijke vermenging van godsdiensten. Reli-shopping noemen we dat tegenwoordig, maar het fenomeen is van alle tijden. Zou het toeval zijn dat Jezus juist in Fenicië als Zoon van God wordt bevestigd?

Nu heeft Jezus zich wat afgezonderd na de confrontatie met farizeeën en Schriftgeleerden (Matteüs 15, 1-11). Hij heeft ze zopas huichelaars genoemd. (Matteüs 15, 7) Het wordt stilaan duidelijk dat de tegenstand tegen de blijde Boodschap bijzonder groot is en gestuurd wordt door de vooraanstaanden in het geloof, die vooral bekommerd zijn om hun macht en aanzien. Zou het toeval zijn dat Jezus in Fenicië erkenning krijgt nadat Hij door farizeeën ontrouw aan de traditie is verweten? (Matteüs 15, 2) 

“Heer, help mij”, smeekt ze nogmaals, dichter bij Jezus. Hij dient haar van antwoord: “Het is niet goed om het brood voor de kinderen aan de honden te voeren.” (Matteüs 15, 26) Met andere woorden: eerst moet de Boodschap aan het Volk Gods verkondigd worden. Zo is het bedoeld.

Kruimeltjesgewijs

Haar derde toenadering is meer gedurfd: “Toch wel, Heer!”, zo spreekt ze Hem vol overtuiging tegen. Het is één van de weinige keren dat Hij wordt tegengesproken door iemand die om hulp vraagt. Ze maakt Hem duidelijk dat er kruimels genoeg overblijven. (Matteüs 15, 27) Het Volk Gods en de leiders stellen Hem inderdaad teleur. Maar ook los daarvan klopt haar overtuiging: er is genoeg voor iedereen.

De Fenicische vrouw heeft het over de ‘tafel van de meesters’. Dat is een niet onbelangrijke beeldspraak: de vrouw erkent langs de ‘meesters’ het Oude Verbond: de Wet en de Profeten, of Mozes en Elia. Jezus heeft ze op die manier ook als haar Messias benoemd. Deze vrouw erkent de traditie en gelooft in Jezus.

Nu komen we op het keerpunt in het verhaal. De kruimels van geloof waar de vrouw over spreekt, worden door Jezus opgewaardeerd: “Je hebt een groot geloof.” (Matteüs 15, 28) Samen met ons stelt Jezus vast dat er ook groot geloof kan ontstaan buiten het Volk Gods. Hier kijkt Jezus door Gods ogen, in tegenstelling tot de leerlingen, die haar hadden weggestuurd. Het is één van de weinige keren dat we een inkijk krijgen in de dynamiek binnen Jezus' zending.

Het open geloof van de Kanaänitische vrouw staat in schril contrast met het regeltjesdenken van de farizeeën en Schriftgeleerden, dat Jezus even daarvoor als volgt met ergernis omschrijft: “Hun hart is ver van Mij, tevergeefs vereren ze Mij.” (Matteüs 15, 8-9) Het tweede deel van die zin is een citaat uit Jesaja, om zijn oordeel kracht bij te zetten. (Jesaja 29, 13) 

Wonderlijke broodaccolade

Wat de vrouw bijna profetisch uitspreekt, wordt daarna symbolisch bevestigd in een broodwonder. (Matteüs 15, 32-39) Na het uitdelen van wat visjes en het breken van zeven broden, zijn er inderdaad meer dan genoeg kruimels overgebleven na de maaltijd: zeven volle manden! En in het vorige hoofdstuk is er ook al een broodwonder geschied: dan verdelen de leerlingen vijf broden en twee vissen en halen ze twaalf manden op achteraf. (Matteüs 14, 15-21) Het verhaal van de Fenicische vrouw wordt dus door een accolade van eucharistische symboliek omsloten. Zou dat toeval zijn? Nee, uiteraard niet. Dat is het antwoord op de drie vragen trouwens.

God bevestigt de ruimere zending van zijn Zoon. Jezus spreekt een dankgebed tot de Vader en krijgt een wonder als antwoord. Nergens staat er dat Jezus een hand heeft opgelegd of een uitspraak heeft gedaan die het wonder doet geschieden. Dit is een teken uit de hemel. Jezus vindt groot geloof waar niemand het verwacht en zijn Vader bevestigt zijn openheid van Geest.

De leerlingen zullen na Jezus' dood en verrijzenis steeds wijder rondtrekken om te verkondigen, zo ver als ze reizen kunnen. De kiemen voor deze universele missie liggen in dit fragment. De joodse religie is immers nooit missionair geweest. Het Nieuwe Verbond, dat in Christus is ingesteld, is voor iedereen bestemd. Er zijn kruimels van geloof voor iedereen die er open voor staat. Werkelijk voor iedereen!

