Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label Samuel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Samuel. Alle posts tonen

19 januari 2024

Heb je geroepen? (14 en 21 januari 2024)

Tot driemaal toe hoort Samuel een stem die zijn naam uitspreekt. Hij ziet het niet gebeuren, want het is nacht. Tot driemaal toe denkt Samuel dat Eli hem wekt om hem iets te vragen. Samuel ligt op een heel bijzondere plek: in het heiligdom van de Heer, waar de ark staat. Helemaal donker is het er niet, want de lamp van God brandt nog. Het licht dat aan God wordt toegewijd, schijnt op hem.

  • Voor de lezingen van de tweede zondag: klik hier.
  • Voor de lezingen van de derde zondag: klik hier.

Eli

Samuel is nog een kind, hij moet nog opgroeien, en dat doet hij in een uitzonderlijke omgeving, bij een heel bijzonder persoon. Zijn moeder heeft gebeden om een kind te mogen baren en belooft het aan God toe te wijden. Zo gebeurt het: ze krijgt een zoon, die ze aan Eli toevertrouwt.

Eli is namelijk hogepriester. Zijn eigen zoons hebben slechte bedoelingen: het zijn afpersers die het priesterambt willen gebruiken omwille van de voordelen die eraan verbonden zijn. (1 Samuël 2, 12-13) Eli beseft dat, maar treedt er niet tegen op. Ze zullen sterven in een gevecht tegen de Filistijnen. (1 Samuël 4, 11) Samuel zal de taak van Eli niet overnemen, hij wordt geroepen als profeet en zal optreden als rechter en als grondlegger van het land van het Godsvolk: Israël. Maar dat is allemaal nog ver weg.

Antwoorden

Een kind wordt geroepen door de Heer. Hij moet Gods Woord aan de mensen bekend maken. Hij is nog jong nu, hij moet nog opgroeien. Het heeft iets moois, iets idyllisch, iets tijdloos: een kind hoort zijn roeping van de Heer. Een engagement begint al heel vroeg, al heeft hij dan nog geen idee van wat dat engagement zal inhouden en betekenen in de heilsgeschiedenis. Dat is maar goed ook. 

Eigenlijk is de eerste lezing van de tweede zondag een aanzet om te bidden dat mensen de 'stem van God' mogen horen en hun leven zin en betekenis geven in Gods nabijheid. De één wordt geroepen en wordt priester, de ander wordt profeet in de samenleving. Iedere roeping is hoogstpersoonlijk en bijzonder, maar de insteek delen alle roepingen: het onbevangen ingaan op een roeping van God door te antwoorden: 'Spreek, Heer, uw dienaar luistert.' (1 Samuel 3, 10) En de roepstem is lang niet altijd een stem die onze naam uitspreekt. Ook dat is een heel  uniek, persoonlijk gebeuren.

Andreas en Simon

Bij de leerlingen van Johannes de Doper is het anders. Jezus roept hen heel persoonlijk, van aangezicht tot aangezicht. Johannes de Doper windt er geen doekjes rond: hij openbaart zijn leerlingen meteen de ware Identiteit van Jezus: 'Daar is het Lam van God.' (Johannes 1, 36) Daarmee wordt veel ineens gezegd: Hij is het over wie de Doper heeft gesproken als profeet, het is de weg naar Hem die de Doper heeft voorbereid. Maar Hij is het ook die zal worden opgeofferd. Dat alles zegt Johannes de Doper in die enkele woorden. 

Andreas begrijpt dat nog niet allemaal, maar hij volgt Jezus terstond, zonder omhaal van woorden. (Johannes 1, 37-39) Johannes de Doper heeft Andreas' roeping verduidelijkt en de man gaat er meteen op in. Hij heeft de Gezalfde gezien, en Hem dank zij de Doper herkend en erkend. Zo eenvoudig kan het dus gaan. Ook Simon, de broer van Andreas, zal Hem volgen. Zonder veel voorbereiding, zonder veel woorden. 

