Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- 'Geen tijd voor je feestje' (10-11 oktober 2026).
Posts tonen met het label naaste. Alle posts tonen
Posts tonen met het label naaste. Alle posts tonen

30 maart 2026

Witte Donderdag: samen maaltijd vieren, samen Kerk vormen (2 april 2026)

Witte Donderdag is een bijzondere dag. We gedenken de symboolhandelingen van Jezus met zijn leerlingen, die ons tot op vandaag inspireren langs de eucharistie. Jezus geeft Zichzelf als teken van het Nieuwe Verbond: zijn Lichaam en zijn Bloed. De dag is feestelijk maar tragisch tegelijk. Inhoudelijk wordt daarnaast nog een kernsymbool aangereikt, namelijk de voetwassing. In het verlengde daarvan is heel veelzeggend: de (spreekwoordelijke) uitnodigingslijst voor het Laatste Avondmaal. Daarom kan het Laatste Avondmaal veel betekenen voor de authenticiteit van ons christenzijn. 

  • Voor de lezingen van Witte Donderdag: klik hier.

Symboliek

Op een feestelijke gelegenheid komen mensen bijeen om te eten en samen te zijn. Het Laatste Avondmaal is zo'n feestelijke maal van Jezus met zijn leerlingen. Ondanks de context van de Goede Week, herdenken we absoluut geen rouwmaaltijd. Er is wel een bromtoon van verraad en van verandering. De symboliek die Jezus introduceert in Brood en Wijn is een sacramentele genadegave waaraan wij ook nu nog deel mogen hebben. Deze maaltijd staat in een traditie: Pesach viert traditioneel de redding uit Egypte en het sluiten van een Verbond tussen God en mensen. Deze viering krijgt een heel nieuwe betekenis, waar de kern van ons christelijke geloof mee vasthangt. Het geschonden Verbond van weleer wordt hernieuwd en verbonden aan de gedachtenis van Christus' Lichaam en Bloed. 

Het Laatste Avondmaal is een moment van sacrament en evenzeer van inclusie. Eigenlijk zou dit laatste inzicht even belangrijk moeten zijn. Jezus weet dat Judas Hem zal verraden. Toch is hij ook op deze Maaltijd aanwezig. Ook Judas, ondanks zijn zwakheid, maakt deel uit van de heilsgeschiedenis. (Matteüs 26, 21-25) Trouwens, Petrus zal Jezus weldra verraden en doen alsof hij Hem nooit heeft gekend. (Matteüs 26, 31-35) Ook hij mag mee aan tafel. Mensen hebben hun gebreken, allemaal. Niet dat typeert hun in Gods ogen, maar wel de oprechtheid en goede bedoelingen in hun geloof. Zelfs tot in de mate dat ze het vertwijfeld dreigen te verliezen, zoals Judas, of dat ze het onder druk angstig ontkennen, zoals Petrus. Bij uitbreiding heeft dus iedereen deel aan Gods feestmaal, iedereen die gelooft in de Heer. 

Uitnodiging

Verdeeldheid scheppen uit ijverzucht, zelfverheerlijking en zwakte: het zijn betreurenswaardige menselijke houdingen. God kent onze zwakheden. Ze hoeven ons overigens niet te typeren. Zijn we van goede wil en streven we oprecht geloof na? Dat is wat er toe doet, daarin bevestigen we het Nieuwe Verbond. Dat wordt duidelijk op Witte Donderdag, wanneer Jezus met zijn leerlingen maaltijd houdt. 

De uitnodiging om de instelling van het Nieuwe Verbond mee te gedenken gaat uiterst breed, en gaat gepaard met grote mildheid, groter dan een mens zou kunnen opbrengen. Wellicht is dat de essentie van Christus te volgen, en bijgevolg ook de grootste uitdaging voor een mens. Maar wellicht is dat ook de achilleshiel van het geloof: een mens zal nooit zo barmhartig kunnen zijn als God zelf. Er liggen zoveel verleidingen op de loer, zoals zelfzucht, eerzucht en machtszucht. Naar God zou onze liefde, eer en macht moeten gaan. En God ontmoeten we langs onze naasten.