21 december 2022

Kerstmis: Licht in de duisternis (24-25 december 2022)

Ik was onlangs in de Ardennen, om even tot rust te komen, in een chalet. Heel gezellig, maar wat had ik het donker onderschat. Buiten was het ’s avonds werkelijk stikdonker. Hier is er veel straatverlichting. Daar zag je werkelijk niets, op een paar verre sterren na. Na drie stappen was ik letterlijk de weg kwijt. Stond ik in de grasberm? En was daar geen diepe gracht naast? Ik kon enkel tasten in het duister. Ik greep naar mijn gsm, die heeft een zaklamp. En zie: er was licht. Bijna meteen klonk een waarschuwingstoon: batterij leeg. Enkele tellen later ging het licht uit. Daar stond ik dan, in de steek gelaten door de techniek, met rondom mij duisternis...
Onze duisternis
Duisternis brengt onzekerheid. Het beangstigt. We hebben graag zicht op de zaken, we willen weten waar we staan. In het leven overkomt de duisternis je. Soms word je erdoor overvallen, soms sluipt het donker traagjes dichterbij. Zware tegenslagen zetten het leven overhoop. Je bent de controle kwijt en dagelijkse evidenties worden plots in vraag gesteld. We kennen dit fenomeen allemaal.

Het doet ons verlangen naar licht, dat we maar niet kunnen vinden. Soms helpt een tijdelijke lichtbron, zoals mijn gsm in de Ardennen, een sprankeltje hoop. Dat kan een gesprek zijn, een hobby, een engagement, noem maar op. Een aangename afleiding. Tegelijk weet je dat het een troostdoekje is. Er is meer voor nodig om een tegenslag te dragen. Iets wat rotsvast is.

"Ik ben er"
Wanneer je wankelt, heb je nood aan een steun die je rechtop houdt of die desnoods je val breekt. God biedt zich aan. Hij kent ons, doorgrondt ons. Hij kent onze sterkten en zwakten. Hij is onder ons komen wonen, Hij is als mens onder ons geboren en heeft het menszijn tot het uiterste toe doorgemaakt. Hij is niet onder ons gekomen als een rijk koningskind, maar in alle eenvoud. Juist daarom staat de kerststal vandaag centraal, niet enkel als vertederend plaatje, maar vooral als boodschap. “Ik ben er”, zegt God, niet als een mythisch verhaal in het ongrijpbare, maar heel concreet in onze geschiedenis.

Hij wordt geboren als Licht in onze wereld. Hij deelt onze vragen en zorgen, onze beperkingen, onze emoties. Hoewel Jezus de Zoon van God is, mag Hij ook één van ons zijn. Dat biedt God ons aan, zozeer heeft Hij ons lief. Dichterbij kan Hij niet komen. Waarom zouden we dan weigeren?
Onder ons
Neen, Hij zal ons verdriet niet wegnemen. Hij zal onze tegenslagen niet ongedaan maken. Dan zouden wij magie van Hem verlangen. Toen Jezus geboren werd, heeft God niet gauw nog een paleis getoverd. Toen Jezus zijn lijden tegemoet ging, heeft God zijn Zoon niet vlug van de aardbol weggeplukt. God zal er zijn om met ons mee in het verdriet te staan, om ons in de tegenslag bij te staan, om zich over ons te ontfermen.

Kerstmis gaat over dankbaarheid: God laat ons niet alleen. Kerstmis gaat over Licht in een wereld die zo donker kan zijn. Dat wordt over de hele wereld gevierd: dit feest kent geen landgrenzen. 

Laten we onze blik richten op de kerststal en blij en dankbaar het Geboortefeest van de Heer vieren. Laat het voor elk van ons een zalig Kerstfeest zijn.

08 december 2022

De kleren maken de man, of niet? (10-11 december 2022)

Jezus spreekt mensen toe die een tijd daarvoor de woestijn in zijn getrokken om er Johannes de Doper te beluisteren. Sommigen puur uit nieuwsgierigheid, anderen omdat ze de Messias verwachten. Johannes heeft veel mensen gedoopt in de korte tijd dat hij de komst van de Heer heeft voorspeld en opgeroepen heeft tot bekering.

Geen wuivend riet

“Waar zijn jullie in de woestijn naar gaan kijken? Naar het wuivend riet in de wind?” (Matteüs 11, 7)

Zijn de mensen de woestijn ingetrokken als toeristische uitstap, met het oog op een fijn ontspanningsreisje? Nee, antwoordt Jezus zelf. Hij spreekt over een woestijn of wildernis (in het Grieks: “erèmon”). Dat klopt ook. De woestijn is geen luxueuze omgeving, geen plaats waar men voor het plezier naartoe gaat. Niet voor niets lijken de woorden woestijn en woestenij zo op elkaar. Er is weinig voedsel te vinden, amper water, de hitte is vermoeiend, het gebied is ongerept en moeilijk doorgankelijk en er leven slangen, hyena’s en andere wilde dieren. 

Natuurlijk zijn de mensen niet voor hun vermaak de wildernis in getrokken. Ze gingen naar Johannes de Doper kijken en luisteren. Niemand was er om het riet te zien wuiven in de wind. Jezus maakt duidelijk dat Johannes de Doper geen deel uitmaakt van een pathetisch plaatje. Johannes voedt zich in de woestijn met sprinkhanen en wilde honing. De ruwheid van de omgeving en de symboliek van de desolate woestijn, waar Johannes bewust voor kiest, passen bij zijn roeping om de mensen tot inkeer te laten komen. Hun bekering is een radicale beslissing. Johannes zoekt extreme omstandigheden op om zijn allesomvattende Boodschap te verkondigen.

