Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label Abraham. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Abraham. Alle posts tonen

30 mei 2024

Een Nieuw Verbond (1-2 juni 2024)

We vieren Sacramentsdag: donderdag, of uitgesteld op zondag. Jezus heeft de eucharistie ingesteld, omringd door zijn leerlingen, en gaf hen de opdracht: "Doe dit telkens opnieuw om Mij te gedenken." Bijna tweeduizend jaar later gaat deze sacramentele traditie nog steeds verder. We blijven verbonden met Christus, en door Hem ook met God. Daartoe heeft Jezus een Nieuw Verbond gesloten, langs zijn lijden, dood en verrijzenis. Deze wederzijdse verbondenheid mogen we vieren met gepaste vreugde.

Instelling

Het Verbond dat God sluit met zijn volk langs Mozes wordt door Jezus in herinnering gebracht wanneer Hij met zijn leerlingen het Laatste Avondmaal houdt. Hij breekt brood en deelt de beker met hen, en legt het verband met zijn Lichaam en zijn Bloed, waarlangs Hij het nieuwe Verbond zal sluiten. (Lucas 22, 20) Brood en wijn blijven de tekenen van dit Nieuwe Verbond. Net als de leerlingen, mogen wij deelnemen aan de maaltijd en de instelling van het Nieuwe Verbond gedenken

Het oude Verbond heeft afgedaan, zo blijkt. Jezus staat garant voor een veel beter verbond. (Hebreeën 7, 22) Een nieuwe schepping breekt aan: het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen. (2 Korintiërs 5, 17) Dat wil niet zeggen dat de geboden van het oude Verbond komen te vervallen. De Wet zelf is heilig en de geboden blijven heilig, rechtvaardig en goed. (Romeinen 7, 12) De beleving van de Wet: dààr is het fout gelopen.

Niet geschrapt

Gods Zoon is in harmonie met zijn Vader. Jezus schrapt de traditie absoluut niet door de instelling van het Nieuwe Verbond. Hij dringt daarentegen aan op een nieuw inzicht en een nieuwe beleving. In zijn navolging wordt de oude orde van het dienen van de wet achtergelaten. De nieuwe orde is die van de heilige Geest (Romeinen 7, 6b) Het Nieuwe Verbond is geen verbond van de geschreven wet, maar een verbond van zijn Geest. (2 Korintiërs 3, 6) Het oude verbond is verouderd en versleten, de teloorgang nabij. (Hebreeën 8, 13) Het Volk van God is immers niet trouw gebleven aan het verbond en heeft het geschonden. (bijvoorbeeld Psalm 78, 37; en Jeremia 11 en 31, 31-34) 

Nieuw tijdperk

Een nieuw tijdperk vangt daarom aan, die de Wet verinnerlijkt. We richten ons niet meer op de zichtbare dingen maar op de onzichtbare, want die zijn eeuwig. (2 Korintiërs 4, 18) Het is een nieuw begin, het begin van een nieuwe geloofshouding: niet enkel toen, maar ook tot op vandaag, in onze dagen, telkens opnieuw. Het is een voortdurend bekeringsproces waarbij we de nieuwe mens aantrekken: we bekleden ons met de nieuwe mens. (Efeziërs 4, 24, Kolossenzen 3, 10)

Wij zijn deelachtig aan het Verbod dat Christus heeft ingesteld doordat Hij uit de dood is opgewekt: zo mogen ook wij een nieuw leven leiden. (Romeinen 6, 4) De ontrouw en de overtredingen van eertijds zijn uitgewist door Jezus. Hij is de nieuwe Priester, zoals eertijds Melchisedek. (Hebreeën 7, 15) Jezus Christus is de Bemiddelaar van het Nieuwe Verbond. (Hebreeën 12, 24)

Verbonden

Doorheen de Schrift merken we dat God niet één verbond heeft gesloten, en ook geen twee, maar meerdere. De Heer maakt in dat proces geen oud verbond ongedaan met een nieuw verbond, maar herhaalt, bevestigt en verbreedt zijn heilige alliantie telkens. 

