Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label Zoon. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Zoon. Alle posts tonen

28 mei 2026

Heilige Drieëenheid: geduld, liefde en trouw (30-31 mei 2026)

Op de zondag na Pinksteren vieren we de heilige Drieëenheid. Na Pinksteren hebben we God leren kennen als hemelse Vader, als Zoon die op aarde de Boodschap heeft verkondigd om een nieuw Verbond te sluiten, en als Geest die neerdaalt over de gelovigen na Christus' hemelvaart. We kennen God op drie manieren, Hij maakt zich kenbaar langs drie verschijningswijzen. Toch zijn Zij één en dezelfde God. Dat wordt nogmaals beklemtoond na Pinksteren. Er is één God die ons genadig nabij blijft.

  • Voor de lezingen van de heilige Drieëenheid A: klik hier.

Verbond

Het eerste heilige Verbond tussen God en zijn Volk werd gesloten in de woestijn, onderweg naar het Beloofde Land, na de vlucht uit de slavernij en onderdrukking in Egypte. God heeft zijn Volk bevrijd en gunt het een prachtige toekomst. Hij schenkt langs Mozes de tien geboden aan het Volk, de tien leefregels die het geloof in de Eeuwige samenvatten. Maar het Volk is bij momenten onhandelbaar helaas: het vervalt vaak in geklaag en gemor en het heeft zijn toevlucht gezocht bij een gouden kalf. (Exodus 32-33)

Mozes beklimt de berg Sinaï om aan de Heer te vragen om het Volk toch te blijven begeleiden op weg doorheen de woestijn. De Heer wil een Vertond sluiten. Hij leidt dit in met belangrijke eigenschappen die Hem kenmerken, die zijn Identiteit samenvatten: Hij is een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig. (Exodus 34, 6) Daarom wil Hij een Verbond sluiten, omdat Hij is wie Hij zegt dat Hij is.

En willen dat nu juist kwaliteiten zijn waar het Volk zo pijnlijk in tekortschiet tegenover hun God. En dat is een probleem van alle tijden. Al bij de aanvang van dat eerste Verbond blijkt dat mensen niet altijd uitblinken in liefde, geduld, trouw en waarachtigheid. Laten we drie belangrijke waarden uitdiepen van de aankondiging waarmee God Zichzelf voorstelt aan het Volk: geduld, liefde en trouw. Zo openbaart God zich aan de mensen doorheen de heilsgeschiedenis, tot op vandaag.

Geduld

Het is niet zo dat we een Goddelijke Persoon kunnen toekennen aan elk van deze drie waarden. God is één en zijn Identiteit kan niet zomaar opgedeeld worden. Vooreerst blinkt God uit in geduld. Het feit dat Hij zijn Zoon in de wereld geboren laat worden om de Boodschap te verhelderen onder de mensen, is een ontegensprekelijke uiting van geduld. De eredienst is met geld en macht besmet (Matteüs 21, 13 en Lucas 18, 9-14) en de dagelijkse geloofspraktijk is een geheel van regeltjes geworden (Matteüs 23). Dat wil God bij monde van Jezus bijsturen: met Vaderlijk geduld, niet met wrok.

Ook de Zoon is geduldig: Hij blijft uitleg geven aan de mensen die het willen horen, en ook aan zijn leerlingen, die zijn uitspraken vaak helemaal verkeerd begrijpen, of zelfs helemaal niet. Langs beelden spreekt Hij met zijn apostelen in begrijpelijke taal, zelfs in wonderlijke tekens. (Marcus 4, 35-41 en Matteüs 15, 15-16 en Marcus 4:33-34) Toch lijken ook zij nog bezig te zijn met positie en macht. (Marcus 10, 35-45) Niettemin blijft Jezus hen hierop aanspreken, met het nodige geduld. 

De Geest van God is over ons gekomen nadat de Zoon naar zijn Vader is teruggekeerd. Hij blijft ons inspireren. De eeuwenlange geschiedenis tot nu en ook hierna is alleszins een teken van volgehouden geduld. 

Liefde

De Liefde van God begint al bij de schepping van hemel en aarde. Zijn Kracht heeft alles gemaakt en ons gegeven en wij mogen elke dag genieten van zijn geschenk van Liefde. Het feit dat Hij ondanks de fouten van zijn Volk toch begaan blijft met hen, getuigt evenzeer van deze Liefde die ons menselijk begrip overstijgt. Uit grenzeloze Liefde staat Hij open voor wie Hem de rug heeft toegekeerd, maar die tot berouw komt en vraagt om vergeving. (1Johannes 3, 1 en Lucas 15, 20 en Joël 2, 12) En zijn enige Zoon wordt op aarde gezonden om het Volk opnieuw te redden: niet van de slavernij, maar van de verlorenheid. (Johannes 3, 16)

De Liefde van de Zoon is doorheen zijn aardse optreden duidelijk geworden, maar kent haar hoogtepunt in zijn lijden en sterven. Hij aanvaardt het kruis niet enkel uit gehoorzaamheid aan zijn Vader. Dit lijden is ook noodzakelijk om de schuld van de mensen kwijt te schelden en een Nieuw Verbond te sluiten. (Jesaja 53, 4-5 en Matteüs 20, 28 en Matteüs 26, 28 en 1Petrus 2, 24) Hij wordt het Lam van God. Is er een groter teken van Liefde? (Johannes 13, 1)

De Liefde van de Geest bestaat erin dat Hij in ons aanwezig is en blijft. Hij is de meest nabije vorm waarin God zich openbaart. De Geest maakt ons wakker, vuurt ons aan en inspireert ons om van Gods grote daden te spreken. Hij wakkert de liefde voor God aan in ons. (Romeinen 5, 5 en Galaten 5, 22)

Trouw

De trouw van God zien we doorheen de Schrift. Ondanks de ontrouw van de mensen blijft Hij wel trouw. Ondanks de afvalligheid die Hem wordt aangedaan, laat Hij niemand vallen. Hij wil een Verbond sluiten, een heilige verbintenis met de mensen om de trouw uitdrukkelijk te bestendigen. Daar, in de ruwheid en onzekerheid van de woestijn, komt Hij de mensen tegemoet. En dat gebeurt opnieuw door de hemelse Vader bij het Nieuwe Verbond. 

De trouw van Jezus gaat tot het uiterste toe. Hij gaat niet in op de lokroep van het kwaad, maar blijft zijn Vader trouw. (Matteüs 4, 1-11) Petrus daarentegen, de belangrijkste onder de leerlingen, zal zijn Meester verloochenen, zelf al werd hij er uitdrukkelijk voor gewaarschuwd. (Johannes 13, 38) Jezus blijft trouw, Hij aanvaardt zelfs het lijden. (Matteüs 26, 39 en Marcus 14, 36) Het contrast is groot. Wij zijn geen goden, we zijn mensen met gebreken. Dat weet God.

De trouw van de Geest ligt in zijn ononderbroken genadegave. Hij is in ons aanwezig, zelfs wanneer wij God als ver weg ervaren. De Geest wil ons telkens opnieuw verbinden met de diepste Identiteit van God en ons inspireren om dat geduld, die liefde en die trouw ook te veruitwendigen in wat we zeggen en wat we doen. 

Zo mogen wij getuigen van de Vader die barmhartig is en ons nooit in de steek laat, van de Zoon die ons is geschonken en die aan ons de Boodschap heeft verkondigd en de Geest die eeuwig is en tegelijk in de tijd ons tegemoet komt als bron van kracht en troost. En dat vieren we op het feest van de heilige Drieëenheid. Dat God zich op zoveel manieren aan ons openbaart.

28 april 2026

Een kwestie van vertrouwen (2-3 mei 2026)

Er heerst een akelige sfeer in de kamer. De stemming is plots helemaal omgeslagen. Een kaartenhuisje van evidenties en gewoonten valt ineen. Het zal niet altijd blijven zoals het nu is, zo blijkt. Sterker nog: de verandering is al begonnen. Judas is zonet kwaad weggelopen. Tomas wordt bang en Filippus wil duidelijkheid.

  • Voor de lezingen van de vijfde Paaszondag A: klik hier.

Ongerustheid

De leerlingen krijgen van Jezus de raad om te vertrouwen op de hemelse Vader, en dus ook op Hemzelf. (Johannes 14, 1) Onrust heeft zich onder de leerlingen genesteld. Jezus schat dit juist in. Tomas zegt angstig: 'We weten niet waar U heen gaat, Heer, hoe zouden we dan de weg moeten kennen?' (Johannes 14, 5) In zijn vraag klinkt angst en verdriet. En Filippus wil meteen de vlugge oplossing kennen: 'Laat ons meteen de Vader zien, Heer, meer vragen wij niet.' (Johannes 14, 8) Je zou voor minder radeloos worden. 'Ken je Me nog niet, Filippus?', laat de Heer zich ontvallen. Maar Hij blijft geduldig en legt uit wat Hij precies bedoelt.

