Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Alles of niets (25-26 juli 2026).

17 juni 2026

Wees niet bang (20-21 juni 2026)

Volgens recente cijfers worden over de hele wereld 388 miljoen christenen vervolgd. Eén op de zeven volgelingen van Jezus heeft te lijden omwille van zijn of haar geloof en kan dat geloof niet vrij en openbaar belijden. In onze contreien kijkt men al te vaak neer op geloof. Het zou een teken van zwakte zijn: zichzelf iets voorliegen om het leven aan te kunnen. Geloven is een bewuste keuze. Het vraag een groot engagement. 

Angst

Angst is een belangrijk basiselement in ons bestaan. Het is een inwendig signaal dat ons waarschuwt voor gevaar. Angst voelen we zowel geestelijk als lichamelijk. In een onbekende of bedreigende situatie wordt ons lichaam meteen overgezet in de vecht- of vluchtmodus, of in bevriesmodus, zonder er bij na te denken. 

Niet iedere ervaring van angst is even intens. Het kan een sluimerend gevoel zijn in gevaarlijke omstandigheden, denk maar aan een tijd van oorlog of aan een onveilige thuissituatie bijvoorbeeld. Angst kent veel vormen, maar heeft altijd hetzelfde DNA: het wil ons lichaam veilig stellen in een onveilig aanvoelende situatie. Het wil ons de dreiging doen overleven.

Liefde

De profeet Jeremia spreekt de mensen aan op hun gedrag. Ze handelen niet naar Gods geboden, ze zijn Hem ontrouw geworden. Dat wordt hem door de mensen in kwestie absoluut niet in dank afgenomen. Mensen worden niet graag op de vingers getikt. Daarom lachen ze de profeet vierkant uit, spotten ze met hem en bedreigen ze hem. Ze noemen hem 'Paniek overal' en doen hem na om hem belachelijk te maken. (Jeremia 20, 10)

Het is lastig voor Jeremia: hij ervaart enkel maar verdriet en pijn en zijn dagen slijt hij in vreselijke omstandigheden. (Jeremia 20, 18) Wanneer hij iets wil zeggen, dan moet hij wel schreeuwen, anders luistert niemand naar hem. Want spreken, dat moet hij. Het is sterker dan hemzelf. Hij heeft getracht om te zwijgen, maar hij kan zijn mond niet in bedwang houden. Het is God die de mensen toespreekt langs zijn lippen. God heeft hem lief en Jeremia is bezweken voor zijn kracht. (Jeremia 20, 7-9)

Het is nochtans ook hun God, want zij zijn toch Gods Volk? Het is zelfs zover gekomen dat Paschur, een priester, opdracht geeft om Jeremia stokslagen te geven en hem op te sluiten om hem zo het zwijgen op te leggen. Een man die God zou moeten dienen laat een profeet van de Heer folteren. (Jeremia 20, 1-2) Er spelen andere prioriteiten. En er worden andere goden aanbeden. God wordt opzij geschoven. Jeremia ziet het angstig en met lede ogen aan.

Waardevol

Toch zijn de angst en het verdriet van Jeremia om de pijn die hem wordt aangedaan niet zinloos. Er moet iemand spreken. Gods Woord blijft verder gaan, zelfs wanneer het in dovemansoren lijkt te vallen. Mensen doen graag hun eigen ding en deinzen er niet voor terug om mekaar kwaad te doen om het eigen gelijk kracht bij te zetten. Maar daarom hébben ze nog geen gelijk. Wie het hardst kan slaan, heeft niet de waarheid in pacht.

Vader in de hemel is niet onder de indruk van dat menselijk getreiter. En wie Hem trouw blijft, die zal Hij nabij blijven, wat er ook gebeurt. De haren van ons hoofd zijn geteld. Wat we geloven is betekenisvol. Wij zijn waardevol in Gods ogen wanneer we het goede Nieuws aan anderen verkondigen en oprecht voorleven. (Matteüs 10, 26-33)

We hoeven dus niet bang te zijn, al zal de angst ons toch soms overvallen. Wanneer we op tegenslagen botsen en gaan twijfelen aan alles bijvoorbeeld. Ook wie vervolgd wordt om zijn of haar geloof, mag hoop houden. Wie bespot wordt, hoeft zich niet te schamen. De waarheid schuilt nooit in getreiter. Het leeft op in oprechte Liefde. Dat wil niet zeggen dat de onzekerheid ons niet kan bekruipen. Maar we weten dat God ons niet in de steek laat. Op Hem kunnen we bouwen. Bouwen aan het Rijk van de hemel, hier op aarde.

