Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- 'Geen tijd voor je feestje' (10-11 oktober 2026).
Posts tonen met het label identiteit. Alle posts tonen
Posts tonen met het label identiteit. Alle posts tonen

26 februari 2026

Het ultieme voorteken (28 februari-1 maart 2026)

Het beklimmen van een berg is een indrukwekkende belevenis. Het vraagt veel kracht en doorzetting en een avontuurlijke ingesteldheid. Het vraagt ook een bewuste keuze om op de veilige, welomlijnde weg van een heuvelachtig landschap toch een afslag te nemen en dat ongemakkelijke bergpad te kiezen. Wie niet goed is voorbereid en niet aandachtig is onderweg, kan zwaar ten val komen. De Veertigdagentijd is de uitgelezen tijd om het bergpad naar binnen heel bewust te kiezen, een avontuurlijk traject dat juist omwille van de uitdaging ook een verrijking kan zijn voor je spiritualiteit en je identiteit.

  • Voor de lezingen van de tweede zondag van de Veertigdagentijd A: klik hier.

Verhaalvorm

De gedaanteverandering van de Heer is een bijzonder complex verhaal. Het kan zeker niet gelezen worden als een feitenrapport. Dit verhaal vertelt een theologische waarheid, het brengt een ons overstijgende werkelijkheid onder woorden. We mogen deze verhaalvorm niet verwarren met fantasie. Er wordt wat verderop geen zwerkbal gespeeld en er klinken geen optaterspreuken begeleid door wild gezwaai met een toverstaf. 

De gedaanteverandering is niet van magische aard. Het vertelt een verhaal omdat een theologisch traktaat nog een stuk ingewikkelder zou zijn. We doen dit verhaal het meest onrecht aan wanneer we haar diepste intentie niet respecteren: dit is christologie in beeldtaal. Het wezenlijke van Christus, zijn Boodschap en zijn aardse verblijf komt hier aan bod.

Hoog

Het verhaal valt meteen met de deur in huis. Jezus beklimt een berg, samen met Petrus, Jakobus en Johannes. Verder is er niemand: het betreft een klein gezelschap. Het is niet zomaar een heuvelrug, nee: ze beklimmen een hoge berg. (Matteüs 17, 1) Hoogte is van belang hier. Jezus en de drie leerlingen komen dichter bij de hemel, en worden verder weg van de vlakke wereld verwijderd. 

Ze kunnen het gewemel overschouwen en maken er geen deel meer van uit. Het landschap is ruiger, de klim is ongetwijfeld een uitdaging. Er is geen drukte, geen rumoer, geen afleiding hoog op de berg. In het majestueuze landschap ervaren ze hoe klein een mens eigenlijk is en hoe prachtig de schepping. Het staat in schril contrast met de onbeduidendheid en het banale waarin mensen zich verliezen in de vlakke wereld van elke dag. 

Berg zonder Naam

Merkwaardig detail: de berg heeft geen naam, terwijl vaak heel specifieke plaatsbeschrijvingen in evangelieverhalen staan vermeld. De plaats doet er immers niet toe. De locatie blijft een mysterie omdat de betekenis van de berg ligt in wat erop staat te gebeuren. Het zal tijd en ruimte overstijgen. We hebben tot nu toe één Bijbelvers gelezen. Verhalen zijn heel effectief om veel te zeggen in weinig woorden.

Het volgende vers is minstens even verhelderend. Het uitzicht op hoge hoogte is wellicht adembenemend, maar vooral een inzicht zal hun keel dicht hebben geknepen. Er gebeurt een metamorfose (in het Grieks: 'metemorfootè', Hij veranderde van gedaante) voor hun ogen. Zijn gelaat wordt stralend als de zon en zijn gewaad witter dan het licht. (Matteüs 17, 2) Het Licht brengt God in beeld. Zoals het vuur van de brandende braamstruik. (Exodus, 3, 1-6) God verschijnt aan Mozes in een onbenaderbaar vuur. Zowel het heldere licht als het vuur scheppen een afstand tussen mens en God. Wij hebben niet zomaar toegang tot God. Er is geen magie in het spel. Dit gaat over symboliek. Over sacramentaliteit.

Tabernakel

Plots blijken ze in vers 3 niet met zijn vieren te zijn op de berg. Uit het niets worden Mozes en Elia vernoemd, die in gesprek zijn met Jezus. Zij spreken met Jezus, niet met de leerlingen. Een Goddelijke dialoog grijpt plaats: Jezus, de Zoon van God, spreekt met Mozes, die de Wet vertegenwoordigt, en met Elia, die staat voor de Profeten. Samen bekleden deze beide verschijningen de Traditie van de Heer die op weg is gegaan met zijn Volk, vanaf het eerste begin tot dat moment. En Jezus staat op gelijke hoogte met hen. (Matteüs 17, 3) Hij wist Wet en Profeten niet uit, maar is organisch met hen verweven. Jezus ís de Wet en Profeten, meer bepaald: de vervulling  van Gods Belofte langs een Nieuw Verbond dat weldra wordt gesloten.

Petrus spreekt de Heer aan, midden in dit mystiek gebeuren. Hij stelt voor om drie tenten te bouwen: drie tabernakels, drie beschermende heiligdommen waarin het Goddelijke kan verwijlen, weg van de elementen, (Matteüs 17, 4) zoals eertijds de tent van het Verbond. (Exodus 25) Jezus zal weldra de nieuwe Ark belichamen, wanneer in Hem het Verbond tussen God en zijn Volk wordt vernieuwd. 