Bij Marcus worden Simon en Andreas tegelijk geroepen terwijl ze bezig zijn hun net uit te werpen in het meer van Galilea. (Marcus 1, 16) Het zijn vissers. Ook hier gebeurt de roeping heel direct: 'Kom, volg Mij!', zegt Jezus van aan wal. 'Ik zal van jullie vissers van mensen maken.' (Marcus 1, 17) Een bijzondere beeldspraak. Ze laten hun netten achter en volgen Jezus zonder aarzeling. (Marcus 1, 18)

Simon en Andreas hebben geen concrete zending ontvangen. Ze beantwoorden geen uitgeschreven vacature, maar een algemeen aanvoelen dat ze hun leven willen toewijden aan Christus. Waarom zouden ze Jezus anders meteen volgen, zonder verdere uitleg? Wat hun zending zal inhouden, weten ze niet: dat zullen ze (letterlijk) gaandeweg ontdekken. Dat geldt ook voor Samuel trouwens.

Hoogstpersoonlijk

De ultieme kracht van een roeping is dat ze hoogst individueel van aard en vorm is, precies omdat we als mensen allen van elkaar verschillen. Zodoende wil God op een unieke wijze in het leven van ieder van ons binnen treden, als wij dat toelaten uiteraard. En in die persoonlijke verscheidenheid zijn we allen met elkaar verbonden. Maar dat maakt Kerk-zijn ook complex. 

Zijn we allen geroepen, zoals Andreas, Simon en Samuel? Jazeker. Iedereen mag zich geroepen weten op haar of zijn eigen manier en iedereen mag antwoord geven op die roep van God binnen zijn of haar eigen leven. Sommige mensen voelen de wil op in te gaan op de roeping van God intenser dan anderen. Het leven bestaat uit een web van keuzemogelijkheden en concrete gegevenheden. 

Veel antwoorden 

Sommigen weten zich geroepen om hun kinderen christelijk op te voeden. Dat is een bijzonder engagement. Anderen voelen zich geroepen om zorg te dragen voor anderen, vanuit hun eigen christelijke insteek, of heel expliciet in een taak als zorgpastor. Sommigen voelen zich geroepen om de jeugd wijsheid en kennis bij te brengen, vanuit hun eigen christelijke visie, of heel expliciet als godsdienstleerkracht. Sommigen voelen zich geroepen om in parochies op weg te gaan met gelovigen: als vrijwilliger, als parochieassistent of als diaken of priester. Er zijn ook mensen die het antwoord op hun roeping in een klooster vinden. Geen van deze antwoorden op Gods roepstem is minder waard dan een andere. 

Het feit dat er een bewust antwoord volgt op Gods roeping is essentieel: dat groeit dan en blijft in beweging met de tred van het leven zelf. Niemand wordt door God geroepen om heel concreet pastoor te worden van Onze-Lieve-Vrouw-Sint-Martens-Veldegembeek-op-den-Bos. Een roeping is een open oproep, waar het antwoord op groeit, rijpt, en evolueert. Het is een traject, gekenmerkt door zoeken en vinden, twijfelen en bidden, denken en handelen. 

Jona's drama

Bij Jona loopt het enigszins anders. De Heer richt zich heel kordaat tot hem: 'Maak je gereed en ga naar Ninivé, die grote stad, om haar aan te klagen.' (Jona 1, 1-2) Wanneer hij deze concrete zending ontvlucht, komt hij in een storm terecht en daarna in de donkere leegte van de vis. (Jona 1-2) De Heer herhaalt de zending voor Jona, en dit keer gehoorzaamt de profeet wel: hij waarschuwt de inwoners van Ninevé dat ze hun gedrag moeten veranderen en een boetekleed aan moeten trekken. (Jona 3, 1-9) Zelfs de koning gehoorzaamt de woorden van God die Jona uitspreekt. 

Uiteraard kent Jona de Heer al op het moment dat hij door Hem wordt aangesproken. Zijn aanvankelijke roeping wordt niet verteld, wel de concrete zending die hij op dat moment krijgt.

