Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label neerkijken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label neerkijken. Alle posts tonen

22 oktober 2025

Het is moeilijk bescheiden te blijven (25-26 oktober 2025)

In een wereld van veelheid en verwachtingen, maar ook van verandering en voorbij, zoeken we allemaal een plekje. We willen iets betekenen. Ons leven moet het leven waard zijn. Maar wat geeft ons leven zin? Onze eigen prestaties? Of vinden we zin en betekenis bij God? Wie dienen we als christen vooral: God, of onszelf? Jezus trakteert ons op een inspirerende en confronterende gelijkenis.

Eigen lof stinkt

Een christen die enkel lof heeft voor zichzelf, dient zichzelf en niet God. Dat is duidelijk. Een louter zelfbevestigend christendom gaat niet over Christus maar over zichzelf. Het uitgangspunt van je geloof mag gerust het aardse bestaan zijn, maar daarbij mag Gods heerlijkheid niet uitgewist worden ten bate van een glimmend ego.

Wij, mensen, gaan door het leven met een diepe onzekerheid, die soms overgecompenseerd wordt. Soms, niet altijd. De nood aan bevestiging kan verslavend werken. Dan dreigt men in al die inhaligheid geen oog meer te hebben voor de overzijde, zeker wanneer men zich aan de welvarende kant bevindt. God kent heel andere maatstaven, die niet aards zijn. (Sirach 35, 12 - Lucas 18, 14a)

Het maken

In onze tijd wordt het als een grote verdienste beschouwd wanneer je in je eigen kracht staat en daar trots mee schittert voor anderen. 'Shinen' heet dat. Dan ben je het in je leven aan het maken - wat 'het maken' ook moge betekenen in die merkwaardige uitdrukking. Dan word je gezien in al je pracht: op straat, in je vriendenkring, op sociale media. Het fenomeen is hoegenaamd niet nieuw. Praal is van alle tijden.

"Doe maar normaal, dat is al gek genoeg," hoor ik aanmatigend weerklinken in mijn gedachten. Maar 'normaal' is niet meer van tel: er is geen maatschappelijke norm meer. Akkoord, we laten een tijd achter ons waarin teveel werd genormaliseerd. Nu blijkt mijn norm plots dé norm. Een samenleving kan blijkbaar geen maat houden... 

Shinen: het is een kwestie van durven en doen en er niet teveel bij na te denken, zo laat ik me vertellen door enkele online communicatiedeskundigen in een 'pitch talk', een korte, overtuigende voorstelling. (We hebben het juk van de Franse taaloverheersing afgeworpen en persen onszelf nu vrolijk en onbedachtzaam onder een Engelse dominantie. Dit terzijde.) We moeten dus shinen om ons te onderscheiden van de anderen. Alleen dan krijgen we écht het gevoel dat we betekenisvol bezig zijn. Heel even dan toch, want de tijd is ongenadig.

God gebiedend danken

Ook in het Joodschristelijke geloof bestaat deze tendens om belangrijk te zijn. De wereld beïnvloedt ons geloof altijd, minstens op subtiele wijze. Zich onderscheiden van de anderen kan zich veruitwendigen in het neerkijken in Gods Naam: de rest is dan slecht. God, die staat dus aan mijn kant, want ik ben goed.  (Lucas 18, 11a) Zo eigent het ego zich Gods bevestiging toe, en tegelijk ook Gods gerechtigheid. Het ego beslist in Gods plaats. 

Uit de Verenigde Staten komen tegenwoordig best wat zorgwekkende geluiden uit die hoek. De Schrift hoeft een goede 'pitch' niet in de weg te staan. Rijkdom en Jezus: waarom niet? Rassenongelijkheid, vreemdelingenhaat en Jezus: het lijkt allemaal te kunnen wanneer de slogans voldoende herhaald en gedeeld worden. Wanneer standpunten in de samenleving botsen met (een versie van) de christelijke visie, dan wordt er moord en brand geschreeuwd, gevolgd door enkele Schriftverzen. Maatschappelijk onrecht in het eigen voordeel moet dan weer wél kunnen. En dat klopt niet. Dan blijft er geen Gods-dienst over, maar een systeem van zichzelf de hemel in te prijzen. God wordt herleid tot een middel en is niet langer het ultieme doel. Dan zitten we goed fout.

Jezus uit kritiek op al dat ijdel en zelfgenoegzaam vertoon. Lucas situeert de parabel al meteen in een inleidende zin. Deze gelijkenis gaat over mensen die zichzelf vanzelfsprekend-rechtvaardig vinden en anderen minachten. (Lucas 18, 9) Het gaat dan algauw over de eigen verdiensten waarop men roemt: "ik doe, ik geef." (Lucas 18, 12) De meest essentiële vraag wordt daarbij echter niet benaderd: "Wie bén ik voor God?" Hoe verhoud ik mij tot God? Wie is God? Waar liggen mijn grenzen?