Christologie

Een Goddelijk spreken onderbreekt Petrus' voorstel: de hemelse Vader weerklinkt vanuit een wolk. Ook de wolk is vervuld van helder licht. Mozes, Elia, de Zoon en de Vader: ze zijn verenigd in Licht, in goddelijkheid. (Matteüs 17, 5) De Vader herhaalt zijn woorden van bij Jezus' doopsel door Johannes de Doper: "Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind ik vreugde." (Matteüs 3, 17) Dit keer wordt er nog een duidelijk directief aan toegevoegd: "Luister naar Hem." Gehoorzaam Hem. De tijd is immers rijp.

In de volgende hoofdstukken wordt vooral nog gesproken over de hemel en het Rijk Gods. (Matteüs 18-20) Daarna doet Jezus zijn intocht in Jeruzalem en richt Hij zich streng tot de Schriftgeleerden, terwijl Hij voorspelt wat er zal gebeuren wanneer de Mensenzoon terugkomt. (Matteüs 21-25) Het lijden en sterven van de Heer is niet meer ver weg. En dat klinkt ook in hoofdstuk 16, dat aan de gedaanteverandering voorafgaat: "Wie achter Mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en Mij volgen. Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het behouden." (Matteüs 16, 24-25) 

Wellicht de meest veelzeggende aanwijzing om de gedaanteverandering van de Heer te plaatsen, is Jezus' vraag aan zijn leerlingen, eveneens in het vorige hoofdstuk: "En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben? " (Matteüs 16, 15) Wat is het wezen van Christus? Wie is Hij? Het is eveneens Petrus die dan begeesterd spreekt: "U bent de Messias, de Zoon van de levende God." (Matteüs 16, 16) Er klinkt heel veel christologie in de gedaanteverandering. Het is geen luchtige thematiek. Maar dat mag in de Veertigdagentijd, op weg naar Pasen.

Zelfde symbolen

Dichter bij Pasen zal Petrus vloekend en zwerend uitroepen: "Ik ken die man niet!" (Matteüs 26, 74) En daarmee komen we bij het Christusmysterie waar de gedaanteverandering een voorteken van is, een vooruitwijzing: het lijden, sterven en opstaan van de Heer. Daarin komen veel symbolen terug. 

Zijn ondergewaad zal niet worden gescheurd, boven op de heuvel van Golgota. (Matteüs 27, 35 en Johannes 19, 23) Op een minder imposante verhoging dan de hoge berg zal het kruis worden opgericht. Het licht zal doven: duisternis zal de aarde bedekken. (Matteüs 27, 45) Het voorhangsel van de tempel zal scheuren. Het tentdoek wordt door toedoen van mensen vernield. (Matteüs 27, 51)   

De rijkdom van het verhaal van de gedaanteverandering is onuitputtelijk en heel inspirerend in voorbereiding op Goede Vrijdag en Pasen. Laat ons, in navolging van Jezus en de drie leerlingen, de naamloze berg beklimmen en dichter bij de betekenis van het lijden en sterven van de Mensenzoon komen: de betekenis binnen ons geloof en bijgevolg ook voor onze eigen diepste spiritualiteit.

06 juni 2025

Pinksteren: God als Vader, Zoon en Geest tegelijk (7-8 juni 2025)

Met Pinksteren daalt de heilige Geest neer over de leerlingen. Daarmee wordt de Paaskring afgesloten. En daarmee is ook de liturgische basis voor de heilige Drie-eenheid vervolledigd. Hoe zien wij God? Hoe verenigen we de absolute eenheid van God met de Vader en de Zoon en de heilige Geest? Laat ons te rade gaan bij een toonaangevende theoloog…

  • Voor de lezingen van deze Pinksterzondag: klik hier. 

Andere tijd, andere kijk

Zwitsers theoloog Karl Barth (1886-1968) heeft ons een nieuwe kijk op de zijnswijze van God aangereikt. Dat klinkt meteen heel zwaar, maar het is tegelijk ook bijzonder concreet. Het gaat over de manier waarop we God aanspreken, met welke Naam, op welke wijze, vanuit welk beeld. God is immers niet zomaar zichtbaar of tastbaar. Vanuit de traditie spreken we over de drie Goddelijke Personen: Vader, Zoon en Geest. Dat beeld was duidelijk en (vrij) ondubbelzinnig in de tijd dat dit theologisch concept werd gevormd, in die taal en die cultuur. Het moest duidelijkheid verschaffen in een tijd van eenzijdige opvattingen, van afwijkingen.

Tijdens het Eerste oecumenisch Concilie in Nicea werd deze theologische visie voor het eerst bekrachtigd: in 325, dit jaar 1700 jaar geleden. Het Symbolum van de apostelen, de twaalf geloofsartikelen, zijn dan neergeschreven. Daaruit is later in die vierde eeuw, in het Eerste oecumenisch Concilie van Constantinopel van 381, onze uitgebreide geloofsbelijdenis ontstaan: de geloofsbelijdenis van Nicea. Oftewel, voor de liefhebbers van tongbrekers: de Nicenoconstantinopolitanum.

In onze Verlichte tijden komen de drie Goddelijke Personen misschien te afzonderlijk over, te onafhankelijk van elkaar. Een persoon wordt immers beschouwd als zelfbewust en zelf-openbarend. Wij zien subjecten als individuele, naast elkaar bestaande personen. In die hedendaagse interpretatie schept dit concept dus mogelijks verwarring: er groeit een risico op tritheïsme, waarin we de onlosmakelijke eenheid van God uit het oog verliezen. En dat is oorspronkelijk zeker niet zo bedoeld.