Geen rijke luis

“Wat zijn jullie dan gaan zien? Een mens die rijk gekleed ging? Welnee, wie rijk gekleed is, verkeert in koninklijke kringen.” (Matteüs 11, 8) Nog iets dichter bij de grondtekst klinkt het als volgt: “Waar zijn jullie dan naar gaan kijken? Een man in verfijnde kledij? Die delicate kleding draagt men in de huizen van koningen.”

Johannes de Doper is niet van luxe gediend. Hij beoefent de nederigheid en de soberheid, waarmee hij meteen ook de Boodschap beleeft en voorleeft. De komst van Jezus zal in een levensstijl van soberheid passen, ver weg van rijkdom en aanzien.

De kleren maken de man, wordt wel eens gezegd. Men kleedt zich naar status en functie. Dat heeft met prestige te maken, met herkenbaarheid, maar ook met gemak. Een maatpak is het niet de ideale kledij om straten in open te breken. De straatwerker zal en sterke stof dragen waarin hij makkelijk kan bewegen. Een koning is niet gebaat bij een pyjama of trainingspak tijdens officiële bezoeken. Het straalt immers geen autoriteit uit, hij zal niet ernstig genomen worden.

Wat droeg Johannes de Doper ook weer? Een “kemelharen pij”, zingen we in een lied. Kameelhaar is ruw en wordt door de armsten gedragen. (Matteüs 3, 4) Ook de profeet Elia heeft een kleed van kameelhaar gedragen. (2 Koningen 1, 8)

Profeet bij uitstek

“Maar wat zijn jullie dan wel gaan zien? Een profeet? Jazeker, zeg ik jullie, en zelfs meer dan een profeet.” (Matteüs 11, 9)

Jezus bouwt een spanningsboog op. Hij stelt de vraag en antwoordt tot tweemaal toe verkeerd op de vraag. Pas de derde keer is het antwoord juist. Hij snoert sceptici de mond door hun antwoorden voor te zeggen en te weerleggen. Zo beklemtoont Hij meteen het belang van het correcte antwoord. Het gaat niet over een bijkomstigheid.

Johannes, de man die zovelen hebben gezien en gehoord, is immers “veel groter, veel belangrijker nog” (in het Grieks: “perissoteron”) dan een profeet: de profeet bij uitstek. Een profeet verkondigt de ware Boodschap, de essentie van een goed geloof, in een tijd waar men zich van God noch gebod aantrekt. De band met God is verzwakt. De profeet roept op tot inkeer, tot een nieuw begin, voordat het te laat is. Dat is precies wat Johannes de Doper doet, en Hij kondigt de Messias meteen aan, niet in een verre toekomst, maar heel binnenkort.

“Hij is degene over wie geschreven staat: “Let op, Ik zend mijn bode voor je uit, hij zal een weg voor je banen.” (Matteüs 11, 10) Jezus citeert de profeet Maleachi, aan het einde van het Eerste Testament: “Zie, Ik zend mijn boodschapper en hij zal voor Mij de weg klaarmaken.” (Maleachi 3, 1)

Geloofwaardig

Geen mens had Johannes geloofd als hij in een processie zijn verhaal had gedaan vanop een draagstoel die door de stad werd geparadeerd, in pronkerige kleren en neerkijkend op de mensen. De profeet begrijpt de Boodschap van Hij die komend zal, Hij kijkt op naar de Messias en nodigt iedereen uit om hetzelfde te doen. 

Laten ook wij boodschappers zijn van de Heer. Laten ook wij in steeds toenemende mate de Boodschap eigen maken in ons dagelijkse doen en laten. Geloof verkondigen, vergt immers bovenal geloofwaardigheid.

De kleren maken de man of de vrouw dus wel degelijk. Wie een kleed van boete aantrekt, wie afstand doet van de pronkjas van de hovaardigheid, is op weg naar een nieuw begin. 

17 juni 2022

Wat broodnodig is: engagement en naastenliefde (18-19 juni 2022)

We vierden donderdag Sacramentsdag. De lezingen kunnen ook op zondag worden gekozen. De menigte krijgt honger. Hoe is het met onze honger gesteld? Herkennen wij de honger? Worden wij gevoed? Veel vragen... 

  • Voor de lezingen van Sacramentsdag: klik hier. 

“De mensen aten en allen werden verzadigd.” (Lucas 9, 17a) Ze waren vervuld van het voedsel. Er was aanvankelijk leegte, maar er kwam volheid. Het hoeft niet gezegd dat beeldspraak in de Schrift vaak veel symbolische snaren mee laat trillen.

Stoorzenders

Laten we meteen even hermeneutisch denken: wat kan deze zin voor ons betekenen? Het is misschien niet meteen de slagzin die gewoonlijk uit dit verhaal wordt geplukt. Toch blijf ik bij het lezen van de passage over de broodvermenigvuldiging juist hier halt houden. Misschien omdat mijn eigen maag gromt om wat aandacht? Wellicht speelt er meer. Ik vraag me wel vaker af waarmee wij nog te verzadigen zijn.

