Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Talenten voeden is een kunst (14-15 november 2026).

05 november 2026

'Zeg, ben je nu bijna klaar?' (7-8 november 2026)

Spijt komt altijd te laat. Spijt is het gezond verstand dat te laat tussenkomt. Jezus waarschuwt ons in het evangelie van deze zondag: we moeten voorbereid zijn, waakzaam en wakker. We hebben al zo veel tijd gekregen om aan de slag te gaan met ons geloof. Welnu, het is hoogtijd om ons geloof vurig en dankbaar te beleven. Hou je licht brandend, laat het niet uitdoven!

Feest

Laten we een kleine omweg maken langs een eigentijdse gelijkenis als opener. Om halfacht is een gezin verwacht op een feest. Het is een verrassingsfeest, dus moet iedereen op tijd aanwezig zijn, zodat ze samen de jarige kunnen verrassen met de vrolijke uitroep: 'Gelukkige verjaardag!'. Het staat al maanden vast, weliswaar netjes geheim gehouden voor de jarige zelf. 

Het klaarmaken lijkt een eeuwigheid te duren. Het is een kwartier rijden en er resten nog vijf minuten in overschot, meer niet. 'Zeg, zijn jullie nu bijna klaar? We moeten vertrekken, anders komen we te laat!', roept moeder geïrriteerd. Zij is al tien minuten klaar, net als haar dochter trouwens. De ergernis neemt toe.

Manlief is uitgerekend vanavond later thuis en wou zich absoluut nog douchen. Dan merkte hij ontzet dat er een scheur in de broek van zijn nette pak zit. Toen heeft hij nog aarzelend en twijfelend een ander pak uitgezocht. Hij heeft gefoeterd dat zijn vrouw zijn pak had kunnen nakijken, maar dat botste op protest. Hij is oud genoeg om dat zelf te doen. En hun zoon, die zou maar een kwartiertje nodig hebben om klaar te zijn, maar dat was duidelijk een foute inschatting. Hij is volop zijn haren met gel in model aan het boetseren. De halve badkamer is intussen met haargel besmeurd. Dat getreuzel heeft hij duidelijk van zijn vader. En intussen tikken de seconden genadeloos weg.

'Als jullie niet meteen naar beneden komen, dan vertrekken we zónder jullie!', roept moeder een tikje radeloos maar gedecideerd. De dochter is het roerend eens met haar. Het is iedere keer het zelfde liedje. En dan zegt men dat vróuwen altijd alle tijd nodig hebben. 'Het feest begint ook zonder jullie!', voegt de dochter er kwaad aan toe terwijl ze naar de voordeur stappen.

Geloof!

Op zo'n feest kan het gebeuren dat iedereen luidkeels 'Leef' meezingt, van André Hazes Jr. Het is zo'n typische muzikale oorwurm. Of je het graag hoort of niet, het blijft door je gedachten spoken. 'Leef alsof het je laatste dag is, leef alsof de morgen niet bestaat.' Het is een ode aan het plukken van de dag: 'carpe diem'. Geniet van het leven, want het duurt maar even, zeg maar.

De parabel van Jezus gaat over het ultieme moment dat alles verandert, maar Hij raadt ons niet aan om er nog even voluit voor te gaan en te genieten van al wat leuk en lekker is. Nee, Jezus vertelt ons dat we elke dag moeten gelóven alsof het de laatste dag is, geloven alsof de morgen niet bestaat. Hij waarschuwt ons dat we waakzaam moeten zijn en voorbereid. We hebben al zoveel tijd gehad om ons geloof waar te maken. Het kan geen excuus zijn dat je niet klaar bent omdat het moment van zijn komst zo plotseling, zo onverwacht komt. Nee, we moeten alles doen wat we kunnen om voorbereid te zijn en om ons voluit te verbinden met God.

Spaarstand

Er zijn geen excuses om ons geloof op de spaarstand te laten staan. Ons geloof moet vurig zijn en liefdevol, zoals God ons liefheeft. Ons geloof mag geen evidentie zijn, geen toevallige eigenschap. Het is een keuze die telkens weer bevestigd wordt. Ons geloof moeten we bewust en actief voeden. Het leeft in ons, met ons. In ons dagelijkse bestaan mag het een bron van inspiratie zijn, en op haar beurt wordt dat geloof geïnspireerd door ons dagelijks leven. Het is de bedoeling dat het groeit met ons, dat het mee evolueert. God kan geen verre kennis zijn. Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven. (Johannes 14, 6) Doel en zin van ons bestaan.

Zo mogen wij handelen naar ons geloof, ons licht laten schijnen en anderen inspireren. Dat doen we door mensen in nood te eten en te drinken te geven, kledij, onderdak en de nodige aandacht. (Matteüs 25, 34-36) Heel eenvoudige, maar wezenlijke daden dus. Nee, we mogen ons niet verstoppen in een veilig schuiloord van reine, tijdloze gewoonten of strenge regels zoals de farizeeën doen. Het is God zelf die we horen te beminnen met heel ons hart, heel onze ziel en heel ons verstand. (Matteüs 22, 37) Gebed en naastenliefde vormen de olie die onze lampen brandend houden. (Matteüs 25, 4) 

Hebberig?

Dit vroeg ik me nog af bij het lezen van dit evangeliefragment: waarom delen de meisjes hun olie niet? (Matteüs 25, 8-10) Zijn ze egoïstisch? Is het een teken van zelfbehoud ten koste van anderen? Horen we niet te delen met anderen? In het gewone leven is dat uiteraard de bedoeling, maar we bevinden ons hier binnen de context van de metafoor. Zo'n beeld mag men niet uitrekken tot voorbij de spankracht. Anders maak je het stuk.

De meisjes kunnen hun olie niet delen met de onfortuinlijke meisjes. Je kunt niet geloven in andermans plaats. Je kunt niet bidden of goed doen in de plaats van iemand anders. Aflaten verdienen voor een ander, dat is helaas een uitrekking van de genade tot voorbij de spankracht. En al helemaal wanneer die ander zelf helemaal niets wil doen. Wat je wel kan, is trachten hen te inspireren door op een aanstekelijke manier te geloven: gul, energiek, dankbaar en liefdevol. 