Het eerste verbond dat vernoemd wordt, sluit God met Noach (Genesis 6, 18). Hij belooft voor hem, zijn gezin en zijn dieren te zullen zorgen en spreekt een zichtbaar teken af: er zal een regenboog aan de hemel verschijnen. (Genesis 9, 12-17) Met Abraham en zijn nakomelingen wordt ook een verbond gesloten. (Genesis 15, 18 en 17, 2) Hiermee wordt het volk voor het eerst onder zijn bescherming geplaatst onder de vorm van 12 stammen die zullen ontstaan uit de aartsvader. Het bekendste verbond in het Eerste (Oude) Testament sluit God af met Mozes. Er wordt opnieuw een verbreding gemaakt, en volgt een nieuw tijdperk, waarbij Gods Volk zal leiden naar een heilig land: het Beloofde Land. (Deuteronomium 5, 1-22) Met David wordt het Verbond bekrachtigd met het Volk en het land: ze zijn één en heilig. (2 Samuel 7, 8-16) Het volk is niet langer nomadisch maar heeft zich gevestigd. De troon van David symboliseert het sedentaire koninkrijk onder Gods bescherming.

Het Nieuwe Verbond houdt andermaal een verruiming in: iedereen die Jezus wil navolgen, maakt er deel van uit, overal ter wereld. Toch is er een duidelijke cesuur bij het Nieuwe Verbond dat door Jezus Christus wordt gesloten: Jezus is Gods Zoon en dit is het ultieme, laatste Verbond dat eeuwig duurt, tot de voleinding.

Schoon gewassen

Jezus is de eeuwige Hogepriester die de zonden van de wereld vergeeft door zijn Bloed. Er schuilt een duidelijke verwijzing in naar het bloed van het eerste verbond, dat werd gesprenkeld over het volk. (Exodus 24, 8) Jezus’ bloed zal worden vergoten, langs zijn dood op het kruis. Bloed staat voor levenskracht, voor nieuw leven en verwijst daarmee naar de Schepping: een genadegave van Godswege. Jezus wekt ons tot nieuw leven, schept in ons nieuwheid. Hij herschept ons om ons in het Rijk Gods op te kunnen nemen (2 Korintiërs 4, 14) Het Brood staat voor het lichaam, voor de mens geworden Zoon van God, die in onze tijdrekening en op onze schepping heeft geleefd, verkondigd en geleden, en die er gestorven is en verrezen.

Sacramentsdag brengt ons tot bij de diepste betekenis van het Verbond. Ons geloof is geen verzameling van uiterlijkheden, maar is een diepe verbondenheid met God, geïnspireerd door de heilige Geest. Sacramentsdag volgt niet toevallig kort na Pinksteren. Begeesterd vormen we samen de Kerk en mogen we het Verbond van onze Heer Jezus Christus vieren en van onze kant telkens weer bevestigen: 'Ja, ik geloof dat Jezus Christus de Heer is!'

24 oktober 2023

Naastenliefde en gastvrijheid: de kern van ons geloof (28-29 oktober 2023)

Het Volk van God lijkt het meest toegewijd onderweg. Eenmaal een volk zich settelt en gronden en huizen tot bezit worden, ontstaat een typisch menselijke transitie van ‘zijn’ naar ‘hebben’. Mensen worden elkaars concurrent in ongelijkheid. Een nomadenfamilie onderweg is toevertrouwd aan Gods genade. Een dorp is verdeeld in strikt gescheiden eigendommen. Er ontstaat een andere dynamiek in het samenleven. God krijgt ook een vaste plaats. En die plaats kan floreren, maar ook vernietigd worden.

Egyptische samenleving

Vóór hun tijd in Egypte trekken de Hebreeën rond, zoals veel volkeren in die tijd. Al krijgt Jozef van de Farao de taak om het paleis en bij uitbreiding het land te besturen, hij en zijn broers worden aan een aparte tafel gezet wanneer die op bezoek komen. (Genesis 41, 38-45) Hebreeën en Egyptenaren eten nooit samen. (Genesis 43, 32) De hongersnood waardoor zijn broers bij Jozef komen smeken om hulp, illustreert de fragiliteit van het nomadenbestaan. Een dorp of stad waarin landbouwers samenwerken, kan een buffer trachten op te bouwen voor minder goede tijden. (Genesis 42, 1-5) Nomaden moeten het stellen met wat er voorhanden is, en desnoods verhongeren ze. De grond waarvan hun dieren grazen, is hun eigendom niet, ze gebruiken het. Ze hebben enkel roerend goed.