Dit verhaal leert ons dat niet ieder aspect van een roeping en zending evenzeer in de smaak valt bij degene die zich geroepen weet. Jona is humeurig wanneer de Heer de Ninevieten vergiffenis schenkt. Zelfs de hitte irriteert hem. 'Ik ben verschrikkelijk kwaad, en terecht!', zegt hij met veel gevoel voor drama tegen de Heer. (Jona 4, 5-9) Jona krijgt van God als antwoord geen sneer, maar wijze raad. Jona is dank zij deze zending een stap verder in zijn roeping: hij is wijzer geworden. (Jona 4, 10-11) Geen enkele zending valt volledig samen met de verwachtingen van de geroepene. 

Bidden voor roepingen

Wanneer we bidden om roepingen, laten we dan bidden om alle roepingen, van al onze medegelovigen, jong en oud. Natuurlijk mogen we bidden om priesterroepingen, maar even goed voor roepingen in de zorg, in het onderwijs, in de parochies, het verenigingsleven, in de gezinnen: noem maar op. 

Tegelijk mogen we dan bidden voor onze Kerk, dat ze bewust blijft investeren in de klassieke én de nieuwe zendingen, de levensengagementen én de tijdelijke opdrachten. De ultieme rijkdom van onze Kerk bestaat in de begeesterde evenwichtsoefening tussen oud en nieuw, tussen traditie en vernieuwing, tussen tijd en eeuwigheid. De toekomst van de Kerk ligt in de handen van mensen. Die toekomst ligt niet in het verleden of in smachtend heimwee daarnaartoe. Evenmin is ze te vinden in het weggooien van alle tradities en het bouwen vanuit het niets. Aan de toekomst kunnen we bouwen vanuit de tekenen van deze tijd, vanuit een open en ontdekkende houding, ver weg van eenzijdige oordelen.


Gebed

Heilige Geest van God,

bron van geloof en van hoop,

van kracht, van wijsheid en inzicht,

schenk uw Kerk de openheid

om de tekenen van de tijd te waarderen

en te vertalen in visie en daadkracht.

Begeester alle christenen,

wakker het vuur van ieders roeping aan,

breng een antwoord midden in de onzekerheid,

en duidelijkheid in de vertwijfeling.

Geest van Liefde en Leven, 

blijf ons allen roepen om te bouwen aan de Kerk,

ieder op onze eigen wijze,

naar de talenten die we hebben ontvangen.

Roep gelovigen en bestendig hun zending

als vrijwilliger of medewerker,

als leerkracht of pastor of parochieassistent,

als diaken of priester of kloosterling

of in een andere kerkelijke of maatschappelijke taak.

Zend ons om ons geloof in daden uit te stralen

in gezin en familie, in de buurt, op het werk en in de samenleving,

elke dag opnieuw.

Heilige Geest,

sterk ons en alle gelovigen met het geduld

om de weg te vinden die ons antwoord mag zijn 

op onze persoonlijke roeping.

Amen.

17 maart 2023

Zien en gezien worden (18-19 maart 2023)

God blijft altijd een mysterie voor ons, mensen. Hoezeer wij ons ook verdiepen in de Schrift en in de Traditie die Hem tracht te omschrijven en te verklaren, steeds overstijgt Hij ons exponentieel. In Jezus is God ons het dichtste genaderd. Ook dan blijft zijn Boodschap hoog gegrepen en verrassend moeilijk. Gelukkig heeft God ons het leven geschonken, jaren en jaren om Hem te ontdekken en beter te leren kennen.

Nooit echter mogen we de pretentie toeëigenen dat we God kennen en weten wat Hij bedoelt. Dan overtreden we met onvergeeflijke hovaardigheid de basisregel die al in het scheppingsverhaal is vernoemd: wij zijn God niet, wij bezitten de kennis van goed en kwaad niet. (Genesis 3, 5) We kunnen enkel ons best doen, streven naar het goede en anderen op die manier inspireren.