De ongerustheid bij de leerlingen is te begrijpen. Jezus heeft hun meegedeeld dat Hij weldra terug naar de Vader zal vertrekken. Hij zal dus niet onder hen aanwezig blijven. (Johannes 13, 31-33) Zonet heeft Hij de voeten van zijn leerlingen gewassen. En er was onrust bij Jezus zelf toen Hij kenbaar maakte dat iemand Hem zal uitleveren: Judas. (Johannes 13, 21-30) Hetzelfde Griekse woord wordt gebruikt om de onrust van hart bij de leerlingen uit te drukken en de onrust van geest bij Jezus (Johannes 14, 1: tarassestoo, en Johannes 13, 21 etarachtè: agitatie, onrust, bezorgdheid). De Mens Jezus ziet op tegen het lijden dat Hem scheidt van de terugkeer naar zijn Vader. De leerlingen zien op tegen het moment dat hun Meester niet meer op aarde zal zijn.

Vertrouwen

De leerlingen hoeven niet verontrust te zijn. In het huis van de Vader zijn veel kamers. Er is een plaats voor ieder van hen klaargemaakt. (Johannes 14, 2) Langs Jezus zullen ze bij de Vader komen. (Johannes 14, 3 en 10-12) Wie vertrouwt op de Vader, zal ook vertrouwen op de Zoon, want de Vader is in de Zoon en de Zoon in de Vader. (Johannes 14, 11a) Het klinkt ingewikkeld, maar eigenlijk is het heel eenvoudig: Vader en Zoon zijn één in God. 

Wie gelooft in de Vader, gelooft in de Zoon. Ziedaar in alle eenvoud het vertrouwen dat ons geloof inhoudt. Jezus is op aarde gekomen om de blijde Boodschap te verkondigen dat het Rijk Gods werkelijkheid wordt, en om het geloof van de mensen te verdiepen en weg te keren van uitwendigheden en van machtsgrepen. Daarom zegt Hij ook stellig: 'Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.' (Johannes 14, 6a) De hemel komt dichterbij langs Jezus en zijn Woord is onze leidraad. We zullen de eeuwigheid erven langs Hem. En wat vraagt Jezus hiervoor terug? Vertrouwen en overgave, meer niet.

Controle  

Karmelietes en mystiek theologe Teresia van Avila heeft het in een korte meditatie geformuleerd: 'Laat niets je verontrusten. Laat niets je beangstigen. Alles gaat voorbij, maar God blijft. Met geduld zal je alles bereiken. Wie zich vasthoudt aan God zal niets tekort hebben. God alleen volstaat.' (Nada te turbe, nada te espante, todo se pasa, Dios no se muda. La paciencia, todo lo alcanza. Quien a Dios tiene, nada le falta. Solo Dios basta.) We vluchten soms in twijfel en onrust of in noodgrepen terwijl het zo evident is dat God onze enige zekerheid is. De Tomas en de Filippus in ons kunnen deze raad goed gebruiken.

Geloven is niet-weten maar vertrouwen op Hem. Eigenlijk staat dat haaks op onze menselijke grijpreflex. De angst van Tomas om te verdwalen in zijn geloof en de nood van Filippus om de snelste weg te kennen, vertellen ons één ding. We hebben graag controle, en dat veronderstelt dat we ons denkkader kunnen verifiëren aan de werkelijkheid. We moeten het kunnen begrijpen, bevatten, voelen en zien. Dit is één van de grootste aanleidingen voor de huidige geloofscrisis. 

Illusie

Onze welvaart is er sterk op vooruitgegaan en de wetenschap is enorm geëvolueerd. Het schenkt ons de illusie van controle: we bezitten wat we nodig hebben en de wetenschap en de economie vormen de fundamenten waarop gebouwd wordt. Alles lijkt op rolletjes te lopen. Echter, er zijn zoveel facetten waar we geen vat op hebben en de vooruitgang wordt lang niet altijd te goedertrouw aangewend. En iedere vooruitgang heeft ook grenzen.

We leven in tijden van besparingen, het groeimodel stagneert. En ons bestaan blijft eindig en voelt vaak als veel te kort aan. Ondanks ons wegkijken en vluchten in kleine kringetjes van zekerheid blijven we toch een onrust voelen. En velen onder ons verzuren erdoor. Er worden schuldigen gezocht en, zoals dat altijd gaat, ligt het probleem duidelijk bij anderen. Heel wat mensen vinden geen uitweg voor deze  neerwaartse ervaring, want er is geen existentieel kader om zich binnen te plaatsen. Daarom is vanuit christelijk perspectief de mystieke meditatie van Teresia van Avila zo kernachtig voor onze tijd: God alleen volstaat, je hebt eigenlijk niets anders nodig. Jezus zegt tegen zijn leerlingen en tegen ons: 'Vertrouw op de Vader en vertrouw op Mij.'

De Vader en de Zoon zijn één. We naderen het einde van de Paastijd. Met Pinksteren zal de Drieëenheid vervolledigd worden. Dan zijn we in het tijdperk van de Kerk aanbeland, dat nog altijd doorgaat. Met ons.

15 januari 2026

Geestkracht (17-18 januari 2026)

De kerstversiering wordt weer in dozen verzameld. De lichtslingers zijn opgerold en, zo goed en zo kwaad als het gaat, in hun veel te kleine doosjes teruggeduwd. De winterse feesttijd is afgelopen en wordt ritueel weggeborgen. In sommige winkels zijn al kippen, hazen en eieren te bespeuren. In de liturgie is de Kersttijd afgerond. De 'groene weken' zijn begonnen. Het is een minder dramatische periode, waar de kunst van de regelmaat wordt herontdekt: een hele verademing...

  • Voor de lezingen van deze zondag: klik hier.

Ons geloof mag geen aaneenrijging van feesten zijn. Het is ons slechts werkelijk eigen wanneer het deel kan uitmaken van de allergewoonste dagen van ons leven. De lezingen van komende zondag leggen de basis om te begrijpen wie God wil zijn voor ons. Van daaruit kunnen wij op onze beurt op zoek gaan naar wie wij hopen te zijn voor Hem.

Drievuldigheid

We hoeven in het Johannesevangelie niet ver te zoeken om kennis te maken met de Drievuldigheid. In het Eerste (Oude) Testament is dit Godsconcept niet aanwezig. Johannes introduceert God al impliciet als Vader en Zoon en heilige Geest in zijn allereerste regels. Aan het einde van zijn evangelie komt dit veel duidelijker in beeld, wanneer Jezus onder zijn leerlingen verschijnt, en vooraleer Hij terug naar zijn Vader gaat de heilige Geest over hen zendt. (Johannes 20, 17 en 21-22)

Hier, helemaal aan het begin van het Johannesevangelie én van de liturgische tijd door het jaar in de B-cyclus, maken we al kennis met Gods plan om zijn Zoon onder ons te laten wonen om de Boodschap bekend te maken, zodat de mensen ervaren dat God geen afstandelijke en ongeïnteresseerd Hemelwezen is, maar een mensnabije en betrokken God, die het beste voor heeft met ieder van ons. De Geest daalt over zijn Zoon neer. Van dan af zal Hij rondtrekken om het Rijk Gods bekend te maken aan iedereen. Deze heilige Geest zal ons verder inspireren eenmaal Jezus niet meer onder ons woont. 

Eenheid

De weg is voorbereid door Johannes de Doper:  een profeet van de Heer, die een duidelijke opdracht en boodschap van de Heer ontving: nagaan over wie de Geest neerdaalt. Johannes de Doper is getuige van dit Openbaringsgebeuren en bevestigt de Goddelijkheid van de mens Jezus hiermee ontegensprekelijk. (Johannes 1, 32-33) Zodoende komen de drie Goddelijke Verschijningsvormen bijeen: de Vader bekrachtigt zijn Zoon door de neerdaling van de Geest. 

Daarmee is meteen ook duidelijk dat God niet opgedeeld kan worden. God is één en manifesteert zich vanaf de komst van Jezus op aarde ook steeds als een eenheid. Het is  overigens niet zo dat de Zoon pas bestaat vanaf zijn aardse geboorte als Kind. De evangelist Johannes maakt vanaf zijn eerste woorden duidelijk dat Christus vanaf het begin al bestaat, namelijk als het Woord van God. Dat Woord wordt Mens in Jezus. (Johannes 1, 10-12) 

Geest

In het begin van de tijd door het jaar ontvangen we een stevige basis voor ons Godsbegrip. Hij is geen Schepper die zijn schepping in de steek laat, geen 'Dieu horloger' (zoals Voltaire suggereerde) die lang geleden het raderwerk in gang heeft gezet en het verder maar laat betijen. God bekommert zich om ons en blijft ons genadig nabij met zijn aanwezigheid. 

Die aanwezigheid wordt bestendigd in de heilige Geest. Nadat de Zoon terug naar de Vader is gekeerd en niet meer zichtbaar, tastbaar en hoorbaar onder ons verblijft, zijn we niet wezenloos achtergebleven. De Geest die rustte op de Zoon, wordt over de leerlingen en over de volgelingen gezonden. In die Geest blijven wij verenigd met de Vader en de Zoon. God blijft ons 'rakelings nabij' en wij mogen dus leven in 'de kracht van God', om wijlen Eric Vanden Berghe (+2006) te citeren, die een gelijknamig boek schreef over de Geest. 

