Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Hulp gevraagd (9-10 mei 2026).

28 april 2026

Een kwestie van vertrouwen (2-3 mei 2026)

Er heerst een akelige sfeer in de kamer. De stemming is plots helemaal omgeslagen. Een kaartenhuisje van evidenties en gewoonten valt ineen. Het zal niet altijd blijven zoals het nu is, zo blijkt. Sterker nog: de verandering is al begonnen. Judas is zonet kwaad weggelopen. Tomas wordt bang en Filippus wil duidelijkheid.

  • Voor de lezingen van de vijfde Paaszondag A: klik hier.

Ongerustheid

De leerlingen krijgen van Jezus de raad om te vertrouwen op de hemelse Vader, en dus ook op Hemzelf. (Johannes 14, 1) Onrust heeft zich onder de leerlingen genesteld. Jezus schat dit juist in. Tomas zegt angstig: 'We weten niet waar U heen gaat, Heer, hoe zouden we dan de weg moeten kennen?' (Johannes 14, 5) In zijn vraag klinkt angst en verdriet. En Filippus wil meteen de vlugge oplossing kennen: 'Laat ons meteen de Vader zien, Heer, meer vragen wij niet.' (Johannes 14, 8) Je zou voor minder radeloos worden. 'Ken je Me nog niet, Filippus?', laat de Heer zich ontvallen. Maar Hij blijft geduldig en legt uit wat Hij precies bedoelt.

De ongerustheid bij de leerlingen is te begrijpen. Jezus heeft hun meegedeeld dat Hij weldra terug naar de Vader zal vertrekken. Hij zal dus niet onder hen aanwezig blijven. (Johannes 13, 31-33) Zonet heeft Hij de voeten van zijn leerlingen gewassen. En er was onrust bij Jezus zelf toen Hij kenbaar maakte dat iemand Hem zal uitleveren: Judas. (Johannes 13, 21-30) Hetzelfde Griekse woord wordt gebruikt om de onrust van hart bij de leerlingen uit te drukken en de onrust van geest bij Jezus (Johannes 14, 1: tarassestoo, en Johannes 13, 21 etarachtè: agitatie, onrust, bezorgdheid). De Mens Jezus ziet op tegen het lijden dat Hem scheidt van de terugkeer naar zijn Vader. De leerlingen zien op tegen het moment dat hun Meester niet meer op aarde zal zijn.

Vertrouwen

De leerlingen hoeven niet verontrust te zijn. In het huis van de Vader zijn veel kamers. Er is een plaats voor ieder van hen klaargemaakt. (Johannes 14, 2) Langs Jezus zullen ze bij de Vader komen. (Johannes 14, 3 en 10-12) Wie vertrouwt op de Vader, zal ook vertrouwen op de Zoon, want de Vader is in de Zoon en de Zoon in de Vader. (Johannes 14, 11a) Het klinkt ingewikkeld, maar eigenlijk is het heel eenvoudig: Vader en Zoon zijn één in God. 

Wie gelooft in de Vader, gelooft in de Zoon. Ziedaar in alle eenvoud het vertrouwen dat ons geloof inhoudt. Jezus is op aarde gekomen om de blijde Boodschap te verkondigen dat het Rijk Gods werkelijkheid wordt, en om het geloof van de mensen te verdiepen en weg te keren van uitwendigheden en van machtsgrepen. Daarom zegt Hij ook stellig: 'Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.' (Johannes 14, 6a) De hemel komt dichterbij langs Jezus en zijn Woord is onze leidraad. We zullen de eeuwigheid erven langs Hem. En wat vraagt Jezus hiervoor terug? Vertrouwen en overgave, meer niet.

Controle  

Karmelietes en mystiek theologe Teresia van Avila heeft het in een korte meditatie geformuleerd: 'Laat niets je verontrusten. Laat niets je beangstigen. Alles gaat voorbij, maar God blijft. Met geduld zal je alles bereiken. Wie zich vasthoudt aan God zal niets tekort hebben. God alleen volstaat.' (Nada te turbe, nada te espante, todo se pasa, Dios no se muda. La paciencia, todo lo alcanza. Quien a Dios tiene, nada le falta. Solo Dios basta.) We vluchten soms in twijfel en onrust of in noodgrepen terwijl het zo evident is dat God onze enige zekerheid is. De Tomas en de Filippus in ons kunnen deze raad goed gebruiken.

Geloven is niet-weten maar vertrouwen op Hem. Eigenlijk staat dat haaks op onze menselijke grijpreflex. De angst van Tomas om te verdwalen in zijn geloof en de nood van Filippus om de snelste weg te kennen, vertellen ons één ding. We hebben graag controle, en dat veronderstelt dat we ons denkkader kunnen verifiëren aan de werkelijkheid. We moeten het kunnen begrijpen, bevatten, voelen en zien. Dit is één van de grootste aanleidingen voor de huidige geloofscrisis. 

Illusie

Onze welvaart is er sterk op vooruitgegaan en de wetenschap is enorm geëvolueerd. Het schenkt ons de illusie van controle: we bezitten wat we nodig hebben en de wetenschap en de economie vormen de fundamenten waarop gebouwd wordt. Alles lijkt op rolletjes te lopen. Echter, er zijn zoveel facetten waar we geen vat op hebben en de vooruitgang wordt lang niet altijd te goedertrouw aangewend. En iedere vooruitgang heeft ook grenzen.

