Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label vergeving. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vergeving. Alle posts tonen

17 november 2025

Christus Koning: de verhevenheid van de vergeving (22-23 november 2025)

Christus Koning sluit het kerkelijk jaar af. Volgende week begint met de advent een nieuw liturgisch jaar. We eindigen met een orgelpunt: Christus wordt gevierd als de Koning van hemel en aarde, van al wat is. Hij is door de Vader naar de aarde gezonden om het Volk van God weer in de armen te sluiten in een Nieuw Verbond.

Verbinding verbroken

Jezus Christus is de Allerhoogste: “Oorsprong is Hij, eerstgeborene uit de dood, om in alles de hoogste te zijn: in Hem heeft heel de volheid willen wonen.” (Kolossenzen 1, 18bcd-19) Hij is ons ideaalbeeld, ons Goddelijk voorbeeld, door de Vader naar de aarde gezonden om het Volk met Zich te verzoenen. Duidelijker kan God niet meer worden, met zijn Volk onderweg. Want het oude Verbond is verwaterd

We krijgen een nieuwe kans van God. De Schrift is een lange historiek van God die verbinding zoekt met zijn Schepping enerzijds en de mensen die telkens weer zijn gulheid met de beste bedoelingen beantwoorden, maar later toch weer verzanden in eigenbelang anderzijds. De trouw van Gods Volk is de achilleshiel. Keer op keer stellen de mensen zich gaandeweg andere prioriteiten. Ze ontdekken snel geluk en ze zien de illusie ervan niet in. Ze willen zichzelf op de eerste plaats zetten en beseffen niet dat hun kracht slechts sporadisch zal volstaan. 

Het Verbond dat ooit in de woestijn werd gesloten, is teniet gedaan. Bij monde van profeten als Jesaja en Jeremia heeft de Heer zijn Volk kwaad toegesproken, maar ook een nieuw begin aangekondigd. Dat komt in Jezus, zijn eniggeboren Zoon: “door Hem en voor Hem (heeft Hij) alles met zich willen verzoenen, alles op aarde en alles in de hemel.” (Kolossenzen 1, 20ab) God blinkt werkelijk uit in vergevingsgezindheid, meer dan een mens ooit zal kunnen opbrengen.

Kruis

De ultieme verzoening is gekomen: langs het Lam dat geslacht is om het kwaad van de wereld te dragen. Verheven aan het kruis strekt Hij zijn armen uit over alle mensen. Een Nieuw Verbond wordt gesloten. Boven Hem wordt een opschrift aangebracht: ‘Dit is de koning van de Joden’. (Lucas 23, 38) Waar komt die titel toch vandaan? Waarom wordt Hij als koning gekruisigd? 

Slechts één van de twee misdadigers die met Hem zijn gekruisigd, erkent Hem als zijn Redder. Hij zegt tegen de gekruisigde Heer: “Jezus, denk aan mij wanneer U in uw koninkrijk komt.” En Jezus antwoordt: “Ik verzeker je: nog vandaag zul je met Mij in het paradijs zijn.” (Lucas 23, 42-43) De misdadiger, die in de schuld staat bij de hemelse Vader, ontvangt vergiffenis, omwille van zijn berouw en zijn geloof. Vandaag nog, niet in een verre toekomst.

Koninkrijk

Pilatus vraagt aan Jezus: “Bent U de koning van de Joden?” Jezus antwoordt: “Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Mijn koninkrijk is niet van hier.” (Johannes 18, 36ad) Het spottende opschrift wordt een heilige titel, de vernederende straf wordt een Overwinning, want Jezus Christus ís de Koning van het Heelal.

Hij bezit absoluut geen koningschap zoals een aardse vorst: zijn koningschap is er niet mee te vergelijken. Wat het betekent is voor ons, mensen, amper voor te stellen. Dit is geen  politieke maar spirituele opdracht: Hij vult zijn Rijk met liefde en gerechtigheid en dat Rijk is al komende. Een Rijk dat gefundeerd is op vergeving en genade, op gulheid en hartelijkheid. Op God zelf. Dit koningschap is hemels van oorsprong en haar taak bestaat uit genade.

Eeuwfeest

100 jaar geleden is het hoogfeest van Christus Koning ingesteld door paus Pius XI, in 1925. Het benadrukt de allesomvattende betekenis van het koningschap van Christus over mens en wereld. Het concept is dus vrij recent, al heeft het uiteraard veel wortels in de traditie en in de Schrift. ‘De Allerhoogste’, zo bezingen we Christus in het ‘Eer aan God’. 

In het boek Openbaring krijgt Hij de naam ‘hoogste Heer en koning’. (Apokalyps 19, 16b) “Jezus Christus (is) de betrouwbare getuige, de eerstgeborene uit de dood, de heerser over de vorsten van de aarde.” (Apokalyps 1, 5a) Het koningschap van Christus is onlosmakelijk verbonden met zijn belofte van het Rijk Gods waar wij hartelijk toe worden uitgenodigd: Christus heeft “een koninkrijk uit ons gevormd en ons gemaakt tot priesters voor God, zijn Vader. Aan Hem komt de eer toe en de macht, tot in eeuwigheid.” (Apokalyps 1, 6)

Uitnodiging

Als de Koning ons met vergeving tegemoet komt, als zijn Troon gebouwd is op Liefde, dan kunnen wij haast niet anders dan deelnemen aan deze Goddelijke goedheid, die ons hier op aarde verheft tot mensen van God. 

Vergeving is wellicht één van de moeilijkste opdrachten doorheen ons mensenleven. De verhevenheid bestaat erin dat we de moeite doen om ons tot Hem te richten en niet voor het oppervlakkig gemak en zelfzuchtige gewoonte te kiezen. Daartoe nodigt de Koning ons uit: God en elkaar lief te hebben. Vergiffenis is de sleutel daartoe.

Graag wens ik ieder van jullie een zalig liturgisch eindejaar toe, en een hoopvolle en liefdevolle advent.

01 april 2025

Met hart en ziel voorbereiden op vreugde (5-6 april 2025)

God maakt zich kenbaar als vernieuwer, als blijvende scheppingskracht langs zijn genade. Dat klinkt wat zwaar op de hand. God heeft het heelal niet geschapen om zich er vervolgens niets meer van aan te trekken. Hij blijft betrokken, Hij blijft aanwezig. Verbonden is misschien nog treffender uitgedrukt.

  • Voor de lezingen van de vijfde zondag in de Veertigdagentijd C: klik hier.

Iets nieuws

Langs de profeet Jesaja spreekt God zijn Volk blijmoedig toe: “Zie, Ik ga iets nieuws verrichten, nu ontkiemt het – heb je het nog niet gemerkt?” (Jesaja 42, 19a) Er begint iets nieuws, dank zij de Heer, omdat Hij het ons gunt. Genade, noemen we dat. Het is geen nieuwheid zoals we kennen van advertenties die ons wegwerpproducten aanbevelen. Nee, dit betreft geen vluchtige nieuwheid. God kondigt een allesomvattend nieuw begin aan dat de strubbelingen uit het verleden voorgoed moet uitvegen. 

De Heer heeft het over een Nieuw Verbond, dat het Verbond in de woestijn moet bestendigen en vernieuwen. Dit nieuwe, altijddurende Verbond zal in Christus verwezenlijkt worden. Meer bepaald: langs zijn verkondiging, zijn lijden, dood en verrijzenis. Jezus heeft drie jaar lang de Boodschap gedeeld met het Volk. Hij heeft verduidelijkt wat God van ons verlangt en wat niét bijdraagt tot een oprecht geloof. Daarbij zijn Wet en Profeten niet opgeheven, maar juist bevestigd. Gods Woord is eeuwig. 

In de dorheid

Door Mens te worden op aarde, heeft Christus de juiste Weg voorgeleefd. Zijn lijden en dood waren een logisch gevolg: het religieuze gezag voelde zich aangevallen, vernederd en ontkracht. Maar zijn dood was niet het einde, maar juist dat nieuwe begin waar God over sprak: voorbij het kruis is nieuwe hoop gerezen in de opstanding. In Christus zijn we op een andere, nooit eerder gekende wijze verbonden met God.