Voetwassing

De kleinsten en de zwaksten horen centraal te staan in onze wereldwijde geloofsgemeenschap. De mensen waarop wordt neergekeken, die gemarginaliseerd worden en nagewezen: zij hebben bij uitstek deel aan het Nieuwe Verbond. De dienstbaarheid en zorg voor naasten wordt nogmaals in de verf gezet bij het laatste samenzijn van Jezus met zijn leerlingen. Die dienstbaarheid is immers dienst aan God. (Matteüs 25, 31-46) Naastenliefde is eredienst.

Dit kan Jezus niet genoeg benadrukken, en daarom giet Jezus deze grondhouding in een krachtige symboolhandeling: Hij wast de voeten van zijn leerlingen. Petrus protesteert aanvankelijk: de Messias hoeft dat toch niet te doen? Maar grootheid uit zich juist in bescheidenheid, in het stellen van kleine daden. (Johannes 13, 1-17) Hebben we ooit de werkelijke omvang begrepen van Christus' bedoeling met dit symbool?

Naaste in God

De kern van ons geloof ligt niet in het vrijwaren van een strenge leer maar in het beleven en beoefenen van de liefde voor God langs de aandacht voor onze naasten. Daarom doet de Zoon van God het meest nederige werk: vuile voeten schoonwassen. Hij wast het stof en vuil van de aarde af van de voeten van zijn leerlingen. Deze handeling verscheurt de menselijke regel dat grote heren geen nederig werk doen. Dat is denken in standen en in ongelijkwaardigheid. In de ogen van God is iedereen gelijkwaardig. Of beter: even menselijk.

'Non triumphalismus!', liet kardinaal Suenens klinken in de schoot van het Tweede Vaticaans Concilie. Laten we ons geloof dus niet verliezen in sierlijke grootdoenerij. 'Buiten de kwetsbaarheid is er geen redding': zo mogen we de insteek van Johannes XXIII bij het openen van dat concilie eigenlijk samenvatten. Niet in starre trots of machtsvertoon, maar in nederigheid dienen we God werkelijk. De Kerk mag nooit een nostalgisch eiland worden, nooit een zelfvoldane elite. Ze moet vóór alles een gemeenschap zijn die uitblinkt in dienstbare zorg voor alle naasten. En die Kerk, dat zijn wij allemaal. Jij en ik. Daarom kan de Kerk ook nooit 'iets van vroeger' zijn. Kerk zijn, dan doén we. Hier en nu.

Op Witte Donderdag kijken we het lijden en sterven van Christus recht in de ogen, en daarmee ook de verrijzenis die erop volgt. Vanuit dit mysterie krijgt Kerk-zijn vorm, en vooral dan in het erkennen en herkennen van lijden - lijden dat Jezus zelf heeft doorgemaakt - en in het zorg dragen voor wie lijdt. In het opnemen van de kleinste en gewoonste taken om elkaar dienstbaar te zijn. Want in de zorg voor anderen hebben we God lief: 'Ubi caritas et amor, Deus ibi est.'

08 juli 2025

De Samaritaanse draai in de verf (12-13 juli 2025)

De barmhartige Samaritaan is een populaire parabel, ook in de schilderkunst. Dat komt mede omdat er een schokkend element in het verhaal zit: de held is iemand waar men op neer hoort te kijken. Juist daardoor vertelt het verhaal over de kern van de Liefde die God van ons verwacht. Vincent Van Gogh stort zijn hart uit in dit werk, enkele maanden voor zijn dood. Het mag een gelovige ‘cri du coeur’ zijn naar ons toe. Een wetgeleerde vraagt aan Jezus: “Wie is mijn naaste?” Jezus' antwoord is een harde noot om te kraken.