Wij worden dagelijks al verzadigd met aandacht en informatie. Onze agenda bepaalt al te vaak ons leven, en als we veel mensen mogen geloven, is dat leven druk-druk-druk. We omringen ons ook met toestellen die ons constant bezig houden. Een smartphone, een laptop, een tablet, een huistelefoon, een radio, een televisie. We lijken te leven van scherm naar scherm en van geluid naar geluid. Berichtjes ontvangen, berichtjes sturen, berichtjes liken, berichtjes delen, berichtjes forwarden... Het geeft ons de indruk dat we belangrijk zijn, dat we meetellen, dat we iemand zijn. Het internet voorziet ons op ieder moment van de dag van een tsunami aan informatie waarin je kan verdrinken tussen feiten en onzin. Het ego wordt intussen ijverig gestreeld. Het toestel zingt, piept of trilt, en we weten ons aangesproken. Dat is de psychologie achter het fenomeen.

Zin en ego

Voor alle duidelijkheid: het is niet de bedoeling om het cultuurpessimisme te voeden. De realiteit is wat ze is. Er worden leegtes gevuld met tijdelijke prulletjes. En meer en meer mensen vergeten stilaan de leegte die ze zo gedreven verdoezelen. Wat ben je zonder zingeving? Wat stelt je leven voor als je er geen visie rond ontwikkelt? Wat is het doel en de zin van je bestaan? Zingeving is een proces doorheen je leven, met ups en downs, geen solide blok. Het wordt problematisch wanneer je je geen vragen stelt en geen antwoord zoekt. Heeft men nog honger naar een doel en naar zin? Of is alles tijdelijk en wegwerpbaar geworden, tot er iets ergs gebeurt en je wel halt moét houden?

De talrijke aanwezigen die rond Jezus zijn verzameld, stellen zich wel vragen en zijn bewust op zoek. Het lijkt een typisch Westerse pretentie dat we ons geen zinsvragen hoeven te stellen. Vragen die mensen aangereikt krijgen, hebben vaak louter betrekking op zichzelf. Misschien kan je een beetje yoga doen, of een beetje chakratherapie, of een beetje mindfulness. Het gaat over ik en mijn en mij en mezelf. Maar een religie in zijn geheel wordt als onverstandig beschouwd, en dan druk ik het nog heel braaf uit. We leven in een complexe postmoderne realiteit waarin nieuwe taboes zijn ontstaan.

Het christelijk geloof vertrekt niet uit een menselijke honger maar uit Gods openbaring. De Blijde Boodschap is niet bedoeld als vulmiddel voor onze persoonlijke diepe zinskraters. Als we een honger ervaren, kan die ons wel dichter brengen bij de keuze om te geloven. Het kan een aandacht ontwikkelen, een zoektocht opstarten of heropstarten. Toch zal het engagement niet gekneed kunnen worden in de vorm van onze leegte. God overstijgt ons en onze behoefte. God is niet maakbaar.

Verzwegen wonder

Laten we terugkeren naar het verhaal in haar geheel. Jezus heeft een grote menigte rond zich verzameld. De leerlingen merken dat de avond valt en stellen voor om de mensen stilaan weg te sturen, zodat ze onderdak kunnen zoeken voor de nacht. (Lucas 9, 12b) Jezus vindt dit geen goed idee. “Geef hun te eten.” (Lucas 9, 13b) De leerlingen zien dat absoluut niet zitten: “We hebben maar vijf broden en twee vissen.” (Lucas 9, 13c) En toch zal bij de menigte, na de spirituele honger, ook de honger in de maag gestild worden.

Is dit een verhaal over vermenigvuldiging of over deling? Hoewel dit vaak “de broodvermenigvuldiging” wordt genoemd, wordt het wonder nergens in het verhaal vernoemd. Er staat enkel dat er achteraf twaalf korven met brokken overschot worden verzameld: veel meer dan er aanvankelijk was. (Lucas 9, 17)

Er ontstaat in dit verhaal, vooral tussen de lijnen door, in het met mysterie omhulde wonder, een dimensie van breedte en van hoogte. Jezus leert zijn leerlingen, en dus ook ons, dat ze een plicht hebben ten aanzien van naasten, tot voorbij wat mogelijk is of haalbaar. Jezus stuurt de mensen niet weg, maar geeft hun te eten. Hij verkondigt immers geen navelstaarderij. Het is niet Jezus’ ultiem verlangen dat de leerlingen hun diepste zelf beter leren kennen. Ze moeten zichzelf juist overstijgen. Ook wij worden uitgedaagd om God te leren kennen, tot Hem te bidden en vanuit zijn boodschap te handelen.

Misschien vertelt dit verhaal bovenal over hoe het onmogelijke werkelijkheid kan worden. Jezus neemt het brood, kijkt op naar de hemel, spreekt een zegengebed uit en breekt het (Lucas 9, 16): een niet verkeerd te verstane verwijzing naar het Laatste Avondmaal.

Waarden uit geloof

In die zin is dit niet zozeer een verhaal over solidariteit maar over liefde voor God én voor de naasten in Jezus’ Naam. Hoe mooi, zinvol en lovenswaardig wereldse waarden ook zijn, ze zijn nooit synoniem voor de christelijke Liefde, precies omwille van de identiteit en het engagement waarop de naastenliefde gegrondvest is.