Bestaansvormen

Karl Barth ziet meer helderheid in één God in drie Bestaansvormen, drie Vormen van God-zijn met andere woorden. Er is één God: de Vader, die de Zoon heeft gezonden en daarna met Hem een blijvende kracht tot ons brengt in de heilige Geest. Deze drie bestaansvormen zijn één en dezelfde God en dus onlosmakelijk verenigd. Dat is uiteindelijk ook wat men bedoelde in Nicea.

De Drie-eenheid is volgens Barth ten diepste God die Zichzelf aan de mensheid kenbaar maakt. Triniteit is bijgevolg niet slechts een symbool of concept, maar God zelf. Dat is wie God is, zijn identiteit. Barth erkent dat het nieuwe werk van de Zoon verschilt van het werk van de Vader als Schepper, omdat de Verzoening door de Zoon een ‘onvoorstelbaar nieuwe’ gratuite daad van de ene God is. Daarbij maakt Barth echter principieel géén onderscheid tussen de handelingen van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Ze zijn immers onafscheidelijk en ondeelbaar: ze zijn God.

Visie

De theologische visie van Barth is veelbetekenend voor ons hedendaags geloofsverstaan. God schept telkens weer zin in de wereld. Deze genade komt voort uit de vrije keuze van God om de aarde te scheppen en de mensen lief te hebben. Dat is de Wil van God. Het had ook anders gekund. Juist daarom is het ook genade. Tegenover God staat het chaotische niets, het verzet tegen Gods genade. Deze chaos is volgens Barth niet te verklaren en ook niet te ontkennen. Wanneer we de chaos oproepen, dan keren we ons af van God. 

Aan het kruis heeft Jezus Christus de mensen weer met God verzoend. Deze Verzoening tussen God en de mensen is bijgevolg gegrondvest in ons geloof op Jezus Christus. Hij heeft een nieuw Verbond gesloten. God is schepping, herschepping, en openbaring ineen: Hij is Vader, Zoon en Geest.

Midden in deze stevige theologische visie stelt Barth dat de mens met zijn of haar denken God nooit zal kunnen omschrijven. Het is God die zich openbaart aan ons. Alleen in die openbaring is God te ontmoeten. De Schrift en de verkondiging zijn daarom essentieel in ons geloof. Ze brengen ons dichter bij God, die Vader, Zoon en Geest is.

En zo kunnen we met Pinksteren Gods Geest ontvangen in alle openheid en ontvankelijkheid, net zoals de leerlingen destijds. Om dan in Gods genade de zondag na Pinksteren de Drie-eenheid te vieren. God dus.

(Meer info: www.karlbarth.nl)

22 februari 2024

Een nieuwe kijk (24-25 februari 2024)

In de beschrijving van Jezus’ aardse leven verhalen de evangelisten ook bovenmenselijke gebeurtenissen. Twee opmerkelijke Goddelijke taferelen zijn het doopsel van de Heer en de gedaanteverandering op de berg. In beide gevallen wordt Jezus Christus verheerlijkt en worden zijn Goddelijkheid aan de hand van grootse, bovennatuurlijke beelden omschreven. Het zijn theologische beelden, die ons een nieuwe kijk geven op de diepste identiteit van Christus en bijgevolg ook van ons geloof in Hem.

De Geest

De Messiasopenbaring aan Jezus (en aan Johannes de Doper en eventuele omstaanders) gebeurt in de vorm van een duif die op Hem neerdaalt en een stem uit de hemel die zegt: “Jij bent mijn geliefde Zoon, in Jou vind Ik vreugde.” (Marcus 1, 11) Bij Matteüs lijkt de openbaring aan derden te zijn gericht, aan de aanwezigen: “Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde.” (Matteüs 3, 17) Bij Lucas citeert Jezus in de synagoge uit de profeet Jesaja en openbaart Hij zodoende Zelf zijn identiteit als de Gezalfde: “De Geest van de Heer rust op Mij.” (Lucas 3, 22 en Jesaja 61, 1) In al deze beschrijvingen is de heilige Geest de verbindende Goddelijke Kracht. Het beeld van de Geest van God die bij het doopsel neerdaalt, is meteen de plechtige aankondiging van de langverwachte Verlosser, daarna door God woordelijk bevestigd. De boodschap is dus in geen geval verkeerd te verstaan.

Bij Marcus richt de Vader zich tot Christus zelf, terwijl de heilige Geest over Hem neerdaalt. Hiermee wordt Jezus’ intieme band met de hemelse Vader uitgesproken en uitgebeeld. Deze band is op Liefde gebaseerd (in het Grieks: ‘ho agapètos’, de geliefde, de beminde). De Vader vindt vreugde in Jezus. De heilige Drievuldigheid is een liefdesdynamiek, God ís immers Liefde. Dat Liefde hier telkens met een hoofdletter wordt weergegeven, wil duiden op het Goddelijk karakter ervan: deze liefde is intenser en puurder dan de mooiste liefde die tussen mensen kan bestaan. Het gaat over de Liefde die met Geloof en Hoop is verbonden en die in Christus bestaat, in God. (1 Korintiërs 13)

Ondanks het persoonlijk karakter van het doopsel, kunnen we niet om het feit heen dat de stem uit de hemel komt, wat een afstand weergeeft. Die wordt door de duif, die de heilige Geest is, overbrugd, maar niet weggenomen. Jezus zal op aarde als mens verkondigen en genezen, maar Hij zal ook lijden en sterven.