We leven in tijden van besparingen, het groeimodel stagneert. En ons bestaan blijft eindig en voelt vaak als veel te kort aan. Ondanks ons wegkijken en vluchten in kleine kringetjes van zekerheid blijven we toch een onrust voelen. En velen onder ons verzuren erdoor. Er worden schuldigen gezocht en, zoals dat altijd gaat, ligt het probleem duidelijk bij anderen. Heel wat mensen vinden geen uitweg voor deze  neerwaartse ervaring, want er is geen existentieel kader om zich binnen te plaatsen. Daarom is vanuit christelijk perspectief de mystieke meditatie van Teresia van Avila zo kernachtig voor onze tijd: God alleen volstaat, je hebt eigenlijk niets anders nodig. Jezus zegt tegen zijn leerlingen en tegen ons: 'Vertrouw op de Vader en vertrouw op Mij.'

De Vader en de Zoon zijn één. We naderen het einde van de Paastijd. Met Pinksteren zal de Drieëenheid vervolledigd worden. Dan zijn we in het tijdperk van de Kerk aanbeland, dat nog altijd doorgaat. Met ons.

20 april 2026

De deur naar de Vader (25-26 april 2026)

Een deur is een afsluiting die zorgt dat een opening niet zomaar open en doorgankelijk is. We sluiten een voordeur wanneer we ons beschermd en veilig willen voelen. Een voordeur openen we enthousiast wanneer we iemand hartelijk ontvangen in ons huis. Wanneer een deur wijd voor je opengaat, dan ben je welkom en mag je erlangs. Een deur kan ook gesloten blijven. Jezus is de deur naar de Vader, zegt Hij aan zijn leerlingen. Ze begrijpen het niet goed... 

  • Voor de lezingen van de vierde Paaszondag A: klik hier.

Plechtig in beeld

Wanneer Jezus een belangrijke boodschap deelt met zijn leerlingen, eigenlijk de kern van de blijde Boodschap, dan luidt Hij die woorden plechtig in. Daarom begint Jezus als volgt: 'Echt waar, echt waar, ik zeg jullie...' ('Amèn, amèn, legoo humin' in het Grieks). Vroeger werd dit vertaald als: 'voorwaar voorwaar' en dat was helemaal niet verkeerd. 'Amen' betekent immers: 'het is zo', 'het is waar'. Wij eindigen onze gebeden ermee. Het waarheidsgehalte wordt op voorhand al duidelijk onderstreept door Jezus opdat de leerlingen goed zouden luisteren. En wij dus ook.

Zoals altijd volgt er van Jezus geen feitenrelaas, geen wetenschappelijke uiteenzetting. Hij spreekt in beelden, daarmee komt Hij immers het dichtst bij ons begrippenkader. Wat Hij wil zeggen, is inhoudelijk niet makkelijk voor ons. Bovendien hebben we er de taal niet voor, onze woorden volstaan niet. Wij spreken talen van mensen, talen die Gods heilsplan zo moeilijk in woorden kunnen vatten. 

Jezus heeft het in de gelijkenis over schapen, over de herder, een stal en poortwachters. (Johannes 10, 1-5) De schapen, dat zijn de volgelingen van Christus. Wij dus. Christus is de herder: Hij kent ons en roept ons. Hij leidt ons op weg en langs Hem komen we binnen in de schapenstal. De poortwachters doen voor Hem open, ze zijn zoals het slot op een (voor-)deur. De stal is Gods Koninkrijk, dat hier en nu al werkelijkheid wordt, en ultiem in de hemel. De herder kent de weg en trekt voor de schapen uit om hun de juiste weg te tonen. De schapen volgen Hem. Ze kennen zijn stem. Een vreemde zullen de schapen niet volgen. 

Begrijpen

De leerlingen begrijpen zijn gelijkenis helaas niet. (Johannes 10, 6) Ze begrijpen niet wat Hij ermee wil zeggen. Nochtans heeft Jezus vlak ervoor duidelijk gemaakt aan de genezen blindgeborene dat Hij de Mensenzoon is. (Johannes 9, 35-39) Hij is op aarde gezonden om de wereld weer met God te verzoenen. Daarom volgen ze Hem. En toch begrijpen ze niet wat Hij bedoelt.

Het is een fenomeen dat geregeld terugkomt doorheen de evangeliën. (zie bijvoorbeeld Marcus 4, 13 - Marcus 6, 52 - Matteüs 16, 5 - Matteüs 16, 21-23) Toegegeven, wat Jezus hun duidelijk tracht te maken, is ook ingewikkeld. Het Koninkrijk van God is niet in één zin uit te leggen. De taak van de Messias op aarde evenmin. En het lijden dat Hij zal moeten doormaken al helemaal niet. Woorden kunnen altijd maar een facet van het geheel benoemen. Beelden gaan ruimer, maar zelfs die hebben hun beperkingen.

Jezus is als Gods Zoon op aarde gekomen om uitleg te geven bij Gods heilsplan. De mensen hebben de Boodschap misbegrepen, verengd en naar hun hand gezet. Er is een nieuw Verbond nodig. Als er iets is dat we altijd terug zien komen bij Jezus, dan is het zijn geduld met wie Hem willen volgen. Gelukkig maar. Het is niet vreemd dat de leerlingen de diepte van zijn verhaal niet meteen vatten. Daarom legt Jezus het nog eens uit. Opnieuw gebruikt Hij hiervoor beeldtaal.