Laten we begeesterd blijven getuigen van Gods Boodschap van Liefde.

23 juli 2025

Een steen, een slang en een schorpioen (26-27 juli 2025)

Jezus vertelt wijsheden vaak langs gelijkenissen: ze kunnen grote thema's in eenvoudige beeldtaal weergeven. Er staat telkens veel meer in dan een oppervlakkige lezing zou doen vermoeden. Gods Zoon stelt ons vandaag gerust: God laat ons niet in de steek. We blijven ontvangen van zijn genade en mogen Hem dus onbevangen vragen om hulp. Er zijn uiteraard wel enkele basisvoorwaarden: je kunt niet van God ontvangen wanneer je Hem niet erkent, niet belijdt of niet beleeft. Mag ik je meenemen op een spirituele wandeling doorheen een beeldverhaal?

In het evangelie lezen we vandaag hoe Jezus zijn leerlingen – en in het verlengde dus ook ons – leert bidden. Het Onze Vader is het allerbelangrijkste gebed in de christelijke traditie, precies doordat Jezus het ons hoogstpersoonlijk heeft aangereikt. Meer daarover lees je in deze eerdere bijdrage

Dubbelparabel

Dit keer wil ik graag een korte maar veelzeggende parabel onder de aandacht brengen die volgt op het gebed. Een dubbelparabel is het eigenlijk: een tweeluik dat gaat over oprechte vriendschap en over de liefdevolle zorg van een vader voor zijn kind. De vertelling is bijzonder beknopt en valt meteen met de deur in huis.

Je geeft geen steen wanneer een vriend je vraagt om drie broden te mogen lenen. En een vader geeft zijn kind geen slang in de plaats van vis, of een schorpioen wanneer hij om een ei vraagt. Deze kwalijke verwisselingen zijn hoegenaamd niet zinvol, ze zijn zelfs destructief. Ze getuigen niet van vriendschap of zorg. Een verzwarende factor is de vermelding dat de ondermaatse vriend er al tegen opziet om uit bed te komen en de deur open te maken. Nee: “Val me niet lastig,” is geen uiting van vriendschappelijke bekommernis. (Lucas 11, 7a) De absurditeit spreekt voor zich.

Nu kunnen we ons de vraag stellen of Jezus de drie nutteloze vervangingsmiddelen toevallig heeft gekozen, improviserend op het moment. Of brengt Hij bewust een dieptelaag binnen met zijn symboolkeuze? Het is absoluut niet Jezus’ gewoonte om oppervlakkige beelden te gebruiken. Doorgaans schuilt er meer achter zijn woordkeuze, zeker in parabels. Laten we dus op zoek gaan naar de verdiepende dimensie.

Brood...

In een eerste hulpvraag wil een vriend graag drie broden lenen voor onverwacht bezoek. Een reiziger heeft immers honger. Brood staat in de Schrift symbool voor wat levensnoodzakelijk is. Brood is voedzaam en levengevend. Jezus maakt vaker gebruik van brood als beeld. Het is iets dagdagelijks: iedereen kent het, iedereen eet het.

Zo omschrijft Jezus zichzelf als levend Brood dat uit de hemel is neergedaald. (Johannes 6, 35a en 51a) Bij Jezus is er geen honger meer, maar eeuwig leven. (Johannes 6, 35b en 39) Tijdens het Laatste Avondmaal breekt Jezus brood als teken van het Nieuwe Verbond. “Dit is mijn Lichaam, dat voor jullie gegeven wordt.” (Lucas 22, 19) Hij draagt zijn leerlingen vervolgens op om brood te blijven breken tot zijn gedachtenis. En in het gebed aan de Vader dat Hij enkele verzen vóór de dubbelparabel opdraagt, komt het beeld van brood ook voor: “Geef ons elke dag het brood dat we nodig hebben.” (Lucas 11, 3) Ook dat brood heeft een geestelijke connotatie: het is zoveel meer dan een bede tegen honger.

Het schenken van drie broden aan de vriend die er om komt vragen, verwijst in deze parabel wellicht naar het erkennen van God als noodzakelijke voedingsbron in ons leven. In het naleven van zijn geboden uiten we onze dankbaarheid voor het leven, dat ons door de Schepper is geschonken.

...versus steen

Tegenover het brood staat de steen. Elders in de Schrift verwijst een rots of steen soms naar standvastigheid en doorzetting, maar dit keer niet. Een steen is ruig, hard en onveranderlijk. Stenen bloeien niet en werpen geen vruchten af. Een hongerige reiziger is niet gebaat bij de woestijnrotsen: ze zullen zijn maag niet vullen en zijn honger niet stillen. Stenen doen zelfs denken aan levenloosheid en aan de dood: doden worden in rotsholtes begraven. (Lucas 23, 53) Een steen wordt in de Bijbel ook vermeld als een hard en bot wapen waarmee je iemand kunt doodslaan of bekogelen. (Numeri 35, 17 en Johannes 10, 31-33)

De steen wordt in de Schrift tevens soms aangewend als opponent van een invoelend en meevoelend hart, van liefdevolle menselijkheid: Ik zal zijn hart van steen wegnemen en hem een hart van vlees geven. (Ezechiël 11, 19) Er is geen empathie in een hart van steen: “Zijn hart is hard als een steen, ja, hard als de onderste molensteen.” (Job 41, 15) Deze hardheid die de steen uitbeeldt, bestaat ook naar God toe. Wie een hart van steen heeft, zal niet in staat zijn om de liefde van God te beleven

Vis... 

In het tweede parabeldeel verplaatst Jezus het verhaaldecor in een vingerknip naar een vader en zijn hongerige zoon. Een vader hoort te zorgen voor zijn kind: dat spreekt voor zich. Een kind is kwetsbaar en heeft zijn vader nodig om aan voedsel te komen. Zelf is hij daar nog niet toe in staat: stel dat hij iets giftigs eet of iets dat bedorven is. In het Onze Vader heeft Jezus de verhouding tussen de hemelse Vader en zijn Volk uitgelegd: wij zijn allen kinderen van God en mogen Hem biddend vragen om hulp. (Lucas 11, 2b-4) God is onze liefhebbende Vader die ons altijd nabij is en die ons geloof niet afwijst. (Lucas 11, 9-10)

De vis staat voor menselijk geloof, voor het navolgen van Jezus Christus als Zoon van God. Wanneer Jezus de vissersbroers Simon en Andreas roept, zegt Hij: “Jullie zullen vissers van mensen worden.” (Marcus 1, 16-17) Ze zullen in zijn Naam het Woord verkondigen en mensen tot bij God brengen. Na zijn dood, verschijnt Jezus onder de leerlingen. Simon Petrus is opnieuw aan het vissen, maar deze nacht hebben ze niets gevangen. (Johannes 21, 1-3) Ze herkennen Jezus niet meteen. Hij geeft hun aanwijzingen waar ze hun netten uit moeten gooien, en die zitten meteen vol vissen. De beminde leerling zegt terstond tegen Petrus: Het is de Heer! (Johannes 21, 6-7). Hun verdriet en gemis om Jezus maken plaats voor geloof en de volle netten zijn een beeldende voorspelling van hun nieuwe taak: hun geloof belijden en mensen bekeren.

...versus slang

Een vader die zijn kind een levende slang in de handen stopt wanneer die om een vis vraagt, is een dwaas. Dat behoeft geen uitleg. Een slang kan heel gevaarlijk zijn, dodelijk zelfs. Er klinkt echter ook een symbolische verwijzing mee in het verhaal. Slangen worden in de joodse cultuur geassocieerd met kwaad. In het tweede scheppingsverhaal voedt de slang listig de ambities van Adam en Eva. Door te eten van de boom van goed en kwaad, willen zij de goddelijke kennis verwerven en God worden. (Genesis 2-3) De slang staat symbool voor hoogmoed ten aanzien van God. Wie de slang gehoorzaamt, gaat van de waarheid weg en laat God zelfgenoegzaam achter zich.

We kunnen in deze twee voorbeelden ook niet om het beeld van het wonder van de broden en de vissen heen. Enkele broden en vissen kunnen een hele volksmenigte voeden die Jezus heeft beluisterd. (Matteüs 14, 13-21) Jezus heeft de mensen gevoed met de ware blijde Boodschap én zo aangezet om Hem in geloof te volgen. En wat er overblijft, is overvloed.

En ei... versus schorpioen

De zoon vraagt in het tweede parabeldeel ook om een ei aan zijn vader, want dat is heel voedzaam. Een ei is een geschenk: wie een kip bezit, die raapt het gewoon op en hoeft er niets voor te betalen. Het staat ook symbool voor vruchtbaarheid, nieuw leven en groei: uit een bevrucht ei kan een kuiken groeien. De kip leeft uiteindelijk verder in haar kuikens. Een ei brengt hoop en toekomst. Daarom wordt het doorheen de traditie ook gerelateerd aan de Verrijzenis. Het leven gaat door, het houdt niet op. De dood is niet het einde maar wordt overstegen.