Laten we dus klaar zijn, laten we ten volle geloven, actief en bewust. Dit is geen dreigende boodschap, maar een gulle uitnodiging. God schenkt ons immers zijn Liefde nog voordat we dat hebben verdiend. Wat is ons antwoord? Blijf niet afwachten, leg deze uitnodiging niet aan de kant!

27 oktober 2026

Allerheiligen: zoveel voorbeelden om je aan te spiegelen (31 oktober-1 november)

Op Allerheiligen vieren we feest: alle heiligen, alle voorbeeldfiguren van het christelijk geloof worden dan op één dag samen gevierd. Doorheen het jaar zijn er gedachtenissen en feesten van heiligen, maar 1 november is dé dag bij uitstek om de traditie van geloofsdragers te vieren. Heiligen worden vereerd en bewonderd. Soms krijgen ze in de persoonlijke beleving een bijzonder belangrijke rol. Uiteraard is elke heilige een verwijzing naar Jezus Christus, de Heer, die voor ons geleden heeft, gestorven is en verrezen. Laten we ook dat op deze feestelijke dag indachtig zijn.

  • Voor de lezingen van Allerheiligen: klik hier.
Voorbeelden

In het leven hebben we nood aan helden, aan krachtige voorbeeldfiguren naar wie we opkijken, aan wie we ons kunnen spiegelen en die ons inspireren. Ze geven ons de kracht om in ons eigen kleine leven grootse dingen na te streven. Heiligen zijn voor ons, christenen, een inspiratie om ons geloof heel diep en heel concreet tegelijk te beleven in ons dagelijkse mensenbestaan. Het lijkt soms onmogelijk om te leven zoals God het van ons verlangt, maar de heiligen maken ons duidelijk dat het wél kan, dat het een kwestie is van doén en van de juiste keuzes te maken.

Ook buiten de Kerk zijn er voorbeeldfiguren waar mensen naar opkijken. Vol bewondering kijken mensen op naar actiehelden in films. Ze kleden zich zoals zangers en zangeressen. Kinderen krijgen al idolen voorgeschoteld op heel jonge leeftijd. Op allerlei spullen worden deze figuren afgebeeld: dekbedovertrekken, t-shirts en kleedjes, rugzakken, kopjes en bordjes, noem maar op. Kinderen hebben nieuwe 'heiligen' die strijden voor rechtvaardigheid door boeven en schurken te vangen. Er gaat veel geld om in de heldenindustrie. In onze Kerk zou dat laatste alleszins bijzaak moeten zijn.

Voorbeeldig zijn

We kunnen ons leven betekenisvol invullen door helden na te volgen in hun goedheid. God kunnen we eren door het geloof en de daadkracht van heiligen na te streven. Er schuilt echter een gevaar in dat nabootsen. Mensen krijgen wel eens de neiging om tot in erg dramatische vormen te overdrijven in het imiteren van voorbeelden. Het mag geen dweperij worden. Christen zijn is geen kwestie van wedijver tegen elkaar. Het heeft ook niets van doen met beloningsdrang. 

Geloven doe je niet volgens een puntensysteem. Die indruk is indertijd wel gegeven, met name tijdens en na de Middeleeuwen. Toen groeide er een soort geestelijk betaalmiddel: aflaten. Daarmee kon men de hemel verdienen. Nee, zo werkt het absoluut niet. Geloven doe je van ganser harte, uit dankbaarheid voor God, onze Heer, onze Schepper en Bevrijder. Dat kan zeker langs de navolging van heiligen die ons zijn voorgegaan.

Zo bijvoorbeeld

Hoe wij voorbeeldig kunnen handelen, vertelt Jezus op een berg, wat dichter bij zijn hemelse Vader. (Matteüs 5, 2-11) Wie nederig van hart is, wordt daar niet altijd vorstelijk voor beloond door de mensen, integendeel. Toch is dat in de ogen van God zoveel méér waard dan het neerbuigende gedoe van roeptoeters die zichzelf alle lof toezeggen. 

Wie treurt om een geliefde, wie leeft met een groot gemis, is dichter bij Gods troost dan wie zuur en hardvochtig is. Wie treurt omdat de mensen hem of haar niet willen begrijpen, zal begrip vinden bij de Heer. Gods Boodschap gaat niet over hardheid en kilte maar over warmhartige goedheid en oprechte naastenliefde. 

Aan wie zachtmoedig is, behoort de schepping toe. Zij zijn de ware bezitters van de aarde. God vertrouwt hun de schepping te leen toe, en niet aan de gulzige slokoppen die nooit genoeg hebben en prat gaan op macht en bezit ten koste van anderen. Zij denken veel te bezitten, maar hun bezit is op een illusie gebouwd. Bezit is immers slechts tijdelijk, zo vergankelijk als het aardse bestaan zelf. Wie de zachtheid bezit, is rijk in Gods ogen.

Wie hongerig en dorstig hunkert naar gerechtigheid, die zal haar vinden in overvloed. Misschien niet hier op aarde tijdens dat hartstochtelijk streven ernaar, maar zeker als beloning van de Heer. Degenen die ongelijkheid moedwillig in stand houden en vanuit hun ivoren toren van rijkdom en zelfzucht leven komt dat geschenk niet toe. Zij hebben zichzelf al voldoende bediend. 

Barmhartige mensen die handelen vanuit hun gelovig hart zullen barmhartigheid ervaren. Wie zelfgenoegzaam is, die zal de hardheid die er eigen aan is zelf ook ontmoeten. Op jezelf alleen kan je niet bouwen. Een mens is zo zwak als hij sterk kan zijn. De gulheid in vergeving wordt door God gul beantwoord.

