Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label blind. Alle posts tonen
Posts tonen met het label blind. Alle posts tonen

22 oktober 2024

'Ik zie het (niet)' (26-27 oktober 2024)

Bartimeüs, de zoon van Timeüs, ziet het niet. Hij ziet niet hoe de Heer door Jericho trekt, gevolgd door een menigte en met hen zijn weg naar Jeruzalem verderzet. Maar hij gelooft en is vastberaden om de Heer te ontmoeten. Al ziet hij niet, hij gelooft. Bartimeüs vestigt zijn vertrouwen op de Heer en roept tot Hem om ontferming. Een nieuwe wereld gaat voor hem open.

Over Timeüs, de vader van de blinde man, weten we niets. Misschien is zijn naam eerder symbolisch gekozen. Misschien kreeg Timeüs, omdat hij onrein was (in het Hebreeuws betekent ‘tema’: onrein), een blinde zoon. Hoe dan ook, Bartimeüs is een paria: hij heeft zelfs geen eigen voornaam gekregen in het verhaal. Hij blijft voor ons de zoon van Timeüs, meer niet. De man wordt opzij geschoven in de samenleving, hij telt niet mee en leeft in de marge. Hij zit zelfs letterlijk aan de kant van de weg. Zijn leven is geen stuiver waard.

Horen

Maar die blinde Bartimeüs ziet een kans op genezing. Na een leven van tegenspoed gelooft hij in een nieuw begin. Hij wil kunnen zien. Daarom roept hij van aan de kant van de weg naar Jezus, tot tweemaal toe zelfs: “Zoon van David, heb medelijden met mij!” (Marcus 10, 47b en 48b) Hij heeft namelijk gehoord dat Jezus op dat moment langsloopt. 

De mensen snauwen hem toe dat hij moet zwijgen, want hij verstoort dit heuglijke moment. (Marcus 10, 48a) Het lijkt wel een parade veel van de mensen, een feestelijke doortocht. De man aan de kant stoort de feestvreugde. Het houdt Bartimeüs niet tegen. Gelijk heeft hij: Jezus hoort hem.

Verhoren

Jezus hoort de roepstem van Bartimeüs en vraagt om de man dichterbij te laten komen. (Marcus 10, 49a) De mensen om de blinde man heen, merken dat Jezus aandacht heeft voor hem. Nu moedigen ze hem aan: “Houd moed. Sta op, Hij roept je!” (Marcus 10, 49b) Het is vreemd dat de mensen hem eerst het zwijgen oplegden, nu plots enthousiast worden. Hoort het voor hen bij de leuke vertoning? Voor Bartimeüs is het ernst, voor Jezus ook trouwens.

Jezus stelt Bartimeüs een vraag: “Wat wil je dat Ik doe?” Dat is op zich best merkwaardig. De man die Jezus om hulp heeft geroepen, ontvangt een ontvankelijk antwoord. Bartimeüs spreekt Jezus voor de derde keer aan en zegt: “Raboeni, maak dat ik kan zien.” Jezus hoort niet alleen de smeekbede, hij verhoort zijn gebed ook. En zo krijgt Bartimeüs het zicht terug en sluit zich aan bij de volgelingen Jezus. (Marcus 10, 51b-52)

Niet zien en toch geloven

Hoe uitzichtloos het leven ook kan lijken in de duisternis, zoals Bartimeüs die goed heeft gekend, Jezus brengt hoop en Licht. Hoe moeilijk het ook kan zijn om tot God te bidden, Hij zal ons horen. Hij zal geven in zijn wijsheid, die ons ver te boven gaat. We krijgen dus niet altijd wat de vragen, maar wél wat we nodig hebben. Bartimeüs wordt tegengehouden om Jezus te aanroepen, maar hij houdt vol. Zijn geloof is sterk. Hij hoopt op een nieuw begin en zijn verlangen wordt werkelijkheid.

Zo is Bartimeüs zowat de antipode van de apostel Tomas. Bartimeüs ziet Jezus niet, maar hij gelooft meteen dat Hij de Heer is. Tomas ziet de Heer na zijn dood ook niet en gelooft daarom niét dat Hij als Verrezene in Tomas afwezigheid onder de leerlingen is verschenen. Hij ziet het niet en gelooft het dus ook niet. (Johannes 20, 24-29) De apostel leert een essentiële geloofsles: we kunnen voor ons geloof niet steunen op ons zicht. Ook wij gaan de uitdaging aan van te geloven zonder te zien.