Filioque

De passage lijkt te suggereren dat de Geest van de Vader voortkomt en op de Zoon wordt gelegd: Jezus is de ontvanger. De theologische ‘filioque-discussie’ is onder andere door deze passage ontstaan. De katholieke geloofsbelijdenis stelt immers dat de heilige Geest voortkomt uit de Vader én de Zoon (in het Latijn: ‘qui ex Patre Filioque procedit’). De Orthodoxe Kerken steunen dit beginsel niet: zij stellen dat de Geest énkel voortkomt uit de Vader, zich baserend op Jezus' omschrijving van de heilige Geest: “de pleitbezorger die Ik jullie van de Vader zal zenden, de Geest van waarheid die van de Vader komt.” (Johannes 15, 26)  Ook de doopselpassage lijkt in die richting te spreken. 

Men kan zich de vraag stellen of dit een discussiepunt zou moeten zijn, of het zo'n discussie waard is. Laten we niet vergeten dat de katholieke en orthodoxe Kerk hierover banvloeken op elkaar hebben afgevuurd die eeuwen zijn blijven gelden. Men kan zich ook de vraag stellen of er in de discussie niet meer ruimte geboden zou kunnen worden dan een binaire keuze. Misschien ligt de waarheid, zoals bij veel zaken, ergens organisch in het midden. Wellicht moeten we er rekening mee houden dat de aardse Jezus een andere rol en positie heeft van de verrezen Christus. Maar dit ter zijde...

Gezalfd

Gelijkaardige woorden weerklinken in Psalm 2. Daar spreekt de Heer tot de gezalfde koning. “Jij bent mijn zoon, ik heb je vandaag verwekt.” (Psalm 2, 7) Jezus is inderdaad ook de Gezalfde, de Christus. Hij wordt na een lange leegte de ultieme opvolger van de grote koningen Saul, David en Salomo. Hun koningschap was onlosmakelijk verbonden met hun gehoorzaamheid aan de Heer (Psalm 2, 10-12), waar ze wel eens in plachten te falen, denk maar aan Saul. (1 Samuel 15, 10-11) Bij Jezus is daarentegen sprake van een permanente identiteit, van een onveranderlijke essentie, bekrachtigd door dit doopsel. Jezus is niet alleen gezalfd, Hij is ook gedoopt en de heilige Geest rust op Hem. Dit is een bijzondere krachtige symboliek.

Welnu, de apostelen krijgen bij de transfiguratie diezelfde boodschap van de Vader te horen als Jezus bij zijn doopsel: “Dit is mijn geliefde Zoon, de Welbeminde, luister naar Hem!” (Marcus 9, 7) Jezus wordt het grootst mogelijke gezag toegekend op dat ogenblik. Een gelijkaardig gezag is van Godswege eertijds gegeven aan profeten. (Deuteronomium 18, 15)

Zoveel meer

Jezus is echter zoveel méér dan een profeet. Dat bevestigt Johannes de Doper al, die zelf fungeert als nieuwe profeet. (Marcus 1, 7) De redding die zijn voorgangers vanuit een ver verleden mochten voorspellen, mag de Doper tot aanrakens toe aankondigen: Jezus, de Messias, de Redder, de Zoon van God. Dit goede nieuws wordt andermaal gelegitimeerd door het beeld van Mozes en Elia bij Jezus tijdens de transfiguratie: zij vertegenwoordigen de Wet en de Profeten. En Wet en Profeten worden gelijken van Jezus. Ze gaan in gesprek met elkaar. Jezus, de Wet en Profeten, zijn één: Jezus is immers Gods Zoon. De Wet is het overigens het werkveld van de priesters. 

Zo komen drie Christologische taken bijeen: Jezus als Koning, Priester en Profeet. Met deze drievoudige taak van Christus krijgt ook de diepste opdracht van de Kerk en van al haar gelovigen vorm. Vanuit ons doopsel en vormsel zijn we allen geroepen om deelachtig te zijn aan het Christus’ ambt. (Lumen Gentium 31) Dat doen we vanuit de heilige Geest, die ook Jezus heeft geconfirmeerd in zijn Goddelijke zending. (1 Korintiërs 12, 4-11)

Preview

De transfiguratie is een soort ‘sneak preview’ voor de apostelen Petrus, Jakobus en Johannes. Sterker nog: de Mensenzoon voegt er meteen aan toe wat er op handen is voor Hemzelf: Hij zal uit de dood opstaan. (Marcus 9, 9) De drie leerlingen mogen de gedaanteverandering aanschouwen en Jezus' voorzegging aanhoren. Jezus verbiedt hen echter om er met niemand over te spreken. De drie apostelen begrijpen trouwens nog helemaal niet wat er zonet is gebeurd en wat Jezus over zichzelf voorspelt. (Marcus 9, 10) Maar die tijd komt vlug genoeg. Goede Vrijdag en Pasen verschijnen stilaan aan de horizon...

19 augustus 2022

Malevitsj: Een mystiek beeld van de hemel (20-21 augustus 2022)

Jezus spreekt over het Rijk Gods in talrijke beelden. Ze geven een indruk van hoe de hemel is en hoe je tot de hemel kan komen. De hemel heeft kunstenaars sindsdien doorheen de eeuwen geïnspireerd, maar slechts zelden komen we bij een uitbeelding van de hemel zonder meer. Laten we even verwijlen bij het innemend hemelbeeld van Malevitsj.

Kazimir Malevitsj wordt geboren in het tsaristische Russische rijk in 1879, nabij Kiev, in het huidige Oekraïne. Zijn vader is Pools en hijzelf wordt katholiek gedoopt. Zijn moeder is echter orthodox en via haar leert hij de sterk mystieke orthodoxe liturgie kennen. Hij verdiept zich in de schilderkunst en trekt naar Moskou om kunst te studeren. Na de Oktoberrevolutie is het regime aanvankelijk gecharmeerd door de abstracte kunst van zijn generatie. Onder Stalin wordt zijn werk vanaf 1929 als decadent bestempeld en afgeschreven. Malevitsj wordt zelfs gemarteld en drie maanden gevangen gezet. Kazimir Malevitsj overlijdt in 1935 in Leningrad.