Wie zuiver van hart is, zal God zien, van aanschijn tot Aanschijn. Dat os het mooiste van alle geschenken voor wie in God gelooft. Wie heeft geleefd vanuit oneerlijkheid en bedrog zal in het ongewisse blijven. Zuiverheid en onzuiverheid spiegelen zich. Waarheid komt toe aan wie waarheid nastreeft in het leven. 

De vredestichters komt het toe om kinderen van God te worden. In vrede is de Heer Jezus gekomen en vrede laat Hij ons na wanneer Hij terug naar zijn Vader vertrekt. (Johannes 14, 27) Je kunt geen christen zijn en de vrede niet liefhebben. Wie vrede in zijn hart draagt, heeft God lief. Wie macht en eigenbelang vooropstelt, die heeft al genoeg aan zichzelf. 

Wie ten onrechte vervolgd wordt, bespot of valselijk beschuldigd, die hoeft zich niet te schamen en hoeft zich niet te verstoppen. Het verdriet om het leed dat hen wordt aangedaan kan groot zijn, alsook de teleurstelling in de bekrompenheid en kwaadwilligheid van anderen, maar God laat hen niet in de steek. Sterker nog: zijn Rijk is voor hén bedoeld. 

Voorbeeldig handelen als christen betekent niet dat je ervoor wordt beloond door je omgeving. Daar mag je dus niet van uit gaan. De wereld is soms hoogst oneerlijk. Soms is de beloning hemels. Dat maakt het niet altijd makkelijk om vol te houden. En daarom zegt Jezus het ook zo uitdrukkelijk, daar op de berg: veronderstel geen bevestiging van de wereld. Hopelijk ervaar je steun van medegelovigen. En de belangrijkste bevestiging, die komt van God.

Allerzielen (2 november):

  • Voor een bijdrage over Allerzielen: klik hier.
  • Voor een mijmering bij Allerzielen: klik hier.

20 oktober 2026

Een voorloper van de hitparade (24-25 oktober 2026)

Jezus wordt met veel argwaan bekeken door de farizeeën. Hij confronteert hen met hun eigen kleine kantjes en dat vinden ze onaangenaam. Ongepast zelfs, want hun machtspositie wordt erdoor in vraag gesteld, en daar zijn ze bijzonder gevoelig voor. Jezus wordt daarom op de proef gesteld, ze willen Hem woorden uit de mond lokken die ze tegen Hem kunnen gebruiken. Het is erg vals en achterbaks allemaal. Ze willen van Jezus zijn favoriete gebod horen. Zijn antwoord is verrassend, en voor ons allemaal een beginsel van geloofswijsheid.

Een valstrik

De farizeeën zijn niet blij. Jezus snoert hen de mond met woorden uit de Schrift. Hij is niet onder de indruk van hun machtsvertoon. Eén van de wetgeleerden wil Jezus op de proef stellen. De geleerde kent de Schrift heel goed. Misschien kan hij Jezus op een fout betrappen of een uitspraak uitlokken en Hem op die manier in een slecht daglicht brengen.

De man stelt aan Jezus een vraag over de geboden. Zoals je weet, telt de Schrift tien geboden. (Exodus 20, 1-17 en Deuteronomium 5, 6-21) Wanneer we de zoekmatrix uitbreiden naar alle wetten en voorschriften, dan komen we uit op het getal 613. Dit betreft morele wetten, wetten rond voeding, offers, feesten en reinheid, en tenslotte ook maatschappelijke wetten. Het is geweten dat Jezus het niet altijd zo nauw neemt met voorschriften als de wetgeleerden. Een wijsneus wil die zelfverklaarde Meester eens op zijn nummer zetten. Brutaliteit en arrogantie worden Jezus verweten. Misschien is dit een goede gelegenheid om Jezus voor eens en voor altijd te 'ontmaskeren', denkt de man. 

Partij kiezen

Maar Jezus draagt helemaal geen masker. Integendeel, het zijn de farizeeën die zich voorbeeldig voordoen terwijl ze eigenlijk uitblinken in valsheid en machtswellust. (Matteüs 23, 3-5) De wetgeleerde vraagt aan Jezus wat het belangrijkste gebod is in zijn ogen. (Matteüs 22, 36) Daarmee dwingt hij Jezus op gevoelig terrein. Er zijn immers vier verschillende religieuze stromingen in het land ten tijde van Jezus. 

De farizeeën zijn vooral bezig met de wetten die een invloed hebben op het dagelijkse leven: de sabbatsrust, voeding, reinheidsvoorschriften. Daaromheen voegen ze nog mondelinge voorschriften toe, om te verzekeren dat er tegen geen enkel voorschrift wordt gezondigd. De sadduceeën hechten meer belang aan de sacrale voorschriften rond tempel en offers. De essenen zijn vooral gericht op extreme reinheid in afzondering en ascese. En de zeloten richten zich op verzet en militante actie tegen de Romeinse overheerser. Ieder onder hen zal zich geschoffeerd voelen wanneer een gebod met betrekking tot hun eigen overtuiging niet bovenaan staat. De farizeeër maakt gebruik van de religieuze verdeeldheid om Jezus te strikken. Merkwaardig toch?

De eerste, de beste

Welnu, Jezus kiest géén partij, Hij vat de geboden samen. De Heer heeft op de berg in de woestijn immers ook niet gezegd dat één gebod het allerbelangrijkste was. Alle geboden zijn van belang. Dat verandert niet bij Jezus. Alle geboden komen samen in het dubbelgebod van de Liefde dat Jezus als antwoord geeft: God liefhebben met heel je hart, je ziel en je verstand, en je naaste liefhebben als jezelf. (Matteüs 22, 37-39) 

Met dit dubbelgebod vat Hij meteen de hele Wet én Profeten samen en bovendien verlegt Hij de aandacht van nauwgezette regeltjes naar een totale wetsbeleving van binnenuit. (Matteüs 22, 40) De farizeeër is niet geslaagd in zijn opzet. Er was al weinig edelmoedigs aan zijn bedoelingen: het verwijt van brutaliteit en arrogantie kaatst terug op hemzelf. Hij heeft zich laten leiden door enggeestigheid en zuurheid. En hij was zeker niet bij Jezus komen staan om iets bij te leren.  We kunnen enkel hopen dat de man toch iets van Jezus' woorden heeft bijgehouden. Misschien is daar een zaadje van verandering geplant.