God kondigt bij Jesaja aan dat hij een weg baant door de woestijn en rivieren maakt in de wildernis. Het volk dat Hij uitgekozen heeft, laat Hij er drinken. (Jesaja 42, 19b-20) In de woestijn van de dood, ontspruit nieuw leven. Midden in de dorre leegte schenkt Hij ons verkwikkend levenswater. Dat heeft Jezus Christus ons langs zijn eigen bestaan en opstanding verkondigd. 

Niet beheersbaar

Al te vaak wordt het Christendom herleid tot moraliteit. Inderdaad, Jezus heeft ons opgedragen om het goede te doen en het kwade te laten. Hij heeft ons echter zoveel meer voorgeleefd. Moraliseren is in veel gevallen een vorm van ‘managen’ of beheersen. De Boodschap in regels samenvatten, betekent bepaalde passages meer in de verf zetten dan andere. De Schrift zit namelijk vol nuances. Moraliseren is een standpunt innemen en  dat persoonlijk verdedigen. Daardoor wordt de diepe waarde van de Schrift uiteindelijk al te vaak tekortgedaan. Het wordt iets van de mens zelf, een geheel van regels en gewoonten, van  voorschriften met daaraan verbonden beloning en bestraffing. Daar schuilt macht in. En laat dat nu precies zijn waar de Schriftgeleerden en farizeeën zo ijverig in waren en waar Jezus zich zo over kon opwinden. Wanneer de Boodschap van Leven tot regels wordt herleid, dan is de levensadem eruit geperst. Daar moeten we te allen tijde voor waken.

Wanneer zij bijvoorbeeld furieus en vol haat naar Jezus toe komen met een vrouw die op overspel is betrapt, willen ze Jezus meteen op de proef stellen. Volgens de Wet van Mozes moet zo’n vrouw gestenigd worden. Zich verkneukelend, vragen ze aan Jezus wat Hij ervan denkt. Zijn antwoord staat echter haaks op de moralistische logica waar ze Hem in willen vangen. “Wie van jullie zonder zonde is, laat die als eerste een steen naar haar werpen”, antwoordt Jezus afgemeten. (Johannes 8, 7b) En de heren druipen verbolgen af. 

“Waar zijn ze? Heeft niemand je veroordeeld?”, vraagt Jezus zonder zelfs maar op te kijken. (Johannes 8, 10b) Ze zijn weg, maar de eigenlijke boodschap hebben ze hoogst waarschijnlijk niet begrepen. Het gehoor en de rede werken selectief. Ze zullen de volgende keer weer eerst voor andermans vegen, helaas. Jezus veroordeelt de vrouw niet. “Ga naar huis”, zegt Hij tegen haar, “en zondig vanaf nu niet meer.” (Johannes 8, 11) Dan kan er iets nieuws ontstaan, door de vergeving die Jezus schenkt. Daarin bestaat het Nieuwe Verbond: in vergeving, in een andere manier van verbonden zijn.

Zoveel meer

God liefhebben is nooit een louter ethisch engagement. Dat mag het ook nooit worden. Dat betekent dat ook de Veertigdagentijd zich niet enkel mag richten op het ethisch perspectief. We worden uitgenodigd om ons te voeden aan Gods Liefde, die spiritueel van aard is en die vorm krijgt in een geheel van geloofsfacetten: ethiek, ja, maar ook liturgie bijvoorbeeld, persoonlijk gebed, geloofsvisie, liefdadigheid en verkondiging… Wanneer we ons voorbereiden op de Goede Week, dan worden we uitgedaagd om met ons hele menszijn de Veertigdagentijd binnen te stappen en zoveel mogelijk facetten aan bod te brengen. 

“Dit is het volk dat Ik mij gevormd heb, het zal mijn lof verkondigen”, zegt de Heer via Jesaja vastberaden en hoopvol. God verlangt inderdaad veel meer dan moraal antwoord. Hij wenst dat we Hem weer loven, met hart en ziel. Die vreugde vinden we bij Maria, wanneer ze God looft en prijst omdat ze zwanger is en Gods Zoon zal baren. Haar ziel prijst en looft de Heer, haar hart juicht om God, die ze haar Redder noemt. (Lucas 1, 46b-47) Het is deze aanstekelijke en inspirerende blijdschap in geloof die God van ons verlangt. Een enthousiasme uit het diepste van ons bestaan. In de Veertigdagentijd bereiden we ons voor op de vreugde door tot inkeer te komen en Godsbewust te leven.

Christus leren kennen

Paulus schrijft enthousiast aan de christenen van Filippi: “Ik wil Christus kennen door de kracht van zijn opstanding te ervaren, door te delen in zijn lijden en aan Hem gelijk te worden in zijn dood.” (Filippenzen 3, 10) Het verlangen om dichter bij Jezus Christus en zijn blijde Boodschap te naderen, om naar het Rijk Gods toe te leven, is een fundamentele spirituele hunker. 

Door te delen in Jezus’ mensenbestaan en ons leven te ijken op zijn voorbeeld, komen we dichter bij de wil van de Vader en de droom van zijn Rijk hier op aarde: een hemelse plek hier in ons midden, vrij van cynisme en leugen, machtswellust en geldbejag. Een plek van zuivere hoop en oprecht geloof, waar niemand uitgesloten of weggepest wordt. Daar mogen wij mee aan bouwen in deze Veertigdagentijd, en bij uitbreiding elke dag van ons leven. God heeft ons daartoe geroepen en zet ons op Weg langs zijn Nieuwe Verbond. 

Laat ons met een bewust en kritisch geloof zijn Weg gaan. Naarmate de Veertigdagentijd voortschrijdt, mogen we met toenemend blij gemoed vooruitkijken naar het hoogtepunt van het kerkelijk jaar.

24 maart 2025

Het komt weer goed, dat is wat telt (29-30 maart 2025)

Een bezinning bij de parabel van de verloren zoon aan de hand van twee kunstwerken: een gravure en een schilderij. Hoewel deze zondag een milde vreugde binnenbrengt in de Veertigdagentijd, richt deze overdenking zich vooral op het fragment voordat er feest wordt gevierd omdat de jongste zoon is teruggekeerd. Deze parabel slaat niet enkel de snaar van de vreugde om de vergeving aan. Kunst helpt ons om het vizier wijder open te trekken.

  • Voor de lezingen van de vierde zondag in de Veertigdagentijd C: klik hier.

Party time!

We starten met een klein vizier: een gravure van Charles-Emile Jacque. Het is een raampje in zwart-wit van 12 bij 11 centimeter: een kleine afbeelding boordevol veelzeggende details.

Charles-Emile Jacque, Enfant prodigue

We maken kennis met de jongste zoon uit de parabel. De wereld wou hij zien. Daarom vroeg hij het erfdeel dat hem toekwam aan zijn vader en trok hij erop uit. Hij wou van het leven genieten, nieuwe plekken zien, nieuwe mensen ontmoeten en vooral zorgeloos rondtrekken. Wanneer elke dag een feest is, dan wordt het leven heel duur. Dat heeft de jongeman vlug genoeg gemerkt. Voorbij is het plezier. De armoede lonkt.

Schaamte

Hij is in gedachten verzonken, ergens ver van huis. Zijn haren zijn verwilderd en hangen sluik voor zijn gezicht. De jongste zoon kijkt weg van ons, alsof hij zich schaamt. Dat gevoel wordt bevestigd door zijn hand, waarmee hij zichzelf vastknijpt, zo hard dat zijn wijsvinger in zijn schouder drukt tot het pijn doet. Alsof de jongeman zijn gevoel tastbaar wil maken. Zijn houding is verkrampt en verstard. Hij heeft geen hemd aan maar verbergt zich. Beschaamd tracht hij te schuilen: zijn lange haren en zijn arm verbergen zijn verdriet. In zijn andere hand houdt hij een kom vast. Een lege kom, mogen we veronderstellen. Wellicht heeft hij honger. Hij is tenger, mager zelfs. Het geld is op, de tijd van kwistig leven is voorbij.

