Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label Wet. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Wet. Alle posts tonen

26 februari 2026

Het ultieme voorteken (28 februari-1 maart 2026)

Het beklimmen van een berg is een indrukwekkende belevenis. Het vraagt veel kracht en doorzetting en een avontuurlijke ingesteldheid. Het vraagt ook een bewuste keuze om op de veilige, welomlijnde weg van een heuvelachtig landschap toch een afslag te nemen en dat ongemakkelijke bergpad te kiezen. Wie niet goed is voorbereid en niet aandachtig is onderweg, kan zwaar ten val komen. De Veertigdagentijd is de uitgelezen tijd om het bergpad naar binnen heel bewust te kiezen, een avontuurlijk traject dat juist omwille van de uitdaging ook een verrijking kan zijn voor je spiritualiteit en je identiteit.

  • Voor de lezingen van de tweede zondag van de Veertigdagentijd A: klik hier.

Verhaalvorm

De gedaanteverandering van de Heer is een bijzonder complex verhaal. Het kan zeker niet gelezen worden als een feitenrapport. Dit verhaal vertelt een theologische waarheid, het brengt een ons overstijgende werkelijkheid onder woorden. We mogen deze verhaalvorm niet verwarren met fantasie. Er wordt wat verderop geen zwerkbal gespeeld en er klinken geen optaterspreuken begeleid door wild gezwaai met een toverstaf. 

De gedaanteverandering is niet van magische aard. Het vertelt een verhaal omdat een theologisch traktaat nog een stuk ingewikkelder zou zijn. We doen dit verhaal het meest onrecht aan wanneer we haar diepste intentie niet respecteren: dit is christologie in beeldtaal. Het wezenlijke van Christus, zijn Boodschap en zijn aardse verblijf komt hier aan bod.

Hoog

Het verhaal valt meteen met de deur in huis. Jezus beklimt een berg, samen met Petrus, Jakobus en Johannes. Verder is er niemand: het betreft een klein gezelschap. Het is niet zomaar een heuvelrug, nee: ze beklimmen een hoge berg. (Matteüs 17, 1) Hoogte is van belang hier. Jezus en de drie leerlingen komen dichter bij de hemel, en worden verder weg van de vlakke wereld verwijderd. 

Ze kunnen het gewemel overschouwen en maken er geen deel meer van uit. Het landschap is ruiger, de klim is ongetwijfeld een uitdaging. Er is geen drukte, geen rumoer, geen afleiding hoog op de berg. In het majestueuze landschap ervaren ze hoe klein een mens eigenlijk is en hoe prachtig de schepping. Het staat in schril contrast met de onbeduidendheid en het banale waarin mensen zich verliezen in de vlakke wereld van elke dag. 

Berg zonder Naam

Merkwaardig detail: de berg heeft geen naam, terwijl vaak heel specifieke plaatsbeschrijvingen in evangelieverhalen staan vermeld. De plaats doet er immers niet toe. De locatie blijft een mysterie omdat de betekenis van de berg ligt in wat erop staat te gebeuren. Het zal tijd en ruimte overstijgen. We hebben tot nu toe één Bijbelvers gelezen. Verhalen zijn heel effectief om veel te zeggen in weinig woorden.

Het volgende vers is minstens even verhelderend. Het uitzicht op hoge hoogte is wellicht adembenemend, maar vooral een inzicht zal hun keel dicht hebben geknepen. Er gebeurt een metamorfose (in het Grieks: 'metemorfootè', Hij veranderde van gedaante) voor hun ogen. Zijn gelaat wordt stralend als de zon en zijn gewaad witter dan het licht. (Matteüs 17, 2) Het Licht brengt God in beeld. Zoals het vuur van de brandende braamstruik. (Exodus, 3, 1-6) God verschijnt aan Mozes in een onbenaderbaar vuur. Zowel het heldere licht als het vuur scheppen een afstand tussen mens en God. Wij hebben niet zomaar toegang tot God. Er is geen magie in het spel. Dit gaat over symboliek. Over sacramentaliteit.

Tabernakel

Plots blijken ze in vers 3 niet met zijn vieren te zijn op de berg. Uit het niets worden Mozes en Elia vernoemd, die in gesprek zijn met Jezus. Zij spreken met Jezus, niet met de leerlingen. Een Goddelijke dialoog grijpt plaats: Jezus, de Zoon van God, spreekt met Mozes, die de Wet vertegenwoordigt, en met Elia, die staat voor de Profeten. Samen bekleden deze beide verschijningen de Traditie van de Heer die op weg is gegaan met zijn Volk, vanaf het eerste begin tot dat moment. En Jezus staat op gelijke hoogte met hen. (Matteüs 17, 3) Hij wist Wet en Profeten niet uit, maar is organisch met hen verweven. Jezus ís de Wet en Profeten, meer bepaald: de vervulling  van Gods Belofte langs een Nieuw Verbond dat weldra wordt gesloten.