Daar tegenover staat de schorpioen die doet denken aan gevaar, beproeving en pijn. Een schorpioen grijp je niet zomaar beet. (Apokalyps 9, 5) Het gif van een schorpioen zal een gezonde volwassene vooral ongemak bezorgen, maar kan dodelijk zijn voor een kind. Zoiets doet een vader zijn kind toch niet aan? Welnu, zo zal de hemelse Vader evenmin met ons omgaan.

Drie geloofshoudingen

De drie ongepaste surrogaten hebben elk een essentiële betekenis in ons geloof, in onze relatie met God. Laten we de kerngedachten even samenbrengen. Wanneer we in ons geloof en in ons leven geen deel hebben aan het brood, dan verharden we. Dan beleven we ons geloof niet meer hartelijk en doorleefd. We verstarren in ons denken en spreken en in ons leven. De band met de blijde Boodschap van Liefde voor God, onze naaste en onszelf gaat dan verloren. In een versteend hart is geen liefde meer.

Identificeren we ons met de slang in plaats van de vis van het geloof, dan keren we ons af van God. Het is mogelijk dat we die keuze maken uit zelfgenoegzaamheid, omdat we denken God niet nodig te hebben. In dat geval belijden we ons geloof niet langer en vervreemden we van God. Dan is er geen geloof meer.

Als de schorpioen ons meer inspireert dan het ei van de hoop, dan laten we ons vangen in destructief denken en handelen. In dat geval aanvaarden en delen we geen hoop meer. We staan niet langer open voor de genade van God. Sarcasme, wrok en haat krijgen vrij spel en kunnen ons bestaan dan ongestoord verzuren en vergiftigen. Er is in dat geval geen opening meer tot hoop.

Vragen en ontvangen

Jezus leert ons in dit evangeliefragment hoe we het beste kunnen bidden tot God. (Lucas 11, 2b-4) Daarbij vertrekken we vanuit ons geloof in de Vader in de hemel, wiens Naam heilig is. We drukken onze hoop uit op het komend Rijk en engageren ons om te helpen zijn Wil te verwerkelijken op aarde door het Verbond na te leven dat op de Liefde is gebouwd. (Matteüs 22, 37-40) 

Daarna maakt Jezus ons duidelijk dat we geen schroom hoeven te voelen om Gods hulp te vragen. We zullen van God ontvangen wat we nodig hebben: de spirituele genade van hemels Brood, de vergiffenis van onze schuld en wijsheid om zijn wegen te bewandelen. (Lucas 11, 13) De heilige Geest zal ons daarbij leiden. (Lucas 11, 10)

Welnu, wat is daarop ons antwoord? 

11 juni 2025

Drie-eenheidszondag: Traditie, Liefde en Wijsheid (14-15 juni 2025)

De zondag na Pinksteren, na het afsluiten van de Paaskring, vieren we Drie-eenheidszondag. De eenheid van God wordt feestelijk bevestigd en gevierd. De Zoon is terug naar de Vader in de hemel en de Geest is over de volgelingen van Jezus neergedaald. Hoog tijd om de eenheid van God nog eens te beklemtonen. Want wij loven en aanbidden één God.

Gods Boodschap

De heilige Geest, die beloofd is door Jezus aan de leerlingen, spreekt Gods stem. (Johannes 16, 13b) De Geest is geen zelfstandige entiteit, maar maakt deel uit van God zelf. Met Pinksteren merken de leerlingen voor het eerst hoe de Geest in hen werkzaam wordt. (Handelingen 2, 1-12)

De heilige Geest zet de verkondiging van Gods Boodschap voort. Hij verkondigt wat de leerlingen in Jezus’ aanwezigheid nog niet konden begrijpen. (Johannes 16,13a) Deze noodzakelijke aanvullingen leiden ons dieper binnen in de Waarheid, in Gods Wijsheid. (Johannes 16, 12) Gods openbaring zet zich dus langs de Geest verder na de dood en verrijzenis van Jezus. (Johannes 16, 14)

Blijvend aanwezig

God blijf aanwezig en blijft ons inspireren doorheen de tijd, in de traditie van Wet en Profeten. De Heer wordt verder verheerlijkt in de Geest. (Johannes 16, 14-15) De Wereldkerk van Christus krijgt vorm en wordt uitgebouwd in de kracht van de Geest. En langs diezelfde Geest wordt de hemelse Vader aanbeden, de Schepper van al wat is, de Nabije die de traditie in een heilig Verbond vorm heeft gegeven. (Spreuken 8, 22)

De Geest bouwt verder aan wat Jezus is begonnen: vrede vinden bij God. Christus heeft voor ons de weg naar Gods genade ontsloten langs het Nieuw Verbond. (Romeinen 5, 2) Nu maakt de Geest, onze Trooster en Helper, het mogelijk om dichter bij Jezus te komen langs zijn inspirerende In-wezigheid, zijn aanwezigheid in ons hart. De Geest stort Gods Liefde in ons hart. (Romeinen 5, 5)

Aan elkaar gelijk

De Vader, de Zoon en de Geest zijn aan elkaar gelijk: ze zijn immers God. (Romeinen 5, 1 en 5) Toch heeft de Geest doorheen de tijd, hoewel Hij de inspiratie is van de Kerk, steevast een minderwaardige plaats toebedeeld gekregen. Er schuilt namelijk een risico in de Geest: iedereen kan spreken vanuit de Geest, maar is dat wel in alle gevallen zo? (Handelingen 2, 13) De Geest kan als gezagsargument gebruikt worden om een eigen visie te legitimeren. 

Toch is er een toetsing die onweerlegbaar is. Wanneer een geloofsuitspraak in strijd is met de Wet en de Profeten en met wat Jezus heeft verkondigd, dan is de Geest niet de drijfveer geweest van de bewering. Dan is het een uitspraak uit eigen naam. Niettemin waait de Wind waar Hij wil. Soms kan dat bedreigend aanvoelen binnen een hiërarchie. Maar rangorde en gezag is niet de kern van Kerk-zijn, het is een hulpmiddel om de eenheid en de authenticiteit onder christenen te bewaren. Als ze daar niet toe dient, dient hiërarchie nergens toe. 

Kerk vormen is niet stilstaan of heimelijk achterom kijken. Het is samen op weg gaan, voorwaarts, gesterkt door de Geest.

07 mei 2025

Volgelingen van de Drie-ene God (10--11 mei 2025)

Schapen zijn geen makke dieren. Christenen worden dat wel eens verweten, ten onrechte. Nee, schapen hebben een eigen wil. Dat weet iedereen die wel eens schapen heeft gedreven van stal naar weide en weer terug. Ze zijn bijzonder alert voor gevaar en zoeken steun bij mekaar. Ze zijn groepsgericht en vertrouwen volledig op de herder om veilig door de weilanden te kunnen lopen. 

Beeldspraak

Schapen en hun herder: dat is de beeldspraak waarmee Jezus de verhouding tussen God en de mensen uitlegt. (Johannes 10, 27-28 – Psalm 23, 3-4 en 100, 3) Jezus’ volgelingen kennen en vertrouwen Hem zoals schapen hun herder. Christus navolgen is geen teken van gebrek aan zelfvertrouwen of eigen mening. Het impliceert juist het vermogen om vertrouwen te vinden bij Hem die ons overstijgt.

Christus is de Herder in de beeltenis, met de belangrijke toevoeging dat Hij één is met de Vader. (Johannes 10, 30 – Psalm 100, 3 en 23, 1) Met Pinksteren zal Gods Geest over de leerlingen komen. (Handelingen 2, 1-12) Zo worden zij volgelingen van de Drie-ene God: één God, die Vader, Zoon en Geest is. Wij volgen God in deze bijzondere traditie.

God vindt drie wegen naar ons, mensen: als Vader, die Schepper en Bevrijder is, (Genesis 1-3 – Exodus 6 en 12), als Zoon, onze Redder en Verlosser, (Lucas 1 – Efeziërs 1) en als Geest, dus als Inspirator en Helper (1Johannes 4). Zo komt God ons in verschillende vormen naderbij. Zo is Hij de Nabije.

Vertrouwen zonder tovenarij

Jezus kiest een sterk beeld dat vertrouwen schept. Een herder helpt zijn schapen vanaf het allereerste begin, wanneer een schaap in de schoot groeit en als kwetsbaar lam geboren wordt. Een herder behoedt zijn schapen voor gevaar en onheil, door hen te waarschuwen en hen op weg te helpen. Een herder neemt een groot engagement op zich: hij hoedt schapen door zijn aanwezigheid, elke dag. Dat is wat God voor ons doet, uitgedrukt in een beeld: dag in, dag uit.

We mogen dit beeld niet uitrekken tot voorbij haar draagkracht. Dat Jezus onze Herder is, wil niet zeggen dat we tegen alles beschermd zijn. Het leven op aarde is eindig, dat weten we. We zullen ook niet gevrijwaard worden van pijn of tegenslag. Wel mogen we ons gedragen weten door Hem in wat ons overkomt. De menselijke zoektocht naar een zorgenvrij en leedluw leven is de zoektocht naar een illusie. God zal ons daarin niet faciliteren. Hij staat niet ten dienste van onze hoge eisen. Dat heeft Job voor ons mogen ontdekken. 