Hitparade?

Eigenlijk doet de farizeeër iets typisch menselijk: hij heeft het over persoonlijke voorkeuren binnen het geloof. Het is iets waar Jezus geheel boven staat door zijn Goddelijke band met de hemelse Vader. Juist omdat de farizeeër een menselijk reflex etaleert, is het voor ons eigenlijk niet geoorloofd om afzijdig te blijven en meewarig neer te kijken op de man. Ook wij hebben de neiging om het geloof wat naar ons toe te trekken in een richting die ons het meest uitkomt, in de richting van de menselijkheid of juist van de regels, in de richting van het hemelse of juist van het aardse, naargelang onze persoonlijke interesse.

Jezus leert ons langs zijn antwoord dat we helemaal niét hoeven te kiezen. Geloven heeft niets met een persoonlijke hitparade te maken, niet van Bijbelverzen een niet van geloofsstandpunten. Gods Boodschap is niet in een hitlijst te ordenen. Geloven vertrekt niet vanuit onze eigen voorkeuren. En het is al helemaal niet onze taak om te oordelen over anderen naar eigen voorkeuren binnen het geloof. 

Links en rechts, gematigd en radicaal verwijten mekaar geregeld dat de ander dat wel doet en zo tegen Gods wil in gaat. Dat gebeurt doorgaans zonder in eigen boezem te kijken, helaas. Net als ten tijde van Jezus. Je moet het maar eens uitproberen: wanneer je naar een ander wijst, richt je eigenlijk meer vingers naar jezelf dan naar de ander. De Liefde is het beginsel van de geboden. In de Liefde wordt niet aan- of nagewezen maar hartelijk omarmd. In de Liefde vinden we God, ergens in het midden, waar voorzichtigheid, hartelijkheid en respect wonen...

14 oktober 2026

Een ander soort revolutie (17-18 oktober 2026)

Hoe kijken wij naar Jezus? Welk beeld hebben wij van Hem? Doorheen de tijd is dat beeld vaak anders ingevuld. We horen de Heer zeggen dat we aan de keizer moeten geven wat de keizer toekomt, en aan God wat aan God toekomt. In dit fragment willen de farizeeën Jezus vangen op een uitspraak door de spanning van de tijd op scherp te zetten. En daardoor is Jezus' antwoord ook inspirerend voor elk van ons, voor hoe we naar de Heer kijken en hoe we ons geloof invullen.
Van macht naar revolutie
Na een tijd van Jezus als de grote Koning en Overwinnaar, ontstond er in de revolutionaire jaren '60 een totaal nieuw beeld van Jezus. Meer en meer hippies raakten teleurgesteld in de psychedelische afleiding langs drugs en hunkerden naar een diepere vorm van zingeving. Jezus werd 'de eerste, ware hippie' die, op sandalen en met lange haren, een radicale omwenteling aankondigde van universele liefde en vrede, ver weg van de burgerlijke hypocrisie gestoeld op bezit en macht.

Dat uiterst menselijke beeld van Jezus als de politieke en sociale revolutionair kreeg nog verder vorm in de jaren '70, langs de musical 'Jesus Christ Superstar' en zeker ook via de bevrijdingstheologie, waar Jezus' boodschap werd gelezen als een roep tot revolutionaire bevrijding uit de klauwen van politieke en economische overheersers. 
Linkse transformatie
In één generatie was Jezus getransformeerd van een statische en conventionele bewaarder van de dogma's naar een radicale religieuze leider die stond voor maatschappijkritiek, vrede en rebellie. Ook in het vrome Vlaanderen gebeurde deze transformatie, zij het dan iets minder uitbundig dan in de Verenigde Staten uiteraard. Er groeide een beweging die, geïnspireerd door Jezus' Boodschap, aandacht eiste voor meer sociale rechtvaardigheid en rechten voor arbeiders en voor de zwaksten in onze samenleving. De acties Broederlijk Delen en Welzijnszorg ontstonden in die periode. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft daar zeker ook zaadjes voor geplant.

Die 'linkse' beweging binnen de Kerk is niet meer zo sterk georganiseerd dan in de revolutiejaren. Wellicht is een deel van de militante christenen teleurgesteld geraakt omdat hun activisme niet het verhoopte resultaat opleverde. Een deel is ook mee geëvolueerd in de secularisatie. Het is alleszins een boeiende periode geweest die het beeld van Christus genuanceerd heeft, weg van het glorieuze en wereldvreemde triomfalisme.
Denarie
'Mijn koningschap is niet van deze wereld', zegt Jezus tegen Pilatus. (Johannes 18, 36) We zouden die uitspraak kunnen interpreteren als een onderscheid tussen hemel en aarde. Het koningschap van Christus beklemtoont inderdaad zijn hemelse zijde. Is Christus' Boodschap sinds zijn hemelvaart enkel nog hemels dan?

In het gesprek met de farizeeën lijkt Jezus ook deze indruk te geven. Ze stellen Jezus op de proef door Hem te laten kiezen tussen de keizer en God. Ze willen Hem in de val lokken.(Matteüs 22, 15) Dit is hun vraag: 'Is het toegestaan de keizer belasting te betalen of niet?' (Matteüs 22, 17) Als Jezus zich tegen de keizer uitspreekt, dan kunnen ze Hem uitleveren aan de Romeinse overheerser. Als Hij zich tegen God uitspreekt, dan is Hij al zijn gezag kwijt en kunnen de hogepriesters Hem veroordelen.