Vlak voor dit wonder zond Jezus zijn leerlingen uit in de streek om de Blijde Boodschap te verkondigen. Zijn praktische instructies waren niet verkeer te verstaan: “Neem niets mee voor onderweg: geen stok, geen reistas, geen brood en geen geld, en ook geen extra kleren.” (Lucas 9, 3) De eigen soberheid typeert de christelijke caritas. De Boodschap is slechts geloofwaardig als de verkondigers er zelf ook naar leven. Het moet adequaat gebeuren, zoals Franciscus van Assisi zo scherp had ingezien: men hoort in soberheid de soberheid te verkondigen.

En ik dan?

Mogen wij dan helemaal niet aan onszelf denken? Natuurlijk wel. Ook wij hebben brood nodig, ook wij hongeren naar Liefde, naar het Woord, naar gerechtigheid, naar hoop. Welnu, wat we het hardst nodig hebben, dat moeten we in de eerste plaats geven aan anderen. “Geef, dan zal je gegeven worden. De maat die je voor anderen gebruikt, zal ook voor jou worden gebruikt.” (Lucas 6, 38ac)

15 mei 2022

Heb elkaar lief zoals Ik jullie heb liefgehad (14-15 mei 2022)


"Zoals Ik jullie heb liefgehad,

zo moeten jullie elkaar liefhebben.

Aan jullie liefde voor elkaar

zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn." (Johannes 13, 34b-35)


Daar staan wij dan:

in Jezus' naam een Wereldkerk, 

verbrokkeld en verscheurd,

met oog voor onderlinge verschillen,

onszelf de waarheid toekennend.


In Gods Naam, heb elkaar lief!


De wereld kreunt

onder de ongelijkheid

tussen rijk en arm.

De liefde moet wijken 

voor politiek en portemonnee.


Heeft God ons geleerd elkaar zo lief te hebben?


De wereld zucht

terwijl er dagelijks slachtoffers vallen

door oorlogsgeweld

dat zelfs wordt goedgepraat

in Jezus' naam.


Onherkenbaar zijn we dan, broeders en zusters in de Heer.


"Zoals Ik jullie heb liefgehad,

zo moeten jullie elkaar liefhebben.

Aan jullie liefde voor elkaar

zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn."


Zwak en laf zoals Petrus (Johannes 13, 36-38)

en als Judas, zo beïnvloedbaar, (Johannes 13, 21-30)

staan we voor God en zijn Boodschap van Liefde.

Laten we elkaar steunen en bemoedigen 

om zichtbare getuigen te worden van het Woord.


Amen.

23 januari 2022

De Gezalfde van de Heer spreekt tot zijn stadsgenoten (22-23 januari 2022)

Geboren is Jezus in Betlehem, maar grootgebracht werd Hij in Nazaret. Daar begint Jezus dan ook zijn prediking, zijn verkondiging al wie het maar horen wil. Niet op straat spreekt Jezus, maar in de synagoge, bij het volk waar Hij toe behoort, de nakomelingen van de grote koning David, het volk dat voortkomt uit Abraham, Isaak en Jakob. Hij predikt op de sabbat, op de rustdag die zijn Vader instelde. Jammer genoeg zal Hij uit dat uitverkoren Volk van God ook zware tegenstand ervaren. 

Gezalfd

Jezus verkondigt langs een citaat van de profeet Jesaja (Jesaja 61, 1-2) dat Hij is gezalfd door de Geest. Hij is niet alleen gedoopt, maar ook gezalfd. Zo worden wij ook gezalfd: bij het doopsel én bij het vormsel. Koningskinderen zijn we, gezalfd als David, deelachtig aan Gods zending. We mogen deze zalving niet verwarren met de ziekenzalving, die sterkt wie ziek is. Jezus is de Messias (Jesaja 61, 1: "masjach oti" in het Hebreeuws), de Christus (Lucas 4, 18: "echrisen me" in het Grieks). De Geest van de Heer is over Hem gekomen en heeft Hem gezonden. Jezus gaat ons hierin voor: Hij vraagt niets van ons wat Hem niet is opgelegd van zijn Vader. Jezus verkondigt niet uit zichzelf, maar uit de Vader langs de Geest. Hij is in al zijn doen en laten verbonden met de Vader langs de Geest.

Jezus' opdracht

Zijn zending is veelzijdig: aan armen zal Hij de Boodschap verkondigen, het evangelie (Lucas 4, 18: "euangelisasthai" in het Grieks). Daar hebben zij meer recht op dan de rijksten en edelen. Zij zullen hun rijkdom en allures opzij moeten schuiven vooraleer ze aanspraak maken om Hem te volgen. Aan gevangenen wordt hun vrijlating bekend gemaakt. Wie fouten heeft begaan, hoeft dat merkteken niet levenslang te dragen. Wie oprecht en van ganser harte berouw toont, verdient een nieuwe kans. 