Dankbaarheid

De dankbaarheid van Bartimeüs is bijzonder groot. Onze dankbaarheid moet eigenlijk even belangrijk zijn als ons vragen. In psalm 126 wordt vreugdevol gezongen: “Grote dingen heeft de Heer voor ons verricht, daarom zijn we vol vreugde.” (Psalm 126, 3)

In grote eenvoud wordt de dankbaarheid onder woorden gebracht. Dankbaarheid is niet af te meten aan de grootsheid van onze woorden maar met de houding in ons hart. Die dankbaarheid is het antwoord op Gods gave van Liefde. Hij verhoort ons gebed. “Wie in tranen zaait, zal oogsten met gejuich.” (Psalm 126, 5)

Juichen

Ook wanneer wij vragen om ontferming, hoort God ons. Vooral wanneer wij denken dat niemand ons nog hoort, neigt God zijn oor naar ons bidden. Ook wij ontmoeten steeds een ontvankelijke God. Hij is er, dat is zijn Naam: “Ik zal er zijn.” (Exodus 3, 14) Dat geeft de Zoon van God ook vorm op weg van Jericho naar Jeruzalem. Ook in onze dagen en op onze wegen treffen we God aan: in de handen van zorgende naasten, in het luisterend oor van iemand die je waardeert, in het gebed dat we tot God richten en dat wordt verhoord. Ook onze ogen worden geopend voor onze blindheid.

Bartimeüs is blij dat hij kan zien, dat zijn ogen geopend zijn door Jezus. Daarom volgt hij de Heer. In Jeruzalem aangekomen, juicht hij dankbaar en vol bewondering mee bij de intocht van Jezus: “Hosanna! Gezegend is Hij die komt in de Naam van de Heer.” (Marcus 11, 9b) Zijn tranen zijn uitgewist. Laten ook wij blij zijn en juichen om de goedheid en genade van de Heer!

17 maart 2023

Zien en gezien worden (18-19 maart 2023)

God blijft altijd een mysterie voor ons, mensen. Hoezeer wij ons ook verdiepen in de Schrift en in de Traditie die Hem tracht te omschrijven en te verklaren, steeds overstijgt Hij ons exponentieel. In Jezus is God ons het dichtste genaderd. Ook dan blijft zijn Boodschap hoog gegrepen en verrassend moeilijk. Gelukkig heeft God ons het leven geschonken, jaren en jaren om Hem te ontdekken en beter te leren kennen.

Nooit echter mogen we de pretentie toeëigenen dat we God kennen en weten wat Hij bedoelt. Dan overtreden we met onvergeeflijke hovaardigheid de basisregel die al in het scheppingsverhaal is vernoemd: wij zijn God niet, wij bezitten de kennis van goed en kwaad niet. (Genesis 3, 5) We kunnen enkel ons best doen, streven naar het goede en anderen op die manier inspireren.

Niet kunnen zien

God kijkt niet met menselijke ogen. (1Samuël 16, 7) Hij kijkt niet vanuit ons perspectief, dat zo beperkt en persoonlijk ingevuld is. Wij kijken naar het uiterlijk, dat is immers alles wat we kunnen aanschouwen. God is niet beïnvloed door een ‘eerste indruk’. Wij wel. Nee, God kijkt naar het hart. Hij doorziet onze façade, Hij doorgrondt ons, veel dieper nog dan wij onszelf ooit zullen kennen. Op Aswoensdag klinkt niet toevallig een fragment uit de profeet Joël: “Niet je kleren moet je scheuren, maar je hart.” (Joël 2, 13a) God heeft ons door. Al flaneren we nog zo vaak op de ‘Place M’as-tu vu’ (het plein van heb je mij gezien) van de uiterlijke wereld, zalig pralend en prijkend, zodat iedereen voldoende gelegenheid heeft gehad om naar ons op te kijken. Al worden we geroemd en geloofd door bewonderaars, fans of volgers. Het is zo weer voorbij. Morgen dweept men met iemand anders. Alles is ijdel, alles wat we vergaren is hol en leeg... (Prediker 1, 1)

God kiest niet Eliab: de stoere kerel, groot van gestalte en een knappe, indrukwekkende verschijning. Samuël ziet meteen een groot leider in Eliab. (1Samuël 16, 7) Maar hij baseert zich op het omhulsel, op het uiterlijk van de jongeman. God corrigeert Samuël en zegt: “Laat je toch niet vangen.” De mens (In het Hebreeuws: “ha-adam”, verwijzend naar de eerste mens) laat zich vangen door het omhulsel. Het klopt: onze blik is vertroebeld door interpretatie. We kijken niet objectief, maar beïnvloed door vooroordelen, ideaalbeelden, verlangens, voorkeuren. Ons perspectief en onze kennis zijn altijd beperkt. Dat resulteert in hokjesdenken, in de bandeloze menselijke neiging om alles te categoriseren. De filosoof Ludwig Wittgenstein noemt dit fenomeen “seeing as” (zien als).