Inzicht

Wie zichzelf looft en prijst, komt niet tot bij die vragen omdat de zelf vooropgestelde antwoorden het uitgangspunt vormen. "Natuurlijk doe ik het prima, uiteraard voldoe ik aan Gods Wet", klinkt het axioma van de zelfvoldaanheid. Zo wordt God in een egocentrisch, oneerlijk en onrechtvaardig keurslijf gewrongen. "'t  Is moeilijk bescheiden te blijven wanneer je zo goed bent als ik", om het met een lied van Peter Blanker te zeggen. 

Niet iedereen begaat deze fout uiteraard, maar alertheid is geboden: het gebeurt vaker en vlugger dan we vermoeden. IJdelheid werkt geniepig. Soms sluipt dit ego-denken ongezien in ons gebed en in onze geloofsvisie. En soms wordt het gewoon ongegeneerd en uitdrukkelijk gedaan, ten koste van anderen. (Lucas 18, 11b) Narcisme kent geen grenzen. Je kunt er in verdrinken.

Jezus houdt ons geen spiegel voor opdat we onszelf zouden kunnen bewonderen zoals Narcissus in het weerspiegelende water. Hij vertelt deze gelijkenis om ons wakker te schudden. God komt alle eer toe. God alleen: zonder een vlugge verwijzing naar ik, mij en mezelf. De gelijkenis confronteert ons meteen met onze menselijke imperfectie. Het is helemaal geen schande: we zijn niet perfect, want we zijn God niet. De gelijkenis is juist een oproep om dichter bij God en het goede te komen.

Vernedering en verheffing

Om dichter bij God te komen, moeten we onze eigen onvolmaaktheid kunnen aanvaarden. Dat wil helemaal niet zeggen dat we zuchtend en klagend horen te strompelen door het aardse tranendal totdat niets nog zinvol lijkt, alsof het leven niets waard zou zijn. Het is eerder een waarschuwing dat we ons het tegendeel niet mogen toeëigenen, namelijk: zelfgenoegzaamheid. Wanneer Jezus het heeft over 'zichzelf vernederen', dan bedoelt Hij dat we onze kleinheid moeten aanvaarden en Gods grootheid erkennen.

Bescheidenheid siert. Het maakt ons tot betere mensen. Zelfverheerlijking gaat ten koste van anderen en uiteindelijk ook ten koste van onszelf. Wie enkel op zichzelf bouwt, die heeft een illusie als fundament. Je zult niet altijd sterk staan. De heerlijkheid komt toe aan de Heer, zo schrijft Timoteüs terecht. (Timoteüs 4, 18) Op Hem kunnen we bouwen.

Bescheidenheid siert, maar het is vaak moeilijker in de dagelijkse praktijk dan we soms vermoeden en veronderstellen. 't Is moeilijk bescheiden te blijven. Peter Blanker heeft gelijk (wat de titel van zijn lied betreft). Toch is bescheidenheid eigen aan het volgen van Christus. Het is een kwestie van bewust in ons geloof te staan en daar niet zelfvoldaan over te doen. Soms kan dat moeilijk zijn, maar "moeilijk gaat ook".

21 oktober 2022

De parabel van de grootheidswaanzin (22-23 oktober 2022)

Wij kennen veel hiërarchie in de Kerk. Een wereldwijd netwerk van geloofsgemeenschappen heeft geen baat bij chaos en stuurloos ronddobberen. Een Kerk zonder rangorde zou algauw in stukken uiteenvallen. Waarin is hiërarchie behulpzaam en wanneer werkt ze averechts? En hoe kijken wij naar onszelf? Zijn we goed bezig? Beter dan anderen? Bestaat ook daar een morele hiërarchie?

Zonder aanzien

Hiërarchie binnen een geloofsgemeenschap mag vanuit Jezus' visie in de blijde Boodschap eigenlijk enkel om functionele redenen bestaan.* Elke vorm van verheffing gecombineerd met aanzien en praal - of het nu over zelfverheffing gaat of verheffing door anderen - is de bevestiging van hoogmoed en hovaardigheid. Hoe meer plaats het ego inneemt, des te minder plaats blijft er over voor God.

Hiërarchie  kan nuttig zijn en de werking van een gemeenschap vergemakkelijken. Men kan niet voor iedere kleine beslissing iedereen samenroepen. In die zin wordt Petrus de eerste van de apostelen, maar blijft hij evengoed een apostel als alle andere. (Matteüs 16, 13-20) Petrus bewijst overvloedig hoe menselijk hij is wanneer hij Jezus verloochent. (Matteüs 26, 69-75) Juist daarom mag hiërarchie mag nooit een doel op zich zijn.

Wij mensen zien niet altijd in dat we verkeerd bezig zijn. We laten ons meeslepen door eigen (vaak materiële) dromen en verlangens en vergeten dan wat Gods droom met deze wereld werkelijk inhoudt. Vaak gebeurt het onbewust en onbedoeld, maar niettemin kan de Boodschap geschaad worden door soms oppervlakkige, maar soms ook gewoonweg kwaadaardige eigen prioriteiten.

Laten we niet vergeten dat zelfs Jezus zich op aarde enkel heeft laten verheffen op het kruishout, en nooit op tronen of draagstoelen. Eén keer werd Hij bejubeld, gezeten op een ezel. Na zijn dood is Hij ten hemel opgestegen. Onze Meerdere is God, die Vader is, Zoon en Geest.