10 juni 2026

Op zoek naar verdwaalde schapen (13-14 juni 2026)

Jezus kijkt om zich heen. Veel mensen zijn er bijeengekomen en ze zijn van goede wil. Hun bedoelingen zijn goed, maar ze hebben het lastig. Het leven is geen plezierrit. Alleen kan Jezus de Boodschap van vreugde niet verkondigen. Hij heeft helpers nodig, mensen die in zijn Naam het evangelie verkondigen en mensen nabij zijn, en heel dringend zelfs.

Oogst

Jezus merkt op dat er te weinig arbeiders zijn voor het vele werk. (Matteüs 9, 37) Daarom doet Hij een oproep: 'Vraag de eigenaar van de oogst of Hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.' (Matteüs 9, 38) Hij geeft deze opdracht aan zijn leerlingen. Zij moeten bidden om meer volgelingen die uitverkoren zijn om het geloof te verkondigen, meer bepaald om te doen wat Jezus zelf de hele tijd doet: onderricht geven in synagogen, het goede Nieuws over Gods Koninkrijk verkondigen en mensen helen. 

Merk op dat Jezus het niet heeft over een abstracte taak of zending die rustig ingepland of uitgesteld kan worden. Wanneer de oogst niet op tijd wordt binnengehaald, dan bederft ze en is het hele groeiproces helemaal verloren. Het gaat dus over een hoognodige en dringende taak.

Voortrekkers

Christen zijn kunnen we niet alleen. We hebben voortrekkers nodig die de menigte met wijsheid en inzicht op weg helpen, die hen bij de Boodschap houden: wakker en alert. Anders dreigen we verloren te lopen. Jezus kijkt naar de mensen en merkt dat ze uitgeput en hulpeloos zijn. (Matteüs 9, 36) 

Ze willen wel luisteren naar zijn Woord, maar hun aandacht is kort van duur. Ze hebben zo veel zorgen en ze hebben zo veel te doen. En ze willen Hem wel volgen, maar ze worden gauw moe en het engagement vraagt veel van hen. Het wekt medelijden op bij Jezus. Dat is een emotie die eigen is aan de Heer: Hij lijdt mee met onze menselijkheid. Jezus kijkt niet neer op de mensen, Hij kent hun tekortkomingen. Het menszijn heeft Hij ten volle aangenomen. 

Naar de kudde

Jezus roept de leerlingen bij zich en zendt hen uit met duidelijke instructies. (Matteüs 10, 1 en 5) Ze moeten zich richten tot het Volk van Israël, niet tot ander mensen. Hoewel hun voorvaderen het Verbond met de Heer hebben verbroken, krijgen zij eerst de gelegenheid om het goede Nieuws te ontvangen en de Mensenzoon te volgen. Het is immers niet hun schuld dat ze verdwaald zijn: 'Mijn volk was een dolende kudde schapen: hun herders lieten hen dwalen, ze dreven hen de bergen in. Daar dwaalden ze over heuvels en bergen, ze vergaten waar hun schaapskooi was.' (Jeremia 50, 6) 

De Heer hoopt immers dat ze Hem weer zullen terugvinden: 'Ze zullen zich opnieuw verbinden met de Heer, in een Verbond dat eeuwig duurt en nooit zal worden vergeten.' (Jeremia 50, 5b) Daarom krijgen zij de gelegenheid van Jezus om terug te komen naar God met de hulp van de leerlingen, die hen verkondigen dat het Koninkrijk van de hemel nabij is. (Matteüs 10, 7)

In zijn Naam

Ze worden op weg gestuurd, de leerlingen van de Heer: Simon Petrus, Andreas (de broer van Petrus), Jakobus (de zoon van Zebedeüs), en Johannes (de broer van Jakobus), Filippus, Bartolomeüs, Tomas, Matteüs (de tollenaar), Jakobus (de zoon van Alfeüs), Taddeüs (ook Judas genaamd), Simon (Kananeüs, de zeloot) en Judas Iskariot. (Matteüs 10, 2-4 - Handelingen 1, 13)

Zij beginnen de verkondiging in Jezus' Naam. Dat doen ze niet enkel met weloverwogen overdenkingen in de synagoge. Ze leven de Boodschap voor en ze delen hun vreugde van hun geloof. Wanneer we bidden om roepingen, in navolging van Jezus' vraag aan de leerlingen, laat ons dan bidden voor arbeiders voor de oogst. 

Er zijn immers veel velden: kerkgebouwen, werkgroepen, scholen, ziekenhuizen, gevangenissen, verenigingen, goede doelen, noem maar op. Voor al die oogst zijn er arbeiders nodig die in de Naam van de Heer met de mensen begaan zijn en enthousiast en doorleefd de Boodschap van Gods Koninkrijk willen delen.