Niet willen zien

Dat interpreteren is niet louter onschuldig, onbewust en onbedoeld. Wij bekijken de wereld en plaatsen die ook actief binnen ons referentiekader, in functie van onze idealen. Er is een maakbaarheid in ons kijken en zien. Dat gaat zelfs zo ver dat mensen er in slagen om voor zichzelf te verantwoorden dat ze mensen niet langer beschouwen als mensen. 

Denk maar aan de geschiedenis van slavernij en uitbuiting, en aan het nazisme. Daarbij mogen we niet de pretentie hebben om dit fenomeen te beperken tot het verleden, alsof we het nu inzien en niet meer laten gebeuren. Ook vandaag worden mensen herleid tot kanonnenvlees in oorlogen en gewapende conflicten. Ook vandaag worden mensen genadeloos gemarteld en verkracht. Ook nu worden mensen dicht bij huis het slachtoffer van zinloos geweld. En laten we niet vergeten dat onze economie en ons welzijn ten koste gaat van minder fortuinlijke gebieden op aarde.

Anders zien

Het ‘zien als’ omschrijft de Nederlandse dichter Martinus Nijhoff (1894-1953) op sublieme wijze in zijn gedicht “Wolken” (klik hier). Wat zag de kleine Martinus in de wolken? Hij herkende er Scandinavië in, en eenden, een dame, en schapen. Uiteraard zag hij wolken en was zijn interpretatie bewuste verbeelding. Toch komt ook het ruimere plaatje aan bod wanneer hij de wolken bekijkt als volwassene: hij ziet dreigende wolken vanuit de verte naderen. Hij kijkt nu verder, terwijl hij als kind in zijn onschuldig enthousiasme enkel naar boven keek. Onze blik verandert, onze kijk op het leven evolueert met ons mee.

Moeten zien

Jezus bevestigt dat de zienden blind zijn. (Johannes 9, 41) Daarom joegen de farizeeën de blindgeborene de tempel ook uit wanneer hij zich kwam tonen aan hen toen hij door Jezus was genezen. (Johannes 9, 34b) Het kon niet zijn: Jezus was slecht in hun ogen, dat wonder kon niet door Hem komen. Zien is soms ook bewust niet kijken en volharden in de boosheid. Ook dat herkennen we in ons dagelijks leven. Hoe vaak wellen discussies niet op in debatten, in gesprekken, op sociale media. Telkens weer manifesteert zich hetzelfde patroon: “Ik zie dat zo” – “Nee, ik zie dat anders”. Al te vaak zijn dergelijke discussies tijdverspilling omdat men de moeite niet doet om elkaars visie te beluisteren. Want dat is wat ons bepaalt: visie, de vrucht van ons beperkte zicht en inzicht.

Goddelijk zien

God kiest Eliab niet, maar wel wel David, van wie gezegd wordt dat hij rossig is, heldere ogen heeft en een knap voorkomen. Wat is dan het verschil met Eliab? Het wordt niet verduidelijkt omdat de reden al vernoemd is. Het uiterlijk speelt geen rol. Toch omschrijft men David. We willen ons kunnen voorstellen hoe hij er uit ziet, dat is belangrijk voor ons, mensen. Voor God speelt dat echter geen rol: Hij kijkt naar het hart, naar de inborst van de jongen. “Hij is het.”, zegt God. (1Samuël 16, 12d) David wordt gezalfd en de Geest van de Heer komt over David. (1Samuël 16, 13b)

Wat zoekt God in ons hart? Dat is niet duidelijk. Nogmaals, wij kunnen niet kijken en denken zoals God. We krijgen wel een interessante aanwijzing in de tweede lezing van deze week. Paulus draagt de christenen van Efeze en overal ter wereld op om te leven als kinderen van het Licht. (Efeziërs 5, 8c) De vruchten van het Licht zijn goedheid, gerechtigheid en waarheid. Misschien ligt daar een belangrijke aanwijzing. Het zijn uiteraard niet de kwaliteiten die tentoongespreid worden op de ‘Place M’as-tu vu’. Daar gaat het ook niet om.

We hebben geluk. God is geen genadeloze rechter. We krijgen elke dag opnieuw de kans om ons voor God van onze beste kant te tonen, niet voor de schijn, maar welgemeend; kwetsbaar en beperkt als we zijn. God is immers genadig en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid. (Joël 2, 13b) Daar mogen wij oneindig dankbaar voor zijn en blij. Niet voor niets is het Laetare-zondag.