Petrus spreekt de Heer aan, midden in dit mystiek gebeuren. Hij stelt voor om drie tenten te bouwen: drie tabernakels, drie beschermende heiligdommen waarin het Goddelijke kan verwijlen, weg van de elementen, (Matteüs 17, 4) zoals eertijds de tent van het Verbond. (Exodus 25) Jezus zal weldra de nieuwe Ark belichamen, wanneer in Hem het Verbond tussen God en zijn Volk wordt vernieuwd. 

Christologie

Een Goddelijk spreken onderbreekt Petrus' voorstel: de hemelse Vader weerklinkt vanuit een wolk. Ook de wolk is vervuld van helder licht. Mozes, Elia, de Zoon en de Vader: ze zijn verenigd in Licht, in goddelijkheid. (Matteüs 17, 5) De Vader herhaalt zijn woorden van bij Jezus' doopsel door Johannes de Doper: "Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind ik vreugde." (Matteüs 3, 17) Dit keer wordt er nog een duidelijk directief aan toegevoegd: "Luister naar Hem." Gehoorzaam Hem. De tijd is immers rijp.

In de volgende hoofdstukken wordt vooral nog gesproken over de hemel en het Rijk Gods. (Matteüs 18-20) Daarna doet Jezus zijn intocht in Jeruzalem en richt Hij zich streng tot de Schriftgeleerden, terwijl Hij voorspelt wat er zal gebeuren wanneer de Mensenzoon terugkomt. (Matteüs 21-25) Het lijden en sterven van de Heer is niet meer ver weg. En dat klinkt ook in hoofdstuk 16, dat aan de gedaanteverandering voorafgaat: "Wie achter Mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en Mij volgen. Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het behouden." (Matteüs 16, 24-25) 

Wellicht de meest veelzeggende aanwijzing om de gedaanteverandering van de Heer te plaatsen, is Jezus' vraag aan zijn leerlingen, eveneens in het vorige hoofdstuk: "En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben? " (Matteüs 16, 15) Wat is het wezen van Christus? Wie is Hij? Het is eveneens Petrus die dan begeesterd spreekt: "U bent de Messias, de Zoon van de levende God." (Matteüs 16, 16) Er klinkt heel veel christologie in de gedaanteverandering. Het is geen luchtige thematiek. Maar dat mag in de Veertigdagentijd, op weg naar Pasen.

Zelfde symbolen

Dichter bij Pasen zal Petrus vloekend en zwerend uitroepen: "Ik ken die man niet!" (Matteüs 26, 74) En daarmee komen we bij het Christusmysterie waar de gedaanteverandering een voorteken van is, een vooruitwijzing: het lijden, sterven en opstaan van de Heer. Daarin komen veel symbolen terug. 

Zijn ondergewaad zal niet worden gescheurd, boven op de heuvel van Golgota. (Matteüs 27, 35 en Johannes 19, 23) Op een minder imposante verhoging dan de hoge berg zal het kruis worden opgericht. Het licht zal doven: duisternis zal de aarde bedekken. (Matteüs 27, 45) Het voorhangsel van de tempel zal scheuren. Het tentdoek wordt door toedoen van mensen vernield. (Matteüs 27, 51)   

De rijkdom van het verhaal van de gedaanteverandering is onuitputtelijk en heel inspirerend in voorbereiding op Goede Vrijdag en Pasen. Laat ons, in navolging van Jezus en de drie leerlingen, de naamloze berg beklimmen en dichter bij de betekenis van het lijden en sterven van de Mensenzoon komen: de betekenis binnen ons geloof en bijgevolg ook voor onze eigen diepste spiritualiteit.

21 mei 2025

Leven in de vredevolle wijsheid van de heilige Geest (24-25 mei 2025)

Jezus is niet op aarde gekomen om door ons getemd te worden. Hij staat niet in functie van ons of van ons geloof. Integendeel: ons geloof is het liefdevolle antwoord op Gods genade. Dat is echter niet vanzelfsprekend: we zien God niet. Wel kunnen we in ons gebed en in ons leven wijsheid van God ontvangen. Daartoe is de heilige Geest onder ons gekomen: de constante Goddelijke aanwezigheid op aarde. Hij schenkt ons inzicht en inspireert ons tot vrede. God heeft ons immers lief en wil zijn Schepping blijven raken met zijn genade. In de Paastijd mogen we ontdekken hoe bevoorrecht we zijn.

Ongelijk

Liefde is het begin van christenzijn. “Wie Mij niet liefheeft, houdt zich niet aan wat Ik zeg. (Johannes 14, 24a) Het is de bewonderende aanbidding van de Heer Jezus Christus die ons geloof aanwakkert. Deze Liefde is geen equivalent van typisch aardse liefde, geen liefde van mens tot mens. Het is geen verliefdheid en ook geen bestendiging van verliefdheid. Het is ook geen liefde zoals je voor een vriend of vriendin voelt. 

Jezus is nooit onze gelijke. Deze Liefde is hemels en aards tegelijk, zoals Jezus Christus evenzeer onder ons is gekomen als hemels en aards tegelijk. Trouw en oprechtheid zijn belangrijk elementen in de Liefde voor God. Daarin verschilt de Liefde voor Christus niet van de verwachtingen in de liefde voor een partner of vriend(in). 