Uit Jezus' antwoord worden we in onze zoektocht niet meteen wijzer. Hij zegt: 'Geef dan wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.' (Matteüs 22, 21b) Je zou uit zijn antwoord kunnen afleiden dat de keizer van de wereld is en God van de hemel. Dat is echter niet wat er staat. Jezus zegt absoluut niét dat God niets heeft met ons aardse leven.
Hier en nu
Hij maakt vooral een onderscheid tussen een aardse levensstijl die op ego, macht en bezit is geijkt enerzijds en anderzijds een gelovige visie die op Gods Liefdesgeboden is gericht, een evangeliefragment dat we volgende week trouwens zullen horen. (Matteüs 22, 37) Om die reden zegt Jezus trouwens tegen de rijke jongeling dat hij zijn geld en bezit zal moeten achterlaten en uitdelen aan de armen om de Heer te kunnen volgen. (Matteüs 19, 16-22) Wie meer belang hecht aan geld dan aan genade, staat niet open voor Gods Rijk. 

Dat is behoorlijk revolutionair te noemen. De revolutie heeft met Liefde te maken. Het Rijk Gods groeit dus al hier op aarde, het gebeurt al midden onder ons. (Lucas 17, 21) Laten de keizer en zijn gezanten zich maar met hun boekhouding bezighouden, dat heeft niets te maken met Gods Boodschap. 
Een andere revolutie
In die zin is Jezus dus geen aardse revolutionair. Hij roept niet op om het establishment omver te gooien. De maatschappelijk-revolutionaire christenen hebben wellicht iets teveel van hun eigen wensen en verlangens in de theologie gegoten. Maar het beeld van een wereldvreemde en ongenaakbare Christus op zijn troon biedt evenmin een volwaardig beeld van Jezus. 

Zijn visie in wel degelijk revolutionair, gericht op geloof en genade, op overgave en naastenliefde. Zoals vaak ligt de waarheid ergens in het midden. De revolutie van Jezus is ook onze opdracht: een transitie van hebben en houden naar delen en liefhebben. De Heer vraagt veel van ons: een innerlijke revolutie die zich in daden veruitwendigt.

05 oktober 2026

'Geen tijd voor je feestje!' (10-11 oktober 2026)

Stel je voor: je organiseert een prachtig feest met lekker eten en niemand van de mensen die je hebt uitgenodigd komt opdagen. Je eigen vrienden, de mensen die je dierbaar zijn, hebben zogezegd geen tijd. Je uitnodiging lag meteen al in de prullenmand. Wat een teleurstelling! Zo voelde de Heer zich wanneer zijn Volk Hem in de steek liet. Ze hebben andere bezigheden en interesses gekregen. Hun Schepper en Bevrijder is overbodig geworden. En dan komt zijn eigen Zoon met de Boodschap: iedereen is welkom in het Koninkrijk van de hemel. Werkelijk iedereen!

Feest!

Wat is er toch met de mensen in de parabel die Jezus vertelt. Het is niet te begrijpen. Een koning geeft een bruiloftsfeest voor zijn zoon en nodigt de vooraanstaanden van zijn rijk uit. De vips, zeg maar. Kosten noch moeite zijn gespaard. De stieren en het mestvee zijn geslacht en alles is in gereedheid gebracht. De feestzaal staat er prachtig bij. Dienaren komen de voorname burgers hoogst persoonlijk uitnodigen. Wat een service! Het moet een bijzondere eer zijn. Je hoort ze in gedachten al scanderen: 'Waar is dat feestje? Hier is dat feestje!'

Maar nee: de genodigden, die negeren de dienaren met hun uitnodigingen compleet. Niet één keer, maar tot tweemaal toe! Ze gaan weer terug naar hun handel of naar hun akkers. Sterker nog: sommige dienaren worden gevangen genomen, mishandeld en gedood! En waarom? Omdat ze voor de tweede keer met de uitnodiging van de koning langskomen? (Matteüs 22, 1-6)

Geen tijd?

Het is werkelijk niet te geloven. Ze willen er niet heen. De genodigden zouden ontvangen worden met de grootste égards, ze zouden kunnen eten en drinken wat ze maar wensen en een prachtig bruiloftsfeest meemaken. Gratis en voor niks! Waarom zou je dat weigeren? Het houdt geen steek. Er moet een reden achter zitten, dat kan haast niet anders.

Misschien is de koning wereldvreemd. Nee, dat klopt niet: hij nodigt de mensen van harte uit. Hij wil hen per se erbij hebben en stelt de deuren van zijn paleis open. Misschien is het een flutfeest. Nee, ook dat is niet het geval: het is zo'n feest waar Jesaja al over sprak: een rijk feestmaal met uitgelezen gerechten en de beste wijnen. (Jesaja 25, 6) Hebben de mensen andere dringende bezigheden misschien? Niet bepaald, sommigen onder hen nemen uitgebreid de tijd om de dienaren te martelen. Dat doe je niet als je het razend druk hebt. Ze hadden zich kunnen verontschuldigen in één of twee zinnen en daarna verder doen met wat ze bezig waren. Nee, er schuilt een ergernis achter.

Iedereen!

Misschien hebben ze gewoon geen zin en voelen ze zich te goed voor een avond bij de koning. Misschien wanen ze zichzelf koning of keizer van hun eigen erf en hun eigen leven. Dan liggen hun prioriteiten anders. Ze schuiven hun koning opzij, hij staat in hun weg om geld te verdienen en zelf roem te vergaren. Daarom willen ze geen tijd maken, zelfs niet voor een feestmaal. De genodigden hebben er geen zin in, ze voelen zich te goed. Vreselijk is dat, toch?

De koning is er dan ook het hart van in. Alles staat klaar, piekfijn in orde om mensen te ontvangen. Ten einde raad geeft hij opdracht aan zijn dienaren om mensen van op de straat uit te nodigen. Eender wie: goede mensen, maar slechte evenzeer. Hun afkomst, hun stand of hun verleden doen er niet toe. Werkelijk iedereen is welkom op het bruiloftsfeest. (Matteüs 22, 8-9) Hoe gul kan een koning zijn? Hoe hartelijk kan hij zich opstellen?