Blinden zullen kunnen zien, hun ogen worden geopendDaarmee verwijst Jezus naar de wonderen die Hij zal verrichten, maar evenzeer op de wijsheid van Gods Boodschap die mensen de ogen zal openen. Hierin wijkt Jezus af van de oorspronkelijke tekst bij Jesaja, die zegt dat de gevangenisdeuren geopend zullen worden. Dit "openen" wordt in het Hebreeuws ook gebruikt voor het openen van de ogen. De uitdrukking "pekah koach" (Jesaja 61, 1) kan ook vertaald worden als: vrijheid verkrijgen. Hierdoor krijgt de figuurlijke betekenis meer geloofwaardigheid: de bevrijding uit een afgesloten manier van geloven in de Heer, begeesterd worden door de Geest van de Vader. Bij een letterlijk oogwonder verkrijgt de blinde het zicht, bij het figuurlijk wonder komt er inzicht.

Jezus gaat verder. Wie verdrukt wordt, zal bevrijding ontvangen. Iedereen is immers gelijk en gelijkwaardig in de ogen van God. Niemand is meer waard dan een ander, niemand kan iemand onderdrukken en tegelijk volgeling van Christus zijn. 

Genadejaar

Dit citaat is voorwaar een manifest van Jezus' Boodschap, helder en klaar. Als al deze wonderlijke zaken gebeuren, dan zal het een genadejaar zijn, een jaar van vreugde, besluit Jezus. Terecht, want wanneer Jezus op aarde onder de mensen is, kan het alleen maar een genadejaar zijn. Dat is een eenmalig voorrecht geweest van de mensheid. De Schrift gaat in vervulling met zijn komst, met zijn verkondiging, maar ook met het lijden en de dood die Hem wachten.

Het verder verloop van de gebeurtenissen in de synagoge, wordt niet in de lezing opgenomen. Dat volgt volgende week. De bewondering van de toehoorders (Lucas 4, 20) maakt algauw plaats voor kleinerende praatjes: "Is Hij niet de zoon van Jozef?" (Lucas 4, 22). Ze ontkennen hiermee meteen dat Jezus de Gezalfde kan zijn. Zijn enige vader is Jozef volgens zijn stadsgenoten. Daarna volgt woede (Lucas 4, 28). De mensen zijn niet klaar voor zijn Boodschap. Ze sluiten zich af voor het wonder. Na de vreugdevolle Boodschap van deze week volgt een eerste, voorzichtige vooruitwijzing naar de Goede Week.

Laten wij ons openstellen voor de Geest, zoals Jezus de Geest over zich liet komen. Laten we ons bevrijden van onze vooroordelen en open en ontvankelijk zijn voor het evangelie. Wat zou de wereld mooi zijn, mochten meer mensen Jezus' Boodschap beleven en voorleven aan anderen, de Boodschap zoals Jezus die heeft bedoeld...

10 oktober 2021

Waar ziel en geest elkaar ontmoeten (9-10 oktober 2021)

We hebben het vandaag over één Bijbelvers, niet meer en niet minder. Soms volstaat één vers. Een omhaal van woorden is immers vaak een veeg teken dat ijdelheid en zelfgenoegzaamheid op de loer liggen (Matteüs 6, 7).

Het Woord is levend en het is krachtig. Het is geen dode letter en geen lauwe soep. Levend staat inhoudelijk voor "vlug", krachtig betekent "actief". Het Woord van God is scherper dan een tweesnijdend zwaard. Het Woord zet Gods Boodschap op het scherpst van de snee, om in de beeldspraak te blijven. 

Helder en klaar

Inderdaad, Jezus heeft ons geen vage, onduidelijke uitspraken nagelaten op zijn weg naar Jeruzalem. Het was niet onbegrijpelijk moeilijk, maar helder en klaar, toegepast op ons leven.

Dat is een dankbare gave van God aan ons allen. Jezus heeft de essentie van het geloof haarfijn aan ons uitgelegd. In alles wat we denken, doen en laten, horen we God lief te hebben en onze naasten zoals onszelf (Marcus 12, 30,31). Keer op keer komt Jezus' boodschap terug op deze kernachtige boodschap. De profeet Jesaja bereidt de verkondiging van de Heer al voor, met even scherpe taal (Jesaja 49, 2).

Er staat een belangrijke nuance eerder in de Hebreeënbrief. Hoe scherp en penetrant het Woord van God ook moge zijn: zonder geloof komt het de mens niet binnen (Hebreeën 4, 2). De mens is vrij om in te gaan op het aanbod of (nog) niet. God wil geen plicht en evidentie zijn, maar een bewuste, weloverwogen keuze

Ziel en geest

Wanneer de mens het toelaat, dringt het Woord door tot het raakpunt van ziel (psychè) en geest (pneuma). De ziel is verbonden met het lichaam: het denkt over onze ervaringen en gevoelens vanuit ons lichaam. De ziel is verbonden met de aarde, met onze belichaamde ervaring van het veranderlijke. De geest daarentegen is verbonden met het spirituele en heeft voeling met de heilige Geest, met onze geestelijke ervaring van het eeuwige.

Vervloekte vrijheid?

De mens is drager van de vrijheid en blijft diep vanbinnen als een eeuwige twijfelaar door het leven gaan, beïnvloed door het lichaam waarin hij of zij leeft en de moeilijk vertaalbare gewaarwording van het eeuwige. De vrijheid, ons door God gegeven, wordt wel eens een giftig geschenk genoemd, een veroordeling. 