Volgen

Het verschil ligt enerzijds in de grenzeloze liefde die van God op ons afstraalt. Hij overstijgt in alles de liefde in al haar diversiteit zoals mensen die voor elkaar kunnen voelen. Er hangt anderzijds ook een gehoorzaamheid aan deze liefde vast, een bereidheid om te volgen. Daarin krijgt de ongelijkheid tussen God en mens concreet vorm. Wie Christus liefheeft, houdt zich aan wat Hij zegt.

Christus volgen verschilt in het geheel niet van de Vader volgen. “Wat jullie Mij horen zeggen, zijn niet mijn woorden, maar de woorden van de Vader, door wie Ik gezonden ben. (Johannes 14, 24b) Jezus heeft geen nieuw geloof gesticht, Hij heeft de Wet en de Profeten uitgelegd en de afwijkingen aangeklaagd in het beleven en uitdrukken van die Boodschap. In die zin is er een Nieuw Verbond ingesteld, een nieuw begin. Opnieuw een teken van Gods grenzeloze Liefde.

Nieuwe vorm

Jezus heeft op tijd aan zijn leerlingen verteld dat zijn verblijf op aarde slechts tijdelijk zou zijn, dat Hij hen zou moeten verlaten. Jezus zegt hun: “Dit alles zeg Ik tegen jullie nu Ik nog bij jullie ben. (Johannes 14, 25a) Na Pasen verandert alles: het is een scharniermoment. Sindsdien ervaren we een andere dimensie van Gods Liefde: ze is, net als God zelf, fundamenteel onzichtbaar en ontastbaar. Onze belijdenis zit niet in stenen vervat. Dat maakt van geloof een hele uitdaging. 

Wanneer Johannes in het boek Apokalyps zijn visioen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde kenschetst, dan schrijft hij over de heilige stad: Een tempel zag ik niet in de stad, want God, de Heer, de Almachtige, is haar tempel, met het lam. (Apokalyps 21, 22) Wij leven in het tijdperk van de ontastbare God. We klampen ons vast aan zijn Woord als getuigenis en inspiratiebron.

Met wijsheid, in vrede

Maar er is meer. Jezus voorzegt aan zijn leerlingen: “Later zal de Vader jullie in mijn naam een pleitbezorger zenden, de heilige Geest.” (Johannes 14, 25b) God is en blijft een Aanwezige onder ons, maar na Jezus tijd op aarde, is dat onder een heel nieuwe vorm: als Begeestering. Wat betekent dat concreet? Welnu: “Hij zal jullie alles duidelijk maken en alles in herinnering brengen wat Ik tegen jullie gezegd heb.” (Johannes 14, 26) Dat is een belangrijke wijze waarop de heilige Geest ons helpt en bijstaat: met zijn Goddelijke wijsheid.

Aansluitend bij zijn uitleg over de komst van de heilige Geest, zegt Jezus: Ik laat jullie vrede na; mijn vrede geef Ik jullie, zoals de wereld die niet geven kan. (Johannes 14, 27a) De heilige Geest inspireert ons tot de Goddelijke vrede die Jezus ons laat, hier op aarde, nadat Hij naar de hemel opstijgt. Die vrede moet ons niet alleen inspireren maar zelfs kenmerken. Volgelingen van Jezus leven in vrede - een hemelse vrede gebouwd op de blijde Boodschap - gesterkt door de heilige Geest. 

Ziedaar een belangrijke opdracht voor ons allen! Moge de Geest in ons allen waaien als een doorleefde en inspirerende ‘aggiornamento’!

25 juli 2024

Wonder van vrijgevigheid (27-28 juli 2024)

Jezus leert zijn apostelen en toehoorders met het broodwonder over de gulheid en vrijgevigheid van God. De lichamelijke én de geestelijke honger worden gestild. Geloven in God doe je als mens, niet enkel met je 'geest'. Maar we zien het wonder niet altijd. En als we het zien, begrijpen we de boodschap niet noodzakelijk. Daarom blijft God zo gul: om ons de kans te geven, telkens weer, om Hem beter te begrijpen.

Het is traditie bij het joodse volk om het eerste brood van het nieuwe graan aan de levieten te schenken (2 Kronieken 11, 13-14 – Leviticus 23, 10). Vanuit het Noordrijk is het onmogelijk om naar Jeruzalem te gaan offeren, dus worden ze aan de profeet Elisa (eigenlijk uitgesproken als ‘Elisja’) geschonken. Hij heeft immers ook een priesterlijke taak. Langs deze offerdaad wil het Volk de eerste oogstvruchten van wat God langs de schepping schenkt aan Hem teruggeven uit dankbaarheid. Elisa wordt hiermee ook uitdrukkelijk bevestigd in zijn profeet-zijn, als opvolger van Elia. (2 Koningen 4, 42)

Profeten

Wat aan Elisa uit gulheid wordt gegeven, deelt hij op zijn beurt verder uit. Elisa houdt geen grote portie voor zichzelf. Hij voedt honderd mensen met de twintig gerstebroden. Een interessant detail: vlak voor dit verhaal maakt Elisa tijdens de hongersnood een gerecht van wilde kruipplanten dat na toevoeging van meel plots eetbaar wordt. (2 Koningen 4, 38-41)

Bij Jezus gebeurt bij het broodwonder precies hetzelfde als bij Elisa, zij het dan in grotere omvang. De verwijzing naar Elisa roept meteen veel op. De naam betekent: ‘mijn God is redding’. Dat is niet toevallig. Bovendien is Elisa is de opvolger van Elia, die het monotheïsme hersteld heeft. Verder wordt Jezus langs dit verhaal bevestigd als profeet. Sterker nog: Hij is méér dan een profeet, want het verhaal neemt grotere proporties aan.