Dit betreft een vooroordeel dat vaak wordt vernoemd door niet-gelovigen: dat we een troostmiddel uitvinden dat uiteindelijk niet doet wat we van ervan vragen. En als we die fout maken, dan heeft men inderdaad gelijk. Het is zeker een aanleiding om het geloof te verliezen, en het is niet verrassend: het uitgangspunt zat al verkeerd. God omschrijven als algoed en almachtig, neemt niet weg dat wij ons levenspad zelf moeten waarmaken en dat er niet telkens weer directe kunstgrepen van Godswege gebeuren om ons te redden uit eventuele moeilijke situaties. Jezus biedt ons zichzelf aan als weg naar de Vader. De hemelse Vader is de schepper van het Nieuwe Verbond in Christus. Zo nabij wil God, kan God en zal God voor ons zijn. 

Volgen in vrijheid

Nabijheid biedt God aan, doorheen alle tijden al, maar geen tovenarij op vraag. Het aanbod komt van Hem, en ontspringt niet uit onze vraag. God gunt ons de vrijheid. Bijgevolg is zijn nabijheid niet magisch of verstikkend.

Er blijft dus voldoende vrijheid over voor de schapen. (2Korintiërs 3) Sterker nog: er is juist meer ruimte voor vrijheid omdat er een diep vertrouwen is. We hebben een richting, een doel, we vinden zin in het leven. Van daaruit mogen we gesterkt en gesteund doorheen het leven wandelen, in de wetenschap (of beter: het geloof) dat we nooit alleen zijn. Dat de Drie-ene God  die Vader is, Zoon en Geest  met ons mee wil gaan op weg door het leven. Met Pasen heeft Christus deze belofte in onovertrefbare grootsheid vervuld. De Heer is waarlijk verrezen! Alleluia!

24 maart 2025

Het komt weer goed, dat is wat telt (29-30 maart 2025)

Een bezinning bij de parabel van de verloren zoon aan de hand van twee kunstwerken: een gravure en een schilderij. Hoewel deze zondag een milde vreugde binnenbrengt in de Veertigdagentijd, richt deze overdenking zich vooral op het fragment voordat er feest wordt gevierd omdat de jongste zoon is teruggekeerd. Deze parabel slaat niet enkel de snaar van de vreugde om de vergeving aan. Kunst helpt ons om het vizier wijder open te trekken.

  • Voor de lezingen van de vierde zondag in de Veertigdagentijd C: klik hier.

Party time!

We starten met een klein vizier: een gravure van Charles-Emile Jacque. Het is een raampje in zwart-wit van 12 bij 11 centimeter: een kleine afbeelding boordevol veelzeggende details.

Charles-Emile Jacque, Enfant prodigue

We maken kennis met de jongste zoon uit de parabel. De wereld wou hij zien. Daarom vroeg hij het erfdeel dat hem toekwam aan zijn vader en trok hij erop uit. Hij wou van het leven genieten, nieuwe plekken zien, nieuwe mensen ontmoeten en vooral zorgeloos rondtrekken. Wanneer elke dag een feest is, dan wordt het leven heel duur. Dat heeft de jongeman vlug genoeg gemerkt. Voorbij is het plezier. De armoede lonkt.

Schaamte

Hij is in gedachten verzonken, ergens ver van huis. Zijn haren zijn verwilderd en hangen sluik voor zijn gezicht. De jongste zoon kijkt weg van ons, alsof hij zich schaamt. Dat gevoel wordt bevestigd door zijn hand, waarmee hij zichzelf vastknijpt, zo hard dat zijn wijsvinger in zijn schouder drukt tot het pijn doet. Alsof de jongeman zijn gevoel tastbaar wil maken. Zijn houding is verkrampt en verstard. Hij heeft geen hemd aan maar verbergt zich. Beschaamd tracht hij te schuilen: zijn lange haren en zijn arm verbergen zijn verdriet. In zijn andere hand houdt hij een kom vast. Een lege kom, mogen we veronderstellen. Wellicht heeft hij honger. Hij is tenger, mager zelfs. Het geld is op, de tijd van kwistig leven is voorbij.

Hoewel zijn ogen niet zichtbaar zijn, kan zijn mond de droefheid niet verbergen. Hij kijkt weg van het licht. Zijn guitig voorkomen is tot dofheid verworden. Hij zal wel populair geweest zijn: die jonge pleziermaker met zijn geld, zijn mooi voorkomen en zijn aanstekelijk enthousiasme. De wilde feesten met wijn die rijkelijk vloeit en het lekkerste eten, met sensuele blikken en nog veel meer: ze zijn voorgoed voorbij. Want zijn geld is tot de laatste denarie gespendeerd en er rest enkel leegte en vertwijfeling. Niemand helpt hem, terwijl hij al die tijd zo gul was. Niemand leent hem ook maar één koperen munt: onrechtvaardig is het. Wat zijn mensen zelfzuchtig en vals. Wie met geld strooit, is allemans vriend. Wie geen geld kan spenderen, die heeft doorgaans vooral zijn eigen arme zelf tot gezelschap.

Een harde les

De kerel is hoegenaamd niet meer zelfzeker, opgewekt of levenslustig, zoals toen hij van zijn vader wegtrok. Nee, hij oogt teleurgesteld in zichzelf, kwaad zelfs op zichzelf, gegeneerd, radeloos. Het is een harde les geweest. Tussen de varkens moet hij verblijven. Eten is er niet. Hij heeft ontegensprekelijk een verkeerde keuze gemaakt. Dit had nooit mogen gebeuren. Is er nog een weg terug? Waar kan hij heen?

Charles Jacque (1813-1894) was een Parijzenaar. Hij is een minder bekende kunstenaar, van wie enkele schilderijen en gravures onder de aandacht blijven. In zijn werk komen landelijke thema’s vaak aan bod.

Er moet iets gebeuren. Zo kan het niet verder. De zoon raapt zijn moed bijeen, neemt de schaamte erbij en vertrekt terug naar huis. Als men hem daar nog zal willen tenminste. Misschien als loonwerker. Hij kan maar hopen.

Zo komen we bij een volgend beklijvend tafereel terecht, van ruim een eeuw later. Dit schilderij in bruine en oranje tinten is aanzienlijk groter en meet 161 bij 97 centimeter. 


Michel Ciry, Le fils prodigue

Laatste krachten

Het is valavond. De zon staat laag. Met het laatste licht komt de verloren zoon aan. Hij knielt neer voor zijn vader en sluit zijn ogen. Zijn gezicht is leeftijdsloos geworden, zijn jeugd is weggevaagd: zoveel heeft hij meegemaakt. De zoon is sterk vermagerd. Zijn jas is te groot geworden. Misschien is hij met zijn allerlaatste krachten tot aan zijn vader gestrompeld. 

Hij lijkt een futloze, bijna levenloze verschijning. Zijn gelaat drukt leegte uit en wanhoop. De zon verheldert zijn gezicht en brengt zo de uitputting nog sterker aan bod. Hij heeft gefeest en gebrast, maar – meer nog dan van duur geld – vooral ten koste van zichzelf. De ogen van de zoon zijn gesloten. Hij durft wellicht niet te kijken. De zoon heeft de wereld willen zien, maar hij zag teveel. Dingen die een mens niet hoeft te zien. Het licht is te scherp voor zijn ogen geworden. De realiteit kan soms pijnlijk steken in de ogen.

Vaderlijk leed

De vader kijkt zijn zoon niet aan, merkwaardig genoeg. Hij kijkt ernstig voor zich uit, met een eerder lege blik, in het oneindige. Het was een verkeerde beslissing van zijn jongste zoon om zijn erfdeel op te eisen en zomaar weg te gaan. Hij zou in de miserie terechtkomen, dat wist vader al op voorhand. Maar zijn jongen had niet geluisterd. Vader wist dat de mensen misbruik zouden maken van hem, dat ze zouden profiteren van zijn gulheid en enthousiasme. En het is precies zo gegaan. Maar daar komt niemand mee vooruit nu. De mensen zullen er gegarandeerd over roddelen, met scherp sarcasme. 

Vader wil wel blij zijn, maar dat kan hij nu nog niet. Zo lang heeft hij in spanning gewacht. Uren en uren heeft hij tevergeefs de horizon afgekamd, hopend dat hij zijn zoon zou zien aankomen. Zoiets kan je zomaar niet vergeten. Maar dan plots - goddank - herkende hij in het magere silhouet dat naderbij kwam toch zijn jongste zoon. Gelukkig is hij levend en wel terug geraakt. Het had veel erger gekund. Maar zijn zoon zo uitgemergeld zien en voelen, dat doet hem pijn. Vaders gezicht toont oud, en is getekend door zorgen en verdriet. 

Hij is in de herfst van zijn leven terechtgekomen. Ook zijn zoon, die veel te vlug heeft geleefd, deelt in dit herfstgevoel. Zijn jeugd valt van zich af, op een pijnlijk confronterende wijze. Het beperkte kleurenpallet accentueert dit. 