De Franse filosoof Jean-Paul Sartre (1905-1980) was hier sterk van overtuigd. De mens wil sterk en onveranderlijk zijn (être en soi) zoals een steen onveranderlijk steen is. Een steen is niet "een beetje steen", een steen "neigt niet naar het steen-zijn". Een mens blijft in alles wel altijd "een beetje" (être pour soi): een beetje consequent, een beetje vilein, een beetje liefdevol, een beetje wispelturig, een beetje doordacht, een beetje eerlijk. Bij de mens blijft het altijd bij streven naar perfectie en idealen, we worden ze nooit ten volle. Dat is eigen aan het mens-zijn.

Geweten

Nu raakt het Woord van God het samenkomen van ziel en geest. Waar tijd en eeuwigheid elkaar raken in ons binnenste, daar raakt God ons aan. Mogen we dit punt ons geweten noemen? Wellicht wel. Ons geweten is immers onze innerlijke kracht ten goede, het beste van ziel én geest. Net zoals merg en been sàmen ons skelet vorm en kracht geven.

In onze vrijheid mogen we ons aangestuurd weten door God, die onze verwarring kent en doorziet. Daar is het Woord ook precies op gericht: de mens begrijpt waar het over gaat omdat God op "didactische" wijze heeft gesproken in de tijd vóór de komst van de Mensenzoon én in de verkondiging van Jezus zelf. 

Wanneer wij naar het Woord luisteren en ons geweten er door laten voeden, dan komen we dichter bij God en zijn Woord. Daartoe hoeven we ons menselijk bestaan niet te ontkennen. Evenmin mogen we achter onze zwakheden schuilen als makkelijk excuus.

Dit alles is ons meegegeven in één vers. Klaar en duidelijk, maar bijzonder bondig. Een korte processie van veelzeggende woorden gaat langs ons voorbij. Het is aan ons om goed op te letten en "bij de les te blijven". In één vers ontvangen we een wijze levensles, levend en krachtig als Gods Woord zelf.

05 augustus 2021

Heilige Dominicus: Geloven in denken en in doen (8 augustus 2021)

Doorheen de tijden waren er geregeld mensen die de Kerk wezen op hun oorsprong, hun wortels, vooral wanneer bezit en macht de waarheid vertroebelen en de Kerk doen wegdrijven van haar diepste boodschap. Dat deed ook de heilige Dominicus. Hij wordt op 8 augustus gevierd, maar verdwijnt nu even achter de zondagsliturgie. Zijn boodschap is echter zo belangrijk, dat er op de blog ruimte voor wordt gemaakt.

De heilige Dominicus (geboren Domingo Guzmán) is geboren in Caleruega in het toenmalige koninkrijk Castilië in 1170. Na zijn opleiding reisde hij naar Scandinavië in opdracht van de koning van Castilië. Dominicus vatte hierdoor het idee op om in Scandinavië te gaan missioneren.

Katharen: afwijking met wijsheid
In 1206 kreeg hij van de paus een missietaak in de Languedoc, waar hij samen met cisterciënzers de katharen moest bestrijden. De katharen streefden naar volmaakte zuiverheid en vonden de Roomse Kerk teveel gericht op rijkdom en macht. Er werd veel klemtoon gelegd op mystieke ervaring en op de gevaarlijke aanwezigheid van de duivel op aarde. Ze waren ook in onze contreien heel actief. De paus zag in de beweging een bedreiging voor de eenheid van de Westerse Kerk. De zogenaamde Albigenzische kruistochten moesten een einde maken aan het katharisme.

De lokale geestelijken bereikten weinig omdat ze hooghartig overkwamen en luxueus leefden. Dominicus besefte dat ze de vooroordelen bevestigden. Volgens hem moest de afwijkende geloofsleer bestreden worden door predikers die met een eenvoudige leefstijl hun woorden geloofwaardigheid en autoriteit verschaften. Hiermee nam hij eigenlijk ook de zinvolle standpunten van de katharen heel ernstig. Het getuigde van grote wijsheid. De cisterciënzermonniken met wie Dominicus rondtrok, bezaten te weinig kennis om hun argumenten tegen te spreken. Hierdoor ging hij nog meer beseffen dat geloofskennis cruciaal was om de kracht van het geloof in de wereld te brengen.

Een nieuwe orde
Eind 1206 stichtte hij een vrouwenklooster, het eerste van de latere dominicanessen. In Toulouse begon Dominicus met de oprichting van een orde voor de prediking. In 1215, tijdens het Vierde Lateraans Concilie werd de orde officieel erkend onder de naam Ordo Praedicatorum. Vandaar dat de dominicanen ook bekend staan als 'predikheren'. Dominicus zond zijn bedelbroeders uit naar Parijs, Spanje en Italië om theologie te studeren. De combinatie van bescheidenheid en wijsheid werd kenmerkend voor de dominicanen. Er ontstond een internationale orde die in 1220 voor het eerst in Bologna een generaal kapittel hield. De nadruk kwam sterk te liggen op studie en het in praktijk brengen van het Woord.
Geloof voor alle mensen
Dominicus is ook bekend om zijn ijverige prediking ter promotie van het rozenkransgebed. Dit eenvoudige gebed gaf ongeletterde mensen die geen Latijn verstonden de kans om zich volledig te engageren in gebed. Door zijn opgewekte aard, zijn praktische instelling en zijn scherp oog voor de tekenen van de tijd wist Dominicus mensen te inspireren. Hij richtte een dynamische orde op met als hoofdtaken prediking en zielzorg.