Niet kunnen zien

God kijkt niet met menselijke ogen. (1Samuël 16, 7) Hij kijkt niet vanuit ons perspectief, dat zo beperkt en persoonlijk ingevuld is. Wij kijken naar het uiterlijk, dat is immers alles wat we kunnen aanschouwen. God is niet beïnvloed door een ‘eerste indruk’. Wij wel. Nee, God kijkt naar het hart. Hij doorziet onze façade, Hij doorgrondt ons, veel dieper nog dan wij onszelf ooit zullen kennen. Op Aswoensdag klinkt niet toevallig een fragment uit de profeet Joël: “Niet je kleren moet je scheuren, maar je hart.” (Joël 2, 13a) God heeft ons door. Al flaneren we nog zo vaak op de ‘Place M’as-tu vu’ (het plein van heb je mij gezien) van de uiterlijke wereld, zalig pralend en prijkend, zodat iedereen voldoende gelegenheid heeft gehad om naar ons op te kijken. Al worden we geroemd en geloofd door bewonderaars, fans of volgers. Het is zo weer voorbij. Morgen dweept men met iemand anders. Alles is ijdel, alles wat we vergaren is hol en leeg... (Prediker 1, 1)

God kiest niet Eliab: de stoere kerel, groot van gestalte en een knappe, indrukwekkende verschijning. Samuël ziet meteen een groot leider in Eliab. (1Samuël 16, 7) Maar hij baseert zich op het omhulsel, op het uiterlijk van de jongeman. God corrigeert Samuël en zegt: “Laat je toch niet vangen.” De mens (In het Hebreeuws: “ha-adam”, verwijzend naar de eerste mens) laat zich vangen door het omhulsel. Het klopt: onze blik is vertroebeld door interpretatie. We kijken niet objectief, maar beïnvloed door vooroordelen, ideaalbeelden, verlangens, voorkeuren. Ons perspectief en onze kennis zijn altijd beperkt. Dat resulteert in hokjesdenken, in de bandeloze menselijke neiging om alles te categoriseren. De filosoof Ludwig Wittgenstein noemt dit fenomeen “seeing as” (zien als).

Niet willen zien

Dat interpreteren is niet louter onschuldig, onbewust en onbedoeld. Wij bekijken de wereld en plaatsen die ook actief binnen ons referentiekader, in functie van onze idealen. Er is een maakbaarheid in ons kijken en zien. Dat gaat zelfs zo ver dat mensen er in slagen om voor zichzelf te verantwoorden dat ze mensen niet langer beschouwen als mensen. 

Denk maar aan de geschiedenis van slavernij en uitbuiting, en aan het nazisme. Daarbij mogen we niet de pretentie hebben om dit fenomeen te beperken tot het verleden, alsof we het nu inzien en niet meer laten gebeuren. Ook vandaag worden mensen herleid tot kanonnenvlees in oorlogen en gewapende conflicten. Ook vandaag worden mensen genadeloos gemarteld en verkracht. Ook nu worden mensen dicht bij huis het slachtoffer van zinloos geweld. En laten we niet vergeten dat onze economie en ons welzijn ten koste gaat van minder fortuinlijke gebieden op aarde.

Anders zien

Het ‘zien als’ omschrijft de Nederlandse dichter Martinus Nijhoff (1894-1953) op sublieme wijze in zijn gedicht “Wolken” (klik hier). Wat zag de kleine Martinus in de wolken? Hij herkende er Scandinavië in, en eenden, een dame, en schapen. Uiteraard zag hij wolken en was zijn interpretatie bewuste verbeelding. Toch komt ook het ruimere plaatje aan bod wanneer hij de wolken bekijkt als volwassene: hij ziet dreigende wolken vanuit de verte naderen. Hij kijkt nu verder, terwijl hij als kind in zijn onschuldig enthousiasme enkel naar boven keek. Onze blik verandert, onze kijk op het leven evolueert met ons mee.