Sprekende handen

Hun hoofden raken elkaar niet. De tijd heeft een afstand gecreëerd, een afstand die pijn doet. Hun handen vertellen echter de nuances die de parabel zo inspirerend maakt. Al kijkt de vader zijn zoon niet aan, hij legt wel zijn arm om hem heen en trekt hem zacht tegen zich aan. Hij wil troost en liefde bieden aan zijn zoon nu, en geen verwijten uiten. Dat zal de oudste zoon straks wél doen. Vanavond gaat het leven weer verder, en het komt wel weer goed. Maar nu wil de vader zijn zoon, die hem in de steek liet en die hij veel te lang heeft moeten missen, weer tegen zich aan voelen. Zijn kind, zijn kwetsbare zoon is weer veilig thuis nu. Voorbij zijn het gepieker en de zorgen, de lange, slapeloze nachten. 

De zoon reikt met zijn hand naar het hart van zijn vader. Hij doet een beroep op de goedheid en de liefde van zijn vader. Hij beseft dat hij zijn vader veel verdriet heeft gedaan en heeft oprecht spijt. Hij hoopt leven te ontvangen van zijn vader: nieuw leven, een nieuwe kans. De hand van de zoon reikt tot in het licht, waar hij op hoopt in zijn leven. De hand van zijn vader in het donker tast. Er wordt geen woord gesproken. Hun beide monden zijn dicht, de mondhoeken wat naar beneden getrokken. Er is zoveel gebeurd dat vader niet weet. Misschien is het ook maar beter zo. Ze hebben elkaar teruggevonden. Dat is wat telt. Hij was dood  bijna letterlijk – maar is weer levend geworden. Het komt goed.

Michel Ciry (1919-2018) is het meest bekend voor zijn beeldende kunstwerken, maar ook zijn muziekstukken kenden succes. Zo was hij in 1953 laureaat van de Koningin Elisabethwedstrijd voor compositie door het innovatieve karakter van zijn muziek. Hij schilderde graag religieuze taferelen en maakte meerdere schilderijen over de parabel van de verloren zoon. Dit werk dateert van 1966. Michel Ciry overleed op 99-jarige leeftijd. Hij beschouwt zijn kunst als een uitdrukking van zijn geloof: 

'In mijn kunst wil ik een boodschap uitdragen. Ik heb altijd getracht om iets uit te drukken langs de talenten die me zijn toebedeeld. Aangezien deze gaven me zijn geschonken door God, lijkt het me heel normaal dat ik die gebruik, niet enkel om zijn bestaan, maar ook om zijn glorie uit te schreeuwen.'  (Michel Ciry)

Graag wens ik je een fijne halfvasten toe. Met Laetare-zondag, halfweg in de spirituele tocht van veertig dagen naar Jeruzalem, nodig ik je uit om even achterom te kijken. Welke weg heb je afgelegd tot nog toe? Ben je klaar voor de intocht in de Goede Week, die stilaan nadert?

20 november 2024

Een koning die op een mens geleek (23-24 november 2024)


een Koning die op een mens geleek

geen zoekende twijfelaar zoals wij

geen overmoedige roepstem

maar de Zoon van God

eeuwig en toch zo kwetsbaar

hemels en aards tegelijk


een Koning die op God geleek

zo kwam Jezus op de aarde

diezelfde aarde waarop wij leven

waar we eens werden geboren

en eens van zullen heengaan

Hij heeft ons bestaan gedeeld


een Koning die op een mens geleek

verkondigde de Liefde die God is

en de komst van zijn Rijk

dat nu al zijn aanvang kent

zijn Naam is heilig als God zelf

als zijn hemelse Vader


heiligheid is 

zijn meest kostbare bezit

de Koning behoeft 

geen kroon 


Naar: Daniel 7, 13 - Psalm 93, 5 - Apokalyps 1, 5 - Johannes 18, 36-37

07 augustus 2024

'Yaraatje, wil je nog een beetje frietjes bij je vleesje?' (10-11 augustus 2024)

“Yaraatje, wil je nog een beetje frietjes bij je vleesje?”, hoorde ik een mama vragen aan haar dochter. Een jaar of vijf was het meisje. Of "prinsesje", zoals ze vleiend werd genoemd. Maatschappelijk hebben we ons de neiging toegeëigend om alles te verleuken en naar ons toe te trekken. Onder het mom van meer persoonlijke nabijheid is daar paradoxaal genoeg onderhuids wellicht ook een grijpreflex aanwezig bij momenten. Het kan een uiting van controle zijn: de ander toeëigenen. Achter goedbedoelde en schijnbaar onschuldige drempelverlaging kan dus een egocentrische motivatie schuilen.

Beheersen

Dat is precies wat Jezus meemaakt in het evangelie. Hij doet een hoogtheologische uitspraak over zijn Vader, over Zichzelf en over Gods heilsplan met de wereld: “Dit wil mijn Vader: dat iedereen die de Zoon ziet en in Hem gelooft, eeuwig leven heeft, en dat Ik hen op de laatste dag laat opstaan.” (Johannes 6, 40) 

De toehoorders luisteren met verbazing en begrijpen niet wat Hij bedoelt. Waarom verbindt deze Mens de Wil van de Vader aan zijn eigen bestaan? “Dat is toch Jezus, de zoon van Jozef? We weten toch wie zijn vader en moeder zijn? Hoe kan Hij dan zeggen dat Hij uit de hemel is neergedaald?” (Johannes 6, 42) Hij is toch maar één van ons? Waarom doet Hij zo gewichtig?

Deze opmerkelijke beheersingsreflex doet zijn intrede in het verhaal. Het menselijk verstand zoekt naar structuur en wil begrijpen: grip krijgen op de realiteit om haar te kunnen beheersen. De rede aanvaardt geen losse eindjes. Daarnaast eist het ego zijn plaats op, met als gevolg: profileringsdrang. Dan wordt er gecompenseerd. Dat doen de aanwezigen: ze herleiden Jezus tot welomlijnde proporties.

Schattig

Eigenlijk is dat ook wat Yaraatje overkomt. Ze is klein, alles om haar heen is te groot: de stoel waar ze op zit, de tafel waar haar bord op staat, zelfs de stukken vlees op haar bord. Haar mama maakt alles om haar dochtertje heen kleiner en schattiger, misschien om haar te beschermen tegen de harde realiteit waar mama geen vat op heeft. Zo is er hopelijk meer harmonie voor Yaraatje, een harmonie vol verkleinwoordjes’.

In deze beschermende reflex is echter betutteling nooit ver weg. Er hangt meteen een roze wolk om Yara heen, alsof het leven één groot pretpark hoort te zijn. Voor Yara worden de dingen om haar heen niet kleiner omdat mama ze verkleind benoemt. De realiteit blijft  voor Yara even groot en bij momenten overweldigend wellicht. Maar is daar iets mis mee? 

Verkleinwoorden en betutteling hebben algauw een beklemmend effect. Wanneer we de ander betuttelen, dan wijzen we die ander - gewild of ongewild - een ondergeschikte plaats toe, sterker nog: we dreigen hem of haar tot object te herleiden, tot ‘iets’ dat wij beheersen, terwijl de ander te allen tijde ‘iemand’ hoort te zijn en te worden. Een subject, met ademruimte en groeiruimte. 

Sta me toe een omweg te nemen. Een uitweiding. Acteur Wim Willaert hoorde ik ooit zeggen: “Je moet niet kinderachtig spreken tegen kinderen.” (zie ook: artikel) Volgens mij heeft hij een punt, al is hij wel héél consequent daarin. Toch denk ik dat een volwassene beter blijft wie zij of hij is en geen rolletje speelt, geen kind wordt onder de kinderen. Dan blijf je immers geloofwaardig. Zoek aanknoping met een kind vanuit je volwassenheid: het is veel authentieker. Een kind beschouwt je immers als een volwassene. Misschien wordt in dit discours te ver doorgedacht. Voel je vrij om het oneens te zijn.

Kleineren

Bij het benaderen van bejaarden bestaat trouwens een zelfde reflex. “Irma, meiske, we gaan je schoentjes uitdoen en je beentjes in je bedje helpen.” Irma heeft in haar tienerjaren een oorlog meegemaakt, dan vier kinderen op de wereld gezet, en is trouw bij haar man gebleven, die eigenlijk een smeerlap en een dronkaard was. Irma heeft dus recht op haar waardigheid, op het beetje fierheid dat haar nog rest. Misschien ziet ze er schattig uit. Maar dat is invulling van degene die haar aanspreekt. Hier raken we aan de essentie van een ongelijkwaardige relatie. Is haar gevraagd of zij dat wel goed vindt?

Een ander voorbeeld. Mijn grootmoeder (zaliger) moest revalideren. Ze werd naar een zaal gebracht en daar werd haar gezegd: “Kom, we gaan een beetje met de bal spelen. Je mag gooien naar wie je wil.” Ze gooide meteen terug naar de begeleider en antwoordde: “Ik speel al zeventig jaar niet meer met een bal. Ik ga terug naar mijn kamer.” Dat werd omschreven als opstandig gedrag. Onterecht. De volgende keer heeft men haar uitgelegd dat men haar spierfunctie en coördinatie wou verbeteren door gericht met een bal te gooien. Dat vond ze wel goed. Gelijk had ze. Ik had precies hetzelfde gedaan. Dit terzijde.