Nog bij leven deed hij afstand van de leiding van zijn orde. Uitgeput door het vele reizen stierf hij op 6 augustus 1221 te Bologna. Van Dominicus zijn behalve enkele brieven geen geschreven werken bewaard gebleven. In 1234 al werd hij door paus Gregorius IX heilig verklaard. Zijn feestdag is 8 augustus.
Wijsheid voor vandaag en morgen
Dominicus blijft een inspiratiebron voor ons door zijn oog voor authenticiteit en voor kennis. Het seksueel misbruik binnen de Kerk is een pijnlijke vorm van niet authentiek zijn. Dat illustreren de teleurgestelde reacties van zoveel gelovigen. Het heimwee naar de triomfalistische Kerk van weleer is ook nooit ver weg. Mensen voelen zich soms ongemakkelijk in een kleiner geworden Kerk en zoeken meer uitgesproken standpunten en belevingsvormen. De eerste vraag moet zijn of we daarmee dichter bij Christus' boodschap komen.

De boodschap van Dominicus is boeiend en brandend actueel
- Een geloofsgemeenschap die de boodschap van Christus belijdt, maar er niet naar leeft, is een zinkend schip. Dat moeten we voor ogen houden. 
- Verantwoordelijken in de Kerk, die macht toegeëigend krijgen, mogen nooit vergeten dat ze vóór alles dienaars van allen zijn en een voorbeeldfunctie hebben. 
- De Kerk moet blijven zoeken naar nieuwe wegen om haar kennis zo breed mogelijk te delen, vooral met jonge gelovigen.

10 juli 2021

Gezonden, twee aan twee (10-11 juli 2021)

Jezus zendt zijn leerlingen in het evangelie van deze zondag. Roeping en zending (“apostellein”, in het Grieks) vormen een tweespan, zo blijkt. De leerlingen zijn geroepen door Jezus, heel persoonlijk. Gezonden worden ze nu twee aan twee (“duo duo”, in het Grieks).

  • Voor  de lezingen van deze zondag: klik hier.

Ver weg van ego en bezit

Ze worden niet individueel gezonden. Een zending is geen individueel gebeuren, geen persoonlijke missie. De leerlingen ontvangen geen verheffend privilege, maar een opdracht van Godswege. Niet het individu staat centraal, maar de boodschap. Door ze twee aan twee te zenden, beklemtoont Jezus het gedeelde karakter van een zending. Waarom per twee? Er kan een dynamiek ontstaan van wederzijdse ondersteuning en bemoediging. Ze kunnen elkaar aanvullen in de verkondiging. Soms wordt ook gesuggereerd dat het een soort proefzending is en dat ze daarom beter per twee op weg kunnen gaan. Toch mogen we de gedeelde zending niet zomaar naast ons neerleggen.

Ze krijgen ook weinig mee: enkel een stok en hun kledij. Geen reservekledij, geen voedsel, geen geld, geen zekerheid. Ze moeten rekenen op de gastvrijheid van de mensen die ze ontmoeten en aan wie ze hun geloof mogen verkondigen. Zijn ze niet welkom en worden ze niet beluisterd, dan dienen de leerlingen verder trekken en het stof van hun voeten schudden. Zelfs het stof mogen ze dan houden daar.

De zending is een oefening in soberheid, zowel inhoudelijk als vormelijk. Het is een heel radicale opdracht die Jezus zijn leerlingen oplegt. Ze worden gezonden naar het onbekende met lege handen. Jezus vraagt echter niet van zijn leerlingen wat Hij zelf niet heeft voorgeleefd. Ofschoon Hij de Zoon van God is, heeft Hij zich geen koningsmantel toegeëigend, geen rijkdom verzameld en geen royale vaste uitvalsbasis uitgebouwd. Dat had Hij immers gekund. Neen, Hij trekt zelf van dorp naar stad met zijn volgelingen, en rekent op de gastvrijheid van mensen van goede wil. De boodschap is duidelijk. Hebben wij goed geluisterd, nu en doorheen de tijden?

Onze luistervaardigheid

Het blijft merkwaardig hoe de wereldwijde kerkgemeenschappen worstelen met Jezus’ boodschap van materiële soberheid. Wij bouwen en restaureren kerken en zorgen voor alle gemakken in die gebouwen: warmte, licht, geluidsinstallatie, moderne technieken… We willen op die manier eer brengen aan God en zijn huis, maar doen we dat op de juiste manier?

De hunker naar zekerheid en standvastigheid is ons, mensen, eigen. Die hunker wil Jezus in de zending van de leerlingen nu juist dempen. Laten we ruimte maken in ons geloofsdenken voor deze duidelijke boodschap. Laten we ons ver houden van egocentrisme en egoïsme. Ook wij zijn allemaal gezonden op onze eigen manier. Laten we er werk van maken, dag aan dag: niet alleen, maar samen!