Wel grenzen

En eindelijk loopt zijn feestzaal vol met mensen. Eindelijk lonen zijn inspanningen de moeite. De koning wil zijn liefde en vreugde delen met de mensen, met àlle mensen. En dat kan nu, want van overal komen ze naar de feestzaal om mee te vieren met hun koning. En er is feestvreugde.

Maar dan merkt de koning dat iemand in zijn meest gewone plunje is binnengekomen, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. En dat kan niet de bedoeling zijn. Als je naar een feest gaan, dan kleed je je naar de gelegenheid. Het is een teken van respect en dankbaarheid naar de gastheer toe. De koning is teleurgesteld in de man en wijst hem de deur. (Matteüs 22, 10-11)

Voor ons is dit wellicht nog de grootste geruststelling: van alle genodigden moet slechts één man de zaal uit omdat hij niet voldoet. Eentje maar, van alle aanwezigen. En wel omdat hij werkelijk geen enkele moeite heeft gedaan. Of het feestkleed rijk geborduurd is of getooid met parels, doet er niet toe. Een feestkleed, hoe sober ook, volstaat. De koning is niet onverdraaglijk streng. Integendeel.

28 september 2026

Een ballade van teleurstelling (3-4 oktober 2026)

De profeet Jesaja heft een lied aan, hij neemt de rol van troubadour op: een minnezanger die wijsheid uitzingt in een verhaal opdat ieder het zou begrijpen. Het gaat over het leven, over de wereld en over God. Een lied kan soms wonderlijk accuraat vertellen wat een degelijke uiteenzetting helemaal plattrapt. Het lied van de profeet Jesaja is bijzonder duidelijk. Een vrolijke meezinger zal het zeker niet geworden zijn.

Prachtig begin

Sta me toe de vertaling dicht bij de Hebreeuwse tekst te houden. Zo begint Jesaja’s lied (Jesaja 5, 1-2): 

Laat mij nu zingen voor Degene die ik liefheb,
een lied over Hem en zijn wijngaard.
Een wijngaard had Hij die ik zo liefheb,
gelegen op een vruchtbare heuvel.

Hij heeft alle stenen uitgegraven
en de meest edele druivensoort geplant.
Een toren heeft Hij in het midden gebouwd
en een wijnpers erin uitgehouwen.

Dan wachtte Hij af tot de druiven groeiden
maar er verschenen enkel wilde vruchten.

Er zit een prachtige opbouw in dit lied. Je ziet het zo voor je gebeuren. Jesaja zingt van de Heer, heel meeslepend, vol liefde. Hij omschrijft hoe de Heer een wijngaard tot in de puntjes heeft voorbereid: Hij heeft een vruchtbare heuvel uitgekozen waar de zon goed op kan schijnen, en alle stenen zijn weggehaald uit de grond zodat de planten goed kunnen wortelen. Werkelijk alles is klaar. Kosten noch moeite zijn gespaard. De beste druivensoort is uitgekozen. Blijkbaar hecht de Heer ontzettend veel belang aan deze wonderlijke tuin. Dit moét gewoon lukken.

Geen vreugdezang

Er wordt nog één ding verwacht: de wijnranken moeten rijke vruchten dragen. En dat gebeurt helemaal niet. Ondanks alle goede bedoelingen en inspanningen van de Heer loopt het enige waar Hij geen vat op heeft he-le-maal fout. De wijnranken vertikken het om goede vruchten te dragen. En dat is werkelijk jammer. Jesaja's lied is geen vreugdezang. Na de feeërieke inleiding volgt een donkere tekst. Het wordt een ballade van teleurstelling. De wijngaardenier is terecht teleurgesteld, verontwaardigd zelfs. Niet langer Jesaja, maar de Heer zelf komt aan het woord in de rest van de ballade, bij monde van de profeet uiteraard (Jesaja 5, 3-4):

'Welnu, jullie die wonen in Juda en Jeruzalem,
geef je mening alsjeblief over Mij en mijn wijngaard.

Wat kon Ik nog meer doen voor mijn wijngaard?
Heb Ik iets te weinig gedaan?
Ik keek uit naar haar mooie vruchten
maar er kwamen alleen wilde druiven.

Laat Me jullie nu vertellen
wat Ik zal doen met mijn wijngaard.

De doornhaag eromheen, die neem Ik weg
zodat iedereen kan komen plunderen,
en de beschermmuur breek Ik af
zodat alles vertrappeld kan worden.'

De Heer vraagt zich luidop af of Hij alles heeft gedaan wat in zijn mogelijkheden lag om de wijngaard alle groeikansen te gunnen. Het loopt fout en in eerste instantie kijkt God naar zichzelf. Heeft Hij gefaald? Is Hij misschien iets wezenlijks vergeten? Het antwoord hoeft Hij niet af te wachten: het is glashelder. De fout ligt bij de wijnranken, niet bij de wijngaardenier. Bij de mensen, niet bij God. De ranken laten het afweten, ze genieten van al wat hun is gegund, maar gaan zelf niet aan de slag. Misschien hebben ze het te goed? Misschien zijn ze te veel verwend geweest?

Oneerlijk

En dat maakt God kwaad. Hij heeft zoveel gedaan, Hij kon werkelijk niets méér doen. Zijn Liefde wordt met apathie beantwoord. De ranken hebben de vrijheid gekregen om de mooiste en heerlijkste vruchten voort te brengen, maar hun vrijheid hebben ze aangewend om lui te worden en niets zinvols af te leveren. Het is pure ondankbaarheid. Daarom neemt de Heer de luxe van de bescherming weg. Ze moeten maar eens zélf aan de slag in een harde wereld (Jesaja 5, 6):

'Ik maak er nu verwilderde grond van,
niet meer gesnoeid, niet meer gewied,
en bramen en doornstruiken schieten omhoog.
En de wolken geef Ik opdracht
om er niet meer op te regenen.'