Moeten zien

Jezus bevestigt dat de zienden blind zijn. (Johannes 9, 41) Daarom joegen de farizeeën de blindgeborene de tempel ook uit wanneer hij zich kwam tonen aan hen toen hij door Jezus was genezen. (Johannes 9, 34b) Het kon niet zijn: Jezus was slecht in hun ogen, dat wonder kon niet door Hem komen. Zien is soms ook bewust niet kijken en volharden in de boosheid. Ook dat herkennen we in ons dagelijks leven. Hoe vaak wellen discussies niet op in debatten, in gesprekken, op sociale media. Telkens weer manifesteert zich hetzelfde patroon: “Ik zie dat zo” – “Nee, ik zie dat anders”. Al te vaak zijn dergelijke discussies tijdverspilling omdat men de moeite niet doet om elkaars visie te beluisteren. Want dat is wat ons bepaalt: visie, de vrucht van ons beperkte zicht en inzicht.

Goddelijk zien

God kiest Eliab niet, maar wel wel David, van wie gezegd wordt dat hij rossig is, heldere ogen heeft en een knap voorkomen. Wat is dan het verschil met Eliab? Het wordt niet verduidelijkt omdat de reden al vernoemd is. Het uiterlijk speelt geen rol. Toch omschrijft men David. We willen ons kunnen voorstellen hoe hij er uit ziet, dat is belangrijk voor ons, mensen. Voor God speelt dat echter geen rol: Hij kijkt naar het hart, naar de inborst van de jongen. “Hij is het.”, zegt God. (1Samuël 16, 12d) David wordt gezalfd en de Geest van de Heer komt over David. (1Samuël 16, 13b)

Wat zoekt God in ons hart? Dat is niet duidelijk. Nogmaals, wij kunnen niet kijken en denken zoals God. We krijgen wel een interessante aanwijzing in de tweede lezing van deze week. Paulus draagt de christenen van Efeze en overal ter wereld op om te leven als kinderen van het Licht. (Efeziërs 5, 8c) De vruchten van het Licht zijn goedheid, gerechtigheid en waarheid. Misschien ligt daar een belangrijke aanwijzing. Het zijn uiteraard niet de kwaliteiten die tentoongespreid worden op de ‘Place M’as-tu vu’. Daar gaat het ook niet om.

We hebben geluk. God is geen genadeloze rechter. We krijgen elke dag opnieuw de kans om ons voor God van onze beste kant te tonen, niet voor de schijn, maar welgemeend; kwetsbaar en beperkt als we zijn. God is immers genadig en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid. (Joël 2, 13b) Daar mogen wij oneindig dankbaar voor zijn en blij. Niet voor niets is het Laetare-zondag.

12 augustus 2022

Maria zingt een lied: "Mijn hart juicht" (14-15 augustus 2022)

We vieren Maria, die in de hemel wordt opgenomen, bij haar Zoon. Vóór zijn geboorte, wanneer Maria zwanger is van Hem, zingt zij een lied van vreugde en dankbaarheid. Het lied typeert wie Maria is. Het Magnificat is een lofzang van Maria over de Heer, die Maria heeft uitverkoren om zwanger te worden en Jezus op aarde te brengen. De titel is, zoals vaak bij Latijnse liederen, gewoon het begin geworden van het lied zelf, dat aanvangt met: “Magnificat anima mea Dominum…” Het is geen “Eer aan God”, tót de Heer gericht, maar een loflied óver Hem. Maria bezingt de grootheid van God aan haar nicht Elisabet, die meteen al wanneer Maria binnenkomt, merkt dat God langs haar zijn Woord in vervulling zal laten gaan. Het kind in Elisabets schoot springt immers op van vreugde. Het is Johannes de Doper die voor het eerst vooruitwijst naar Jezus, de Zoon van God.

  • Voor de lezingen van het hoogfeest van de Tenhemelopneming van Maria: klik hier.

De lofzang bestaat uit vier bijna gelijke delen. De opening is een algemene lofprijzing, die een enthousiaste uitdrukking van vreugde is (Lucas 1, 46-48a). Daarna volgt een impliciete dankzegging, waarbij de heiligheid van God wordt bezongen, die in grote daden zichtbaar wordt (Lucas 1, 48b-50). Daarna worden de goddelijke daden van genade benoemd. Vooreerst wordt God als brenger van gerechtigheid bezongen (Lucas 1, 51-53) en tenslotte als redder van het Volk (Lucas 1, 54-55). Dit loflied bezingt de Heer, maar vraagt niets. Het is een geschenk van Maria aan God uit dankbaarheid voor Gods gulle vrijgevigheid.