Kunst en identiteit

Malevitsj brengt zijn jeugd in het huidige Oekraïne door en raakt gefascineerd door kunstenaars die uit Sint-Petersburg zijn gekomen om de schilderwerken in een klein, oud kerkje in Bilopole, nabij Charkov (de streek waar nu zo hevig wordt gevochten), in ere te herstellen. Naast het minutieus reconstrueren van de antieke kunst in het kerkgebouw volgens strikte regels, zijn de kunstenaars ook heel gedreven in het schilderen in open lucht, volledig vanuit hun eigen creativiteit. Deze combinatie heeft Malevitsj getroffen en in zijn verdere leven geïnspireerd.

Hij maakt vroeg in zijn schilderscarrière een reeks explorerende schetsen voor een frescoschilderij, de befaamde “gele reeks”. Het maakt deel uit van een reeks oefeningen, vertrekkend uit de iconografie. Zoals veel artiesten in het begin van de 20e eeuw, zoekt Malevitsj een consensus tussen de beginselen van de lokale tradities en nieuwe, figuratieve kunstvormen anderzijds.

Iconografie en folklore

“Iconografie gaat niet over anatomie of perspectief, en is ook niet bedoeld om de realiteit godsdienstig te kleuren, het is de gewaarwording van kunst en van artistieke realiteit.”, laat hij ooit optekenen. De traditie van grootmeesters inspireert hem in zijn technische kunstontwikkeling. De link met “de gewone mensen” wordt gezocht in folklore, en volkscultuur en godsdienst zijn nog steeds sterk met elkaar verbonden vroeg in het Russische rijk rond de eeuwwisseling.

Later zal zijn werk zich vooral ontwikkelen tot geometrische vormen. Hier zien we echter de vroege Malevitsj aan het werk. Hij maakt studies, maar er is geen weet van een concrete opdracht. Dit is zelfontwikkeling in beeld van een artiest op zoek naar identiteit, naar het voorbeeld van de kunstenaars van het oude kerkje.

In 1907 schildert hij in zijn gele reeks “De triomf van de hemel”. Dit werk willen we van naderbij bekijken. Het ademt werkelijk mystiek. Dat het werk geel heeft als basiskleur, met tinten van rood tot goud, behoeft weinig uitleg. Het reflecteert het kleurenpallet van iconen. Het groen is echter ook sterk aanwezig en doet denken aan Tibetaanse kunst.

Hemel zonder meer

Dat Malevitsj kiest om de hemel in beeld te brengen, is een gewaagde keuze. Niet veel artiesten hebben dit aangedurfd. De hemel is weinig geschilderd, wellicht omdat het beeld algauw pathetisch dreigt te worden. De hel is veel figuratiever: een kunstenaar kan het donkerste uit zijn verbeelding in beeld brengen in tal van expressieve scènes. Als de hemel al in beeld komt, is het vaak als sereen contrast met de hel. Denken we maar aan Fra Angelico, Michelangelo of Hiëronymus Bosch. Dit doet Malevitsj niet. Hij beeldt enkel de hemel uit. Hier is geen doembeeld voor zondaars en schurken afgebeeld, er zit geen morele wijsvinger achter het werk. Het typeert de zoektocht van Malevitsj naar kunst en identiteit in de eenvoud en de puurheid.




Mystiek

De kleine personages in het werk zijn in drie groepen van elf verzameld, allen met hun handen in gebedshouding. De twee bovenste groepen bevinden zich in de wolken, symmetrisch aan weerszijden van het schilderij. De onderste groep staat barrevoets in het midden van een begrast heuvellandschap vol groene loofbomen. Staan ze op heilige grond? De harmonische groene weelde doet alvast denken aan de tuin van Eden. De bomen reiken tot aan de wolken, of dragen ze de wolkenmassa?

Waarom kiest Malevitsj voor reeksen van elf figuren? Twaalf lijkt immers veel meer harmonisch binnen de christelijke traditie. Er waren twaalf apostelen. De onvolledigheid in aantal biedt mogelijkheden, er is nog een opening tot deelname. Het is niet statisch, niet afgewerkt, maar juist dynamisch: er is nog aanvulling en toevoeging mogelijk.

Eén groot personage met gesloten ogen houdt alles samen, met de armen gespreid in één grote accolade. Hij lijkt te zweven over het landschap en het is alsof hij zich getooid heeft in een mantel van wolken. Hij kan Christus voorstellen, maar evengoed Boeddha, in een alles beschermende, boomachtige houding.

Malevitsj verwijst hier naar de Byzantijnse vespers, waarin Psalm 104 weerklinkt: “Prijs de Heer, mijn ziel. Heer, mijn God, hoe groot bent U. Met glans en glorie bent U bekleed, in een mantel van licht gehuld.” (Psalm 104, 1-2a) “U maakt van de wolken uw wagen en beweegt U op de vleugels van de wind.” (Psalm 104, 3bc)

Alle figuren zijn omgeven door een gouden aureool. Hun ogen zijn allemaal gesloten. Ze zijn omlijnd met donkere, duidelijke contouren, zoals in de traditionele icoonkunst. Het geheel geeft een mystieke gebeurtenis weer die wij als toekijkenden niet kunnen ontcijferen. De groepjes figuren staan heel dicht bijeen en toch zijn ze allen in zichzelf gekeerd: hun ogen zijn gesloten. Tegelijk zijn ze verbonden met de Christusfiguur. Hun gebogen houding is niet statisch, hun ranke pose voelt aan als Art Nouveau. Er zit een dynamiek in verwerkt.