De ooit zo prachtige wijngaard wordt een woest landschap. En zelfs het water, de bron van leven, wordt ontzegd. De wijngaardenier is bijzonder kwaad, zo blijkt. Maar de verwoesting zal een einde kennen. De Heer blijft niet kwaad. Er zal nog maar een stronk overblijven van al de wonderlijke pracht van weleer. Maar daaruit zal er nieuwe heiligheid ontspruiten. (Jesaja 6, 13) Jesaja vertelt het Volk van God dat ze in de fout gaan, maar dat er ook hoop is.

Scherpe rand

De teleurstelling verdwijnt niet zomaar. In dit lied staat ze centraal en wordt er geen hoopvol perspectief aan toegevoegd. De randjes worden niet afgerond, ze blijven scherp. Dat zijn we niet gewend. Het is goed om ons eigen doen en laten af te wegen zonder meteen te rekenen op Gods milde goedheid. Dat zou al te gemakkelijk zijn. Wat we verkeerd doen, dan is verkeerd, en dat hebben wij gedaan. Daar moeten we rekenschap van durven te geven. Dat is geen zelfkastijding, het is gewoon eerlijk zijn met onszelf en met de Heer. 

De bescherming van Godswege mag nooit een evident vangnet worden in ons denken en leven. God mag geen donzig kussentje van troost worden dat wij gebruiken wanneer we het nodig hebben en opzij schuiven op andere momenten. Zo werkt het niet. Daarom zingt Jesaja ook dit lied. Het is aan ons om Gods ballade van teleurstelling om te vormen tot een lied van vreugde.

21 september 2026

Echt recht en vals recht (26-27 september 2026)

De dingen zijn niet altijd wat ze lijken. En mensen al helemaal niet. Recht kan krom zijn, en omgekeerd, zo leren we uit de parabel van deze zondag. Soms doen mensen zich beter voor dan ze werkelijk zijn. We zijn vlug misleid. Dat is van alle tijden. Maar Jezus geeft ons een duidelijk richtsnoer. Woorden zeggen niet alles. Ook heel veel mooie woorden volstaan niet. Sta je voor wat je zegt? Breng je het in praktijk? Ben je oprecht van hart? 

Dat God ons, mensen, door en door kent, blijkt uit de parabel die Jezus vertelt aan de hogepriesters en de oudsten. Er hangt veel spanning in de lucht: de Zoon van God spreekt hier de vertegenwoordigers aan van het geloof, in de tempel nog wel. Zij willen Hem ter verantwoording roepen maar ze krijgen een les in bescheidenheid. Ze zijn immers heilig overtuigd van hun eigen grote gelijk. 

Twee zonen

Deze parabel gaat niet over de ideale mens, maar over mensen zoals ze zijn. Een man stuurt zijn eerste zoon naar de wijngaard om er te werken. Die weigert gewoonweg. De man vraagt daarom aan zijn andere zoon hetzelfde. De tweede stemt toe. (Matteüs 21, 28-30) Die laatste lijkt dus de meest sympathieke en gehoorzame zoon te zijn. Hij spreekt niet tegen en geeft het goede voorbeeld. 

Maar... die tweede zoon gaat helemaal niet naar de wijngaard. Weg, zijn voorbeeldig gedrag! Die zoon voegt de daad niet bij het woord en denkt alleen aan zichzelf. Zijn exemplarische antwoord is helemaal niets waard, want het is een holle leegte. En de eerste, die heeft allang spijt van zijn gemene antwoord en gaat juist wél. De dingen zijn niet altijd wat ze lijken. Ziedaar de clou van deze parabel: wie heeft er nu de wil van de vader gedaan? (Matteüs 21, 31a)

Niet smetteloos

De hogepriesters moeten toegeven dat die eerste zoon het goede heeft gedaan: eerst weigerde hij, maar uiteindelijk is hij toch gegaan. (Matteüs 21, 31b) Voor alle duidelijkheid: niemand is voorbeeldig geweest. De eerste heeft inderdaad op de wijngaard gewerkt, maar hij heeft zijn vader wel tegengesproken. Dat had hij niet mogen doen. Zijn daden hebben hem gered.

Jezus verwacht niet dat we een smetteloos parcours afleggen hier op aarde. Dat kunnen wij niet. Hij wil vooral niet dat we doen alsof we dat wel kunnen, zoals de hogepriesters en de oudsten. Zij steunen op hun titels en hun macht om zichzelf geloofwaardig te maken. De mensen moeten het aannemen. Jezus kijkt daar dwars doorheen. Het is slechts valse schijn. Ze leggen de lat voor iedereen veel te hoog en lopen er vervolgens zelf onderdoor.

Valse schijn

Hoewel Johannes de Doper een profeet is, hebben de godsdienstige machthebbers hem niet geloofd. Het kwam hun niet goed uit. Hij zou hun macht kunnen overnemen en het gezag omver kunnen gooien. Het gaat de vooraanstaanden niet om de Heer of om waarheid, maar om zelfbehoud. Het volk gelooft hem, maar zij niet. Zij willen hun positie en hun dure mantel beschermen. Tollenaars en dames van lichte zeden geloven de Doper wel, ze hebben zich bekeerd. (Matteüs 21, 32)

Welnu, die mensen hebben kwaad gedaan, maar ze zullen veel eerder binnengaan in Gods Koninkrijk dan de zelfverklaarde volkomen vertegenwoordigers van het geloof. Dit is een radicale aanval van Jezus: niet uit kwaadheid, niet omwille van de sensatie, maar omwille van de gerechtigheid. Wanneer ze zich afkeren van Gods rechtvaardigheid, dan begaan zíj kromme wegen. Dat moeten ze Gods Zoon niet verwijten, maar zichzelf. (Ezechiël 18, 25) En er vervolgens iets uit leren.

Geloofwaardigheid

Het doet me denken aan een lied van Urbanus, een moderne parabel in zekere zin. Hij heeft een hekel aan madammen met een bontjas. Ze zijn immers gemeen. (Voor het lied: klik hier) Het past niet om dieren te doden voor hun pels, vindt Urbanus. In de plaats van de pels van dieren wil hij liever de huid van die dames verkopen. En dat zingt hij vol overtuiging. Maar wanneer hij rijk zal zijn van de verkoop, dan koopt hij lekker zélf twee dure mantels van stekelvarkensvellen. Dan zal hij een 'meneer' zijn en zijn vrouw een 'madam'. Wanneer je je idealen opoffert voor oppervlakkigheid en zelfverheerlijking, dan verlies je alle geloofwaardigheid.