Redding

De schapen komen langs de deur de schaapsstal binnen. Ze worden binnengeleid door de herder. De herder staat garant voor de toegang tot de stal. Hij ís de toegang. Vandaar dat Jezus zichzelf tegelijk de deur noemt en de herder. (Johannes 10, 7 en 11) Langs Hem komen we tot zijn Vader. Dat is de redding waar Jezus het over heeft. Vanaf zijn eerste optreden onder de mensen gaat het daarover: het Rijk van God. 

De redding waar Hij het over heeft, is niet beangstigend of beknellend. We mogen vrij in en uit lopen. We leven op aarde en we leven ons mensenbestaan, maar wel in verbinding met Jezus en met het Rijk van zijn Vader. (Johannes 10, 9a) De redding is dus geen eindpunt, zoals op een ganzenbord. Het is een wijze van bestaan: leven in verbondenheid met de Heer.

Overvloed

De herder - de toegangsdeur tot de schaapstal - is bekommerd om zijn schapen. Hij wil ze naar goede weidegronden begeleiden. (Johannes 10, 9b) Wat de Messias ons wil schenken, wat Hij ons gunt, is Leven, en wel in overvloed. (Johannes 10, 10b) Niet enkel het hoogst nodige dus, datgene waarmee we zouden kunnen overleven. Nee, veel meer: een overvloed aan genade!

Het gaat over een veelheid die ons ver overstijgt. Hiermee is meteen de geestelijke dimensie aangegeven. Jezus heeft het niet over voedsel, maar evenmin over geld of eer of macht. Dat is wat de dief gretig weggraait, door te roven, te slachten en te vernietigen. (Johannes 10, 10a) De Heer heeft het over wat ons leven tot vrijheid en vrede brengt, juist door ons steeds meer los te maken van de hebberigheid.

Samen

Echte vrijheid is een gedeelde vrijheid: een vrijheid met verantwoordelijkheid. Echte vrijheid bestaat in vrede, in een breed gedragen liefdevol samenzijn. Vandaar dat Jezus het beeld van schapen gebruikt: zij leven samen in een kudde. Mensen zijn niet gemaakt om in eenzaamheid te bestaan. We zijn vooral sociale wezens. De ander brengt ons wijsheid en nuance, soms bevestiging en soms een nieuwe kijk. We worden betere mensen door samen te leven.

Zo is het ook met ons geloof. Jezus trekt niet in zijn eentje door het land op weg naar Jeruzalem. Hij roept mensen die met Hem mee gaan. Geloven is spiritualiteit delen. Daarin bestaat ook de kracht van liturgie en van caritatief engagement. Jezus leeft ons deze verbondenheid ook spiritueel voor: in alles blijft Hij verbonden met zijn Vader. Ook nu wordt de hemelse Vader uitdrukkelijk vernoemd wanneer Jezus verder uitleg geeft bij zijn beeldspraak. (Johannes 10, 14-15 en 17-18) 

God brengt mensen samen. Geloven in je eentje kan als zinvol ervaren worden, maar je mist de gedragenheid van een gemeenschap die je ondersteunt, met je mee op weg gaat, ervaringen en gedachten deelt. Samen komt de vreugde van het Paasgeloof meer tot uiting. Christus, door wie wij bidden en naar wie wij leven, inspireert ons om dit geloof te blijven delen. Dat heeft Hij ons zelf voorgedaan.

13 april 2026

Een brandend hart (18-19 april 2026)

Wanneer het vuur traagjes uitgaat, dan blijft er weinig over. De warmte verdwijnt, het licht dooft uit. Zoiets moeten de leerlingen in hun hart hebben gevoeld nadat Jezus in het graf is gelegd: kilte en duisternis. Hoe komt het dat hun vuur voor Jezus uitdooft? Hij heeft ze toch verteld wat er zou gebeuren? Misschien zijn ze te hard geschrokken. Misschien kunnen ze het niet alleen aan...

  • Voor de lezingen van de derde Paaszondag A: klik hier.

Somber

Twee leerlingen zijn onderweg naar Emmaüs. Eén ervan heet Kleopas. (Lucas 24, 18) Somber spreken ze onder elkaar over wat er allemaal is gebeurd. (Lucas 24, 14-17) Ze leefden in de hoop dat Jezus het Volk zou redden en bevrijden, maar dan is Jezus gevangengenomen en gestorven aan het kruis. Drie dagen zijn voorbijgegaan sinds zijn dood intussen. Er gebeurt niets... Jezus is waarschijnlijk zelfs weggenomen uit het graf, zo bleek deze ochtend. (Lucas 24, 24) Geen mens die weet waar Hij is. 