Getormenteerd

Vincent Van Gogh (1853, Zundert in Nederland - 1890, Auvers-sur-Oise in Frankrijk) schildert ‘De barmhartige Samaritaan’ met olieverf op doek. Het werk is middelgroot: 73 bij 59,5 cm. In 1889 laat de getormenteerde schilder zich uitgeput, ziek en buiten zichzelf opnemen in de psychiatrische inrichting Saint Paul in Saint-Rémy-de-Provence, een Zuid-Frans gehucht. Het sanatorium is een voormalig klooster gelegen tussen de korenvelden, wijngaarden en olijfbomen: een schilderachtige omgeving. 

(c) Kröller-Müller Museum, Otterlo

Vincent Van Gogh, De barmhartige Samaritaan (1890)

Hij krijgt er twee kleine cellen met tralievensters tot zijn beschikking: één die dient als slaapkamer en de aangrenzende cel als atelier. Zo krijgt hij ruimte om zich artistiek uit te drukken. In deze periode schildert Van Gogh vooral grote werken na, maar hij maakt ze zich eigen langs de compositie, de kleuren en uiteraard ook langs zijn kenmerkende ruwe penseelstreken. 

Interpretatie

Zo interpreteert hij ‘De barmhartige Samaritaan’ van Eugène Delacroix (1798 Charenton-Saint Maurice in Frankrijk - 1863, Parijs in Frankrijk), een klein werkje van 37 bij 30 cm in olieverf op doek. Hij bewondert Delacroix en weet zich door hem geïnspireerd qua kleurgebruik. Zijn reproductie begint hij met een houtskooltekening waarbij hij de compositie van Delacroix meteen spiegelt. Daarna werkt hij het schilderij uit zonder nog te vergelijken met het origineel. Hij gebruikt dit keer niet de heldere kleuren die hem zo typeerden tijdens zijn tijd in Arles. De donkere gedachten in zijn hoofd krijgen aldus vorm in dit werk. In de vage samenklank van kleuren drukt Van Gogh doelbewust het sentiment van de parabel uit.

(c) Privécollectie

Eugène Delacroix - De barmhartige Samaritaan (1849)

Het lijkt geen toeval dat Van Gogh voor dit werk van Delacroix kiest. De Samaritaan onderbreekt zijn reis om een beroofde en hulpeloze man te helpen. Wellicht herkent Vincent zichzelf in de zieke man. Misschien ziet hij in de Samaritaan zijn broer Theo, die altijd voor hem klaarstaat wanneer hij hulp nodig heeft. Van Gogh is er immers erg aan toe. In de inrichting maakt hij verschillende crisissen door. Enkele maanden later overlijdt hij.

Vereenzelviging

De Samaritaan wordt Messiaanse kleuren toegedeeld. De tulband is wit en symboliseert de Goddelijke zuiverheid. Zijn fez is rood, verwijzend naar het bloed van het Verbond. Het goud van zijn mantel verbeeldt zijn koninklijke waardigheid. Het blauw van de broek spreekt van de verbinding die de Samaritaan, net als Jezus, legt tussen hemel en aarde. Het slachtoffer wordt door de Samaritaan vol medelijden op zijn rijdier geduwd. Je ziet hoe hij zijn hele lichaam inzet om hem op te tillen. De wil om te helpen wordt langs zijn hele houding uitgedrukt.

De grove toetsen waarmee de bergen zijn weergegeven, lijken te drukken op de beide figuren. Zo ziet de schilder zichzelf: als iemand die tegen alle druk in anderen toch barmhartigheid wil bewijzen. Die goede wil komt in zijn leven echter lang niet zo goed uit de verf. Waar hij ook verblijft, overal krijgt hij ruzie. Op het laatst vindt Van Gogh daar in Noord-Frankrijk de dood na een ruzie met een stel kwajongens. Hoewel Van Gogh dolgraag geliefd wil zijn, ontmoet hij in zijn leven vooral afwijzing en tragiek. De koffer die opzij op de grond ligt, is leeggeplunderd: een verwijzing naar het vele kwaad in de wereld. Mensen kunnen mekaar veel onrecht aandoen.