Niet zien

De toehoorders van Jezus hebben honger. Er is een kereltje met vijf gerstebroden en twee visjes (het gaat uitdrukkelijk om kleine vissen). (Johannes 6, 9) Jezus vraagt echter bij wijze van proef aan Filippus: ‘Zullen we brood kopen?’ (Johannes 6, 5) De eigenlijke test bestaat erin of Filippus in Jezus een profeet ziet. (Johannes 6, 6) Filippus beklemtoont de grote nood en maakt zelf een rekensom. Hij ziet de vijfduizend mensen maar ziet geen kans op een wonder. (Johannes 6, 7 en 10) Hij (h)erkent nog niet wat er mogelijk is met Jezus bij zich, maar drijft de spanning wel op in het verhaal. Andreas gaat mee in gesprek en acht het meteen onmogelijk dat er genoeg voedsel samengebracht kan worden. (Johannes 6, 8-9) Beide apostelen zien in Jezus nog geen profeet.

Wel is het Andreas die het jongentje met de vijf broden en twee visjes opmerkt. Draagt deze jonge knaap in zijn onschuld symbolisch de vijf boeken van de Tora en de 2 stenen tafelen van de Wet van Mozes bij zich? Voegt Jezus in zijn eigen Persoon de Profeten toe aan de Wet langs zijn broodwonder? Betrekt Hij de hele Schrift bij het wonder? Het is een mogelijke interpretatie. 

Alleszins wordt langs Jezus’ bezorgdheid dat het volk gevoed moet worden, meteen duidelijk dat Hij ook de lichamelijke noden van de mensen erkent, dat Hij niet enkel met de geest en de spiritualiteit begaan is.

Wonder

Het brood, dat uit de vrijgevigheid van het kereltje is ontvangen, wordt onder de mensen uitgedeeld. Daarna wordt het broodwonder vastgesteld. De twaalf apostelen verzamelen de overschot op vraag van Jezus. Waarom vraagt Jezus dit zo uitdrukkelijk? Als zelfbevestiging? Nee. Hij wil een boodschap aan de mensen overbrengen op een zichtbare, tastbare wijze. 

De twaalf manden met brokken staan voor de twaalf stammen van het Godsvolk. Jezus richt zich tot het hele Volk van God. (Johannes 6, 12-13) Zij worden belichaamd door de twaalf apostelen, die volop delen in de overvloed van het wonder, de één niet meer dan de ander. In volle gelijkwaardigheid hebben ze deel aan Jezus’ Boodschap. Zo zullen ze de verkondigingstaak ook overnemen na zijn dood en verrijzenis.

Misverstand

De mensen bevestigen Jezus als de Heiland en Redder: “Hij moet de profeet die in de wereld zou komen.” (Johannes 6, 14) Duidelijker kan het niet. Maar ze overdrijven in hun typisch-menselijk enthousiasme en willen hem meteen tot nieuwe koning kronen. Daar wil Jezus niets van weten. Hij trekt zich terug in de bergen, helemaal alleen. (Johannes 6, 15) 

Zo landt dit spiritueel verhaal weer op de harde grond van de realiteit. Mensen begrijpen niet wat Jezus eigenlijk bedoelt. Ze klampen zich vast aan Hem en willen Hem als politiek instrument gebruiken. Dat is niet de bedoeling. De Boodschap is zoveel sterker, breder, hoger. 

16 augustus 2023

Voor iedereen! (19-20 augustus 2023)

Een Kanaänitische vrouw spreekt Jezus aan. Hij heeft zich in Fenicië afgezonderd, samen met zijn leerlingen, na een zoveelste aanvaring met farizeeën. De vrouw moet veel moeite doen om een respons van Jezus uit te lokken. Bij een oppervlakkige lezing lijkt het een merkwaardig verhaal met atypisch gedrag van Jezus. We staan dan ook op een keerpunt in de verkondiging: na de 'binnenjoodse' focus begint hier het 'christelijke' verhaal, nog heel pril en kleinschalig, kruimeltjesgewijs.

Fenicië ligt ten noorden en ten westen van Galilea. Nadat het Volk Gods doorheen de woestijn naar Kanaän is geleid om zich er te vestigen, trekt de oorspronkelijke bevolking noordwaarts. Het is een vissersvolk met de kwalijke reputatie om woekerwinsten te halen uit hun handel. Ze zijn gekend voor hun Baälcultus. Isebel, de vrouw van koning Achab, is een Fenicische en introduceert deze cultus bij de Joden. De profeet Elia wordt door haar bedreigd en vervolgd omdat hij de afgoderij aan de kaak stelt. (1 Koningen 18-19) Fenicië, met de steden Tyrus en Sidon, staat ten tijde van Jezus ook onder Romeins bewind.