Hoewel zijn ogen niet zichtbaar zijn, kan zijn mond de droefheid niet verbergen. Hij kijkt weg van het licht. Zijn guitig voorkomen is tot dofheid verworden. Hij zal wel populair geweest zijn: die jonge pleziermaker met zijn geld, zijn mooi voorkomen en zijn aanstekelijk enthousiasme. De wilde feesten met wijn die rijkelijk vloeit en het lekkerste eten, met sensuele blikken en nog veel meer: ze zijn voorgoed voorbij. Want zijn geld is tot de laatste denarie gespendeerd en er rest enkel leegte en vertwijfeling. Niemand helpt hem, terwijl hij al die tijd zo gul was. Niemand leent hem ook maar één koperen munt: onrechtvaardig is het. Wat zijn mensen zelfzuchtig en vals. Wie met geld strooit, is allemans vriend. Wie geen geld kan spenderen, die heeft doorgaans vooral zijn eigen arme zelf tot gezelschap.

Een harde les

De kerel is hoegenaamd niet meer zelfzeker, opgewekt of levenslustig, zoals toen hij van zijn vader wegtrok. Nee, hij oogt teleurgesteld in zichzelf, kwaad zelfs op zichzelf, gegeneerd, radeloos. Het is een harde les geweest. Tussen de varkens moet hij verblijven. Eten is er niet. Hij heeft ontegensprekelijk een verkeerde keuze gemaakt. Dit had nooit mogen gebeuren. Is er nog een weg terug? Waar kan hij heen?

Charles Jacque (1813-1894) was een Parijzenaar. Hij is een minder bekende kunstenaar, van wie enkele schilderijen en gravures onder de aandacht blijven. In zijn werk komen landelijke thema’s vaak aan bod.

Er moet iets gebeuren. Zo kan het niet verder. De zoon raapt zijn moed bijeen, neemt de schaamte erbij en vertrekt terug naar huis. Als men hem daar nog zal willen tenminste. Misschien als loonwerker. Hij kan maar hopen.

Zo komen we bij een volgend beklijvend tafereel terecht, van ruim een eeuw later. Dit schilderij in bruine en oranje tinten is aanzienlijk groter en meet 161 bij 97 centimeter. 


Michel Ciry, Le fils prodigue

Laatste krachten

Het is valavond. De zon staat laag. Met het laatste licht komt de verloren zoon aan. Hij knielt neer voor zijn vader en sluit zijn ogen. Zijn gezicht is leeftijdsloos geworden, zijn jeugd is weggevaagd: zoveel heeft hij meegemaakt. De zoon is sterk vermagerd. Zijn jas is te groot geworden. Misschien is hij met zijn allerlaatste krachten tot aan zijn vader gestrompeld. 

Hij lijkt een futloze, bijna levenloze verschijning. Zijn gelaat drukt leegte uit en wanhoop. De zon verheldert zijn gezicht en brengt zo de uitputting nog sterker aan bod. Hij heeft gefeest en gebrast, maar – meer nog dan van duur geld – vooral ten koste van zichzelf. De ogen van de zoon zijn gesloten. Hij durft wellicht niet te kijken. De zoon heeft de wereld willen zien, maar hij zag teveel. Dingen die een mens niet hoeft te zien. Het licht is te scherp voor zijn ogen geworden. De realiteit kan soms pijnlijk steken in de ogen.

Vaderlijk leed

De vader kijkt zijn zoon niet aan, merkwaardig genoeg. Hij kijkt ernstig voor zich uit, met een eerder lege blik, in het oneindige. Het was een verkeerde beslissing van zijn jongste zoon om zijn erfdeel op te eisen en zomaar weg te gaan. Hij zou in de miserie terechtkomen, dat wist vader al op voorhand. Maar zijn jongen had niet geluisterd. Vader wist dat de mensen misbruik zouden maken van hem, dat ze zouden profiteren van zijn gulheid en enthousiasme. En het is precies zo gegaan. Maar daar komt niemand mee vooruit nu. De mensen zullen er gegarandeerd over roddelen, met scherp sarcasme. 

Vader wil wel blij zijn, maar dat kan hij nu nog niet. Zo lang heeft hij in spanning gewacht. Uren en uren heeft hij tevergeefs de horizon afgekamd, hopend dat hij zijn zoon zou zien aankomen. Zoiets kan je zomaar niet vergeten. Maar dan plots - goddank - herkende hij in het magere silhouet dat naderbij kwam toch zijn jongste zoon. Gelukkig is hij levend en wel terug geraakt. Het had veel erger gekund. Maar zijn zoon zo uitgemergeld zien en voelen, dat doet hem pijn. Vaders gezicht toont oud, en is getekend door zorgen en verdriet. 

Hij is in de herfst van zijn leven terechtgekomen. Ook zijn zoon, die veel te vlug heeft geleefd, deelt in dit herfstgevoel. Zijn jeugd valt van zich af, op een pijnlijk confronterende wijze. Het beperkte kleurenpallet accentueert dit. 

Sprekende handen

Hun hoofden raken elkaar niet. De tijd heeft een afstand gecreëerd, een afstand die pijn doet. Hun handen vertellen echter de nuances die de parabel zo inspirerend maakt. Al kijkt de vader zijn zoon niet aan, hij legt wel zijn arm om hem heen en trekt hem zacht tegen zich aan. Hij wil troost en liefde bieden aan zijn zoon nu, en geen verwijten uiten. Dat zal de oudste zoon straks wél doen. Vanavond gaat het leven weer verder, en het komt wel weer goed. Maar nu wil de vader zijn zoon, die hem in de steek liet en die hij veel te lang heeft moeten missen, weer tegen zich aan voelen. Zijn kind, zijn kwetsbare zoon is weer veilig thuis nu. Voorbij zijn het gepieker en de zorgen, de lange, slapeloze nachten. 

De zoon reikt met zijn hand naar het hart van zijn vader. Hij doet een beroep op de goedheid en de liefde van zijn vader. Hij beseft dat hij zijn vader veel verdriet heeft gedaan en heeft oprecht spijt. Hij hoopt leven te ontvangen van zijn vader: nieuw leven, een nieuwe kans. De hand van de zoon reikt tot in het licht, waar hij op hoopt in zijn leven. De hand van zijn vader in het donker tast. Er wordt geen woord gesproken. Hun beide monden zijn dicht, de mondhoeken wat naar beneden getrokken. Er is zoveel gebeurd dat vader niet weet. Misschien is het ook maar beter zo. Ze hebben elkaar teruggevonden. Dat is wat telt. Hij was dood  bijna letterlijk – maar is weer levend geworden. Het komt goed.

Michel Ciry (1919-2018) is het meest bekend voor zijn beeldende kunstwerken, maar ook zijn muziekstukken kenden succes. Zo was hij in 1953 laureaat van de Koningin Elisabethwedstrijd voor compositie door het innovatieve karakter van zijn muziek. Hij schilderde graag religieuze taferelen en maakte meerdere schilderijen over de parabel van de verloren zoon. Dit werk dateert van 1966. Michel Ciry overleed op 99-jarige leeftijd. Hij beschouwt zijn kunst als een uitdrukking van zijn geloof: 

'In mijn kunst wil ik een boodschap uitdragen. Ik heb altijd getracht om iets uit te drukken langs de talenten die me zijn toebedeeld. Aangezien deze gaven me zijn geschonken door God, lijkt het me heel normaal dat ik die gebruik, niet enkel om zijn bestaan, maar ook om zijn glorie uit te schreeuwen.'  (Michel Ciry)

Graag wens ik je een fijne halfvasten toe. Met Laetare-zondag, halfweg in de spirituele tocht van veertig dagen naar Jeruzalem, nodig ik je uit om even achterom te kijken. Welke weg heb je afgelegd tot nog toe? Ben je klaar voor de intocht in de Goede Week, die stilaan nadert?