Geen genade

Hoogmoed is het antidotum voor genade. Wie zichzelf bewierookt, behoeft geen verhoring van Godswege meer. Hij heeft zichzelf al geloofd en geprezen, wat zou God moeten toevoegen? Alles is al gezegd. En eigen lof stinkt bovenal. Het stinkt naar zelfgenoegzaamheid en naar vernedering van de anderen. 

We kunnen overigens maar beter niet te meewarig kijken naar de farizeeër: we hebben immers zelf ook soms de neiging om onszelf op een hoger echelon te plaatsen dan anderen. Ook dat is een vorm van hiërarchie: een sociale rangorde binnen de gemeenschap gebaseerd op moraliteit. Het is een vorm van dweperij die heel nefast kan zijn en waar Jezus hard tegen in gaat.

De farizeeër doet in zijn dagelijks leven inderdaad zijn best: hij vast twee keer per week, hij wijkt niet af van de regels en schenkt aalmoezen. Maar hij faalt grandioos in nederigheid. Hij denkt door al die goede daden heel dicht bij God te staan. Hij denkt uit zichzelf dichter bij God te komen. Dat is een illusie. De farizeeër denkt dat hij God heeft getemd. Hij maakt zichzelf iets wijs, getooid in zijn grootheidswaanzin. “Ik dank U dat ik  niet ben zoals de rest van de mensen.” (Lucas 18, 11) Hij eert God niet, maar zichzelf. Hij gelooft… in zichzelf. En hij kijkt neer op de rest. 

Lucas leidt de parabel bewust in met de bijzin: “Met het oog op sommigen die zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten…”. Dichter bij de Griekse tekst klinkt het: “Hij sprak nu ook tot sommigen die op zichzelf vertrouwden als rechtvaardig en die neerkeken op de anderen…” De farizeeër lijkt op gelijke hoogte te komen met God, daar vooraan in de tempel, zo vol van zichzelf.

God kan ons vergeving schenken. Wij kunnen slechts vragen of Hij zich over ons wil ontfermen. Niet wij bepalen hoe God denkt en handelt. Dat zou het toppunt van hovaardigheid zijn. God staat daarom ook veel dichter bij de tollenaar die zijn ogen zelfs niet ten hemel durft te richten. God is deze mens nabij in genade en ontferming. Genade is geen recht, maar een gave.

Die genade staat centraal in het christelijk geloof. Wij maken God niet, Hij heeft ons gemaakt. Wij creëren God niet, Hij is de Schepper. Wanneer we daar aan tornen, halen we de openbaring van God onderuit. Hij maakt zich kenbaar aan ons, Hij is het begin van alles. Niet wij. Laten we dat nooit vergeten. God is geen schoothond. Hij overstijgt ons in alles.

Vergiffenis

De tollenaar is geen heilig prentje. Hij heult mee met de Romeinen en int geld voor hen. Hij vraagt zelfs meer om voor zichzelf nog wat over te houden. Eerlijk is het niet bepaald. Maar hij komt tot inkeer. Hoe vaak keek hij mensen niet recht in de ogen terwijl hij hen afzette door teveel geld te vragen? Hoe heeft hij dat durven te doen? Maar God durft hij nu echt niet aan te kijken. Hij durft zelfs niet op te kijken in de tempel, in Gods huis. De tollenaar staart beduusd naar de grond, met een naar gevoel. Hij heeft spijt.

Toegegeven, de tollenaar heeft er een zootje van gemaakt. “God, wees mij genadig,” is zijn eenvoudige maar daarom niet minder oprechte schuldbelijdenis. De uitspraak kan ook vertaald worden als: “God, schenk mij vergiffenis.” (Het Griekse “hilasthèti” kan vertaald worden als: “wees mij genadig”, maar ook: “wees verzoend met mij”.) (Lucas 18, 13b) Citeert hij het begin van Psalm 51? “God, wees mij genadig in uw barmhartigheid. Wis al mijn overtredingen uit.” (Psalm 51, 1b) Koning David ervaart dat hij grenzeloos gefaald heeft, net als de tollenaar in de parabel. De tollenaar noemt zichzelf net als David een zondaar. 

De tollenaar vraagt om een grote gunst, daar is hij zich terdege van bewust. God heeft er oren naar. De farizeeër daarentegen wordt niet gehoord. Hij heeft genoeg aan zichzelf. 

En wij? Kunnen wij aan God toevertrouwen wat ons dwars zit? Durven wij in alle openheid onze tekorten voorleggen aan Hem? Kunnen wij in leegte en gemis bij Hem komen en vragen om een nieuwe kans?


-------------------------------

* nuttige passages hierbij, over wanpraktijken van farizeeën: Matteüs 23, 1-8 - Marcus 7, 1-7 - Matteüs 12, 9-17 - Johannes 8, 1-11; over hiërarchie onder apostelen: Matteüs 20, 20-28 - Matteüs 16, 13-20.