De Egyptenaren kijken neer op nomaden. Hun eigen samenleving beschouwen ze als veel meer geëvolueerd, meer geciviliseerd: ze vestigen zich op de vruchtbare grond rond de Nijl. Er worden steden opgetrokken, met grootse gebouwen en monumenten. Daar is een stelletje herders in tenten niets bij, vinden ze. Ook in het Westerse denken wordt een rondtrekkend volk beschouwd als primitiever en marginaler, met de bijhorende vooroordelen.

Van nomadisch naar sedentair

Na hun vlucht uit de slavernij, zijn de Hebreeën jarenlang onderweg naar het Beloofde Land. Dat Land is de eerste stap naar een sedentair, gevestigd bestaan, met huizen, dorpen en steden. Aanvankelijk trekken ze nog van grasland naar grasland in het land dat hen wordt toegewezen, onderweg met hun kudde. Er wordt echter niet meer getrokken naar andere kontrijen. In de tijd van de grote koningen Saul, David en Salomo is het volk grotendeels sedentair geworden: er wordt volop gebouwd. (1 Koningen 6-7)

Dit levert een meteen fundamentele godsdienstcrisis op. De samenleving gaat steeds meer aan landbouw doen en men verkiest meer en meer de vruchtbaarheidscultus van de Kanaänieten als hulp voor hun oogst. Hebberigheid beïnvloedt het spiritueel denken. Het Rijk wordt in Noord en Zuid opgesplitst en wordt kwetsbaarder: hun groeiende rijkdom trekt machtige buurlanden aan.

Geboden onderweg

De Heer heeft aan het Volk onderweg de belangrijkste leefregels gegeven. De tien geboden zijn onmiskenbaar geijkt op het nomadische bestaan: ze beschrijven de omgangsregels rond respect voor God, voor de ander, voor het bezit van de ander, voor de goede zeden en voor de familiebanden. (Exodus 20, 1-17) In de aanvullende verordeningen na de geboden zegt de Heer in de eerste lezing van vandaag uitdrukkelijk: “Vreemdelingen mag je niet uitbuiten of onderdrukken, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte.” (Exodus 22, 20) Dat wordt overigens bijna letterlijk nog eens herhaald verderop. (Exodus 23, 9)

Gastvrijheid wordt doorheen het Eerste (Oude) Testament vooropgesteld als basisprincipe. Dat is ook essentieel in een nomadische of semi-nomadische samenleving. Op verplaatsing moet je er op kunnen rekenen dat je welkom geheten wordt onderweg en op je bestemming. Anders overleef je het niet.

Abraham en Lot

Het onthalen en het verwelkomen van passanten is belangrijk in een bewegende samenleving. Er zijn immers geen herbergen of ontvangstplekken. Wanneer je je naaste niet onthaalt in de tent, blijft hij kwetsbaar overgeleverd aan de natuurelementen. Zo wordt Abraham als gastheer in de verf gezet wanneer drie mannen zijn tent bij de eiken van Mamre voorbijgaan. (Genesis 18, 1-15) 

Zijn gastvrijheid is diepgeworteld. Hij noemt zichzelf ‘hun dienaar’ en vraagt waarmee hij hen van dienst kan zijn. Ze kunnen hun voeten wassen, iets eten en op krachten komen. (Genesis 18, 4-5) Het is immers op het heetst van de dag. (Genesis 18, 1)

In dit verhaal vol gastvrijheid wordt Sodom vernoemd, en dat is geen toeval.  Er zijn grote klachten over deze stad. (Genesis 18, 20-21) In het volgende hoofdstuk blijkt dat het een ongastvrije stad is met een erg vijandige houding ten aanzien van vreemdelingen. Daarom gaan de mannen er op bezoek: om na te gaan of de inwoners inderdaad zo intolerant en ongastvrij zijn. (Genesis 19, 4-38) 