26 maart 2022

De tragiek van de brave zoon (26-27 maart 2022)

De parabel van de verloren zoon is één van de populairste passages uit het Nieuwe (Tweede) Testament. Het verhaal heeft een mooie spanningsboog en valt op door zijn verrassende epiloog. Die wending aan het einde wordt in de samenvatting, in de moraal van het verhaal vaak vergeten, vreemd genoeg.

De clou van het verhaal

De jongste zoon vraagt zijn deel aan zijn vader en trekt weg. Hij verbrast het geld en plukt de dag. Dat liederlijke leven blijft echter niet duren. Hij gaat uiteindelijk aan de slag als varkenshoeder en lijdt armoe. De jongste zoon beseft dat hij verkeerde keuzes heeft gemaakt en hoopt dat zijn vader hem nog een kans wil geven, ondanks alles, al was het maar als dagloner. Zij lijden tenminste geen honger. Zijn vader geeft hem een nieuwe kans: het verleden wordt hem vergeven en hij is en blijft zijn jongste zoon. Het verhaal zou kunnen eindigen met het feest om de terugkomst van de verloren zoon. 

Er komt echter nog een onverwachte wending: de oudste zoon is kwaad en eigenlijk ook jaloers op zijn jongere broer. Het feit dat Jezus deze reactie zo uitgebreid vertelt aan het einde, betekent dat dààr de pointe ligt. Scherp gesteld, gaat het verhaal niet over de open armen van de vader wanneer de jongste zoon om een nieuwe kans vraagt. De barmhartigheid van de vader, die uiteraard verwijst naar de hemelse Vader, is een boodschap die waardevol is, maar het is niet de kernboodschap. De kernboodschap is dezelfde als in de parabel van het verloren schaapje die Hij enkele verzen ervoor heeft verteld. (Lucas 15, 3-7)

Gevoel van oneerlijkheid

Eigenlijk gaat het verhaal over een spontaan gevoel van oneerlijkheid. De Farizeeën hadden vaak spontaan dat gevoel in Jezus' nabijheid, en ook bij ons kan dit gevoel opwellen. Jezus kiest er in zijn tocht naar Jeruzalem bewust niét voor om de loftrompet te steken voor de mensen die hun best doen om gelovig in het leven te staan, maar om mensen te bekeren die op de verkeerde weg zijn. Waarom doet Hij dat? 

Welnu, het antwoord op deze vraag klinkt uit de mond van de vader in gesprek met zijn oudste zoon: "Mijn jongen, jij bent altijd bij mij, en alles wat van mij is, is ook van jou." (Lucas 15, 31) God beloont ons onophoudelijk met zijn Aanwezigheid, met zijn verhoring, met zijn Liefde en zijn genade. Daar mogen wij te allen tijde in leven. Het gevoel nooit alleen te worden gelaten door God, is een bron van troost en van hoop, vooral in harde tijden. 

We mogen wonen in zijn Liefde als in een onverwoestbaar huis, dat ons beschermt en koestert. "Mi casa es su casa", zegt men gastvrij in het Spaans. Dat is ongeveer wat de Vader aan ons zegt: "Wat van Mij is, is ook van jou." Die genade is op ultieme wijze aan ons getoond toen Hij zijn eniggeboren Zoon tot ons, mensen, heeft gezonden.

Bewust beleven

De oudste zoon beklaagt zich erover dat er een bokje wordt geslacht om te vieren dat zijn broer teruggekomen is. Waarom krijgt hij zelf nooit een feest met lekker eten? Hier ligt een belangrijke aanwijzing om de boodschap goed te begrijpen. Niets heeft de oudste zoon ooit tegengehouden om een feest te geven. Maar hij dacht er niet aan, hij zat in de routine van elke dag. Hij deed inderdaad goed zijn best, maar hij mocht ook blij zijn, feest vieren en genieten. Alleen is dat er nooit van gekomen. Waarom eigenlijk niet? 

Zijn wij ons voldoende bewust van het voorrecht om te leven in Gods Liefde? Grijpen wij de gelegenheid aan om de vreugde van ons geloof te vieren? Of ervaren we de genade van ons geloof teveel als een evidentie, als alledaags? De oudste zoon zag alles als een dagelijkse evidentie. 

Wij zijn God niet

Wie oprecht berouw heeft van zijn misstappen, hoe erg die ook zijn, krijgt van God een nieuwe kans, zo ook de jongste zoon. Daar mogen we nooit jaloers op zijn, aldus Jezus. Gods heil is voor iedereen bestemd, dat is het uitgangspunt. Wie zijn wij, mensen, om te oordelen over wie Gods genade mag ontvangen en wie niet? Wie zijn wij om anderen te zeggen dat ze buiten de genade staan? Op dat ogenblik plaatsen we onszelf buiten die genade. We zijn immers God niet en we mogen ons ook nooit God wanen. Dat is een valkuil die tot op vandaag veel goedbedoelende christenen pijnlijk aan het struikelen brengt.

Wij zijn veel te beperkt in onze waarneming en in ons oordeel. Dat fenomeen loopt als een rode draad doorheen de evangeliën. Keer op keer wijst Jezus de leerlingen terecht om hun verkeerde oordelen. De leerlingen hielden de kinderen weg bij Jezus, ze ervaarden het als storend. (Marcus 10, 13) Ze stonden te bekvechten over wie de belangrijkste leerling was. (Marcus 10, 41-42) Ze wilden het volk wegsturen omdat er geen brood genoeg was om hen te eten te geven. (Matteüs 14, 15) En zo zijn er nog tientallen voorbeelden. In God geloven is volledig vertrouwen op zijn oordeel.

De parabel is een rijke bron van wijsheid voor ieder van ons. Laten we ons in de Veertigdagentijd verder bekwamen in spirituele vrijgevigheid en vergevingsgezindheid.

22 maart 2022

Vergiffenis schenken: vierhonderdnegentig keer (22 maart 2022)

Petrus stelt Jezus een interessante vraag: “Hoeveel keer moet ik mijn naaste vergiffenis schenken?” Hij doet zelfs een gokje als suggestie: “Tot zevenmaal toe?” Dat is immers al veel. Als je iemand zeven keer hebt vergeven, dan ben je al bijzonder geduldig geweest, heeft Petrus wellicht gedacht. Het antwoord van Jezus doet Petrus’ schatting in het niets wegzakken. “Tot zeventig maal zeven maal”, altijd dus. Wie zal zo lang de tel kunnen bijhouden? Niemand natuurlijk. (Matteüs 18, 21-35)

Veeleisende liefde
Dit is een veeleisend gevolg van het gebod van de liefde, een Goddelijke Liefde die niet donzig of pluizig is, maar die de vrucht is van hard werk in een soms kwetsende realiteit. Vergiffenis schenken, staat hoe dan ook haaks op het menselijk denken. Als iemand je iets misdoet, dan doe je bijna instinctmatig iets terug om het in evenwicht te brengen, om te score gelijk te zetten. Al was het maar om te tonen dat er niet met je te sollen valt.

Vergiffenis kan daarenboven niet halfslachtig zijn. Je kan iemand niet gedeeltelijk vergeven, of gaandeweg. Het is meteen een volledige kwijtschelding, zonder restanten.

Jezus denkt niet in termen van wraak en verweer. Hij geeft een belangrijke basisgedachte mee in het gebed dat Hij ons leert, het Onze Vader: “vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren”. Wij kunnen de Vader niet om vergiffenis vragen als we zelf geen moeite doen om vergiffenis te schenken. Dat zou immers inhalig zijn, enkel met het persoonlijk voordeel in het vizier.