Het is te zeggen: enkele vrouwen beweren dat ze van engelen hebben vernomen dat Jezus leeft. Wat zou daar van aan zijn? (Lucas 24, 22-23) Het is één grote warboel. De leerlingen zien het somber in. (Lucas 24, 21) Hun hoop is vervlogen. We herkennen deze somberheid van bij de apostel Tomas, in het evangelie van vorige week. (Johannes 20, 19-31)

De twee leerlingen spreken er over met een onbekende Man die hen onderweg vervoegt. (Lucas 24, 15-16) Het is Jezus, maar dat zien de leerlingen niet: ze zijn verblind door wanhoop en verdriet. (Lucas 24, 16) Het feit dat ze er met deze onbekende Man over spreken, is toch een teken dat ze Jezus niet hebben afgeschreven. Ze willen wel geloven, maar hun verdriet en twijfel wegen te zwaar door.

Vertrouwenscrisis

Jezus vertelt hun over de profeten, die hebben voorzegd dat de Messias moest lijden om zijn glorie binnen te gaan. (Lucas 24, 26-27) Jezus reageert verontwaardigd: 'Hebben jullie dan zo weinig verstand en zijn jullie zo traag van begrip dat jullie niet geloven in alles wat de profeten gezegd hebben?' (Lucas 24, 25) Dat klinkt best hard. Ze hebben zich laten leiden door hun menselijke afweerreactie, weg van het geloof. De vrouwen hebben immers engelen gezien. En Jezus leeft, Hij moet niet onder de doden gezocht worden.

Het zal duren totdat Jezus het zegengebed uitspreekt en brood breekt vooraleer ze Hem zullen herkennen. (Lucas 24, 31) Zodanig zijn ze verblind dat ze de Man met wie ze drie jaar hebben opgetrokken niet herkennen. Daartoe moeten ze immers eerst wíllen kijken. Hun blik is vertroebeld. Geloven is een hele opdracht voor een mens. We willen zo graag zien en voelen, terwijl onze perceptie ons zo vaak bedriegt. Geloven is vertrouwen op wat je niet ziet. Dat zullen de leerlingen moeten leren. Zoals wij dat moeten doen. 

Vuur

Het vuur in hun hart brandt plots weer. (Lucas 24, 32) Hun hart is geraakt door Jezus, zoals voorheen. De leerlingen hebben zoveel woorden van de Heer gehoord, ze hebben aandachtig geluisterd en vragen gesteld. Toch slagen ze er uit zichzelf niet in om hun geloofsvuur brandend te houden. Op deze mensen zal Christus zijn Kerk bouwen. God stelt veel vertrouwen op ons, zo blijkt.

Er is Kracht van God nodig om ons in staat te stellen om te geloven in de Verrijzenis. (Lucas 24, 34) De dood is niet het einde, hoe logisch het tegendeel ook mag aanvoelen. De blijde Boodschap overstijgt immers de menselijke vanzelfsprekendheden. Onze kennis en wetenschap zijn indrukwekkend, maar uiteindelijk altijd eindig, heel beperkt, onnoemelijk onvolledig. Een stofje in vergelijking met Gods wijsheid. (1Korintiërs 1, 25) 

De leerlingen hebben vuur in hun hart nodig. Hun geloof moet aangevuurd worden. De evangelielezingen van de zondagen na Pasen nemen ons bij de hand op weg naar Pinksteren. Het is de heilige Geest die de leerlingen wijsheid en kracht zal schenken, zodat ze zichzelf overstijgen: Gods Adem van vuur. 

Onderweg

We zijn allen onderweg. De tijd tikt genadeloos vooruit, hij staat niet stil en keert niet weerom. Ons leven staat niet stil. Het verhaal van God met mensen evenmin. Jezus was onderweg met zijn leerlingen. De evangeliën zijn trektochten, op weg naar de Stad van God. De leerlingen zijn naar Emmaüs onderweg, opnieuw samen met de Heer. 

Ook ons eigen leven is een tocht. We zijn op weg, en onderweg ervaren we hoogten en laagten, begaan we rustige en moeizame wegen. Bijgevolg staat ook ons geloof niet stil. Het maakt immers een essentieel deel uit van ons bestaan. We mogen de hoop bewaren, ook in moeilijke tijden. God is met ons, zijn Geest zal ons leiden. Laten wij in sombere tijden ons geloof niet verwaarlozen en verliezen, maar juist kracht putten uit de Bron die God is. 

Laat je geloof ook hoop op God inhouden. (1Petrus 1, 21) Wanneer het leven je toelacht, maar evenzeer in angst of verdriet. Ook in het lijden is Christus ons nabij. Hij heeft het leed dat mensen overkomt zelf doorgemaakt. Daarin is Hij ten volle mens geweest. Vergeet niet om in vreugde dankbaar tot de Heer te komen. Hij gaat de weg met ons mee, Hij is met ons onderweg.

Dat je hart altijd vurig mag blijven branden voor Gods Liefde!

07 april 2026

Beloken Pasen: Hoop tegen de rede in (11-12 april 2026)

De luiken van de Paasweek gaan weer dicht: beloken Pasen. Deze week van feestdagen eindigt met de apostel Tomas die weigert om zomaar aan te nemen dat Jezus aan de andere leerlingen is verschenen. Jezus is in het graf gelegd, punt. Alle hoop is verloren in de ogen van Tomas. Er is enkel nog verdriet en pijn. Tomas wordt 'de ongelovige' genoemd, omdat hij de wonden van de Heer wil voelen vooraleer hij kan geloven dat Jezus leeft en verschijnt aan hen. Geloven gaat voorbij het tastbare. Dat maakt het tot een uitdaging voor iedere mens. We kunnen veel leren van Tomas...