Alle figuren zijn mannelijk noch vrouwelijk. Waarom eigenlijk? Het goddelijke overstijgt het seksuele dat eigen is aan de mens en dat hem of haar definieert. Het mannelijke wordt overstegen, en niet door vrouwelijk te worden, maar door meer stilistisch en bovenmenselijk te verschijnen. Het zijn niet zomaar mensen: hier is meer aanwezig. Zijn de figuren in de wolken het engelen? Zijn de personages in de tuin hemelmensen die de driften van zich hebben afgeschud? Wat het groot personage betreft, past Christus zeker binnen de optiek: Hij overstijgt het louter menselijke. De vaagheid krijgt de bovenhand. Het is mystiek omwille van de puurheid, de eenvoud en het ongrijpbare.

Een studie onderweg

Hij gebruikt de iconografie als een stijlfiguur om een gevoel uit te drukken. Zijn studies zijn geen kopieën: hij legt eigentijdse accenten in de klassieke werkvorm. De tijd van eenvoudige geometrische figuren in de kunst lonkt in de verte al. Er is duidelijk een basisvorm verwerkt in deze studie: een omgekeerde driehoek, die de onderste groep met de twee handen van Christus verbindt. Maar in 1907 is hij nog ondergedompeld in het symbolisme.

De vroege Malevitsj wil een atmosfeer scheppen, een impressie geven, zonder zich te binden aan een specifieke kunstschool. Wat er weergegeven wordt, primeert; niet hoe het verteld wordt. 

Later zal hij evolueren tot suprematisme. Het perspectief en het figuratieve worden daarin volledig overstegen. Er wordt gewerkt met geometrische vormen en pure kleuren, zwart en wit. Malevitsj gaat hiermee terug naar de basis. In 1915 schildert hij zijn befaamd “zwart vierkant op witte achtergrond”. Het canvas is vierkant, de kleur monotoon zwart met een witte rand. Hij is daarmee één van de grondleggers van de abstracte kunst. Malevitsj wordt echter geen dadaïst, zijn kunst heeft en geeft betekenis. Het zwart vierkant werd pertinent in een hoek opgehangen, verwijzend naar de devote iconenhoekjes in huizen in de orthodoxe cultuur. Net als een icoon wil dit werk een boodschap overdragen en het leven inspireren.




Beeldvorming
De hemel daagt de verbeelding telkens weer uit. Zelfs Jezus gebruikt beeldtaal wanneer Hij over de hemel spreekt. Dat betekent niet dat de hemel op zich een verbeelding is. Onze taal en onze denkpatronen kunnen het niet omschrijven. Zelfs als dat kon, dan nog hebben we slechts de omfloerste woorden van Jezus om uit te vertrekken. Die worden aangevuld met omschrijvingen en beelden doorheen de geschiedenis. Malevitsj levert zijn bijdrage langs zijn étude, die niet eens een volwaardig werk is. Niettemin interfereert het met ons eigen beeld van de hemel, door het kunstig spel van herkenbaarheid, eigenzinnigheid en eenvoud. 

Hoe zien wij de hemel? Is er genoeg ruimte voor mystiek in ons hemelbeeld? Hoe aards is ons hemelbeeld? Hoe ongrijpbaar? Is het zinvol om de hemel in een beeld voor te stellen?

23 april 2021

Vierde zondag van Pasen: Wie we zijn en hoe we beschouwd worden (24-25 april 2021)

Uit de eerste Johannesbrief wordt komende zondag een fragment gelezen dat gaat over christelijke identiteit. Wie zijn wij? Hoe worden we genoemd? “De wereld begrijpt ons niet en ze kent ons niet, omdat zij Hem niet heeft erkend.”, horen we in de vertaling die wordt voorgelezen. Heel dicht bij de Griekse tekst luidt het: “De wereld kent ons niet omdat ze Hem niet heeft gekend.” Hiermee worden twee interessante thema’s in evenveel verzen verpakt: de eigen identiteit en de verhouding tot de anderen.

  • Voor de lezingen van de vierde zondag van Pasen: klik hier.

Kinderen van God zijn

Wie zijn wij dan, volgens ons geloof? “We worden kinderen van God genoemd en dat zijn we ook”, schrijft Johannes met klem (1 Johannes 3, 1b). We hebben een naam gekregen en meteen ook de bijhorende identiteit ontvangen van God zelf. Dit is weliswaar geen verworven recht, maar genade: het is een Godsgeschenk dat we uit liefde ontvangen. We zijn deelachtig aan Gods grenzeloze liefde en mogen deze liefde ook delen met elkaar. Daarom noemt Johannes de lezers ook “agapètoi” of “geliefden”, of in een zwakkere vertaling: “vrienden”.

Omdat we kinderen van God zijn - “tekna thèou” in het Grieks -, is God onze Vader. Daar gaat het kind-zijn in wezen over. Het betekent niet dat we onvolwassen of hulpeloze "kindertjes" zouden zijn. De Vader en de Zoon hebben de volgelingen van Jezus als het ware geadopteerd en die beweging gaat doorheen de tijd onophoudelijk verder. Het is bovendien in de eerste plaats een gemeenschappelijke adoptie. We mogen ons rekenen tot het Volk Gods. De christelijke identiteit, het kind-van-God-zijn, is niet in de eerste plaats een individuele titel, maar een gedeelde. In navolging van Gods Zoon, die op aarde heeft geleefd, verkondigd en geleden, mogen ook wij God onze Vader noemen. Jezus noemde God “zijn Vader”, wij noemen Hem “onze Vader”. Daarin ligt een belangrijk verschil.