De wil van de Vader doen: dat is onze missie hier op aarde. Zullen wij daar grote onderscheiding op halen? Wellicht niet. Maar daar gaat het niet om. Perfectie is niet realistisch. Dat kunnen wij niet. God staat in de realiteit, met mensen die vallen en opstaan. Hij kent ons. Laten we dus bescheiden zijn en niet te heilig overtuigd zijn van onze voorbeeldigheid of aanspraak op waarheid. Vals recht is immers nooit echt recht...

14 september 2026

Christelijke loonberekening: de ongelijke vergelijking (19-20 september 2026)

Een jongen heeft de tafel afgeruimd en krijg van papa een snoepje als beloning. Hij is trots, totdat zijn zusje binnenstapt en prompt ook een snoep krijgt. 'Waarom krijgt zij een snoep? Zij heeft toch niets gedaan?', vraagt de jongen verontwaardigd. 'Ik heb mijn snoep verdiend.' Papa legt uit dat hij zijn dochtertje niet wil 'achteruitsteken'. Voor zoonlief klopt het nog steeds niet. In zijn wereld heeft hij nu minder gekregen. Dat klopt niet. Of toch? 

Parabel

Jezus vertelt een verhaal met een diepe grond. Dat doet Hij altijd wanneer Hij het heeft over Gods Koninkrijk. We kunnen het ons helemaal voorstellen. Een landheer zoekt dagloners voor zijn wijngaard en spreekt op voorhand een loon af: één denarie. De dagloners gaan akkoord en vertrekken om er de hele dag te werken. Maar er is zoveel werk en de dagloners volstaan niet, dus gaat de landheer opnieuw op zoek naar werkkrachten. Weer spreekt hij een loon af. Ook zij gaan aan de slag voor de rest van de dag. En het gaat nog eens zo. 

Aan het eind van de dag merkt hij enkele mensen op die niets te doen hebben. Ook hen werft hij aan, al is het maar voor dat éne uur dat er nog gewerkt kan worden. De landheer is tevreden: er zijn heel wat arbeiders bezig wanneer de werkdag op zijn einde loopt. Het lijkt het perfecte landelijke tafereeltje voor een schilderij. (Matteüs 20, 1-8)

Dan is de idylle voorbij. De landheer vraagt zijn rentmeester om iedereen het afgesproken loon te betalen. Hij is een eerlijk man. De werkers van het eerste uur krijgen inderdaad de denarie die afgesproken is. Ze zijn blij en dankbaar, totdat ze merken dat de arbeiders die minder uren hebben gewerkt precies hetzelfde loon ontvangen, zelfs degenen die slechts één uur kwamen werken. De dagloners van het eerste uur zijn verontwaardigd. (Matteüs 20, 9-12) Dat klopt toch niet?

Onrecht?

Een vakbondsafgevaardigde zou wellicht spontaan een staking uitroepen. Wie één uur arbeid verricht wordt twaalf keer beter betaald dan wie de hele dag onder de brandende zon heeft gewerkt. Dat is niet fair: loon naar werken! Toch valt de landheer niets te verwijten: hij heeft de looncondities telkens heel goed afgesproken. Iedereen is één denarie beloofd, dat wat men nodig heeft om één dag te leven. De dagloners worden ongelijk betaald ten opzichte van de gepresteerde uren, maar worden wel gelijkwaardig behandeld. Ze ontvangen allemaal wat ze nodig hebben om te leven.

De denarie staat voor wat je nodig hebt. Zoals we in het Onze Vader bidden om het brood te ontvangen dat we nodig hebben. De genade van God in zijn Rijk is er geen van onnodige rijkdom maar van gelijkwaardigheid. Er zijn geen armen en rijken meer, geen bevoorrechten en benadeelden, enkel volgelingen van Jezus. En wie in Hem gelooft, zal ontvangen wat hem toekomt. (Matteüs 20, 13-14)

Gelijkwaardig

De landheer vraagt terecht of de dagloners niet aan het klagen zijn uit jaloezie. Geld maakt immers jaloers. (Matteüs 20, 15-16) Het is brandstof voor ongelijkheid: wie heeft, die wil nog meer bezitten, en wie tekortkomt, die is minder waard en telt niet mee. Zo werkt onze samenleving. Kansarmen staan aan de rand. Naar rijken wordt opgekeken en ze krijgen meer aanzien. Mensen worden aangetrokken tot hun grote welvaart en streven er zelf ijverzuchtig naar, met alle frustratie van dien.

De arbeiders worden gelijk betaald voor ongelijke uren. Ze krijgen allen wat ze nodig hebben, niet wat ze verdiend hebben. Zo worden ze door de landheer gelijk in waarde. Allen gaan ze met voldoende geld naar huis. Gods gedachten zijn niet onze gedachten, zijn plannen zijn niet de onze. Daarom begrijpen we ze ook zo moeilijk. (Jesaja 55, 8-9) Wij vertrekken vanuit onszelf, onze gedachten en onze prestaties. Gods genade is niet te koop. Het is 'te geef'.

Gelukkig doet God dat zo. We falen zo veel, we maken er vaak een rommeltje van. En toch blijft Hij ons genadig. Het is maar goed dat we niet op basis van ons werk worden vergoed, maar op basis van Gods barmhartigheid, die onze gedachten ver te boven gaat. In zijn ogen zijn we allemaal evenveel waard: de eerste zoveel als de laatsten. Laten we de Heer zoeken, nu Hij zich laat vinden. (Jesaja 55, 6) En laten we vooral niet te veel roemen op onze eigen prestaties ten koste van anderen. Zijn onze prestaties werkelijk zo roemenswaardig?