De Koning en de dienaar
Dit sluit ook aan bij de parabel die Jezus daarna vertelt. De dienaar is de koning tienduizend talenten schuldig. Dat is niet niets. De meeste commentaren rekenen het bedrag om naar een dikke drie miljoen euro. Eigenlijk bedoelt Jezus het hoogst mogelijke bedrag. Talent is de hoogste muntwaarde, en tienduizend is het hoogst mogelijke Griekse getal. De schuld wordt geschat op “bijna oneindig”.

De koning is na de smeekbede van de dienaar verrassend genadig. Hij wordt vrijgelaten en de lening wordt teniet gedaan. Denk aan het Onze Vader: Hij bevrijdt ons van onze schuld, zoals ook wij dat doen voor onze schuldenaren. De dienaar ziet dat echter anders. Hij eist meedogenloos van een andere dienaar het bedrag dat die hem verschuldigd is: honderd denariën. Omgerekend is dat een kleine tweehonderd euro. Is dat eerlijk van die man? Is dat hoe het hoort? Nee, natuurlijk niet.

Genade voorbij de woede
De Vader bevrijdt ons van onze schuld en zo kunnen wij ook ander bevrijden uit de macht van het kwaad. Sterker nog, we doen onszelf er zelfs een gunst mee: we bevrijden onszelf van de ketens van woede en haat en winnen onze eigen vrijheid terug. De cyclus van woede en wraak wordt doorbroken. De wonde kan helen. 

Zolang de woede blijft hangen, is er immers geen kans op genezing. Woede verstijft het denken en voelen en trekt alle aandacht en energie naar zich. Voorbij de woede, in de vergiffenis, is er nieuwe vrijheid. Daar begint de cyclus van de genade. Dat is het kader waar Jezus ons in wil leren te denken en te leven. 

Dit evangeliefragment is een uitgelezen tekst om in de Veertigdagentijd tot inkeer te komen. Hoe vergevingsgezind zijn wij? Staan wij standvastig in de Liefde?

29 januari 2022

Over de liefde (29-30 januari 2022)


De liefde is niet melig 

en draagt geen geitenwollen sokken.

Ze is niet wispelturig 

maar standvastig en oprecht.

De liefde is echt en puur,

niet voorwaardelijk of dubbelzinnig.

De liefde is goddelijk

en overstijgt wat tijdelijk is en menselijk.


Zonder de liefde verdroogt het geloof,

zonder de liefde verdort de hoop.

Zonder de liefde is er slechts leegte,

slechts radeloos trachten te vervangen.


De liefde is geen sprookje,

en is soms pijnlijk om vol te houden.

Ze is niet sensationeel,

en verafschuwt valse schijn. 

De liefde is nooit op zichzelf

maar steeds op anderen gericht.


De liefde verheft wie in haar volhoudt,

ze beloont wie in haar investeert,

ze vervult wie in haar gelooft.

De liefde is eindeloos als haar Schepper,

grenzeloos als de schepping,

bevrijdend zoals de Verlosser.


De liefde wordt vaak misbruikt

uit zelfzucht of heerszucht.

De liefde wordt vaak verminkt,

wie dat doet, staat buiten de liefde.

De liefde laat zich niet afgrenzen,

niet bepalen, niet vervormen.


De liefde is geen middel,

de liefde is het doel.

In de liefde bestaat vergeving,

de vergeving bevestigt de liefde.

De liefde komt van God

en de liefde komt God toe.


(naar 1 Korintiërs 12, 31 - 13, 13)

17 maart 2021

Psalm 130: Uit de diepten heb ik U aangeroepen (18 maart 2021)


Uit de diepten heb ik U aangeroepen, Heer,
mijn Heer, hoor mijn stem,
heb toch aandacht voor mijn roep om genade.

Als U fouten blijft aanrekenen,
wie houdt dan stand, Heer?
Maar bij U is vergeving,
daarom heeft men ontzag voor U.

Ik zie uit naar de Heer,
mijn ziel wacht op uw Woord
mijn ziel wacht op Hem,
meer dan wachters op de morgen,
meer dan wachters uitzien naar de morgen.

Israël, hoop op de Heer,
want bij Hem is genade
en vergeving in overvloed.
Hij zal Israël van alle zonden verlossen.

De psalmist bidt uit de diepte: een diepe spreekwoordelijke kloof waarin hij gevangen zit, een diepe verlatenheid waarin hij zich kwetsbaar voelt, misschien wel een diepe zee waarin hij zich overspoeld weet door spijt en schuldgevoel. Het is geen letterlijke diepte, maar de diepte is beslist dramatischer dan louter een gevoel. De diepte belemmert hem in zijn doen en laten. Hij kan het niet loslaten. Hij worstelt ermee.
We bevinden ons niet aan het begin van een bede, we staan er middenin.
Hij heeft geroepen tot God, een roepstem vol wanhoop. Dit gebed is niet nieuw, hij heeft al tot God geroepen. In onze Nederlandse vertalingen staat er meestal: “roep ik”, maar in de Hebreeuwse tekst staat eigenlijk een voltooid deelwoord. De psalmist heeft al geroepen. We bevinden ons niet aan het begin van een bede, we staan er middenin.

De psalmist roept om verhoring. Hij hoopt niet enkel dat God zal luisteren naar de roepstem. Er wordt geroepen om vergeving, om een nieuwe kans te mogen ontvangen van de Heer. De psalmist is zich bewust van het kwaad dat hij heeft gedaan en hij heeft er oprecht spijt van. Tegelijk weet hij ook dat niemand zichzelf kan vergeven. De ultieme kracht tot vergeving van schuld en zonde ligt bij God.
Vergiffenis komt er niet vanzelfsprekend.
Tegelijk heeft God ook de keuzemogelijkheid om juist géén vergeving te schenken. Daarom is de Heer ook zo ontzagwekkend. Vergiffenis komt er niet vanzelfsprekend. De smeekbede leidt niet automatisch tot vergiffenis. Zonder ontzag van de mens die vraagt om vergiffenis, komt er geen genade. Wie zich gelijk waant aan God, zal geen verhoring ontvangen.

De psalmist verlangt naar de Heer en stelt al zijn hoop op Hem, op Hem alleen. Er is geen ander die kan helpen. Tot wie zou hij zich anders moeten richten? Wie is zo genadig? Enkel God. Daarom hoopt hij op zijn Woord, op het verlossende woord van vergiffenis. Hij ziet er meer naar uit dan wachters aan de stadsmuren die naar de ochtend verlangen. Meer dan de tempelwachters die het eerste daglicht afwachten voor de ochtendritus van de levieten. De klemtoon ligt hier op tijd, op het lang afwachten in pijn en ongeduld, hopend op een nieuw begin, op het licht van de nieuwe morgen na het duister van het kwaad. Daarom wordt de zinsnede nog eens herhaald: “Meer dan wachters uitzien naar de morgen.”
Een nieuwe start, waarna het beter moét gaan.
Want er is hoop voor Israël, voor het Volk van God. Iedere gelovige mag zich aangesproken voelen door de psalmist in deze uitnodiging: “Israël, hoop op de Heer.” We mogen net als hij de louterende weg van inkeer en berouw gaan en vragen om verhoring, vragen om zijn genade. Die Goddelijke genadegave uit zich in vergiffenis: in een nieuwe start, waarna het vast en zeker beter zal gaan, waarin beter moét gaan. Anders is het zinloos om te vragen om vergeving natuurlijk.

Psalm 130 is geen ellendig lied vol kommer en kwel. Er zijn fouten gemaakt, maar wie oprecht spijt heeft, mag hopen op de Heer, die de gave van vergiffenis bezit, en wel in overvloed!

De Veertigdagentijd is de uitgelezen gelegenheid om schoon schip te maken, om streng te zijn voor zichzelf bij het overschouwen van eigen doen en laten. Dit is de psalm bij uitstek om met eigen fouten, tekortkomingen en zonden tot God te naderen in gebed en te vragen om genade. “Want bij Hem is genade en vergeving in overvloed!”


Volgende post: zondag 21 maart. Thema: "Een Nieuw Verbond".