Deze verhouding tot God maakt ons christelijk geloof zo uniek. We zijn kinderen van God, dat weten we. Wat er komen zal, dat weten we niet precies. Wel mogen we er op hopen dat we God zullen zien van aanschijn tot aanschijn, omwille van ons geloof. Dit “zien” is geen droogweg objectief waarnemen. Het Griekse “opsomai” geeft weer dat het beeld naar binnen komt, dat we begrijpend zien. Wellicht het meest sprekende beeld is dat we zullen zien zoals God ons ziet en kent.

Deze vrij zware analyse staat niet mijlenver van de realiteit. Onze band met God is misschien wel de meest intieme band die mogelijk is tussen God en mensen. Het wordt onmogelijk om ons slechts te beperken tot kennisname van de geloofsinhoud en daar op een objectieve, wetenschappelijke wijze mee om te gaan. Als God onze Vader is, veronderstelt dit onze instemming vanuit ons hart. En het vergt ook dat we Gods Boodschap uitvoeren in ons doen en laten.

Identiteit en openheid

De identiteit van de christenen wordt in Johannes’ briefverzen meteen van contrast voorzien, bij wijze van scherpstelling. Zowel in het Johannesevangelie als in de Johannesbrieven wordt gebruik gemaakt van contrasten om de christelijke identiteit en de geloofswaarheid uit te klaren. Denk maar aan: “Het Woord was in de wereld, de wereld is door Hem ontstaan en toch kende de wereld Hem niet.” (Johannes 1, 10) Met de wereld – “kosmos” in het Grieks – bedoelt men uiteraard niet de planeet op zich. “De wereld” wordt hier gebruikt als tegenhanger van “de christenen”.

Iedere christen ervaart het wel eens. Het kan kwetsend overkomen wanneer je geloof wordt bestempeld als een sprookje of een verzinsel door buitenstaanders. Besef dat je op dat moment een mening hoort, geen feit of realiteit. Een mening is niets meer of niets minder dan een eenzijdige herleiding van de realiteit tot wat men wil zeggen. Er kan alleen constructief en zinvol gediscussieerd worden over geloof wanneer iedereen vertrekt vanuit een houding van respect voor andere visies. Respect betekent dat je de visie van de ander waardeert, en niet in de val trapt om andere visies te herleiden tot het eigen beeld dat je ervan hebt of tot het punt dat je wil maken.

Een evenwichtsoefining

Daarom is het belangrijk om te investeren in je identiteit én in respect voor anderen. Het één hoeft het ander niet uit te sluiten. Wie volop in de christelijke identiteit gaat staan, sluit zich af van de wereld. Wie te ver overhelt in de erkenning en bevestiging van de anderen, kan zijn of haar eigen identiteit verliezen. Laten we voor ogen houden dat het evangelie en de brieven van Johannes zijn geschreven in een tijd van heftig conflict. De tijd van de brieven is een tijd van bedreiging, achtervolging en bestraffing. Dat mag geen vrijgeleide zijn om ons een syndroom van Calimero toe te eigenen: een misnoegd gevoel altijd verkeerd begrepen en onderdrukt te worden. We leven, zeker in onze streken, absoluut niet in gelijkaardige tijden als Paulus en Johannes. God zij dank!

Laten we vooral niet vergeten dat we samenleven met veel andere overtuigingen, die even waardevol kunnen zijn. Laten we tegelijk elke dag opnieuw investeren in ons eigen geloof, door tijd en ruimte vrij te maken voor God.

09 maart 2021

De dooppericopen van Johannes (vanaf 8 maart 2021)

In het Johannesevangelie staan 3 passages die doorheen de traditie een belangrijke rol hebben gekregen binnen de vasten. Ze worden de "dooppericopen van Johannes" genoemd. Het gaat om de ontmoeting met de Samaritaanse vrouw, de genezing van de blindgeborene en de opwekking van Lazarus.

In de Tridentijnse ritus werden de drie evangelieteksten gelezen op vrijdag van de derde week en woensdag en vrijdag van de vierde week. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie zijn de teksten opgenomen in de zondagslezingen. In de A-cyclus worden ze op de derde, vierde en vijfde zondag van de Veertigdagentijd gelezen. In de jaren van de B- en C-cyclus zijn ze daarom toegevoegd aan de weekdaglezingen, om op een weekdag naar keuze te lezen in respectievelijk weken 3, 4 en 5 van de Veertigdagentijd. Sinds de advent van 2020 tot Christus Koning 2021 bevinden we ons in de B-cyclus. De lezingen zijn dus vrij in te voegen in de weekdagen van de komende weken.

In de Veertigdagentijd worden in de eerste twee weken langs de lezingen en liturgische teksten in de eucharistie en het getijdengebed vooral aanzetten tot een grondig gewetensonderzoek gegeven. Vanaf de derde week wordt de betekenis van een leven in navolging van Christus overwogen. Dit is de tijd om de diepste identiteit van een christen te ontdekken en meer en meer toe te eigenen.

Jezus ontmoet de Samaritaanse vrouw

Het evangelie toegevoegd aan de derde week in de Veertigdagentijd is dat van de ontmoeting tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw (Johannes 4, 5-42). (Online lezen: klik hier.) Het gesprek is opgebouwd rond de symboliek van water. De Mensenzoon benadert een vrouw die de Messias verwacht. Jezus maakt zich kenbaar als de Messias met de veelzeggende uitspraak: “Ik ben het”, in het Grieks klinkt het met klem: “egô eimi” (Johannes 4, 26).