  • Voor de lezingen van Beloken Pasen A: klik hier.

Gerustgesteld

Op de avond die Paasdag afsluit, wordt een klein verhaal verteld bij Johannes. Het is heel intiem van opzet en emotioneel geladen. Dit is wat er gebeurt. De leerlingen hebben de ramen en deuren gesloten. Ze zijn bang voor de Joden. Jezus verschijnt plots onder hen en Hij zegt: 'Vrede zij met jullie!' (Johannes 20, 19) Hij toont hun de wonden op zijn handen en zijn zijde. (Johannes 20, 20a) Er is geen twijfel: dit is Jezus. Hij herhaalt zijn vredesboodschap en zendt de leerlingen, zoals de Vader Hem heeft gezonden. Daarna blaast Hij de heilige Geest over hen. (Johannes 20, 21-22)

Wanneer Jezus weer weg is, blijft er een blijheid achter bij de leerlingen. (Johannes 20, 20b) Ze voelen zich gerustgesteld en bevestigd. Ze zijn dankbaar dat ze de Heer mogen zien. De blijheid wint het van de angst, onzekerheid en droefheid. Ze hoeven niet meer te huilen: alles komt goed. Dat is de boodschap die Jezus hun brengt. Eén leerling is niet aanwezig op dat moment: Tomas.

Sombere tweeling

We leren Tomas kennen als een apostel die in het Grieks 'tweeling' wordt genoemd: Didymus. Misschien is hij de tweelingsbroer van de apostel Matteüs, de tollenaar: ze worden in de evangeliën immers telkens samen vernoemd. (Matteüs 10, 2-4 - Marcus 3, 16-19 en Lucas 6, 13-16) 

Tomas lijkt eerder somber van gedachten te zijn. Wanneer Jezus naar Lazarus toe wil gaan, brengen de leerlingen in dat het gevaarlijk is: misschien wordt Hij wel gestenigd. (Johannes 11, 7-8) Tomas zegt tegen de leerlingen: 'Laten wij gaan om met Hem te sterven.' (Johannes 11, 16) Dit kan als dapperheid gezien worden, maar wellicht is het eerder een uiting van angst en radeloosheid. Wat als Jezus inderdaad wordt gestenigd, daar in Betanië? Dan is alles verloren!

Enkele hoofdstukken verder bemoedigt Jezus zijn leerlingen: ze moeten hun vertrouwen stellen in de Vader en in Hemzelf. Hij gaat weldra terug naar zijn Vader maar Hij zal een plaats voor hen gereedmaken en zal terugkomen om hen mee te nemen. Ze kennen immers de weg. (Johannes 14, 1-4) Bij Tomas slaat de opnieuw de angst toe: 'We weten niet waar U heen gaat, Heer. Hoe zouden we dan de weg daarheen kennen?' (Johannes 14, 5) Er klinkt wanhoop in de opmerking van Tomas.

Twijfelaar

Tomas lijkt erg bang te zijn om Jezus te verliezen uit hun midden. De Heer brengt zekerheid en vertrouwen in het leven van de apostel. Zonder Hem is hij verloren. En Jezus sterft inderdaad aan het kruis en wordt in het graf gelegd. Dat graf blijkt met Pasen leeg te zijn. Nu leren we Tomas kennen als een twijfelaar, een kritische zoeker. Waar hij voor heeft gevreesd, dat is gebeurd. 

Tomas lijkt een manier te zoeken om met dit enorme verlies om te gaan. Hij heeft Jezus vol overgave gevolgd, en nu is hij zijn Meester kwijt. Alles lijkt verloren nu. Tomas zoekt misschien de zekerheid en het vertrouwen waar hij zo'n heimwee naar heeft. Waar is de tijd dat hij alles achterliet om Jezus te volgen en vol bewondering naar Hem te luisteren.

Ongeloof

De leerlingen vertellen hem dat ze Jezus hebben gezien. Plots verscheen de Heer onder hen, toen Tomas weg was. (Johannes 20, 25a) Hij zegt resoluut: 'Alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie en met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zijde kan leggen, zal ik het geloven.' (Johannes 20, 25b)

Tomas stelt zich duidelijk kritisch op. Misschien was de verschijning een zinsbegoocheling, een spiritueel fata morgana. Ze wilden Hem zo graag nog even zien: dàt is het misschien geweest. Maar Hij is gestorven en begraven: de feiten spreken voor zich. Dat het graf leeg blijkt te zijn, komt in Tomas' denken wellicht doordat de Joden het lichaam hebben weggenomen. Een laatste daad van wraak. Dat dacht Maria van Magdala trouwens ook, toen ze het lege graf zag. (Johannes 20, 1-2) En daarmee is alles weg, werkelijk àlles.

Al wat nodig is

Is Tomas werkelijk ongelovig, zoals de traditie hem zo streng labelt? De somberheid en de rede weerhouden hem ervan te geloven en te vertrouwen. Wellicht is hij diep gekwetst. Is Tomas daarin niet gewoon menselijk? Hij lijkt zichzelf te willen beschermen. Daarom wil hij Jezus kunnen zien en voelen vooraleer hij er zelfs maar aan wil denken om de leerlingen te geloven. Hij wil niet nog eens teleurgesteld worden. Jezus is niet kwaad op Tomas. Een week later krijgt de apostel de gelegenheid om Jezus te ontmoeten en zijn wonden te voelen en eindelijk gelooft hij wat de andere apostelen hem hebben verteld.