"Heb medelijden"

“Heb medelijden, Heer, Zoon van David!”, roept de vrouw Jezus toe. (Matteüs 15, 22) Ze is klaarblijkelijk vertrouwd met zijn Messiaanse titel. De vrouw erkent Hem in weinig woorden uitdrukkelijk als de Zoon van God en spreekt een typisch joodse gebedsformule uit. Haar dochter is ziek en ze hoopt op de hulp van Jezus.

Hij schenkt ogenschijnlijk geen aandacht aan haar smeekgebed. De leerlingen verzoeken zelfs om haar weg te sturen(Matteüs 15, 23) Ze verstoort de rust, ze is een storend element. Het is een heel spontane reactie, die ook in christelijke gemeenschappen vandaag soms kwalijk aanwezig is en als normaal wordt beschouwd: vooroordelen koesteren, neerkijken op anderen, veroordelen en het eigen gemak vooropstellen.

Afgelijnd

Heel afgemeten antwoordt Jezus: “Ik ben alleen tot de verloren schapen van Israëls huis gezonden.” (Matteüs 15, 24) Jezus stuurt haar dus niet weg, maar verklaart zijn gedrag vanuit zijn oorspronkelijke, afgelijnde missie: de Vader heeft zijn eniggeboren Zoon op aarde de missie gegeven om het Verbond tussen God en zijn Volk te vernieuwen. De afgoderij was één van de redenen voor het verbreken van het 'oude' Verbond. Mogelijk maakt Jezus zich toch zorgen over de mogelijke vermenging van godsdiensten. Reli-shopping noemen we dat tegenwoordig, maar het fenomeen is van alle tijden. Zou het toeval zijn dat Jezus juist in Fenicië als Zoon van God wordt bevestigd?

Nu heeft Jezus zich wat afgezonderd na de confrontatie met farizeeën en Schriftgeleerden (Matteüs 15, 1-11). Hij heeft ze zopas huichelaars genoemd. (Matteüs 15, 7) Het wordt stilaan duidelijk dat de tegenstand tegen de blijde Boodschap bijzonder groot is en gestuurd wordt door de vooraanstaanden in het geloof, die vooral bekommerd zijn om hun macht en aanzien. Zou het toeval zijn dat Jezus in Fenicië erkenning krijgt nadat Hij door farizeeën ontrouw aan de traditie is verweten? (Matteüs 15, 2) 

“Heer, help mij”, smeekt ze nogmaals, dichter bij Jezus. Hij dient haar van antwoord: “Het is niet goed om het brood voor de kinderen aan de honden te voeren.” (Matteüs 15, 26) Met andere woorden: eerst moet de Boodschap aan het Volk Gods verkondigd worden. Zo is het bedoeld.

Kruimeltjesgewijs

Haar derde toenadering is meer gedurfd: “Toch wel, Heer!”, zo spreekt ze Hem vol overtuiging tegen. Het is één van de weinige keren dat Hij wordt tegengesproken door iemand die om hulp vraagt. Ze maakt Hem duidelijk dat er kruimels genoeg overblijven. (Matteüs 15, 27) Het Volk Gods en de leiders stellen Hem inderdaad teleur. Maar ook los daarvan klopt haar overtuiging: er is genoeg voor iedereen.

De Fenicische vrouw heeft het over de ‘tafel van de meesters’. Dat is een niet onbelangrijke beeldspraak: de vrouw erkent langs de ‘meesters’ het Oude Verbond: de Wet en de Profeten, of Mozes en Elia. Jezus heeft ze op die manier ook als haar Messias benoemd. Deze vrouw erkent de traditie en gelooft in Jezus.

Nu komen we op het keerpunt in het verhaal. De kruimels van geloof waar de vrouw over spreekt, worden door Jezus opgewaardeerd: “Je hebt een groot geloof.” (Matteüs 15, 28) Samen met ons stelt Jezus vast dat er ook groot geloof kan ontstaan buiten het Volk Gods. Hier kijkt Jezus door Gods ogen, in tegenstelling tot de leerlingen, die haar hadden weggestuurd. Het is één van de weinige keren dat we een inkijk krijgen in de dynamiek binnen Jezus' zending.

Het open geloof van de Kanaänitische vrouw staat in schril contrast met het regeltjesdenken van de farizeeën en Schriftgeleerden, dat Jezus even daarvoor als volgt met ergernis omschrijft: “Hun hart is ver van Mij, tevergeefs vereren ze Mij.” (Matteüs 15, 8-9) Het tweede deel van die zin is een citaat uit Jesaja, om zijn oordeel kracht bij te zetten. (Jesaja 29, 13) 

Wonderlijke broodaccolade

Wat de vrouw bijna profetisch uitspreekt, wordt daarna symbolisch bevestigd in een broodwonder. (Matteüs 15, 32-39) Na het uitdelen van wat visjes en het breken van zeven broden, zijn er inderdaad meer dan genoeg kruimels overgebleven na de maaltijd: zeven volle manden! En in het vorige hoofdstuk is er ook al een broodwonder geschied: dan verdelen de leerlingen vijf broden en twee vissen en halen ze twaalf manden op achteraf. (Matteüs 14, 15-21) Het verhaal van de Fenicische vrouw wordt dus door een accolade van eucharistische symboliek omsloten. Zou dat toeval zijn? Nee, uiteraard niet. Dat is het antwoord op de drie vragen trouwens.