Lot is net als zijn neef Abraham een toonbeeld van gulle gastvrijheid. Zelfs wanneer de mannen zijn aanbod vriendelijk afslaan, blijft Lot aandringen. (Genesis 19, 1-3) Lot wordt daarna echter zelf een vreemdeling genoemd door de agressieve inwoners, die de gasten én Lot een lesje willen leren door hen te vernederen. (Genesis 19, 4-9) Bezit verandert de zeden, soms ten kwade. De ander wordt een bedreiging voor het eigen bezit. Dat bezit wordt daarom ook vernield door God als straf. Het is geen toeval dat de stad samen met haar bewoners wordt vernield. (Genesis 19, 24-25) 

Wil je meer lezen over het al te kortzichtig geïnterpreteerde verhaal van Sodom? Klik hier.

Verstedelijking

God keurt het sedentair leven niet af. Zo vernielt Hij Soar niet wanneer Lot de bergen niet in wil vluchten, maar de bescherming van het stadje verkiest. Dit is een belangrijk scharnierpunt in de geschiedenis van het Godsvolk. Het stadje zal niet weggevaagd worden, omdat er gastvrijheid zal heersen. Zijn vrouw kijkt om naar de ongastvrije stad, ze kijkt terug naar dat oord dat Gods regels verfoeide. Had ze heimwee? Ze versteent, ze wordt een zuil, een monument. Ze verontmenselijkt: haar leven en haar vrijheid worden haar ontnomen. (Genesis 19, 23-29) Ze is niet eens bij naam genoemd in het verhaal.

Dat gastvrijheid beloond blijft, toont het verhaal van de weduwe in de stad Sarefat aan. Daar ontmoet de profeet Elia een vrouw die hout sprokkelt. Hij vraagt haar om water en wat brood, en dat wil ze hem geven, al heeft ze niets meer. Ze wordt beloond: haar meelpot en haar oliekruik raken niet leeg. Ze hebben alle dagen voldoende te eten. (1 Koningen 17, 8-16) Wie geeft, die ontvangt van God.

Naastenliefde

In het Tweede (Nieuwe) Testament wordt deze vrijgevigheid bevestigd in de zeven werken van barmhartigheid. Dit betreft de plicht om de nodige zorg te verlenen aan mensen die honger hebben of dorst, schamel gekleed gaan, geen onderdak hebben, ziek zijn, gevangen of overleden. (Matteüs 25, 31-46) Jezus beoordeelt ons christenzijn immers op basis van onze liefde en zorg voor onze naasten. (1 Johannes 4, 21) De goedheid van de barmhartige Samaritaan en het nalaten om te helpen door anderen geldt als waarschuwing. (Lucas 10, 25-37) We moeten handelen zoals die Samaritaan.

Waarom? Heel eenvoudig: het evangelie van deze zondag legt het fundament van ons geloof uit: ‘Heb God lief, en je naaste zoals jezelf’. (Matteüs 22, 34-40) Naastenliefde is de diepste uiting van godsdienst, van eredienst aan God. (Johannes 14, 23) Christen zijn, is gastvrij zijn. Christen zijn, is het opnemen voor de zwakke en kwetsbare mensen. Voor vluchtelingen, verschoppelingen, voor mensen die neerbuigend marginaal worden genoemd. Jezus is duidelijk: daaraan zijn de Wet en de Profeten verbonden. Daarin ligt de kern van ons geloof: goede daden voor onze naasten, en dus voor God. 

22 juli 2022

Een merkwaardige stad, een merkwaardige interpretatie: Sodom (23-24 juli 2022)

Wat is er gebeurd in Sodom dat de Heer zo kwaad is dat Hij de stad met de grond gelijk wil maken? God gaat een kijkje nemen langs twee van zijn engelen, en wat zij in één avond meemaken, is meer dan voldoende om het vermoeden volmondig te bevestigen. Maar wat is er dan precies gebeurd? Even voor de duidelijkheid: het is geen prettig verhaal. Zware kost, zo midden in de zomer. Geen nood: de soep wordt nooit zo heet gegeten als ze opgediend wordt...