Betuttelen is (vaak onbedoeld) kwetsend en vernederend doordat je de ander niet voldoende in zijn of haar eigenwaarde waardeert. Kleineren is onderwaarderen, omlaag drukken. Die zelfwaarde is juist zo precair bij kwetsbare bejaarden. Maar even goed bij kinderen. Nogmaals: dit is een mening, voel je vrij om het eens of oneens te zijn. We komen terug dichter bij het onderwerp.

Kritische bemerkingen

De filosoof Jean-Paul Sartre waarschuwde ons al voor het objectiveren van de ander, want dat is eigenlijk een ontkenning van het volwaardig menszijn van de ander. (Sartre schreef midden in de Tweede Wereldoorlog zijn hoofdwerk “L’être et le néant”. In die periode zijn voorbeelden genoeg te vinden van zelfverheffing en van kleineren en vernederen.)

Nu kan je Yaraatje en haar mama uiteraard niet zomaar herleiden tot een objectivering van de ander. Toch is die tendens nooit ver weg. Wanneer Yaraatje te pas en te onpas een ‘prinsesje’ wordt genoemd, is dat dan een erkenning van haar diepste zijn? Of schuilt er een onredelijke projectie achter? Of erger nog: een verwachtingspatroon? Wanneer er in kindertaal tot haar wordt gesproken, wordt ze dan uitgenodigd om zich te ontwikkelen, om groot te worden? Het zijn kritische bemerkingen die de tijd en de ruimte verdienen om er bij stil te staan. Vandaar de uitweiding daarnet. Maar nu terug naar het evangelie.

Respect

Jezus merkt dat hij door zijn toehoorders niet aanvaard wordt voor wie Hij is. Hij maant hen aan om niet te protesteren, maar om juist aandachtiger te luisteren. Om zijn woorden ernstig te nemen en er over na te denken. Om Hém eindelijk serieus te nemen als de Zoon van God. (Johannes 6, 43) Jezus vraagt respect, maar dat krijgt Hij niet. Ze herleiden Hem tot iets, namelijk: ‘de zoon van Jozef’, een man die ze als jongetje hebben zien opgroeien. (Johannes 6, 42) Ze ontkennen zijn Goddelijke identiteit en kijken op Hem neer vanuit hun eigen zelf-aangemeten grootheid. Een gelijkaardige herleiding zal resulteren in Jezus' dood op het kruis. 

God kent ons als geen ander. We hebben de neiging om mensen te labelen. Zelfs de Zoon van God kreeg labels opgekleefd: Hij was een bedreiging, Hij sprak godslasterlijk. Koste wat kost moest dat bewezen en bestraft worden. In polemiek blijft de waarheid vaak niet lang overeind en raakt ze overwoekerd door vooroordelen en verwijten. Jezus vraagt om respect, maar krijgt het niet van de toehoorders. Zelfs een deel van de volgelingen zal Hem in de steek laten omdat ze niet kunnen of niet willen begrijpen wat Jezus bedoelt. (Johannes 6, 66) Staan wij open voor de woorden van Jezus? Of houden we het liever bij een selectie van verzen die ons aanspreken?

Laten we ons steeds meer bewust worden van onze verstandelijke en ego-gestuurde neiging tot hokjesdenken en tot labelen van anderen. Laten we een naïeve en ongerepte openheid en onbevangenheid levend houden in onze omgang met al onze medemensen, en met God. 

23 mei 2024

Drie vormen van Aanwezigheid (25-26 mei 2024)

De zondag na Pinksteren vieren we de heilige Drieëenheid. Tijdens de Kerstkring hebben we de aankondiging en de geboorte in onze wereld en onze tijd van Gods Zoon gevierd en tijdens de Paaskring zijn lijden en sterven, zijn opstanding en hemelvaart en de zending van de heilige Geest. Met Pinksteren wordt de Paaskring afgesloten, de liturgische viering van het Nieuwe Verbond van God met de mensen. De 3 Goddelijke Personen zijn feestelijk aan bod gekomen. Drieëenheidszondag vormt de plechtige conclusie: nu wordt God heel expliciet integraal aan bod gebracht: als Vader, Zoon én heilige Geest.

De heilige Drieëenheid is geen theologische constructie, maar een gegeven dat Jezus ons al aanreikt, helemaal aan het einde van het Matteüsevangelie, bij het zenden van de leerlingen naar in wereld: “Doop hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.” (Matteüs 28, 19b) 

Het zijn de laatste woorden die Jezus tot zijn leerlingen spreekt bij Matteüs. Het feit dat dit citaat in het voorlaatste vers staat, geeft aan dat deze boodschap een belangrijke plaats hoort te krijgen in het geloof van de volgelingen van Christus: nieuwe volgelingen moeten gedoopt worden, en wel in de Naam van God, die Vader, Zoon en heilige Geest is.

Theologie

De drie Personen delen hun Goddelijk karakter. Vader, Zoon en Geest zijn verenigd, Zij zijn één en dezelfde God. Het christendom is geen tritheïsme maar blijft een monotheïstische godsdienst: één God, drie Personen. Het is geen moedwillig-ingewikkelde theologische constructie. Sinds de komst van Jezus Christus op aarde, is dit een theologische realiteit. Wanneer de Zoon over de Vader spreekt en tot Hem bidt, en later de Geest over de leerlingen blaast als hun Helper, dan kàn God niet anders dan drie Personen zijn.

Dat Drievuldigheidszondag na Pinksteren komt, wil bevestigen dat de heilige Geest, die soms ondergewaardeerd wordt in de christelijke theologie en geloofsbeleving, niettemin gelijkwaardig is aan de Vader en de Zoon. Zoals er harmonie bestaat in God, zo zou er ook harmonie moeten groeien in ons gebed en tot wie we ons biddend richten.

Het symbolum van de apostelen (vanaf 170 na Christus) en het credo van Nicea (en Constantinopel) (325-381 na Christus) vernoemen de heilige Geest heel beknopt. De pneumatologie, de theologie over de heilige Geest, was nog heel beperkt in de vroege Kerk.  

Centraal

Dat Jezus bij zijn opdracht aan de leerlingen om volgelingen te dopen de drie-ene God zo uitdrukkelijk vernoemt in de doopformule leert ons dat Vader, Zoon én Geest centraal horen te staan in de christelijke leer. Het doopsel is immers de plechtige toegangsweg tot het geloof: de doopformule benoemt dat krachtig en summier.

Wanneer we bidden in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, dan bidden we overigens niet ‘namens’ hen. Ook in de doopformule wordt geen plaatsvervangende opdracht uitgedrukt met die woorden. ‘In de naam’ betekent dat we, gelovend in God, naderen tot de heilige Naam van God, de Heer, de Enige. (Deuteronomium 6, 4)

Die heilige Naam, die alle lof verdient, herbergt veel titels en aansprekingen. God de Vader kennen we als Schepper, Bevrijder en Wetgever. God de Zoon zien we als Profeet, Koning, Priester, maar ook als Messias en Heiland. God de heilige Geest is onze Trooster, Helper en Raadgever. En zo zijn er nog heel wat inspirerende titels die eigenschappen van God belichten.

In-wezigheid

Die Naam van God betekent ten diepste ‘Ik ben’ (in het Hebreeuws: ‘èjèh’). Mozes krijgt de opdracht om God aan het Volk kenbaar maken met deze woorden: “‘Ik ben’ heeft mij gezonden naar jullie.” (Exodus 3, 14) God die het diepste Zijn is, doel en zin van ons bestaan. Hij is de Bron van al wat is. Jezus bevestigt in het laatste evangelievers de diepste betekenis van Gods Naam: “Zie, Ik ben met jullie.” (Matteüs 28, 20) (in het Grieks: ‘egoo met’humoon eimi’). Gods Naam is Aanwezigheid. 

God is geen statisch en onbereikbaar Zijn, maar een nabij en betrokken Met-ons-zijn, als Schepper en Bevrijder, als Verrezene en Verlosser, als Aanwezige en Inwezige. Als Vader, Zoon en heilige Geest. God is de Aanwezige, de Nabije, die ons bestaan waarde en betekenis geeft en die ons nooit in de steek laat, zelfs niet wanneer wij dat wel doen. Door Gods Nabijheid zijn wij waardevol, zijn we nooit niets of niemand.

Mogen wij steeds blijven groeien in ons geloof in God. Mogen we Gods aanwezigheid, nabijheid en betrokkenheid steeds dieper leren te waarderen. Mogen ons inzicht en onze spiritualiteit elke dag van ons leven door nieuwsgierigheid en openheid worden verrijkt. Mogen we steeds dichter naderen tot de heilige Naam van God, die Vader is, Zoon en heilige Geest. 

23 april 2024

Door Hem, met Hem en in Hem (27-28 april 2024)

Christus voedt ons geloof, sterkt onze hoop en vervult ons met liefde. Hij is de Weg naar de Vader. Jezus gebruikt een krachtig beeld om dat te verduidelijken. Wij zijn de ranken aan de wijnstok die Jezus Christus is. Hij voedt ons, zodat we vruchten kunnen dragen. De grond waarin de wijnstok is geplant, is van de Vader, de wijngaardenier. Tot de Vader komen we langs de Zoon. 