24 februari 2021

Vraag en er zal je gegeven worden (25 februari 2021)

“Vraag en je zult krijgen.” Het is een slogan die voor misverstanden zorgt. De vertaling is immers wat eenzijdig. Jezus heeft ons wel degelijk gezegd dat we alles in gebed aan God mogen vragen. Het is echter iets complexer dan: wat je vraagt, dat zal je ook krijgen. Ziehier het evangelie van donderdag in de eerste week van de Veertigdagentijd: Matteüs 7, 7-12.

  • Voor de lezingen van donderdag 25 februari 2021: klik hier.

Verzen 7 en 8 lijken heel sterk op elkaar. Vers 8 herhaalt vers 7, maar plaatst het in een perspectief, een heel ruim perspectief: wat vers 7 verwoordt, dat geldt voor iedereen, voor alle mensen. Het christelijk geloof is geen besloten clubverband.

Drie belangrijke vormen van gebed worden opgesomd en daarna bijna letterlijk herhaald. Het is dus belangrijk. Het is tegelijk één van die passages waar mensen hun geloof aan kunnen verliezen. Ze hebben de inhoud verkeerd begrepen. Jezus’ boodschap is verkeerd overgekomen. Het werd te eenvoudig geïnterpreteerd. Even van naderbij bekijken dus.

Dit is een passage waar mensen hun geloof aan kunnen verliezen.

“Vraag en er zal je gegeven worden,” zegt Jezus sloganesk. Let op, er staat niet: wat je vraagt, dat zal je ook heel precies ontvangen. Je vraagt God om een gunst in je gebed, je bestelt geen levering online. Jezus verruimt het publiek: “Ieder die vraagt, ontvangt.” Maar hij ontvangt niet noodzakelijk wat hij of zij vraagt. Men ontvangt wat men nodig heeft in het vraaggebed.

Ook de tweede vorm van gebed ligt in die lijn. “Zoek en je zal vinden.” Het is een gebed om inzicht. Heel je leven is een zoektocht, zeker op spiritueel vlak. Je vindt niet altijd wat je zoekt. Vaak vind je onverwacht veel meer dan je oorspronkelijk zocht of is wat je vindt compleet anders. In gesprek met God kan je op zoek gaan naar zin en betekenis, naar liefde en rechtvaardigheid. Wat God je laat vinden, had je niet kunnen verwoorden in je “zoekopdracht”.

De derde vorm van gebed luidt: “Klop en er zal worden opengedaan.” Wanneer wij door onze schuld van God zijn weggegaan, kunnen wij in gebed tot inkeer komen. Te allen tijde mogen wij terugkomen naar het huis van de Vader. Hij zal de deur voor ons openen. De derde gebedsvorm is een gebed om vergeving.

Waarom doet Jezus deze uitspraken eigenlijk? Welnu, in het vorig evangeliehoofdstuk heeft Jezus ons geduid wat belangrijk is in het gelovig leven. We worden opgedragen om ons in te zetten voor liefdadigheid, om gul te zijn met aalmoezen zonder het overal rond te bazuinen (Matteüs 6, 1-4). We worden aangespoord om tot God te bidden en daar geen vertoning van te maken (Matteüs 6, 5-15). Tenslotte vertelt Jezus ons ook hoe we moeten vasten: geestelijk, inwendig en oprecht (Matteüs 6, 16-18). Jezus ergert zich aan de farizeeën, die met veel bombarie zeggen wat moet en wat niet mag. Christen zijn, gaat niet over holle uiterlijkheden. Daarom wil Jezus ook dat we zuinig zijn met oordelen over anderen (Matteüs 7, 1-6). Naar de maat waarmee we anderen oordelen, zullen we ook zelf worden geoordeeld.

We hoeven ons volgens Jezus niet te schamen en mogen in gebed vragen om zijn genade.

Jezus wil dat we op een eerlijke en oprechte manier geloven, dat we een liefdevolle band ontwikkelen met God. Onze Vader in de hemel is ons immers genegen. Hij is ons welwillend en gunt ons hoop, liefde en geluk. We hoeven ons niet te schamen en mogen in gebed vragen om zijn genade.

Jezus zegt duidelijk: vraag het aan God. Met andere woorden: richt je niet op surrogaat-goden of afgoden. Zoek je geluk niet in rijkdom of aanzien, loop geen kwakzalvers achterna, identificeer je niet met idolen en aandachtzoekers. Het gaat eigenlijk over een spanningsveld van alle tijden. Jongeren kijken vol bewondering op naar een rapper met veel goud en wat jongerentaal. Maar wat doet die rapper voor hen? Geeft hij om hen? Op videokanalen halen vloggers duizenden volgers, vaak door opvallende uitspraken van bedenkelijke inhoud. Mensen kopen tassen vol dure spullen om hun honger naar zin en betekenis zijdelings te stillen. Ze kijken naar filmhelden met superkrachten om hun eigen machteloosheid even te vergeten. De spirituele honger wordt niet gestild door een spreekwoordelijke vlugge vervanghap op te schrokken. Algauw is de honger er terug. Soms went de honger zelfs, vervaagt ze en komt dat knagend leeg gevoel alleen de kop op steken bij een grote tegenslag.

Je ontvangt niet noodzakelijk dat wat je gevraagd hebt.

Soms vragen mensen iets heel concreets en krijgen ze niet wat ze vragen. De teleurstelling kan immens zijn. Wanneer iemand vraagt om te genezen en hij of zij wordt niet beter, bijvoorbeeld. We lopen tegen de grenzen van het vragen aan. Zoals daarnet al gezegd, ontvang je niet noodzakelijk dat wat je gevraagd hebt. God is geen uitvergrote drankautomaat bij wie je op een knop drukt en ontvangt wat je vraagt. God is ook geen hemelse Magiër. Hij is onze Schepper, en Hij heeft zijn schepping de vrijheid geschonken: de vrijheid om keuzes te maken, om te geloven of niet, om het goede of het verkeerde te doen. God grijpt dus niet in met een magistrale hand vanuit de wolken om aan te passen of beter te maken wat we vragen. God laat je niet winnen in een loterij als je daarom vraagt. God legt geen boterham in je bord.

God geeft ons zoals een Goddelijke Ouder.
Wat geeft God dan wel? Wat bepaalt zijn gave? Het antwoordt bevindt zich enkele verzen verder. God geeft ons zoals een ouder aan een kind, maar dan een Goddelijke Ouder, zonder fouten of gebreken. Hij weet wat we in essentie nodig hebben wanneer we Hem biddend vragen om hulp. Hij weet beter dan wij wat ons kan helpen. Hij is niet onze gelijke, Hij is geen onderhandelingspartner. Dat is ook belangrijk. Hoe nabij God ook wil zijn, Hij overstijgt ons tegelijk.

De kernboodschap is: bid tot je Vader in de hemel, spreek met Hem. Vraag om kracht, om wijsheid, om troost, om hulp. Hij is er voor jou. Gewoon omdat jij het bent.

Volgende post: zondag 28 februari. Thema: "Gedaanteverandering", bij het evangelie van de zondag.

22 februari 2021

Het Onze Vader (23 februari 2021)

Tijdens de bergrede, de spreekwoordelijke “master class” die Jezus in het Matteüsevangelie aan zijn verzamelde volgelingen uiteenzet, spoort Jezus de mensen aan om te bidden. Hij geeft duidelijke instructies en zegt hoe ze horen te bidden, en hoe ze zeker niet mogen bidden. We hebben het geluk om een inspirerende Schriftpassage te lezen, een prachtig geschenk in de Veertigdagentijd.

  • Voor de lezingen van dinsdag 23 februari 2021: klik hier.