De Heer verschijnt aan Abraham. Hij zit op het heetst van de dag in de ingang van zijn tent. (Genesis 18, 1) Er naderen hem drie mannen. Wellicht is één van hen de Heer, vergezeld door twee engelen. Abraham spreekt namelijk één man aan in het enkelvoud. Later blijft de Heer staan en gaan twee mannen weg. (Genesis 18, 22) Abraham vraagt Sara om brood voor hen te bakken en dat vinden de drie mannen goed. Ze zijn dus mensen, geen verschijningen. (Genesis 18, 5-6) Er wordt door sommigen ook een voorafspiegeling van de Goddelijke Drievuldigheid in gezien.

Beschuldiging

Nadat de Heer vertelt dat Abraham en Sara een kind zullen krijgen, ondanks hun hoge leeftijd, volgt er een bijzonder donkere verhaallijn. “Er zijn ernstige beschuldigingen geuit tegen Sodom en Gomorra, hun zonden zijn ongehoord groot.” De Heer wil te weten komen of de klachten gegrond zijn of niet. (Genesis 18, 21-22) Abraham smeekt de Heer om geen onschuldigen te straffen. Stel dat er vijftig onschuldigen zijn, dan mag de Heer hen toch niet over dezelfde kam scheren als de boosdoeners? En stel dat er vijfenveertig zijn, of veertig, of dertig of twintig, of zelfs tien: dan mag God de stad toch niet verwoesten met hen erin? De Heer stelt hem gerust: “Dan zal Ik haar niet verwoesten omwille van die tien.” (Genesis 18, 32b) Het is een hele opluchting. Abraham denkt aan zijn neef Lot, die er is gaan wonen. Maar wat zou er toch aan de hand zijn, daar in Sodom, dat de Heer zo kwaad is?

In de klassieke theologische traditie wordt de stad gezien als het summum van kwaad. De verbeelding neemt algauw de bovenhand. De mannen van Sodom waren, zo meent men, allemaal homoseksueel. Een merkwaardige stad. Ik hoorde onlangs nog "Genesis 19, 5" vernoemen in een discussie over homoseksualiteit. Alsof het een gerecht bij de afhaalchinees betrof. Men spreekt zelfs over “sodomie” om seksueel verkeer tussen mannen te benoemen. En het scheldwoord “mietje” is afgeleid van Sodomieten.

Binnen de joodse traditie is deze interpretatie al opgedoken. Vooral in de tweede eeuw vóór Christus, bij de schokkende confrontatie met de Griekse cultuur en de fenomenen van tempelprostitutie, publieke naaktheid en knapenliefde, zijn geschriften ontstaan die de link leggen met Sodom, bijvoorbeeld in het boek Jubeljaren, een joods commentaargeschrift uit die periode...

Een horroravond

Klopt die interpretatie wel? De twee engelen van de Heer gaan die avond kijken. Wij kunnen hun bevindingen in het verhaal mee ontdekken. Lekker makkelijk. Lot zit toevallig aan de stadspoort en groet de mannen met een buiging. Hij staat er op dat de mannen bij hem komen overnachten. (Genesis 19, 1-3) Lot is alvast heel gastvrij. Dat moet Sodom toch alvast ten goede spreken, niet?

Maar dan, nog voordat Lot en zijn gasten hun hoofd te rusten kunnen leggen, komen alle mannen van Sodom bij Lots huis samen, jong en oud, niemand uitgezonderd. (Genesis 19, 4) De spanning stijgt. Ze schreeuwen Lot toe: “Waar zijn die mannen die bij je overnachten? Breng ze naar buiten!” (Genesis 19,5ab) Ze willen de mannen die op bezoek zijn bij Lot… verkrachten. Lot spreekt de mannen van Sodom als vrienden aan (“achai”: broeders in het Hebreeuws). Hij wil hen op andere gedachten brengen. “Alsjeblief, doe toch niet zo gemeen” (Genesis 19, 7) Lot biedt nog liever zijn twee dochters aan dan dat deze mannen iets overkomt. “Want ik heb hun onderdak gegeven.” (Genesis 19, 8c) Lot neemt zijn taak als gastheer heel ernstig, ze zijn hem zelfs nog meer waard dan zijn eigen dochters.