Eigenlijk brengt Jezus vooral met zijn vredewens wat Tomas nodig heeft, veel meer dan met het voelen van de wonden. Vrede heeft Tomas van doen: vrede in zijn hart om zich opnieuw open te kunnen stellen voor het liefdevolle mysterie dat God is. Waar vrede is, daar is hoop. 

En wij?

Tomas herkent Jezus en roept uit: 'Mijn Heer en mijn God!' (Johannes 20, 29a) Wat moet hij zich schamen voor zijn twijfel en zijn uitval tegen de anderen. Wat moet hij zich schamen tegenover Jezus. Tomas krijgt geen uitbrander van Jezus. Wel merkt Jezus op: 'Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.' (Johannes 20, 29b) Want dat is christen zijn vanaf dan: niet zien en toch geloven. Hopen tegen de kille rede in, niet vluchten voor wat ons denken overstijgt en ons menszijn verheft.

Daarmee eindigt het Johannesevangelie. De evangelist sluit af met de hoop uit te drukken dat we geloven dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en dat we door te geloven leven ontvangen in zijn Naam. (Johannes 20, 31) Niet langer door Hem te ontmoeten als mens en Hem te volgen zoals de leerlingen destijds. Die wonderlijke tijd is voorbij en sluiten we liturgisch af met Pasen. Nu gaan we op weg naar Pinksteren, naar een nieuwe manier van volgeling zijn: in de Geest, die de leerlingen bij Johannes ontvangen bij de eerste verschijning, op de avond na Pasen. 

Langs Tomas leren we dat we zoekend zijn. We zoeken soms een schuilplaats in weten en zien en voelen. Maar geloven betekent ten diepste dat je je vertrouwen stelt in de Heer, die je niét zomaar zien kan, niet proefondervindelijk bewijzen kan. De Geest is onze Steun en onze Kracht daarin: God, werkzaam in ons.

05 april 2026

Pasen: een nieuw begin (5 april 2026)

Pasen markeert een nieuw begin. Het oude is voorbij. Voorbij het gemis en het verdriet om Jezus die in het graf is gelegd. Voorbij de wonderlijke verkondigingstocht doorheen het land. Voorbij ook het dramatische einde. Een nieuw begin vangt aan. Het graf is leeg, de Heer is niet dood. Het verhaal is niet gedaan, het begint pas!

Maria van Magdala

Vroeg in de morgen gaat Maria van Magdala naar het graf van Jezus. Het is nog donker. (Johannes 20, 1a) De nacht trekt nog weg achter de einder. Ze wil bij Jezus zijn. Zijn dood heeft haar diep getroffen. Maria van Magdala klampt zich vast aan het enige tastbare van Hem op aarde, na al die tijd van meetrekken met Hem. Ze heeft Hem steeds bewonderd. Wat Hij zei of deed, was waarheid.

Haar ontsteltenis is groot wanneer ze het graf nadert en merkt dat de zware sluitsteen is weggenomen. Het graf is geopend... (Johannes 20, 1b) De rustplek van Jezus is geschonden, en Jezus is weggehaald uit het graf! Waarheen hebben ze Hem meegenomen? En wie heeft dit gedaan? Helemaal overstuur rent Maria van Magdala weg en haast zich naar Petrus en de geliefde leerling. (Johannes 20, 2) 

Twee leerlingen

De twee leerlingen lopen naar het graf en zien wat Maria van Magdala hun heeft verteld. De zware steen die het graf afsloot, is weggerold en in het graf liggen de linnen doeken waarin Jezus was gewikkeld. (Johannes 20, 3-8) Wat ze zien is geen hersenschim, geen hallucinatie. Jezus, die gestorven is aan het kruis en in het graf is neergelegd, is niet meer in het graf. Wat er gebeurd is, dat weten ze niet. Maar ze zien wel wat ze zien.

Nochtans heeft Jezus hen willen voorbereiden op deze dag, wanneer Hij sprak over de tempel die in drie dagen heropgebouwd zou worden (Johannes 2, 19-22) en over de graankorrel die in de aarde sterft om nieuwe vruchten voort te brengen (Johannes 12, 24). Ondubbelzinnig was Jezus toen Hij tegen Marta zei: 'Ik ben de Verrijzenis en het Leven.' (Johannes 11, 25a) 

De Kerk

De dood van Jezus heeft de leerlingen angstig gemaakt en verward. Ze staan er nu alleen voor. Hun Meester is gevangengenomen, veroordeeld en gedood. En nu is zijn Lichaam zelfs weg! Dat terugplooien op zichzelf is eigenlijk compleet misplaatst. Daar zal de Heer hen weldra langs verschijningen en tekenen op wijzen. Hebben ze wel aandachtig geluisterd naar Jezus' woorden? De leerlingen zijn helemaal niet zielloos achtergelaten, integendeel. Weldra zal God werkzaam worden in hen. 