Wat hoegenaamd niet in het voordeel werkt, is een veelheid aan woorden. Lange uiteenzettingen vol mooie woorden en overvloedige herhalingen hebben geen invloed op Gods verhoring. Je hoeft niet goed ter tale te zijn om verhoord te worden. De Heer weet immers al wat je nodig hebt (Matteüs 6, 8). Daarna maakt Jezus duidelijk hoe het wel hoort. Hij bedoelt niet dat we letterlijk maar één gebed mogen bidden, namelijk het Onze Vader, maar dat we op een bepaalde wijze horen te bidden.

We mogen onszelf beschouwen als kinderen van de Vader.

“Onze Vader in de hemel”. De inleiding van het gebed is een aanspreking die een totaal nieuwe Godsrelatie beoogt. We mogen onszelf beschouwen als kinderen van de Vader. God is niet veraf en onbereikbaar, maar vertrouwd en liefdevol nabij, zoals een vader. Alle gelovigen zijn bijgevolg ook broeders en zusters. Tussen haakjes: centraal staat hier het beeld dat we geliefde kinderen zijn (Matteüs 18, 3-4) en het Vaderbeeld creëert deze symboliek. God kan echter ook als Moeder beschouwd worden, wanneer het Vaderbeeld bijvoorbeeld teveel obstakels schept, misschien door een traumatisch of negatief menselijk vaderbeeld. Dit even terzijde.

Jezus moedigt ons niet aan om God als “mijn Vader” aan te spreken. Het gebed roept door het woord “onze” meteen de verbondenheid met de hele geloofsgemeenschap op vanaf de aanspreking. We zijn samen broeders en zusters in de Heer, we zijn het Volk van God.

Het Onze Vader bid je wereldbreed en hemelhoog.

De toevoeging “in de hemel” geeft aan dat God echter ook onzichtbaar en ongrijpbaar voor ons. Het Onze Vader bid je wereldbreed en hemelhoog. Met enkele woorden omschrijft Jezus de afstand en de nabijheid van God: Hij is onze Vader, maar dan in hemel. Meteen wordt vermeden dat een al te knus godsbeeld zou ontstaan - “ik en mijn godje” -, waarbij God kneedbaar en tembaar zou zijn. De aanspreking in het gebed is eigenlijk een kernachtige samenvatting van de realiteit van ons geloof en de complexiteit ervan.

Het is niet vanzelfsprekend om het Onze Vader te vertalen in het Nederlands. Sinds enkele jaren bidden we daarom een nieuwe Nederlandstalige versie. Matteüs schrijft in het koinè-Grieks, een soort volksgrieks. Het Onze Vader is geschreven in de “aorist”: een in het Nederlands onbestaande vervoegingsvorm die een eenmalige of niet-continue of niet-vanzelfsprekende gebeurtenis uitdrukt. Meestal betreft het een gebeurtenis uit verleden, maar in het koinè-Grieks worden gebeden wel vaker in deze vervoegingsvorm geschreven en verwijzen ze niet naar het verleden. Belangrijk is dat het ogenblik van de gebeurtenis niet precies bepaald is, zoals het woord ‘ooit’ in het Nederlands uitdrukt: ooit in het verleden of als wens in de toekomst. Bovendien is het gebed in de bevelende wijs geschreven: “doe dit”. In een gebed is de bevelende wijs weliswaar eerder een verzoek met aandrang dan een bevel pur sang. Ter informatie: Lucas neemt het Onze Vader ook op in zijn evangelie, maar dan veel beknopter en niet in de “aorist” geschreven (Lucas 11, 2-4). Matteüs en Lucas ontlenen de tekst waarschijnlijk uit de Q-bron of Logienquelle, een geschreven verzameling van Christuscitaten. 

Laten we ons in het gebed verdiepen, en daarbij zo dicht mogelijk bij de Griekse tekst blijven van Matteüs’ versie van het Onze Vader.

  • Het gebed vangt aan met drie beden over God en hoe de wereld met Hem om hoort te gaan.

“Uw Naam moet geheiligd worden.” Regels en gewoontes zijn niet heilig. We moeten er ons niet blind op staren, zoals de farizeeën dat wel vaak doen. Ook tempels, gebouwen en plaatsen hebben niet de hoogste heilige status. Allerheiligst is de Naam van God. In zijn Naam zijn we samengebracht als Volk van God. Wij vernoemen Gods Naam met het grootste respect. God heiligt ook zelf zijn Naam door zijn grenzeloze liefde en trouw, door de ultieme voorbeeldfunctie die Hij opneemt en uitstraalt. Aangezien Gods Naam allerheiligst is, mogen we ons niet richten tot afgoden of vervangidealen, zoals rijkdom, macht of aanzien. Gods Naam staat daar hoog boven.

“Laat uw koninkrijk komen.” Dat rijk bevindt zich niet louter ver weg aan het einde van de tijden. Ook hier op aarde wordt Gods koninkrijk realiteit, in het geloof en in het doen en laten van mensen. Dit koninkrijk realiseert zich nu én in de eeuwigheid.

“Laat uw wil gebeuren (uw wil moet gebeuren), in de hemel en op aarde.” Het is helder en klaar: de Wet van God staat centraal. Het zijn de geboden die Mozes op de berg Sinaï ontving die wij als gelovigen horen na te leven, samengebald in de twee geboden van de Zoon: je moet God liefhebben, en je naaste als jezelf (Matteüs 22, 37-40). Terwijl in het Onze Vader de plicht om Gods Wil te verwezenlijken duidelijk doorklinkt, is er ook een vragend element, aan God gericht: help ons bij ons menselijk streven.

  • Na de beden over Gods Naam, zijn Rijk en zijn Wil, volgen er vier beden waarin gevraagd wordt om Gods hulp en bijstand aan ons, mensen.

“Geef ons vandaag het nodige brood (voldoende brood).” Hier merk je meteen een verschil op met de versie die wij gebruikelijk bidden. Ook de nieuwste versie luidt anders. Wij spreken in deze eerste bede over “dagelijks” brood, maar dat is een wat wazige vertaling. “Heden” wordt herhaald in het woord “dagelijks”. We struikelen over het koinè-Griekse woord “epiousion”. Al van in het vroege Christendom hangt er een zeker mysterie rond dit woord.

Het woord is eigenlijk nergens anders in teksten teruggevonden. Dit noemen we een hapax (Grieks voor "eenmaal"). Er is een nuance: het is wellicht eenmalig in de Q-bron neergeschreven, en van daaruit gekopieerd door Matteüs en door Lucas. Het probleem is al vrij vroeg in de christelijke geschiedenis opgemerkt, maar zonder helder antwoord. Dit zijn enkele pogingen: genoeg voor vandaag (epi tèn: voor de, ousan: vandaag), voldoende om te leven (epi: voor, ousia: bestaan), voor de dag die komt (epi: voor, ienai: wat komt), of in dezelfde vertaallijn: voor het rijk dat komt.

Al deze vertalingen houden alvast verband met de kerngedachte dat we open staan voor Gods genadige gave, dat we ontvankelijk moeten zijn voor de Goddelijke voorzienigheid. Denk aan het ‘manna’ dat de Heer in de woestijn schonk aan de hongerige Israëlieten onderweg (Exodus 16). De honger die men gestild wil zien door God kan zowel fysiek als geestelijk zijn. De bede is ook een ondubbelzinnige oproep tegen materialisme en egoïsme.

“En laat onze schulden weggaan van ons zoals ook wij de schulden laten gaan van onze schuldenaren.” “Laten gaan” kan ook vertaald worden als kwijtschelden of vergeven. Er is een duidelijke voorwaarde verbonden aan Gods vergiffenis: we moeten zelf onze naasten vergiffenis schenken. Dat wordt in de verzen 14 en 15, na het gebed, duidelijk herhaald. Onze vergiffenis is overigens onbeperkt in hoeveelheid: tot zeventig maal zeven maal toe (Matteüs 18, 21-22). Jezus wil ook dat we ons schuldgevoel niet in brandoffers projecteren en zo iets te gemakkelijk van ons afzetten. Neen: we moeten onze schuld inwendig ervaren en van daaruit vragen om vergiffenis.