“Ik ben” doet binnen het Joodse traditie onmiddellijk denken aan de Heer die zijn Naam aan Mozes bekend maakt: “Ik ben die ben”, in het Hebreeuws: “ayeh asher ayeh” (Exodus 3, 14). Het is geen toevallige verwoording. Verderop in het evangelie horen we Jezus in de tempel verklaren dat Hij er al was vóór Abraham (Johannes 8, 58). Dat aanwezigen Hem terstond willen stenigen, wijst op de ondubbelzinnige Goddelijke claim die Jezus met “egô eimi” bedoelt.

Terug naar de ontmoeting met de Samaritaanse vrouw. Samen met de Samaritaanse ervaren we dat Jezus ons beter kent dan wij onszelf kennen. Hij kent ons levensverhaal, Hij kent onze noden, onze dorst. De Samaritaanse komt tot geloof vanuit de bevestigde Messiasverwachting en verkondigt het aan al wie ze ontmoet.

Jezus geneest de blindgeborene

In de vierde week kan het verhaal van de genezing van de blindgeborene worden gelezen (Johannes 9, 1-41). (Online lezen: klik hier.) Dit verhaal is uitgewerkt rond de thematiek licht. De man kan de Mensenzoon dank zij zijn genezing zien. Op de vraag of hij gelooft in de Mensenzoon, vraagt de man wie de Mensenzoon is. Jezus antwoord opnieuw met: “Ik ben het”. Ditkeer zegt Jezus het onder een andere vorm: “Je hebt Hem gehoord en gezien” (Johannes 9, 37). 

Met de blindgeborene ervaren we dat Jezus kent onze tekorten kent en ons de ogen opent, dat Hij onze “blinde vlekken” van duisternis kent en ze aan het licht brengt opdat we steeds meer in het Licht zouden leven. De blindgeborene verkondigt al van het wonder voordat Hij weet wie Hem heeft genezen.

Jezus en de opwekking van Lazarus

Het derde verhaal met dooppericopen kan in de vijfde week van de Veertigdagentijd worden gelezen en betreft de opwekking van Lazarus (Johannes 11, 1-45). (Online lezen: klik hier.) In dit verhaal staat het Leven centraal, met hoofdletter, dus doelend op het geloof in de Verrijzenis. Jezus zegt onomwonden: “Ik ben de Verrijzenis en het Leven.”, opnieuw met de woorden: “Egô eimi”, en vraagt aan Marta of ze dit ook gelooft (Johannes 11, 25-26). Marta bevestigt zonder aarzeling haar geloof in Hem.

Met Lazarus weten we dat Jezus ons nieuw Leven schenkt, eeuwig leven. Marta geloofde al in de opstanding op de laatste dag, nu gelooft ze in Jezus als Heer van de Verrijzenis.

Huisliturgie

Meteen is duidelijk waarom deze teksten zo waardevol geacht worden. Ze zijn als mogelijke weekdaglezingen vrij toe te voegen in de derde, vierde en vijfde week van de Veertigdagentijd in de jaren waar ze niet op zondag worden gelezen. Dat kan voor ons allen ook een aanzet zijn tot huisliturgie. We kunnen tijd en ruimte vrijmaken om stil te staan bij deze teksten die de kern van ons geloof onder woorden brengen. Voel je vrij om te bidden rond deze bijzondere Schriftteksten, misschien aan de hand van de gebedsdienst in de Veertigdagentijd die aan deze blog is toegevoegd: klik hier.
Dooppericopen
Met deze analyse van de drie evangelieteksten is echter nog niet duidelijk gemaakt waarom dit dooppericopen genoemd worden. De symboliek maakt veel duidelijk: water, licht en Leven. We herkennen deze symbolen uit de Paaswake. Het is niet toevallig dat we na de riten van water en licht in het Leven gaan staan door de hernieuwing van onze doopbeloften in de Paasnacht.

In het doopsel keren deze symbolen terug: het doopwater, de doopkaars en het geloof in de Verrijzenis. Catechumenen, volwassenen die zich voorbereiden op hun doopsel, leren deze tekenen kennen in hun geloofsinitiatie. Ze staan centraal in ons geloof. Johannes’ dooppericopen bevatten heel veel geloofsinhoud in weinig woorden. Jezus komt naar je toe, zonder vooroordelen, en wijst je de Weg. Hij kent je en doorgrondt. Jezus opent je ogen voor de Waarheid. Hij brengt je langs je doopsel tot het nieuw Leven, we worden bekleed met de nieuwe mens (Efeziërs 4, 24). In Johannes 14 verbindt Jezus de Weg, de Waarheid en het Leven aan zich als Mensenzoon. Het zijn alle drie vervolledigingen van een bekering. 
Egô eimi
Sta mij tot slot toe om Jezus’ uitspraken binnen een bredere dynamiek van “egô eimi”-uitspraken te plaatsen die Johannes doorheen zijn evangelie opbouwt. Dit zijn de titels die de Mensenzoon zich toeëigent:
  • Ik ben het Brood des Levens (Johannes 6, 35) – Jezus voedt zijn volgelingen.
  • Ik ben het Licht van de Wereld (Johannes 8, 12) – Hij plaatst hen in het licht.
  • Ik ben de Deur (Johannes 10, 9) – Jezus geeft ze de toegang tot het geloof.
  • Ik ben de Goede Herder (Johannes 10, 11-14) – Hij waakt over zijn volgelingen.
  • Ik ben de Opstanding en het Leven (Johannes 11, 25) – Jezus schenkt hen het Leven.
  • Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven (Johannes 14, 6) – Hij wijst hen de weg.
  • Ik ben de Wijnstok (Johannes 15, 1.5) – Hij zet hen aan tot verkondiging.

Interessante aanvullende lectuur in het Engels online: klik hier.


Volgende post: vrijdag 12 maart. Thema: "De wijze schriftgeleerde".