02 juni 2026

Een deal sluiten met God: een illusie (6-7 juni 2026)

Mensen hebben soms een neiging tot het syndroom van Calimero: 'de anderen hebben het beter dan ik en dat is niet eerlijk'. Ook de farizeeën, die zien hoe een tollenaar met Jezus aan tafel mag, voelen zich verongelijkt en reageren kleinzerig. Zij die alles zo correct en goed doen, mogen zij niet eerder bij de Heer aan tafel in plaats van zo'n zondaar? Ook wij kunnen het gevoel krijgen dat we niet genoeg aandacht krijgen van God. Misschien zoeken we dan vooral de verkeerde aandacht.

Geen automaat

De Romeinse godsdienst is opgevat als 'do ut des' (ik geef omdat jij zult geven): wanneer ik moeite doe voor de goden door een offer te brengen, dan moeten zij mij een gunst verlenen. Het is een systeem van wederkerigheid waarbij het initiatief bij de mens ligt. Wanneer die langs een offer een gunst afsmeekt, dan moet de god aan wie wordt geofferd vanzelf handelen. Een ritueel wordt een verdoken machtsmiddel om goden goedgunstig te stemmen. Het levert eigenlijk een omgekeerde situatie op waar een god ten dienste staat van een mens. En die dienstbaarheid is heel instrumenteel en materieel. Een mens wil via het offer iets verkrijgen, met andere woorden: een interessante deal sluiten met God. 

Ook binnen het jodendom bestaat deze traditie. Maar er gebeurt een transformatie in de verhouding tussen God en mens en dus ook in het offeren zelf. God vraagt niet om de offers te verbieden maar beklemtoont dat de menselijke relatie met God moet bestaan uit gebed en goed handelen, om vergeving vragen wanneer dat nodig is en Gods Grootheid steeds erkennen. In ruil schenkt God zijn Liefde en zijn trouw, die ons mogen inspireren. (Psalm 40) Dat is een veel volwassener Godsrelatie dan 'do ut des'. Het betreft een band van wederzijdse liefde. ‘Want liefde wil Ik, geen offers; met God vertrouwd zijn is meer waard dan enig offer.’ (Hosea 6, 6)

Onevenredigheid

 ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel. Overdenk maar eens goed wat dit wil zeggen: “Barmhartigheid wil Ik, geen offers.” Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.’ (Matteüs 9, 12-13) Jezus spreekt de verontwaardigde farizeeën streng toe. Wie zijn zij om Gods aandacht op te eisen langs hun gemor en geklaag? Denken ze dat ze perfect zijn misschien?

God schenkt zijn genade aan wie vraagt om zijn hulp. Gods aandacht gaat naar de hulpbehoevenden, de zwaksten. Gods genade hoort niet thuis in een boekhouding waarin een mens zou ontvangen volgens de inspanning die geleverd is. Dan zou de genade worden herleid tot iets waar een mens recht op heeft, iets wat men kan opeisen. Dat doen de farizeeën. En wij? Doen wij dat soms? 

Wie goed doet, moet daar helemaal geen voortdurende bevestiging voor verlangen. God hoeft niet voortdurend te zeggen dat we het goede doen. Het goede doen, dat is namelijk onze plicht. Dat zou heel normaal moeten zijn. Wanneer iemand meer krijgt dan wij, dan is dat Gods vrijgevigheid: Hij weet wat we nodig hebben.

Doordrenkt door God

Wanneer we een oprechte band met God nastreven, gebaseerd op liefde en trouw, dan is God ons nabij, en wel op een heel diepgaande manier. ‘Dan zullen wij Hem kennen, ernaar streven om de Heer te kennen. Even zeker als de dageraad zal Hij komen, Hij komt naar ons als milde regen, als de lenteregen die de aarde drenkt.’ (Hosea 6, 3) Wat een inspirerend beeld!

Zoals de regen in de aarde drenkt, zo zal God Liefde in ons worden opgenomen. Zoals olie in de steen dringt, zo zal God in ons zijn. De gedachte van zalving met Gods Geest is hier niet ver weg. Vormelingen ontvangen het zegel van de heilige Geest, de gave Gods. Doordrenkt zijn door God, dat is misschien wel het sterkste beeld dat een diep geloof kan uitdrukken.

Leven in zijn nabijheid

‘Hij redt ons na twee dagen van de dood, de derde dag doet Hij ons opstaan: in zijn nabijheid zullen wij leven.’ (Hosea 6, 2) De profeet Hosea voorspelt de Verrijzenis van Jezus Christus. Gods Liefde laat zich niet begrenzen, zelfs niet door de dood. In het nieuwe Verbond dat de Heer met ons heeft gesloten, mogen wij leven in zijn nabijheid en steeds verder groeien in de Liefde die God is.

Laten we God dus blij van hart loven en prijzen, laten wij biddend vragen en danken. Maar laat ons evenzeer het goede doen, eerlijk zijn, en geen aandacht opeisen: niet bij God en ook niet bij vervangmiddelen.