Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Een brandend hart (19 april 2026).

07 april 2026

Beloken Pasen: Hoop tegen de rede in (11-12 april 2026)

De luiken van de Paasweek gaan weer dicht: beloken Pasen. Deze week van feestdagen eindigt met de apostel Tomas die weigert om zomaar aan te nemen dat Jezus aan de andere leerlingen is verschenen. Jezus is in het graf gelegd, punt. Alle hoop is verloren in de ogen van Tomas. Er is enkel nog verdriet en pijn. Tomas wordt 'de ongelovige' genoemd, omdat hij de wonden van de Heer wil voelen vooraleer hij kan geloven dat Jezus leeft en verschijnt aan hen. Geloven gaat voorbij het tastbare. Dat maakt het tot een uitdaging voor iedere mens. We kunnen veel leren van Tomas...

  • Voor de lezingen van Beloken Pasen A: klik hier.

Gerustgesteld

Op de avond die Paasdag afsluit, wordt een klein verhaal verteld bij Johannes. Het is heel intiem van opzet en emotioneel geladen. Dit is wat er gebeurt. De leerlingen hebben de ramen en deuren gesloten. Ze zijn bang voor de Joden. Jezus verschijnt plots onder hen en Hij zegt: 'Vrede zij met jullie!' (Johannes 20, 19) Hij toont hun de wonden op zijn handen en zijn zijde. (Johannes 20, 20a) Er is geen twijfel: dit is Jezus. Hij herhaalt zijn vredesboodschap en zendt de leerlingen, zoals de Vader Hem heeft gezonden. Daarna blaast Hij de heilige Geest over hen. (Johannes 20, 21-22)

Wanneer Jezus weer weg is, blijft er een blijheid achter bij de leerlingen. (Johannes 20, 20b) Ze voelen zich gerustgesteld en bevestigd. Ze zijn dankbaar dat ze de Heer mogen zien. De blijheid wint het van de angst, onzekerheid en droefheid. Ze hoeven niet meer te huilen: alles komt goed. Dat is de boodschap die Jezus hun brengt. Eén leerling is niet aanwezig op dat moment: Tomas.

Sombere tweeling

We leren Tomas kennen als een apostel die in het Grieks 'tweeling' wordt genoemd: Didymus. Misschien is hij de tweelingsbroer van de apostel Matteüs, de tollenaar: ze worden in de evangeliën immers telkens samen vernoemd. (Matteüs 10, 2-4 - Marcus 3, 16-19 en Lucas 6, 13-16) 

Tomas lijkt eerder somber van gedachten te zijn. Wanneer Jezus naar Lazarus toe wil gaan, brengen de leerlingen in dat het gevaarlijk is: misschien wordt Hij wel gestenigd. (Johannes 11, 7-8) Tomas zegt tegen de leerlingen: 'Laten wij gaan om met Hem te sterven.' (Johannes 11, 16) Dit kan als dapperheid gezien worden, maar wellicht is het eerder een uiting van angst en radeloosheid. Wat als Jezus inderdaad wordt gestenigd, daar in Betanië? Dan is alles verloren!

Enkele hoofdstukken verder bemoedigt Jezus zijn leerlingen: ze moeten hun vertrouwen stellen in de Vader en in Hemzelf. Hij gaat weldra terug naar zijn Vader maar Hij zal een plaats voor hen gereedmaken en zal terugkomen om hen mee te nemen. Ze kennen immers de weg. (Johannes 14, 1-4) Bij Tomas slaat de opnieuw de angst toe: 'We weten niet waar U heen gaat, Heer. Hoe zouden we dan de weg daarheen kennen?' (Johannes 14, 5) Er klinkt wanhoop in de opmerking van Tomas.

Twijfelaar

Tomas lijkt erg bang te zijn om Jezus te verliezen uit hun midden. De Heer brengt zekerheid en vertrouwen in het leven van de apostel. Zonder Hem is hij verloren. En Jezus sterft inderdaad aan het kruis en wordt in het graf gelegd. Dat graf blijkt met Pasen leeg te zijn. Nu leren we Tomas kennen als een twijfelaar, een kritische zoeker. Waar hij voor heeft gevreesd, dat is gebeurd. 

Tomas lijkt een manier te zoeken om met dit enorme verlies om te gaan. Hij heeft Jezus vol overgave gevolgd, en nu is hij zijn Meester kwijt. Alles lijkt verloren nu. Tomas zoekt misschien de zekerheid en het vertrouwen waar hij zo'n heimwee naar heeft. Waar is de tijd dat hij alles achterliet om Jezus te volgen en vol bewondering naar Hem te luisteren.

Ongeloof

De leerlingen vertellen hem dat ze Jezus hebben gezien. Plots verscheen de Heer onder hen, toen Tomas weg was. (Johannes 20, 25a) Hij zegt resoluut: 'Alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie en met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zijde kan leggen, zal ik het geloven.' (Johannes 20, 25b)

Tomas stelt zich duidelijk kritisch op. Misschien was de verschijning een zinsbegoocheling, een spiritueel fata morgana. Ze wilden Hem zo graag nog even zien: dàt is het misschien geweest. Maar Hij is gestorven en begraven: de feiten spreken voor zich. Dat het graf leeg blijkt te zijn, komt in Tomas' denken wellicht doordat de Joden het lichaam hebben weggenomen. Een laatste daad van wraak. Dat dacht Maria van Magdala trouwens ook, toen ze het lege graf zag. (Johannes 20, 1-2) En daarmee is alles weg, werkelijk àlles.