Vincent van Gogh wil in zijn inleving een barmhartige Samaritaan zijn, maar lijkt uiteindelijk veel meer op het slachtoffer langs de kant van de weg: berooid en verworpen. Hij hunkert naar genade, maar vindt nergens de barmhartige Samaritaan die hem kan optillen en genezen. Of toch? Zijn broer Theo zal opnieuw naar hem toe komen en hem tegen zich aan trekken na de schotwond hem fataal wordt. Van Gogh schildert zijn Samaritaan in mei 1890, vlak voor zijn vertrek uit Saint-Paul, goed twee maanden voor zijn dood.

Perspectief

Als contrast breng ik de parabelinterpretatie van de Zwitserse schilder Ferdinand Hodler (1853, Bern in Zwiterland - 1918, Genève in Zwitserland) aan. Dit is een groot doek van 71 bij 112 cm, met olieverf beschilderd. Hij kiest hier voor een opmerkelijk laag perspectief, een inkijk die de scène een grote intimiteit geeft. De kijker staat op gelijke hoogte met het tafereel en wordt meegezogen in de dialoog van empathie en hulpeloosheid. Zo wordt het publiek letterlijk uitgenodigd om een naaste te worden van de Samaritaan en de beroofde man. Iedereen komt op gelijke hoogte. Dat is ook wat Jezus ons wil laten aanvoelen. De Samaritaan die de beroofde man wél helpt, dààr moeten we ons aan spiegelen.

(c) privécollectie

Ferdinand Hodler - De barmhartige Samaritaan (1886)

De ander is hier geen lastig obstakel maar een mens die zorg nodig heeft. De Samaritaan gaat bij de man neerzitten - zelfs bijna neerliggen - en is bereid om hem te helpen. De arme stakker ligt naakt en kwetsbaar neer en is kennelijk hard op de stenen terechtgekomen. Gelukkig wordt hij niet door iedereen in de steek gelaten. De Samaritaan legt zijn arm om de nek en schouder van de man heen en reikt hem iets te drinken aan.

Niemand hoeft zich verheven te voelen. De priester en leviet, die in een boog om hem heen zijn gelopen, hebben groot ongelijk. Ze hebben God niet liefgehad: een zware fout. De Samaritaan echter, die als onrein wordt beschouwd in de cultuur ten tijde van Jezus: hij is ons voorbeeld. De wetgeleerde kan en wil hem zelfs niet uitdrukkelijk benoemen. De noties van ‘juist’ en ‘verkeerd’ zijn helemaal ontwricht in de samenleving. Dat is wellicht de meest lastige ‘draai’ in het verhaal. We moeten helemaal niet neerkijken op anderen, louter omdat ze anders zijn dan wij, maar juist de goede daden overnemen van de mensen om ons heen.

Kaffie en stuten

Als toemaatje een merkwaardig lied van Willem Vermandere (°1940, Lauwe in België). (Klik hier om het lied te beluisteren.) In ‘De Barmhartige Samaritaan’ (1970) is het personage lichtjes beschonken op weg van Ieper naar Veurne en belandt hij uiteindelijk langs de kant van de weg. De pastoor passeert, maar hij heeft enkel een preek en een zegen voor hem over. Een minister met chauffeur in ‘tenue’ scheldt hem uit en zet zijn reis ook verder. Er komt een kloosterzuster langs die een verkeerd oordeel over hem velt, een dokter die van hem wegkijkt, en een boer en een notaris die eveneens doorlopen zonder te helpen. De Samaritaan neemt hier de gedaante aan van een oud-ijzermarchand die de arme man uiteindelijk toch ‘kaffie en stuten’ (koffie en boterhammen) aanbiedt: al wat hij nodig heeft. Geen vooroordelen, geen verwijten, maar verkwikking.

Wie onze naaste is? Iedereen die hulp nodig heeft, die wat liefde kan gebruiken, die gebaat is bij wat aandacht en wat begrip. Daar kan Gods liefde waar worden, ver weg van hoogmoed, arrogantie en oordelen. Die Samaritaanse draai van ontnuchtering kan wat zwaar vallen. Het is juist daarom des te belangrijker om er vaak aandacht aan te schenken als volgeling van Jezus Christus. Zijn we wel goed bezig?