God bevestigt de ruimere zending van zijn Zoon. Jezus spreekt een dankgebed tot de Vader en krijgt een wonder als antwoord. Nergens staat er dat Jezus een hand heeft opgelegd of een uitspraak heeft gedaan die het wonder doet geschieden. Dit is een teken uit de hemel. Jezus vindt groot geloof waar niemand het verwacht en zijn Vader bevestigt zijn openheid van Geest.

De leerlingen zullen na Jezus' dood en verrijzenis steeds wijder rondtrekken om te verkondigen, zo ver als ze reizen kunnen. De kiemen voor deze universele missie liggen in dit fragment. De joodse religie is immers nooit missionair geweest. Het Nieuwe Verbond, dat in Christus is ingesteld, is voor iedereen bestemd. Er zijn kruimels van geloof voor iedereen die er open voor staat. Werkelijk voor iedereen!

12 mei 2023

God liefhebben in de Wet en de Profeten (13-14 mei 2023)

Jezus roept ons op om God niet te zien als een verre, Afstandelijke die we goedgunstig moeten stemmen door allerlei zelfgemaakte wetten en regels scrupuleus te volgen. Daarin schuilt geen liefde voor de Vader. Het is hooguit het beheersbaar en controleerbaar maken van de godsdienst. Dat is wat de farizeeën zo graag willen: indruk maken door toonbeelden van mateloze godsvrucht te zijn. Ze overdrijven in hun gedrevenheid, wat in essentie een vorm van egocentrisme is. Op anderen, die niet op die wijze in hun geloof staan, kijken ze neer. Ze verwijten hen laksheid en gebrek aan respect voor God. Zicht op hun eigen gebreken hebben ze niet. Jezus vindt het hoogtijd om in te grijpen.

Jezus veegt de geboden niet uit. Integendeel: het onderhoud van de geboden beschouwt Hij als een voorwaarde om Hem lief kunnen te hebben (Johannes 14, 15). En wie Jezus liefheeft, langs de Wet en de Profeten, die wordt bemind door de Vader. (Johannes 14, 21) De wederzijdse liefde tussen God (Vader en Zoon) en de mens blijft onlosmakelijk verbonden met de Wet. De heilsgeschiedenis wordt niet verticaal geklasseerd, maar juist herbevestigd.

Kramp

Het probleem bevindt zich niet in de Wet, maar in de beleving van de Wet. De Wet is Goddelijk, aan het Volk Gods geschonken op weg naar het Beloofde Land. Dat land blijft echter niet zelfstandig. De confrontatie met andere culturen die het land zijn binnenkomen met de opeenvolgende vreemde overheersers, is groot. Sommigen zijn gaandeweg in een religieuze kramp geschoten. 

Omdat hun levenswijze fundamenteel in vraag wordt gesteld als enige waarheid en mensen het niet zo nauw meer nemen met die heilige Wet, is dat ergens een begrijpelijke reactie. Het is een fenomeen dat in onze tijden ook opduikt. Sommige gelovigen klampen zich vast, maar knijpen op die manier, door angst, onmacht en onbegrip gedreven, de essentie van hun geloof stuk.

De farizeeën en sadduceeën eigenen zich religieuze macht toe als tegengewicht voor de wereldse vreemde leiders. In dat proces wordt de godsdienst in afnemende mate een doel, maar steeds meer een middel. Daar loopt het fout. Men wil respect afdwingen door voorbeeldig te zijn en datzelfde van de anderen te eisen. Er ontstaat een machtsverhouding en dat heeft nefaste gevolgen.

Essentie

In deze context trekt Jezus door het land. Hij ergert zich mateloos aan het gedrag van farizeeën en verwijt hen dat ze aan zelfverheerlijking doen. God lijkt bijkomstig te zijn geworden. Ze etaleren hun vroomheid, en voeren onderling competitie in formalisme. (Matteüs 23, 2-7) Jezus gaat terug naar de essentie. Daar ligt de sleutel tot een inspirerend geloof, een aanstekelijk geloof dat zich niet manifesteert in negativiteit, maar juist in liefde. Liefde is het beginsel van ons geloof, en dus moet de Wet niet in scrupule maar in liefde worden beleefd. (Johannes 5, 39-44)

Identiteit

De farizeeën beschuldigen Jezus dat Hij de Wet niet volgt maar een eigen verhaal creëert. Ze beschuldigen hem van Godslastering. (Johannes 8, 53) Vooral wanneer Hij zichzelf de Weg, de Waarheid en het Leven noemt. Wanneer Hij de Wet bespreekt, doet Hij dat uit eigen autoriteit: “Dit zeg Ik daarover”. (Mt 5, 22a.28a.32a.34a.39a.44a) Het is niet vreemd dat de farizeeën morren en zich afvragen: “Wie denkt Hij wel dat Hij is?” Maar juist in die vraag schuilt het antwoord dat zij niet zien.