Door Hem ...

Door Christus zijn we verbonden met de Vader. Christus is als Gods Zoon onlosmakelijk verenigd met de Vader. Hij is door de Vader naar de aarde gezonden om ons Gods Boodschap te verkondigen en te verduidelijken. (Johannes 3, 16) Hij is mens geworden en heeft onder ons gewoond. Dat is de allerdichtste nabijheid die God heeft bewerkstelligd. Door Christus kunnen wij dan ook in gebed, arbeid en bezinning dichter bij de Vader komen. (Johannes 15, 2 en 1 Johannes 3, 18) 

Wat wij aan God willen vragen, dat vragen we door Christus onze Heer: door Hem die ons zelf geleerd heeft hoe we tot zijn en onze Vader kunnen bidden. (Matteüs 6, 9-13) Zelfs wanneer we bidden tot de Vader rechtstreeks, dan nog is ons gebed langs onze navolging van Christus sowieso met Gods Zoon verbonden. Zoals we ranken aan Jezus zijn, in de wijngaard van de Vader. (Johannes 15, 1)

... met Hem ...

Met Jezus Christus leven we in de goedheid die Goddelijk is, en ervaren we steeds meer wat God voor ons, mensen, betekent en wat Hij van ons verlangt. Langs de wijnstok, die Christus is, ontvangen wij zijn Woord dat leven geeft. Met Christus brengen wij op aarde goede vruchten voort. (Johannes 15, 5) 

Met Hem, onze Heiland en Redder, die voor ons geleden heeft, gestorven is en verrezen, leven we in de genade van God. (Johannes 15, 3) Christen, dat zijn we met Christus of helemaal niet. We zijn met Hem verbonden of we zijn geen christen. Die diepste identiteit veruitwendigt zich in ons denken en spreken, ons doen en laten. (Jakobus 2, 12 en 14)

... en in Hem

In Christus vinden we de vervulling van ons bestaan, want Hij is de ultieme Weg, de Goddelijke Waarheid en de diepste vervulling van het Leven. (Johannes 14, 6) Dat Hij in ons woont, weten we door de Geest, die Jezus ons gegeven heeft. (1 Johannes 3, 25b) In Christus zijn, dat is begeesterd zijn en in zijn Geest zijn. De Wijnstok voedt ons met de kracht van de Geest. 

Zoals wij in Christus zijn, zo zal Hij in ons zijn. Dat zegt Jezus heel uitdrukkelijk: “Blijf in Mij, dan blijf Ik in jullie. Tot vijfmaal toe. De vijfde keer verlaat Hij het beeld van de wijngaard en maakt Hij zijn boodschap kernachtig kenbaar: “Blijf in mijn Liefde.” (Johannes 15, 9) Niet losjes of af en toe, maar van ganser harte, zoals Jezus Christus in zijn Vader is, in woorden en beelden, en in daden, tot het uiterste toe. Jezus is in de Vader en de Vader is in Hem. (Johannes 14, 9-10) Zoals Jezus langs de Geest, die Hij over de apostelen heeft geademd, in ons is. (Johannes 20, 22)

Doxologie

Door Hem, met Hem en in Hem bidden wij tot God de Vader in de eucharistie. In de slotdoxologie van het eucharistisch gebed zeggen we God dank en prijzen we zijn Naam in diepst mogelijke verbondenheid met Jezus Christus. Hij wordt drie keer na elkaar vernoemd, in een bijna poëtische symboliek die Vader, Zoon en Geest met elkaar verbindt.

Door Hem, met Hem en in Hem mogen wij in de dankbare vreugde leven van het naderen tot God. In de Geest richt de Zoon ons naar de Vader. De drieëne God bestemt in een dynamiek van Liefde het doel en de zin van ons bestaan. Blij mogen we zijn, en dankbaar, zelfs wanneer we tegenslagen moeten doormaken. Want door Hem, met Hem en in Hem zijn we nooit alleen, en is God ons nabij. 

Ook in ons dagelijks gebed mag deze dynamiek weerklinken. Ook wij mogen in de kracht van de heilige Geest bidden tot de hemelse Vader door Christus, uw Zoon en onze Heer.

14 maart 2024

Starend naar de oneindigheid (16-17 maart 2024)

Een belangrijke tijd breekt aan. Jezus blijft niet lang meer op aarde om de leerlingen met raad en daad bij te staan. Zijn tocht door het land blijft niet duren. Hij zal zijn volgelingen niet langer bijeenbrengen en boeien met parabels en wijsheden. Deze overgang is misschien jammer voor de leerlingen en volgelingen, maar tegelijk noodzakelijk voor het hogere doel, waarvoor Jezus uiteindelijk op de aarde is komen wonen.

Het joodse paasfeest nadert. Enkele Griekse joden, ook proselieten genoemd, komen naar Jeruzalem om hun offer te brengen en om het feest te vieren. Ze geven aan dat ze Jezus graag willen spreken: Hij heeft hun interesse gewekt. (Johannes 12, 21) Dit schijnbaar onbeduidende voorval opent een cruciale deur voor Jezus. De Boodschap kantelt op zijn scharnieren. Plots neemt Jezus het woord. Hij spreekt de leerlingen en de proselieten plechtig toe: “De tijd is gekomen dat de Mensenzoon wordt verheven.” (Johannes 12, 23)

Redding voor de wereld

Telkens wanneer Jezus zich de titel ‘Mensenzoon’ toekent, weten we dat Hij een essentieel thema aansnijdt, dikwijls ook gerelateerd aan zijn nakende lijden en sterven. Welnu, het aankondigen van zijn dood wordt voor Jezus stilaan onvermijdelijk. “Als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft, draagt hij veel vrucht.” (Johannes 12, 24) Jezus maakt gebruik van een krachtige beeldspraak om aan te geven dat zijn levenseinde niet droevig ingekleurd mag worden, als een verlies, maar als een onvermijdelijke doorgang naar het nieuw Verbond. Zonder zijn dood is Jezus slechts een mens op aarde, een bron van Goddelijke wijsheid. Door zijn dood zal Hij voor eens en voor altijd onze Verlosser worden. (Hebreeën 5, 8-9)

Niet alleen zijn levensloop trekt de dynamiek van de heilsgeschiedenis open. Een vaststelling van de farizeeën enkele verzen voordien verduidelijkt een ander aspect van de wending in het verhaal: “Je ziet dat we niets bereikt hebben: kijk maar, de hele wereld loopt achter Hem aan.” (Johannes 12, 19) Er vindt inderdaad een uitbreiding plaats: steeds meer mensen volgen Hem, en niet enkel de lokale bevolking wordt uitgenodigd om deel te hebben aan het heil, maar werkelijk iedereen. Gods heilsplan voltrekt zich in de Mensenzoon, en neemt universele proporties aan.

Tijd en eeuwigheid

Het uur is nabij. De Zoon zal verheerlijkt worden. (Johannes 12, 23) Het heeft geen zin, zo predikt Jezus, om zich vast te klampen aan het aardse bestaan, dat hoe dan ook voorbijgaat. (Johannes 12, 25) Hij verduidelijkt hiermee ook zijn eigen identiteit. Jezus is de Mensenzoon, de Zoon van God. Zijn blik is ten diepste gericht op de eeuwigheid. Ook wij mogen deelachtig zijn aan deze eeuwigheid, door ons los te maken van wat aards is: bezit, faam, privileges.

Toch zal Jezus ook zijn menselijke natuur aan het woord laten wanneer zijn lijden tastbaar nabij komt. “Ik ben dodelijk bedroefd.”, zal Hij tegen zijn leerlingen zeggen. (Matteüs 26, 38b) En aan zijn Vader zal Hij biddend vragen: “Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan! Maar laat het niet gebeuren zoals Ik het wil, maar zoals U het wilt.” (Johannes 26, 39) Let wel: deze kwetsbaarheid komt niet aan bod in Johannes' evangelie.

Horizon

De dood is wellicht de grootste existentiële knoop voor elkeen van ons. De eindigheid van het leven hier op aarde is in iedere cel ons lichaam verweven, terwijl onze geest net wil overleven, wil doorgaan, en werkelijk oneindig is in verbeelding. Jezus verlegt de reikwijdte van het bestaan evenwel tot voorbij de horizon. De kern van Jezus’ Boodschap is verbonden met het eeuwige leven. Daarom is geloven in Jezus Christus troostend en moeilijk tegelijk. Wij zien maar tot aan de horizon, tot aan het einde van het tastbare. Jezus daarentegen, die de Zoon van God is, kijkt tot in de eeuwigheid die Goddelijk is.

'De verrijzenis en het eeuwige leven', het laatste regeltje van de geloofsbelijdenis, is wellicht de zwaarste existentiële uitdaging voor ons allemaal. Onze affecties en gedachten kunnen er niet bij. Dat is het punt waar geloven ten volle begint: waar ons denken en voelen als een fijn lijntje in de verte verzwinden en we in al onze kwetsbaarheid algeheel moeten vertrouwen op Jezus’ blijde Boodschap.