11 september 2024

Geloven: de daad bij het Woord voegen (14-15 september 2024)

Beweren dat je gelooft, maar enkel in overtuiging en niet in praktijk, is zinloos. Je kan net zo goed zeggen dat je een nudist bent van overtuiging, maar dat niet praktiseert en dat je zodoende drie truien en twee broeken boven elkaar draagt. Wanneer je in de praktijk je overtuiging niet bevestigt en bekrachtigt, wanneer je woorden en daden niet in het verlengde liggen van je overtuiging, dan is je overtuiging een lege doos, een holle frase. Dat klinkt heel streng. Jezus is erg duidelijk wat dit betreft: half werk is geen werk.

Alles of niets

Wanneer je als christen iemand ontmoet die honger en kou lijdt, en je geeft de raad: “Hou je goed warm en eet voldoende” (Jakobus 2, 16), maar je biedt niets aan om daartoe te helpen, dan is je uitspraak niet alleen nutteloos, eigenlijk is ze zelfs een belediging, niet enkel voor je overtuiging, maar ook voor de ander, die hoopt op hulp. Jakobus zegt kort maar krachtig: “Laat mij maar eens zien dat je kunt geloven zonder daden, dan zal ik je door mijn daden tonen dat ik geloof.” (Jakobus 2, 18b) Jezus zegt hierover in een andere context: “De Wijsheid wordt door haar handelingen in het gelijk gesteld.” (Matteüs 11, 18)

Nu zijn er eindeloos veel manieren om te handelen naar je geloof. Er is keuze in overvloed, waardoor legitieme uitvluchten schaars zijn. En wie heeft er zoal hulp nodig? Welnu: wie honger heeft en dorst, wie vreemd is, wie geen geld heeft voor kleren, wie ziek is of gevangen. (Matteüs 25, 35-36) Liefdadigheid krijgt bij die opsomming een veel zwaardere lading door Jezus zelf: al wat je doet voor één van de geringsten van de broeders en zusters van Jezus, dat doe je voor Hem. (Matteüs 25, 40) En wat je pertinent weigert te doen, doe je dus ook tekort aan Jezus. Dat is niet min.

Niet mijn werk

Het uitbesteden van liefdadigheid is geen blijk van geloof. In onze welvaartstaat wordt de indruk gewekt dat die welvaart vanzelfsprekend is en dat de overheid moet instaan voor de juiste verdeling van die welvaart. Voor velen ligt de focus bovendien vooral op het vrijwaren van de eigen voordelen. Voor de duidelijkheid: beide indrukken zijn vals. Welvaart is niet vanzelfsprekend, net zo min als vrijheid, solidariteit en gelijkwaardigheid. Er is heus niet zo veel nodig om het wankele evenwicht ernstig te verstoren. En liefdadigheid, dat is de taak van iedereen, zonder enige uitzondering.

Ook het wegnuanceren van hulpbehoevendheid is absoluut geen getuigenis van geloof. Wie bijvoorbeeld beweert dat vreemdelingen hun plan moeten trekken of dat gevangenen het aan zichzelf te danken hebben, gaat fundamenteel voorbij aan het dubbelgebod van de Liefde, namelijk: God lief te hebben met heel ons hart, onze ziel en ons verstand, én: onze naaste lief te hebben als onszelf. (Matteüs 22, 37-39) Wanneer je een noodlijdende een aalmoes weigert, dan spreken je daden je geloof immers ontegensprekelijk tegen. Jezus is hier glashelder over: ook Hém wordt dan tekort gedaan. En toch blijft het een ontzettend moeilijk onderwerp. En toch blijft er een grote ongelijkheid bestaan, dichtbij en wereldwijd.

Ook gebed en liturgie zijn zonder naastenliefde een compleet zinloze bezigheid. Het is een navolging van de farizeeën, niet van Jezus. Omgekeerd is het ook waar: gedreven naastenliefde is geen geloofsdaad wanneer aan God geen lof, eer en dank wordt gebracht. Het is het dubbelgebod van de Liefde dat deze twee steunpilaren van ons geloof samenbrengt: gebed en daden, ora et labora. God liefhebben én je naaste. Je naaste liefhebben én God.