Liefde

Nee, Jezus is niet gekomen om de Wet af te breken, maar om ze te vervullen. (Matteüs 5, 17) Die vervulling, die in het Nieuw Verbond bekrachtigd wordt, bestaat in de verinnerlijken van de Wet en de Profeten. De profeet Jeremia voorspelt dit op sublieme wijze: “Dit is het verbond dat Ik in de toekomst met het volk van Israël zal sluiten: Ik zal mijn wet in hun geest leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal Ik hun God zijn en zij mijn volk.” (Jeremia 31, 33) De Wet wordt door God in je hart geplant.

Jezus legt de focus op het dubbelgebod van de liefde: “Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf.” (Matteüs 22, 36-39, eerste gebod: Deuteronomium 6, 5) En dat is de samenvatting van alles wat in Wet en Profeten staat. (Matteüs 22, 40)

Correctie

Er gebeurt dus een ombuiging naar het positieve door Jezus. Omdat de tien geboden eigenlijk vooral verboden verwoorden, zaken die niet mogen, is er een opening ontstaan tot farizeïsme. Daarin brengt Jezus een correctie. Niet in de inhoud, maar in de vorm kiest Hij voor een andere benadering van de Wet.

De Wet onderhouden is een teken van liefde, nee: het ultieme teken van liefde. Jezus brengt de Wet en de Profeten terug naar hun oorspronkelijke essentie. God eren en geen andere goden aanbidden, is een teken van zuivere Godsliefde. Ook in de naastenliefde hebben we God lief: het goede dat je aan de minsten van de Zijnen doet, dat doe je aan God zelf… (Matteüs 25, 35-40) Jezus zet ons aan om ook  te streven naar volmaaktheid, maar dan in liefde, in trouw en oprechtheid naar God toe en onze naasten. (Johannes 5, 41) Zelfverheffing en huichelarij hebben we niet van doen: zij leiden ons juist wég van God. (Matteüs 23, 11-12)

Gedaanteverandering

Franciscaan Eloï Leclerc (1921-2016) spreekt over de gedaanteverandering van de Wet (in zijn boek ‘De verboden wegen van Gods Koninkrijk’). We aanschouwen de diepste heiligheid van de Wet en de Profeten vanuit het perspectief van de Liefde. De Wet is zoveel méér dan een geheel van afzonderlijke voorschriften. Het is in de allereerste plaats het vertrekpunt naar de intieme geloofsband met de Vader, een band die de mens vanuit het hart veruitwendigt in gebed en naastenliefde, en die de Vader op zijn beurt bevestigt in de gave van de heilige Geest. (Johannes 14, 26)

Het is de Geest van waarheid, onze Trooster en Helper, die in ons verblijft. Zo worden we, ondanks de afstand tussen God en ons, ondanks de onzichtbaarheid en de onaanraakbaarheid van God, niet verweesd achtergelaten wanneer Jezus van de aarde ten hemel oprijst. (Johannes 14, 18)

Laten we dus niet verkrampen door angst, of troost zoeken in tastbare zekerheden. Laten we niet wanhopen en doemdenken. De Geest leeft in ons en zal ons steeds vergezellen. We zijn geen uitgeschudde wezen. De tijden dat het christelijk geloof een evidentie was, liggen achter ons, dat is waar. En dat is goed. Geloven is immers bovenal een bewuste keuze, een daad van vrijwillige liefde. Laten wij die liefde voorleven als ultiem geloofsgetuigenis, credo in actie, ondanks tegenwind, ondanks vooroordelen, gesterkt in hoop en vertrouwen. In Gods liefde. 

22 mei 2022

Kerk vormen: vredevol samen in Gods Naam, naar de Wet en in de Liefde (21-22 mei 2022)

Kerk zijn, of beter: Kerk vormen, is geen vrijblijvend initiatief naar eigen goeddunken. Of het nu gaat over het instituut, de hiërarchie en de visie, of over het concreet samenkomen en vieren: Jezus heeft zijn leerlingen voorbereid op de tijd dat Hij terug naar zijn Vader zou gaan. Een Kerk van mensen: het is op zijn minst een gewaagd Goddelijk plan. Mensen zijn en blijven mensen: ook, en misschien vooral wanneer hen gevraagd wordt om goed hun best te doen.

Wanneer Jezus vertelt over de tijd na zijn aardse leven, het tijdperk van de Kerk, dan stelt Hij drie thema’s centraal: God, de Wet en de Liefde. Dat is uiterst bondig waar Jezus onze aandacht op gevestigd wil zien, onophoudelijk en onvoorwaardelijk.