Maria en Hanna (en Jesaja)

God brengt zijn belofte in vervulling. Daarmee is dit wonderlijk nieuw begin dat Maria bezingt, verbonden met de traditie. Het is niet toevallig dat haar lofzang veel gelijkenissen vertoont met de lofzang van Hanna om haar zwangerschap van Samuel. (1 Samuel 2, 1-10) Ook met Hanna’s zwangerschap staat het Volk van God op een scharniermoment, op een nieuw begin met een vreugdevolle tijd in het vooruitzicht. Samuel is de grote rechter over Israël: hij zal koning Saul en koning David aanstellen. De herinnering aan de hoogdagen van dit koninkrijk wordt later gekoesterd met heimwee, ook door Maria. Vandaar dat ze woorden en gedachten van Hanna’s lied in haar lofzang verwerkt. Jezus zal het Volk opnieuw in verbinding brengen met God, zoals Samuel heeft gedaan.

Het bezingen van de Heer als brenger van gerechtigheid en redding is ook de ondertoon van Jesaja’s lofrede over de lijdende Dienaar (Jesaja 53). Dat de Dienaar van de Heer zal moeten lijden om de wil van de Vader te verwezenlijken op aarde, is niet in Maria’s loflied verwerkt. De oude Simeon zal haar echter in niet verkeerd te begrijpen woorden bij de realiteit brengen. (Lucas 2, 34-35)

Lofprijzing

Maria begint haar lofzang in grote vreugde: “Mijn ziel prijst en looft de Heer, mijn hart juicht om God, mijn redder.” (vers 46b-47). Hanna’s lied begint bijna identiek: “Nu juicht mijn hart dankzij de Heer, fier heft mijn hoofd zich op, dankzij de Heer.” (1 Samuel 2, 1ab) Beiden verwoorden ze hun extatische vreugde al bij de aanvang van hun loflied: Hanna’s hart triomfeert, juicht (Hebreeuws: alats) van vreugde. Maria’s hart is gevuld met vreugde, haar hart zingt, juicht, jubelt (een vervoeging van het Griekse agalliaovan vreugde om God. Dit is absoluut geen bescheiden emotie, hoewel ze inwendig van aard is. Haar hart is blij, haar lied is vreugdevol, maar ze doet geen extatische dans zoals koning David (2 Samuel 6, 12-22). Let wel, dit zegt niets over de intensiteit van de vreugde, enkel iets over de uitdrukkingsvorm ervan.

Maria vervolgt haar lied: “Hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares.” (vers 48). In Hanna’s loflied vinden we aansluitend op haar uitdrukking van vreugde ook de verwijzing naar Gods genadevol handelen: “Dankzij uw hulp beleef ik vreugde.” (1 Samuel 2, 1d) Het lied is in beide gevallen ontstaan door Gods hoopgevende tussenkomst in de tijd, in de geschiedenis. God schenkt geen een visioen of mooie woorden. Er komt nieuw leven en er breekt een nieuwe tijd aan dank zij God. Het verlangen komt eindelijk tot vervulling, het lange wachten is niet vruchteloos gebleven. Daarmee is het eerste deel van Maria’s vierluik onder de loep genomen.

Dankzegging

“Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen, ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan, heilig is zijn Naam. Barmhartig is Hij, van geslacht op geslacht, voor al wie Hem vereert.”, gaat Maria verder (vers 49-50). Hetzelfde horen we verwoord in Hanna’s lied: “Geen is er heilig als de Heer. Er is geen andere god dan U, geen rots is er als onze God.” (1 Samuel 2, 2a) De heiligheid van God en van zijn Naam staat centraal in beide liederen. God en zijn genadig handelen zijn zo anders en gaan tot ver buiten onze begrippen en gedachten. Dat onnoembare, dat ongrijpbare van God - bovenaards en bovenmenselijk - noemen we in aanbidding “heilig”. Hoewel er geen expliciete dankzegging in de tekst is vermeld, ademen deze verzen duidelijk een uitdrukking van dank, sterker nog: een expressie van nooit genoeg kunnen danken voor wat gegeven is.

