De profeet Jesaja heft een lied aan, hij neemt de rol van troubadour op: een minnezanger die wijsheid uitzingt in een verhaal opdat ieder het zou begrijpen. Het gaat over het leven, over de wereld en over God. Een lied kan soms wonderlijk accuraat vertellen wat een degelijke uiteenzetting helemaal plattrapt. Het lied van de profeet Jesaja is bijzonder duidelijk. Een vrolijke meezinger zal het zeker niet geworden zijn.
- Voor de lezingen van deze zondag: klik hier.
Prachtig begin
Sta me toe de vertaling dicht bij de Hebreeuwse tekst te houden. Zo begint Jesaja’s lied (Jesaja 5, 1-2):
Laat mij nu zingen voor Degene die ik liefheb,
een lied over Hem en zijn wijngaard.
Een wijngaard had Hij die ik zo liefheb,
gelegen op een vruchtbare heuvel.
Hij heeft alle stenen uitgegraven
en de meest edele druivensoort geplant.
Een toren heeft Hij in het midden gebouwd
en een wijnpers erin uitgehouwen.
Dan wachtte Hij af tot de druiven groeiden
maar er verschenen enkel wilde vruchten.
Er zit een prachtige opbouw in dit lied. Je ziet het zo voor je gebeuren. Jesaja zingt van de Heer, heel meeslepend, vol liefde. Hij omschrijft hoe de Heer een wijngaard tot in de puntjes heeft voorbereid: Hij heeft een vruchtbare heuvel uitgekozen waar de zon goed op kan schijnen, en alle stenen zijn weggehaald uit de grond zodat de planten goed kunnen wortelen. Werkelijk alles is klaar. Kosten noch moeite zijn gespaard. De beste druivensoort is uitgekozen. Blijkbaar hecht de Heer ontzettend veel belang aan deze wonderlijke tuin. Dit moét gewoon lukken.
Geen vreugdezangEr wordt nog één ding verwacht: de wijnranken moeten rijke vruchten dragen. En dat gebeurt helemaal niet. Ondanks alle goede bedoelingen en inspanningen van de Heer loopt het enige waar Hij geen vat op heeft he-le-maal fout. De wijnranken vertikken het om goede vruchten te dragen. En dat is werkelijk jammer. Jesaja's lied is geen vreugdezang. Na de feeërieke inleiding volgt een donkere tekst. Het wordt een ballade van teleurstelling. De wijngaardenier is terecht teleurgesteld, verontwaardigd zelfs. Niet langer Jesaja, maar de Heer zelf komt aan het woord in de rest van de ballade, bij monde van de profeet uiteraard (Jesaja 5, 3-4):
'Welnu, jullie die wonen in Juda en Jeruzalem,
geef je mening alsjeblief over Mij en mijn wijngaard.
Wat kon Ik nog meer doen voor mijn wijngaard?
Heb Ik iets te weinig gedaan?
Ik keek uit naar haar mooie vruchten
maar er kwamen alleen wilde druiven.
Laat Me jullie nu vertellen
wat Ik zal doen met mijn wijngaard.
De doornhaag eromheen, die neem Ik weg
zodat iedereen kan komen plunderen,
en de beschermmuur breek Ik af
zodat alles vertrappeld kan worden.'
De Heer vraagt zich luidop af of Hij alles heeft gedaan wat in zijn mogelijkheden lag om de wijngaard alle groeikansen te gunnen. Het loopt fout en in eerste instantie kijkt God naar zichzelf. Heeft Hij gefaald? Is Hij misschien iets wezenlijks vergeten? Het antwoord hoeft Hij niet af te wachten: het is glashelder. De fout ligt bij de wijnranken, niet bij de wijngaardenier. Bij de mensen, niet bij God. De ranken laten het afweten, ze genieten van al wat hun is gegund, maar gaan zelf niet aan de slag. Misschien hebben ze het te goed? Misschien zijn ze te veel verwend geweest?
OneerlijkEn dat maakt God kwaad. Hij heeft zoveel gedaan, Hij kon werkelijk niets méér doen. Zijn Liefde wordt met apathie beantwoord. De ranken hebben de vrijheid gekregen om de mooiste en heerlijkste vruchten voort te brengen, maar hun vrijheid hebben ze aangewend om lui te worden en niets zinvols af te leveren. Het is pure ondankbaarheid. Daarom neemt de Heer de luxe van de bescherming weg. Ze moeten maar eens zélf aan de slag in een harde wereld (Jesaja 5, 6):
'Ik maak er nu verwilderde grond van,
niet meer gesnoeid, niet meer gewied,
en bramen en doornstruiken schieten omhoog.
En de wolken geef Ik opdracht
om er niet meer op te regenen.'
De ooit zo prachtige wijngaard wordt een woest landschap. En zelfs het water, de bron van leven, wordt ontzegd. De wijngaardenier is bijzonder kwaad, zo blijkt. Maar de verwoesting zal een einde kennen. De Heer blijft niet kwaad. Er zal nog maar een stronk overblijven van al de wonderlijke pracht van weleer. Maar daaruit zal er nieuwe heiligheid ontspruiten. (Jesaja 6, 13) Jesaja vertelt het Volk van God dat ze in de fout gaan, maar dat er ook hoop is.
Scherpe rand
De teleurstelling verdwijnt niet zomaar. In dit lied staat ze centraal en wordt er geen hoopvol perspectief aan toegevoegd. De randjes worden niet afgerond, ze blijven scherp. Dat zijn we niet gewend. Het is goed om ons eigen doen en laten af te wegen zonder meteen te rekenen op Gods milde goedheid. Dat zou al te gemakkelijk zijn. Wat we verkeerd doen, dan is verkeerd, en dat hebben wij gedaan. Daar moeten we rekenschap van durven te geven. Dat is geen zelfkastijding, het is gewoon eerlijk zijn met onszelf en met de Heer.