Plichtsbesef

Naastenliefde is een opoffering. Aan ons geloof is een offerkarakter verbonden. Wanneer Jezus vertelt hoe Hij zal lijden, sterven en verrijzen, tracht Petrus Hem ervan te overtuigen om die weg niet te kiezen. Jezus wijst hem daarna heel streng terecht. (Marcus 8, 31-32) Petrus laat zich immers leiden door menselijke overwegingen, niet door God. (Marcus 8, 33) 

Jezus kent immers zijn opdracht, Hij kent zijn plicht. Zijn offer is zoveel keren groter dan wat van ons wordt verlangd. Deze Boodschap verkondigt Jezus nadat Hij een menigte van brood heeft voorzien en een blinde heeft genezen. Jezus bekommert zich om de mensen. Gods Zoon leeft op aarde de naastenliefde voor ons voor. Duidelijker kan God niet zijn, toch?

Daarbij verwacht Jezus geen roem. Wanneer Petrus erkent dat hij in Jezus de Messias erkent, vraagt Jezus om daar niet over te spreken (Marcus 8, 29b-30), niet voordat Hij het kruishout heeft gedragen. Dan pas is de verkondiging van de Boodschap voltooid. Ook wij horen ons niet te roemen op één of andere goede daad: de slotsom van wat we hebben gedaan zal iets vertellen over ons geloof. De Nieuwe Bijbelvertaling legt een nuance in een voorheen vernoemd citaat: “De Wijsheid wordt door héél haar optreden in het gelijk gesteld.” (Matteüs 11, 18) Daarom mogen Petrus en de leerlingen nog niets zeggen. Het kruis zal het grootste getuigenis zijn. En laat het zaterdag net het feest van de Kruisverheffing zijn. (Voor de lezingen van het feest: klik hier)

Christen zijn heeft niets van doen met rijkdommen verzamelen, tenzij dan geestelijke rijkdom: wijsheid die Goddelijk is. De diepste vervulling van ons menszijn kunnen we niet vasthouden omdat het niet tastbaar is. Aan het einde van onze aardse bestaan kunnen ons nergens aan vastklampen, behalve aan de Heer. Rijkdom, roem en macht zijn vergankelijk. Bijgevolg heeft ons leven maar zin gehad in de mate dat we iets hebben betekend voor anderen en in de mate dat we God trots hebben gemaakt door overtuigd mee te bouwen aan zijn Rijk. 


PS. Voor de vergelijking in de inleiding moet ik eerlijkheidshalve verwijzen naar de boeiende colleges van (inmiddels emeritus) professor Terrence Merrigan (KU Leuven, dogmatiek), die de kwestie van overtuiging hiermee op scherp stelde. 

08 juli 2022

De Samaritaan en de naastenliefde: zoveel meer dan een clichébeeld (9-10 juli 2022)

“Wie is mijn naaste?”, vraagt een wetgeleerde aan Jezus. De man wil Hem op de proef stellen. Zoals vaker in vileine confrontaties met Jezus, loopt het voor de wetgeleerde op een pijnlijke sisser af. 

Jezus vertelt hem namelijk een verhaal waarin een gewonde man voor dood achtergelaten is door rovers. Een priester komt voorbij, maar beent in een grote cirkel om de man heen en maakt zich uit de voeten. Een leviet doet precies hetzelfde. Deze twee mannen met aanzien zijn een teleurstelling in dit verhaal.

Onrein

Een Samaritaan, een man die als niet volwaardig joods wordt beschouwd, houdt wel halt, verbindt zijn wonden, brengt de zieke naar een herberg en zorgt voor hem. “Wie is er een naaste voor de arme man geweest?” (Lucas 10, 36) De wetgeleerde weet dat hij moet antwoorden: “De Samaritaan.”, maar hij is waarschijnlijk bang dat hij zich zal verslikken in de woorden. De wetgeleerde maakt een omwegje, zoals de priester en leviet in het verhaal. “De man die medelijden heeft getoond.”, antwoordt hij. (Lucas 10, 37a) Jezus apprecieert de omweg niet en antwoordt meteen op de aanvankelijke vraag: “Wil je een naaste zijn? Doe dan zoals de Samaritaan.” (Lucas 10, 37b) Wat de Samaritaan is voor de wetgeleerde, dat is de in elkaar geslagen vreemde voor de priester en de leviet.