De Verrijzenis is geen schouwtoneel met klank- en lichteffecten. Niemand aanschouwt de verrijzenis van Jezus. Ze zien dat de opsluiting van de dood is ontsloten. In alle stilte. De Verrijzenis is een stille kracht. Er ontspruit zonder woorden nieuwe hoop uit de vergankelijkheid. Het lijden is niet betekenisloos geweest. De doeken zijn opzijgelegd. Het graf is leeg. Hoewel de leerlingen het nieuwe begin nog moeten inzien, mogen wij al de vreugde uit ons hart laten klinken: "De Heer is waarlijk verrezen! Alleluia!". En ook voor ons blijft de Verrijzenis een mysterie.

En wij

Tegelijk beseffen we dat geloven uiteindelijk geen theatraal en bombastisch gebeuren is. Het is een vreugde die zich uit in kleine daden en tekenen, in liefde die blijft, in goedheid tegen het sarcasme in. Gods Liefde is grenzeloos en gaat ver buiten ons menselijke verstaan. Dat blijkt nog maar eens aan het graf. Maria van Magdala en de leerlingen begrijpen niet wat er is gebeurd, al hebben ze zo aandachtig geluisterd naar Jezus' woorden.

Er is hoop, er is een nieuw begin met Pasen. Christus is opgestaan en het Nieuwe Verbond kan gesloten worden. Met de steen die is weggerold, is dat Verbond werkelijkheid geworden. Wij leven in de tijd van het Nieuwe Verbond. Laten we dus dankbaar zijn en blij dat God ons nabij blijft! En laat die vreugde ons aanzetten tot daden van naastenliefde...

03 april 2026

Stille Zaterdag: Suggestie om je gebed mee aan te vangen (4 april 2026)

Een passende vorm om je dagelijks gebed mee te beginnen op Stille Zaterdag:


Hoe lang nog moeten wij wachten op U? (Psalm 13, 2)

     Keer U niet af van ons, Heer onze God. (Psalm 69, 18)

Hoe lang nog moeten wij wachten op U?

       Kom toch terug, God, herstel ons in ere. (Psalm 80, 8)

Hoe lang nog moeten wij wachten op U?

     Toon uw erbarmen, kom ons tegemoet. (Psalm 85, 8)

Hoe lang nog moeten wij wachten op U?

      Wees hier aanwezig, Heer, (kruisteken) dat wij herleven. (Psalm 69, 19-20) 

 

02 april 2026

Goede Vrijdag: Golgota toen en nu (3 april 2026)

Jezus heeft het onrecht ondergaan, 
totterdood. 
Hij heeft het niet goedgepraat. 
Het moest zo zijn. 
Waarom? 
Omdat mensen zo zijn. 
Mensen kunnen elkaar de hel aandoen. 
Het kwaad waartoe mensen in staat zijn, 
overstijgt de meest ijzingwekkende verbeelding. 

In het contrast 
tussen wat naar Gods genade verwijst 
en wat naar menselijke genadeloze vernietiging leidt, 
daar staat de kernboodschap van Goede Vrijdag. 

Mensen kunnen wreed zijn voor hun medemensen. 
Honger. Onrecht. 
Hufterigheid. Afschuw. 
Marteling. Leedvermaak. 
Verkrachting. Dood. 
Duisternis. 
Alles wat het Licht niet verdraagt. 
Dat is Golgota.

Goede Vrijdag is een open wonde, 
een scherpe pijn 
om wat niet zou mogen gebeuren. 
Het zijn tranen die genegeerd worden, 
die in redevoeringen of scheldtirades 
goedgepraat worden 
door een mens die zichzelf god waant 
en die daarin wordt toegejuicht 
door een volgzame meute. 

Frustratie, jaloezie, 
ergernis, kortzichtigheid: 
dat is wat de farizeeën 
bij het volk hebben aangewakkerd en aangestookt. 
'Kruisig Hem!'
Het is van alle tijden. 
Helaas.

30 maart 2026

Witte Donderdag: samen maaltijd vieren, samen Kerk vormen (2 april 2026)

Witte Donderdag is een bijzondere dag. We gedenken de symboolhandelingen van Jezus met zijn leerlingen, die ons tot op vandaag inspireren langs de eucharistie. Jezus geeft Zichzelf als teken van het Nieuwe Verbond: zijn Lichaam en zijn Bloed. De dag is feestelijk maar tragisch tegelijk. Inhoudelijk wordt daarnaast nog een kernsymbool aangereikt, namelijk de voetwassing. In het verlengde daarvan is heel veelzeggend: de (spreekwoordelijke) uitnodigingslijst voor het Laatste Avondmaal. Daarom kan het Laatste Avondmaal veel betekenen voor de authenticiteit van ons christenzijn. 

  • Voor de lezingen van Witte Donderdag: klik hier.

Symboliek

Op een feestelijke gelegenheid komen mensen bijeen om te eten en samen te zijn. Het Laatste Avondmaal is zo'n feestelijke maal van Jezus met zijn leerlingen. Ondanks de context van de Goede Week, herdenken we absoluut geen rouwmaaltijd. Er is wel een bromtoon van verraad en van verandering. De symboliek die Jezus introduceert in Brood en Wijn is een sacramentele genadegave waaraan wij ook nu nog deel mogen hebben. Deze maaltijd staat in een traditiePesach viert traditioneel de redding uit Egypte en het sluiten van een Verbond tussen God en mensen. Deze viering krijgt een heel nieuwe betekenis, waar de kern van ons christelijke geloof mee vasthangt. Het geschonden Verbond van weleer wordt hernieuwd en verbonden aan de gedachtenis van Christus' Lichaam en Bloed. 