23 oktober 2021

Bartimeüs: zien en op weg gaan (23-24 oktober 2021)

Jezus trekt met zijn leerlingen weg uit Jericho, richting Jeruzalem. Het Laatste Avondmaal nadert met rasse schreden. Maar er wordt nog even onderbroken voor een noemenswaardige gebeurtenis. 

Geloofsbelijdenis

Lucas en Matteüs volgen dezelfde chronologie, met een zelfde onderbreking (Marcus 10, 46-52 en Matteüs 20, 29-34)Langs de weg zit de blinde bedelaar Bartimeüs neer. In tegenstelling tot Matteüs is het bij Marcus geen vaag verhaal over twee blinde bedelaars. Het is ook maar één blinde bedelaar, met name de zoon van Timeüs.

Bartimeüs roept Jezus, noemt Hem de Zoon van David, en smeekt Hem om ontferming. De aanroeping is op zich al een geloofsbelijdenis. Als Jezus de Zoon van David is, dan is Hij de Messias, de Mensenzoon die op aarde is gekomen om de Blijde Boodschap te verkondigen. Bartimeüs zegt heel veel in weinig woorden.

Verkeerd geïnterpreteerd

Ondanks zijn gelovige uitroep wordt Bartimeüs door velen afgesnauwd. Hij verstoort het gebeuren en kan maar beter zwijgen. Het geloof van de jonge man wordt niet in dank afgenomen, maar blijft niettemin letterlijk heel uitgesproken. De man roept nog luider om genade. Hij doet wat wij allen vaak doen: we vragen vanuit ons geloof om de aandacht van de Heer. Ontferm U over mij in uw barmhartigheid (Psalm 51, 1). “Eleèson me!”, klinkt het in het Grieks, zoals in de Latijnse liturgie de Griekse wortels aan bod komen in het “Kyrie eleison”. Heer, ontferm U over ons.

Jezus blijft staan. Het verhaal komt op het kantelpunt. Jezus hoort de roep van Bartimeüs en legt hem niet het zwijgen op. Wij, mensen, hebben de slechte gewoonte om totaal verkeerd te reageren vanuit ons spontaan handelen. We denken en handelen oppervlakkig en vergeten de dieptedimensie van het geloof. Dat wordt hier nog maar eens duidelijk. Jezus vraagt zijn leerlingen om de man tot bij zich te roepen. Ze sporen Bartimeüs meteen aan: “Verheug je, sta op, Hij roept je.” Het enthousiasme van de leerlingen is bewonderenswaardig. Ze gaan niet in discussie met de Heer, ze voegen zich niet bij de menigte die het geroep storend vond.

Volle overgave

Spontaan gooit Bartimeüs zijn mantel af en daarmee de ballast die hij meedraagt, maar ook het bezit dat hij heeft en de bescherming tegen de buitenwereld. Hij komt zuiver en vrij tot bij Jezus. Voor een blinde is dit een nog grotere uitdaging dan voor de anderen. Zijn spontaan enthousiasme is een uiting van geloof: Hij voegt de daad bij het woord.

Jezus stelt een ogenschijnlijk vreemde vraag: “Wat wil je dat Ik doe?” Is dat niet vanzelfsprekend? Het is vooral een plechtig moment dat vraagt om duidelijkheid. Zoals het “ja” dat je mag veronderstellen bij een paar dat huwt. Toch moet het uitgedrukt worden. Aangezien het over een belangrijke gebeurtenis gaat, moet alles klaar en duidelijk zijn. Bartimeüs antwoordt: “Maak dat ik weer kan zien!”

Jezus doet hierna… helemaal niets! Hij zegt dan ook niet: “Zo, Ik heb je geloof gezien, nu heb Ik je gered. Je kan weer zien.” Integendeel: de blinde redt zichzélf. “Je geloof heeft je gered.” Onmiddellijk kan Bartimeüs weer zien.

De daad bij het woord

Nu komt er echter geen varkentje met een lange snuit. Het verhaal is helemaal nog niet afgelopen. In tegendeel, het belangrijkste moet nog komen. De ziende Bartimeüs volgt Jezus hierna terstond. Zijn weerbaar geloof evolueert tot een volwaardige roeping. Bartimeüs krijgt niet alleen zijn zicht, hij verwerft ook inzicht. De man laat alles achter en gaat Jezus achterna, richting Jeruzalem. Een prachtig verhaal.

Laten wij niet verblind zijn. Wanneer we merken dat we zijn verblind, laat ons dan tot de Heer gaan, bevrijd van overbodigheden, laat ons teruggaan tot de Essentie die God is, en vragen om zijn ontferming. Want bij de Heer is vergeving, en daarvan leven wij (Psalm 130, 4).