Vreemdelingenhaat

De mannen van Sodom maken algauw duidelijk waar het hun over te doen is. Ze verwijten Lot dat hij er is komen wonen als vreemdeling en dat hij hun nu de les wil lezen. (Genesis 19, 9b) Het Hebreeuwse “lagoer” (met een “g” als in het Franse “garçon”) kan je eigenlijk vertalen als: immigreren, als vreemde komen wonen. De mannen van Sodom drukken geen seksuele voorkeur of drang uit, ze willen de vreemdelingen een lesje leren opdat ze wegblijven voor altijd. Ook Lot wordt na zijn tussenkomst voorgoed persona non grata. Sodom heeft geen boodschap aan vreemdelingen. Het contrast met de gastvrijheid van Lot wordt in zijn tussenkomst vlak daarvoor – “ik heb hun onderdak gegeven” – nog even scherp gesteld. De mannen van Sodom worden met blindheid geslagen, zodat ze de mannen niets kunnen aandoen.

Lot loopt naar zijn (toekomstige) schoonzoons, mannen van Sodom, en dringt bij hen aan om met hem, zijn vrouw en dochters mee te vluchten voordat de stad helemaal verwoest wordt. De mannen nemen Lot niet serieus. Het feit dat twee mannen van Sodom Lots toekomstige schoonzoons zijn, verloofd met zijn dochters, maakt alvast duidelijk dat Sodom niet beantwoordt aan het beeld dat men eraan heeft gekoppeld. Mannen verloven zich er heel gewoontjes met vrouwen. Maar ze willen geen vreemdelingen in en rond hun stad. Alle middelen, ook de meest vernederende, zijn gepermitteerd om dat duidelijk te maken. Of moeten we het nog dieper zoeken? Willen ze geen engelen van de Heer in hun stad? Ligt het probleem op godsdienstig vlak? Een doordenkertje.

Hoogmoed komt voor de val

Sodom is een waarschuwing tegen intolerant gedrag, haat, hufterigheid en onderdrukking. Daar gaat het verhaal over. Verzenvreters, die één vers uit de context halen, hebben de verhaallijn in een compleet verkeerde richting omgebogen. Nochtans omschrijft Ezechiël de inwoners van Sodom als volgt: “Ze gedroegen zich hoogmoedig en deden niets voor de armen en de machtelozen. Ze verhieven zich boven de anderen.” (Ezechiël 16, 49b-50a) Boven de anderen en ook boven God. Jezus vervloekt Kafarnaüm omdat ze er niet gastvrij waren voor Hem en zijn Boodschap en zegt dat Sodom er beter aan toe is (Matteüs 11, 20 en 23) Ook in Kafarnaüm waren de boodschappers van God nieuw welkom (denk aan het doordenkertje van daarnet). 

Sodom is gestraft om haar haat en geweld tegen vreemdelingen. Dat zal in de lijn hebben gelegen van wat de Heer erover had gehoord. Er kunnen nog meer beschuldigingen op de tafel hebben gelegen. Maar dit was alleszins voldoende aanleiding om hun schuld officieel te bevestiging en de straf uit te voeren. Het mag bij dezen duidelijk zijn hoe God denkt over ongastvrijheid, intolerantie en onderdrukking.

Wat er in Gomorra gebeurd is, weten we helaas niet. Het verhaal zegt niets over de stad. Wel is vermeld dat deze buurstad in de waterrijke Jordaanvallei samen met Sodom is verwoest. Ze zijn alleszins voorgoed spreekwoordelijk aan elkaar gekoppeld, zoals Meden en Perzen.

Post scriptum. Hoe komt zo'n sensationele verhaallijn tot stand? Het is goed mogelijk dat een ruimterots 3600 jaar geleden aan een snelheid van 61 000 kilometer per uur ergens in het Midden-Oosten is ontploft, ongeveer 4 kilometer boven een stad waar nu Tall El-Hammam ligt. De explosie moet 1000 keer krachtiger zijn geweest dan de atoombom op Hiroshima, zo tonen de bevindingen aan. Een vuurzee vernielde de stad en omringende steden, het puin werd door de vallei gejaagd. Het is mogelijk dat de mondelinge overlevering over de spectaculaire verwoesting van de stad Sodom dit fenomeen omschrijft (Genesis 19, 24-25 en 27-28). (Bron: klik hier)