Het Laatste Avondmaal is een moment van sacrament en evenzeer van inclusie. Eigenlijk zou dit laatste inzicht even belangrijk moeten zijn. Jezus weet dat Judas Hem zal verraden. Toch is hij ook op deze Maaltijd aanwezig. Ook Judas, ondanks zijn zwakheid, maakt deel uit van de heilsgeschiedenis. (Matteüs 26, 21-25) Trouwens, Petrus zal Jezus weldra verraden en doen alsof hij Hem nooit heeft gekend. (Matteüs 26, 31-35) Ook hij mag mee aan tafel. Mensen hebben hun gebreken, allemaal. Niet dat typeert hun in Gods ogen, maar wel de oprechtheid en goede bedoelingen in hun geloof. Zelfs tot in de mate dat ze het vertwijfeld dreigen te verliezen, zoals Judas, of dat ze het onder druk angstig ontkennen, zoals Petrus. Bij uitbreiding heeft dus iedereen deel aan Gods feestmaal, iedereen die gelooft in de Heer. 

Uitnodiging

Verdeeldheid scheppen uit ijverzucht, zelfverheerlijking en zwakte: het zijn betreurenswaardige menselijke houdingen. God kent onze zwakheden. Ze hoeven ons overigens niet te typeren. Zijn we van goede wil en streven we oprecht geloof na? Dat is wat er toe doet, daarin bevestigen we het Nieuwe Verbond. Dat wordt duidelijk op Witte Donderdag, wanneer Jezus met zijn leerlingen maaltijd houdt. 

De uitnodiging om de instelling van het Nieuwe Verbond mee te gedenken gaat uiterst breed, en gaat gepaard met grote mildheid, groter dan een mens zou kunnen opbrengen. Wellicht is dat de essentie van Christus te volgen, en bijgevolg ook de grootste uitdaging voor een mens. Maar wellicht is dat ook de achilleshiel van het geloof: een mens zal nooit zo barmhartig kunnen zijn als God zelf. Er liggen zoveel verleidingen op de loer, zoals zelfzucht, eerzucht en machtszucht. Naar God zou onze liefde, eer en macht moeten gaan. En God ontmoeten we langs onze naasten.

Voetwassing

De kleinsten en de zwaksten horen centraal te staan in onze wereldwijde geloofsgemeenschap. De mensen waarop wordt neergekeken, die gemarginaliseerd worden en nagewezen: zij hebben bij uitstek deel aan het Nieuwe Verbond. De dienstbaarheid en zorg voor naasten wordt nogmaals in de verf gezet bij het laatste samenzijn van Jezus met zijn leerlingen. Die dienstbaarheid is immers dienst aan God. (Matteüs 25, 31-46) Naastenliefde is eredienst.

Dit kan Jezus niet genoeg benadrukken, en daarom giet Jezus deze grondhouding in een krachtige symboolhandeling: Hij wast de voeten van zijn leerlingen. Petrus protesteert aanvankelijk: de Messias hoeft dat toch niet te doen? Maar grootheid uit zich juist in bescheidenheid, in het stellen van kleine daden. (Johannes 13, 1-17) Hebben we ooit de werkelijke omvang begrepen van Christus' bedoeling met dit symbool?

Naaste in God

De kern van ons geloof ligt niet in het vrijwaren van een strenge leer maar in het beleven en beoefenen van de liefde voor God langs de aandacht voor onze naasten. Daarom doet de Zoon van God het meest nederige werk: vuile voeten schoonwassen. Hij wast het stof en vuil van de aarde af van de voeten van zijn leerlingen. Deze handeling verscheurt de menselijke regel dat grote heren geen nederig werk doen. Dat is denken in standen en in ongelijkwaardigheid. In de ogen van God is iedereen gelijkwaardig. Of beter: even menselijk.

'Non triumphalismus!', liet kardinaal Suenens klinken in de schoot van het Tweede Vaticaans Concilie. Laten we ons geloof dus niet verliezen in sierlijke grootdoenerij. 'Buiten de kwetsbaarheid is er geen redding': zo mogen we de insteek van Johannes XXIII bij het openen van dat concilie eigenlijk samenvatten. Niet in starre trots of machtsvertoon, maar in nederigheid dienen we God werkelijk. De Kerk mag nooit een nostalgisch eiland worden, nooit een zelfvoldane elite. Ze moet vóór alles een gemeenschap zijn die uitblinkt in dienstbare zorg voor alle naasten. En die Kerk, dat zijn wij allemaal. Jij en ik. Daarom kan de Kerk ook nooit 'iets van vroeger' zijn. Kerk zijn, dan doén we. Hier en nu.

Op Witte Donderdag kijken we het lijden en sterven van Christus recht in de ogen, en daarmee ook de verrijzenis die erop volgt. Vanuit dit mysterie krijgt Kerk-zijn vorm, en vooral dan in het erkennen en herkennen van lijden - lijden dat Jezus zelf heeft doorgemaakt - en in het zorg dragen voor wie lijdt. In het opnemen van de kleinste en gewoonste taken om elkaar dienstbaar te zijn. Want in de zorg voor anderen hebben we God lief: 'Ubi caritas et amor, Deus ibi est.'