“En breng ons toch niet binnen in de beproeving.” Het leven biedt kansen en uitdagingen, maar ook tegenslagen en trauma’s. Om hier mee om te gaan, mogen we rekenen op hulp van God: Hij is er voor ons, Hij is het Volk Gods onderweg nabij. Zoals Hij zijn Volk vergezelde tijdens hun tocht door de woestijn, zo is Hij ook onze Nabije. We mogen Hem ook om hulp vragen in onze roeping: opdat we vasthouden aan ons geloof, vooral wanneer twijfel en onzekerheid ons lijken te overwoekeren. Deze bede drukt eigenlijk de wens uit om God en zijn goedheid niet te vergeten en negatieve ervaringen niet als beproeving te moeten doorstaan.

“Maar red ons uit het kwade.” Deze laatste bede klinkt erg zwaar. We vragen hier om bevrijd te worden uit de kluisters van het kwade, om de vrede van Gods vergiffenis te mogen ervaren. In de Kolossenzenbrief heeft Paulus het over “losscheuren” of “ontrukken” aan de macht van de duisternis (Kolossenzen 1, 13)

Het is een groot voorrecht voor ons, christenen, om van Jezus zelf een gebed te hebben ontvangen.

Hiermee komen we aan het einde van het Onze Vader. Het is een groot voorrecht voor ons, christenen, om van Jezus zelf een gebed te hebben ontvangen. God heeft ons een spirituele rijkdom geschonken langs de Mensenzoon. In deze Veertigdagentijd, het pad van bezinning op weg naar Pasen, mag dit gebed niet ontbreken.

Interessante lectuur hierbij:

Karl BARTH, Het gebed, Callenbach, 1951. Online te raadplegen: https://www.karlbarth.nl/gebed-1/3/


Volgende post: donderdag 25 februari. Thema: "Vraag en er zal je gegeven worden", bij het evangelie van die dag.

16 februari 2021

Aswoensdag: Ver weg van het spektakel (17 februari 2021)

Op Aswoensdag wordt gewoontegetrouw gelezen uit de profeet Joël en uit het Matteüsevangelie:

Joël 2, 12-16a.18 - Matteüs 6, 1-6   (online lezen: klik hier)

Mooier is niet altijd beter. Vrolijk is niet altijd mooier. De ideale wereld bestaat niet, het is een droombeeld. Leef niet in het oppervlakkige. Aswoensdag wil ons stevig met onze voeten op de grond brengen.

Aswoensdag wil ons stevig met onze voeten op de grond brengen.

Dat dun laagje plastic of vernis, dat éne laagje dat we zien, wordt ons aangeprezen: het gaaf, smetteloos, glimmend uiterlijk dat alles mooi maakt. In reclameboodschappen wordt ons gezegd dat we er blij en gelukkig van worden. Via sociale media vertellen we aan elkaar langs foto’s en korte tekstjes hoe vrolijk en fantastisch ons leven wel is. Een zelfbouwkastje kan er mooi uitzien, maar de binnenkant blijft gewoon bestaan uit geperste houtsnippers. Er is niets mis met schoonheid en uiterlijk vertoon. Een mooi behangen muur is mooier dan één met groezelige vlekken en strepen. Wanneer we echter alleen nog woorden hebben voor wat populair en mooi is en al het andere niet meer zien, negeren of zelfs weggooien, dan hebben we een probleem. We kunnen niet leven in een ideaalbeeld en dat moeten we ook beseffen. Er is ook verdriet, vrees, ongemak, zwakte, onzekerheid in ons en om ons heen. Dat mag geen taboe zijn. En dat lijkt het wel soms. Daarom precies is het van belang dat we aandacht besteden aan wat dieper ligt, aan hetgeen we al te vaak verdoezelen onder een laagje van uiterlijkheden.

De profeet Joël heeft gelijk wanneer hij ons aanspoort om tot inkeer te komen. Hij wil dat we de Heer, onze God, herontdekken. Het is geen God van uiterlijke sier, maar van genade, liefde, trouw en vergeving (Joël 2, 13). Dat zijn niet echt de zaken die je op sociale media in beeld kan brengen met een wat geforceerde glimlach en enkele emoticons. Fotocorrectie, schmink, zelfs botox verdoezelen je binnenkant niet. Joël hoopt dat we meer aandacht besteden aan onze diepste kern: wie we zijn, wat we geloven, waar we op hopen.

Soberheid is een goede manier om tot inkeer te komen: alle onnodige prullaria aan de kant schuiven en terugkeren naar de essentie. Een mooie smartphone, dure merkkledij, een chique wagen: ze zijn hip, trendy, handig en comfortabel, maar brengen je niet het beloofde ultiem geluk. Je gaat algauw merken dat we veel tijd en ruimte vrijmaken voor wat onnodig en overbodig is. Zo komen we tijd tekort voor wat er echt toe doet: liefde, geduld, trouw en vergeving.

Worden we wakker geschud wanneer we in de stroom van leukheid mee dobberen? 

Ook godsdienst is niet ongevoelig voor uiterlijkheden. Kerken worden gerenoveerd, voorzien van alle technieken en gemakken, orgels worden hersteld en gestemd, plafonds versierd met mooie laagjes verf, koper, zilver en goud worden opgeblonken tot alles wat blinken kan, ook schittert. Daar zijn de gelovigen blij om, maar wat met hun innerlijk? Wordt daarin voldoende geïnvesteerd? Worden we wakker geschud wanneer we in de stroom van leukheid mee dobberen? Joël waarschuwt ons: de Heer wil dat we niet onze kleren scheuren, maar ons hart.

Tot inkeer komen, is geen spektakel, geen vertoning. Daarom in het ook niet "in".

Geen dramatisch gedoe, geen aandachttrekkerij, maar eerlijk en ingetogen zoeken naar beter. Daar gaat het om. Het is van alle tijden: mensen die met de beste bedoelingen op de eerste rij gaan staan en tonen hoe het hoort. Matteüs gebruikt het werkwoord “theaomai”, dat verwant is met theater. Tot inkeer komen, is geen spektakel, geen vertoning. Daarom is het ook niet "in". Het gaat niet om bekeken worden. Dat vinden mensen misschien leuk, maar God heeft er niets mee. God ziet namelijk in het verborgene (Matteüs 6, 4). Hij weet meteen of je oprecht bent of niet. In het tweede vers heeft Jezus het over “hupokritai”. God wil niet dat we hypocriet zijn. Hij hoopt dat we tot inkeer komen, ver weg van alle toeters en bellen, of bazuingeschal, zoals Matteüs het even plastisch noemt. In het verborgene kan je het dichtste bij God komen. Niet schreeuwend op straten en pleinen, niet pronkend op sociale media, maar stil in het verborgene.

Je hoeft God overigens niet te zoeken, je hoeft zelfs niet te twijfelen of Hij er wel is. Hij is er al, Hij was er altijd al en Hij weet wat je nodig hebt. Hij ziet namelijk in het verborgene, in ons diepste zijn, dat we zo gauw bedekken met laagjes van beschaving en verfraaiing. Het is geen toeval dat vlak na de passage in het Matteüsevangelie het “Onze Vader” volgt, het gebed aller gebeden. Bidden, doe je met een eerlijk hart, ingetogen en verstild.


Ik vertaalde dit gebed enkele jaren geleden uit het Grieks:

"Onze Vader in de hemel, 

heilig is uw Naam. 

Wij verwachten uw rijk. 

Laat uw wil werkelijkheid worden in de hemel en op aarde. 

Voed onze geest dag na dag. 

Vergeef ons onze schulden, 

voor zover wij zelf de schuld van anderen vergeven. 

Houd ons weg van verleidingen, 

maar verlos ons van het kwaad. (Matteüs 6, 9-13) 

Want U bent de Albeheerser, met kracht en heerlijkheid 

in alle eeuwen. Amen." (Judas 1, 25)

(Bron gebed: VANNECKE Sven, U zeg ik dank, Averbode, 2018.)