Zelf heb ik de priester en de leviet nooit begrepen. Waarom zouden ze de man mijden? Gewoon omdat hij onrein is? Voelen ze zich te goed om hem te verzorgen? Willen ze hun handen niet vuil maken? Je zou hun omweg zo kunnen begrijpen. Het is ook vaak zo geïnterpreteerd. Er is echter meer aan de hand. Het verhaal speelt zich af in een tijd zonder echte geneeskunde. Ziekte kan altijd fataal aflopen. Voornamelijk daarom is de joodse reinheidscultus ontwikkeld. Wanneer je weg blijft van bepaalde mogelijks gevaarlijke zaken, verhoog je je overlevingskansen. De man ligt halfdood langs de weg. Heeft hij een besmettelijke ziekte opgelopen en bezwijkt hij daaraan? Is hij verzwakt en daardoor besmettelijk geworden? Langs het woord “smet” zit deze logica in onze taal verweven: een vuile vlek is iets wat niet rein is.

Corona

Corona heeft iets verandert in mijn begrip van dit verhaal. Een mysterieuze ziekte heeft onze samenleving volledig halt toegeroepen. Zonder lockdown had de ziekte tienduizenden, misschien zelfs honderdduizenden mensenlevens gekost. We hebben een tijd lang in de onzekerheid gedeeld die heel normaal is in Jezus’ tijd, zonder antivirale medicatie en antibiotica. De priester en de leviet zijn niet zozeer hooghartig, ze zijn vooral doodsbang. Stel dat ze een ziekte oplopen en die verspreiden.

De Samaritaan staat anders in het leven. Hij weet wat het is om een verschoppeling te zijn, om aan de rand van de samenleving te staan. Er wordt op de Samaritanen neergekeken, ze zijn geen volbloed-joden. De Samaritaan deelt vast in dezelfde angst als de priester en de leviet, maar zijn gevoel voor naastenliefde weegt zwaarder door, wellicht omdat hij meer dan voldoende ervaringen heeft meegemaakt waar het aan naastenliefde ontbrak. Hij wil niet dat die man zo behandeld wordt. Deze man heeft al genoeg doorgemaakt.

Denkt de wetgeleerde spontaan bevooroordeeld bij zichzelf: “Die rovers waren vast weer Samaritanen”? Het kan. Er bestaat een diepgewortelde angst voor wat ons vreemd is, toen en ook nu. Die angst rationaliseert vaak in categorieën en groepen, helaas. Ook nu zijn onze naasten niet enkel de mensen die wij kennen en leuk vinden. Vooral en bovenal zijn onze naasten de vele hulpbehoevenden die we niet kennen. Zoals de man die langs de weg ligt. Zoals de Samaritaan die zich wel over de man ontfermt. Laten ook wij naasten zijn in de ware betekenis van het woord.

Afstraling

De verhaal van de Samaritaan is niet zozeer verhaal over twee hooghartige priesterlijke figuren en een gewone man die wel barmhartig is. Het verhaal gaat over de juiste prioriteiten stellen. Naastenliefde krijgt volgens Jezus altijd en onvoorwaardelijk de hoogste prioriteit. Zoals jezelf behandeld wil worden, zo hoor je anderen te behandelen. De zorgverleners zijn in de coronacrisis zonder enige twijfel de barmhartige Samaritanen van onze tijd geweest. Hun taak is zwaar en niet te onderschatten. Nog zwaarder werd hun taak wanneer corona in grote golven over ons allemaal heen kwam. Laten we dat niet vergeten. 

Laat hun inzet een bron van inspiratie zijn, een afstraling van Gods Liefde voor de mensen. Daarin schuilt Gods oproep tot naastenliefde: liefde voor al onze naasten.