In Maria’s lied wordt het verticale perspectief bezongen: vanop de aarde bezingt ze Gods allesoverstijgende heiligheid. Tevens wordt een breed horizontaal perspectief onder woorden gebracht, wat Hanna niet doet in haar lofzang: “alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen”. De komst van Gods Zoon op aarde wordt hier nog even stevig onderstreept. God komt op aarde wonen en neemt de gedaante van een mens aan. Jezus is zoveel meer dan een genade voor het volk dat vrede en voorspoed wenst. In Hem is de bevrijding van onze schulden en de gave van het eeuwige leven. Alle geslachten in alle tijden zullen Maria dankbaar zijn om haar instemming om Gods Zoon te dragen en te baren. Daarin ligt een essentieel verschil met de komst van Samuel, wat ook weerspiegeld wordt in het lied.

Gerechtigheid

De Heer is niet alleen de allerheiligste, hoog in de hemel. Hij grijpt ook in wanneer dat nodig is. God heeft een afkeer van onrecht, machtsmisbruik en rijkdom. Maria bezingt hoe Hij de onrechtvaardigen teniet doet en hoe hongerigen, armen en kleinen worden geholpen en bijgestaan door Hem: “Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm en drijft uiteen wie zich verheven wanen, heersers stoot Hij van hun troon. Wie gering is, geeft Hij aanzien.” (vers 51-52) Hanna bezingt dit ook: “De boog van de helden is gebroken. Wie wankelt, weet zich gesterkt.” (1 Samuel 2, 4), en: “Hij verheft uit het stof wie berooid is, uit het vuil tilt Hij op wie alles ontbeert.” (1 Samuel 2, 8)

Het lot van de hongerige armen en verzadigde rijken bezingt Maria als volgt: “Wie honger heeft, overlaadt Hij met gaven, maar rijken stuurt Hij weg met lege handen.” (vers 53) De link met Hanna is niet ver te zoeken: “Wie hongerden zijn verzadigd.” (1 Samuel 2, 5b), en: “De Heer maakt arm en Hij maakt rijk, vernedert diep en heft hoog op.” (1 Samuel 2, 7) De Heer hanteert een ander waardenpatroon dan de wereld. Niet wie rijk is en aanzien geniet, is belangrijk, maar wie gelooft in Hem en wie zijn hoop stelt in Gods Woord. Wie arm is en honger lijdt, is bevoorrecht om God beter te horen. Rijken hebben teveel wereldse afleiding en vergeten de Heer. Soms wanen ze zich God.

Redding

In het laatste deel van het vierluik, beschrijft Maria hoe God zijn Volk niet in de steek laat, maar redding zal brengen. Die redding zal vorm krijgen in Jezus, de Mensenzoon. Hier is houden de parallellen met Hanna’s lied op. Er klinkt een meer profetische boodschap: “Hij trekt zich het lot aan van Israël, zijn dienaar, zoals Hij aan onze voorouders heeft beloofd: Hij herinnert zich zijn barmhartigheid jegens Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid." (vers 54-55) Het Kind in haar buik wordt verbonden met de heilsgeschiedenis. 

Jezus maakt deel uit van Gods heilsplan. Hij is een teken van Goddelijke barmhartigheid. Zo lief heeft God de wereld, dat Hij ons zijn eniggeboren Zoon schenkt. (Johannes 3, 16) Het volk, dat in het duister ronddwaalt, zal een schitterend Licht zien. (Jesaja 9, 1) En dit dank zij Maria.

  • Voor meer achtergrond bij het feest van de Tenhemelopneming van Maria, zie mijn bijdrage van vorig jaar: klik hier.