Een jongen heeft de tafel afgeruimd en krijg van papa een snoepje als beloning. Hij is trots, totdat zijn zusje binnenstapt en prompt ook een snoep krijgt. 'Waarom krijgt zij een snoep? Zij heeft toch niets gedaan?', vraagt de jongen verontwaardigd. 'Ik heb mijn snoep verdiend.' Papa legt uit dat hij zijn dochtertje niet wil 'achteruitsteken'. Voor zoonlief klopt het nog steeds niet. In zijn wereld heeft hij nu minder gekregen. Dat klopt niet. Of toch?
- Voor de lezingen van deze zondag: klik hier.
Parabel
Jezus vertelt een verhaal met een diepe grond. Dat doet Hij altijd wanneer Hij het heeft over Gods Koninkrijk. We kunnen het ons helemaal voorstellen. Een landheer zoekt dagloners voor zijn wijngaard en spreekt op voorhand een loon af: één denarie. De dagloners gaan akkoord en vertrekken om er de hele dag te werken. Maar er is zoveel werk en de dagloners volstaan niet, dus gaat de landheer opnieuw op zoek naar werkkrachten. Weer spreekt hij een loon af. Ook zij gaan aan de slag voor de rest van de dag. En het gaat nog eens zo.
Aan het eind van de dag merkt hij enkele mensen op die niets te doen hebben. Ook hen werft hij aan, al is het maar voor dat éne uur dat er nog gewerkt kan worden. De landheer is tevreden: er zijn heel wat arbeiders bezig wanneer de werkdag op zijn einde loopt. Het lijkt het perfecte landelijke tafereeltje voor een schilderij. (Matteüs 20, 1-8)
Dan is de idylle voorbij. De landheer vraagt zijn rentmeester om iedereen het afgesproken loon te betalen. Hij is een eerlijk man. De werkers van het eerste uur krijgen inderdaad de denarie die afgesproken is. Ze zijn blij en dankbaar, totdat ze merken dat de arbeiders die minder uren hebben gewerkt precies hetzelfde loon ontvangen, zelfs degenen die slechts één uur kwamen werken. De dagloners van het eerste uur zijn verontwaardigd. (Matteüs 20, 9-12) Dat klopt toch niet?
Onrecht?
Een vakbondsafgevaardigde zou wellicht spontaan een staking uitroepen. Wie één uur arbeid verricht wordt twaalf keer beter betaald dan wie de hele dag onder de brandende zon heeft gewerkt. Dat is niet fair: loon naar werken! Toch valt de landheer niets te verwijten: hij heeft de looncondities telkens heel goed afgesproken. Iedereen is één denarie beloofd, dat wat men nodig heeft om één dag te leven. De dagloners worden ongelijk betaald ten opzichte van de gepresteerde uren, maar worden wel gelijkwaardig behandeld. Ze ontvangen allemaal wat ze nodig hebben om te leven.
De denarie staat voor wat je nodig hebt. Zoals we in het Onze Vader bidden om het brood te ontvangen dat we nodig hebben. De genade van God in zijn Rijk is er geen van onnodige rijkdom maar van gelijkwaardigheid. Er zijn geen armen en rijken meer, geen bevoorrechten en benadeelden, enkel volgelingen van Jezus. En wie in Hem gelooft, zal ontvangen wat hem toekomt. (Matteüs 20, 13-14)
Gelijkwaardig
De landheer vraagt terecht of de dagloners niet aan het klagen zijn uit jaloezie. Geld maakt immers jaloers. (Matteüs 20, 15-16) Het is brandstof voor ongelijkheid: wie heeft, die wil nog meer bezitten, en wie tekortkomt, die is minder waard en telt niet mee. Zo werkt onze samenleving. Kansarmen staan aan de rand. Naar rijken wordt opgekeken en ze krijgen meer aanzien. Mensen worden aangetrokken tot hun grote welvaart en streven er zelf ijverzuchtig naar, met alle frustratie van dien.
De arbeiders worden gelijk betaald voor ongelijke uren. Ze krijgen allen wat ze nodig hebben, niet wat ze verdiend hebben. Zo worden ze door de landheer gelijk in waarde. Allen gaan ze met voldoende geld naar huis. Gods gedachten zijn niet onze gedachten, zijn plannen zijn niet de onze. Daarom begrijpen we ze ook zo moeilijk. (Jesaja 55, 8-9) Wij vertrekken vanuit onszelf, onze gedachten en onze prestaties. Gods genade is niet te koop. Het is 'te geef'.
Gelukkig doet God dat zo. We falen zo veel, we maken er vaak een rommeltje van. En toch blijft Hij ons genadig. Het is maar goed dat we niet op basis van ons werk worden vergoed, maar op basis van Gods barmhartigheid, die onze gedachten ver te boven gaat. In zijn ogen zijn we allemaal evenveel waard: de eerste zoveel als de laatsten. Laten we de Heer zoeken, nu Hij zich laat vinden. (Jesaja 55, 6) En laten we vooral niet te veel roemen op onze eigen prestaties ten koste van anderen. Zijn onze prestaties werkelijk zo roemenswaardig?
.jpg)