God liefhebben en je naaste als jezelf

“Als je Mij liefhebt, houd je dan aan mijn geboden.” (Johannes 14, 15) Jezus volg je langs zijn geboden. Waarover heeft Jezus het dan precies? Over de tien geboden? Uiteraard. Maar zijn samenvatting van alle godsdienstige regels luidt: “Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand. Heb uw naaste lief als uzelf.” (Matteüs 22, 37.39)

Een Kerk vormen, is leven naar Christus’ gebod van de Liefde. De liefde moet centraal staan. Jezus zegt niet: wees streng voor mekaar, handhaaf met harde hand en wijs mekaar terecht bij elke misstap. Dat verwijt Hij de farizeeën, waarom zou Hij het van ons vragen? Jezus’ boodschap is positief geformuleerd.

Dwangmatig taalgebruik: de verlokking

Er wordt wel eens lachend beweerd dat al wat niet verplicht is in de ogen van de Kerk, verboden is: ofwel moet het, ofwel mag het niet. Jezus houdt zich ver van dwangmatig taalgebruik uit de monden van mensen. Hij heeft meer dan voldoende voorbeelden daarvan moeten aanhoren. “Waarom vasten uw leerlingen niet?” (Lucas 5, 33) “Mag U een wonder verrichten op de sabbat?” (Matteüs 12, 10) “Waarom gaat U met zondaars aan tafel?” (Lucas 5, 30) “Kijk, uw leerlingen oogsten op de sabbat!” (Matteüs 12, 2)

Christenen horen geen enkele ambitie te hebben om farizeïsch te worden. Toch ligt het gevaar daartoe op de loer. Geloof vraagt een fundamenteel engagement, dat niet zichtbaar of tastbaar wordt beloond. Dan wil men zich wel eens laten verleiden tot dweperig en kortzichtig gedrag. Dan wil men het té goed doen door te overdrijven en door te draven. Eigenlijk is het een verscholen vorm van egoïsme, waarin we macht uitoefenen op onze naasten om zelf meer aanzien te verkrijgen. Het is een diepmenselijke dynamiek die ons juist wegdrijft van God en zijn Boodschap.

Kerk vormen, is voor Jezus een positief verhaal, een verhaal van samenhorigheid in de Naam van zijn Vader: “Als iemand Mij liefheeft, zal hij zich houden aan wat Ik zeg. Mijn Vader zal hem liefhebben.” (Johannes 14, 23a) In die samenhorigheid zal ook een fundamentele wederkerigheid groeien: de Vader zal ons liefhebben omdat we, verenigd in de Kerk, Jezus liefhebben.

In de Geest en in de vrede

Wanneer Jezus zijn aards verblijf als mens beëindigt, laat Hij ons niet alleen achter. We krijgen een nieuwe vorm van hulp en kracht om samen Kerk te zijn. “De pleitbezorger, de heilige Geest die de Vader namens Mij zal zenden, zal jullie alles duidelijk maken.” (Johannes 14, 26a) De heilige Geest is God die onder ons komt wonen. Het tijdperk van de heilige Geest breekt aan. Wanneer we vertrouwen op de kracht van de heilige Geest, leidt Hij ons verder op de weg van de Heer. Maar hoe weten we dat de Geest ons inspirerend toespreekt en niet onze eigen wil? En wanneer is er ruis op de verbinding door eigenbelang, door profileringsdrang, door angst of door macht en bezit?

Het tijdperk van de Zoon, dat voorafgaat aan de tijd van de Geest, eindigt in de zuiverste vorm van positiviteit: “Ik laat jullie vrede na.” (Johannes 14, 27a) In de vrede van Christus wordt de Kerk geboren. We zijn in zijn vrede samen. Die gave van vrede is echter geen geschenk zoals wij aan elkaar geven op feestelijkheden. Wij geven telkens eenmalig, vanuit onze vrijgevigheid, en zijn verbijsterd wanneer we niets of slechts een prul in de plaats terugkrijgen. Jezus schenkt onophoudelijk en onvoorwaardelijk de vrede van de Heer. “Mijn vrede geef ik jullie, zoals de wereld niet geven kan.” (Johannes 14, 27b) Laten we deze gave dankbaar aannemen, bestendig onder ons bewaren en met Liefde beantwoorden.

De moed niet verliezen

Wanneer Jezus aankondigt dat Hij niet onder ons kan blijven, dat zijn tijd gelimiteerd is, zullen de leerlingen vast en zeker angst en onzekerheid hebben gevoeld. Ook wij kunnen soms twijfelen of we wel de goede beslissing nemen, of we op de goede weg zijn. Al voelen we ons door Hem soms verlaten, Hij laat ons nooit in de steek. We mogen ons gesterkt weten door zijn bemoedigende woorden: “Maak jullie niet ongerust en verlies de moed niet.” (Johannes 14, 27c)

In de Liefde voor God en voor onze naasten veruitwendigt zich de kern van ons geloof en de kerntaak van de Kerk. Dat kan op onnoembaar veel manieren vorm krijgen. Essentieel daarbij is dat we niet handelen omwille van onszelf, maar omwille van Hem alleen. Kerk vormen, is samen onderweg zijn en samen doorzetten, met God, de Wet en de Liefde. Dat kan hoogdravend en onbereikbaar klinken, maar het word tegelijk heel concreet tastbaar en zichtbaar in ons doen en laten.