Al wat nodig is

Is Tomas werkelijk ongelovig, zoals de traditie hem zo streng labelt? De somberheid en de rede weerhouden hem ervan te geloven en te vertrouwen. Wellicht is hij diep gekwetst. Is Tomas daarin niet gewoon menselijk? Hij lijkt zichzelf te willen beschermen. Daarom wil hij Jezus kunnen zien en voelen vooraleer hij er zelfs maar aan wil denken om de leerlingen te geloven. Hij wil niet nog eens teleurgesteld worden. Jezus is niet kwaad op Tomas. Een week later krijgt de apostel de gelegenheid om Jezus te ontmoeten en zijn wonden te voelen en eindelijk gelooft hij wat de andere apostelen hem hebben verteld.

Eigenlijk brengt Jezus vooral met zijn vredewens wat Tomas nodig heeft, veel meer dan met het voelen van de wonden. Vrede heeft Tomas van doen: vrede in zijn hart om zich opnieuw open te kunnen stellen voor het liefdevolle mysterie dat God is. Waar vrede is, daar is hoop. 

En wij?

Tomas herkent Jezus en roept uit: 'Mijn Heer en mijn God!' (Johannes 20, 29a) Wat moet hij zich schamen voor zijn twijfel en zijn uitval tegen de anderen. Wat moet hij zich schamen tegenover Jezus. Tomas krijgt geen uitbrander van Jezus. Wel merkt Jezus op: 'Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.' (Johannes 20, 29b) Want dat is christen zijn vanaf dan: niet zien en toch geloven. Hopen tegen de kille rede in, niet vluchten voor wat ons denken overstijgt en ons menszijn verheft.

Daarmee eindigt het Johannesevangelie. De evangelist sluit af met de hoop uit te drukken dat we geloven dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en dat we door te geloven leven ontvangen in zijn Naam. (Johannes 20, 31) Niet langer door Hem te ontmoeten als mens en Hem te volgen zoals de leerlingen destijds. Die wonderlijke tijd is voorbij en sluiten we liturgisch af met Pasen. Nu gaan we op weg naar Pinksteren, naar een nieuwe manier van volgeling zijn: in de Geest, die de leerlingen bij Johannes ontvangen bij de eerste verschijning, op de avond na Pasen. 

Langs Tomas leren we dat we zoekend zijn. We zoeken soms een schuilplaats in weten en zien en voelen. Maar geloven betekent ten diepste dat je je vertrouwen stelt in de Heer, die je niét zomaar zien kan, niet proefondervindelijk bewijzen kan. De Geest is onze Steun en onze Kracht daarin: God, werkzaam in ons.

05 april 2026

Pasen: een nieuw begin (5 april 2026)

Pasen markeert een nieuw begin. Het oude is voorbij. Voorbij het gemis en het verdriet om Jezus die in het graf is gelegd. Voorbij de wonderlijke verkondigingstocht doorheen het land. Voorbij ook het dramatische einde. Een nieuw begin vangt aan. Het graf is leeg, de Heer is niet dood. Het verhaal is niet gedaan, het begint pas!

Maria van Magdala

Vroeg in de morgen gaat Maria van Magdala naar het graf van Jezus. Het is nog donker. (Johannes 20, 1a) De nacht trekt nog weg achter de einder. Ze wil bij Jezus zijn. Zijn dood heeft haar diep getroffen. Maria van Magdala klampt zich vast aan het enige tastbare van Hem op aarde, na al die tijd van meetrekken met Hem. Ze heeft Hem steeds bewonderd. Wat Hij zei of deed, was waarheid.

Haar ontsteltenis is groot wanneer ze het graf nadert en merkt dat de zware sluitsteen is weggenomen. Het graf is geopend... (Johannes 20, 1b) De rustplek van Jezus is geschonden, en Jezus is weggehaald uit het graf! Waarheen hebben ze Hem meegenomen? En wie heeft dit gedaan? Helemaal overstuur rent Maria van Magdala weg en haast zich naar Petrus en de geliefde leerling. (Johannes 20, 2) 

Twee leerlingen

De twee leerlingen lopen naar het graf en zien wat Maria van Magdala hun heeft verteld. De zware steen die het graf afsloot, is weggerold en in het graf liggen de linnen doeken waarin Jezus was gewikkeld. (Johannes 20, 3-8) Wat ze zien is geen hersenschim, geen hallucinatie. Jezus, die gestorven is aan het kruis en in het graf is neergelegd, is niet meer in het graf. Wat er gebeurd is, dat weten ze niet. Maar ze zien wel wat ze zien.

Nochtans heeft Jezus hen willen voorbereiden op deze dag, wanneer Hij sprak over de tempel die in drie dagen heropgebouwd zou worden (Johannes 2, 19-22) en over de graankorrel die in de aarde sterft om nieuwe vruchten voort te brengen (Johannes 12, 24). Ondubbelzinnig was Jezus toen Hij tegen Marta zei: 'Ik ben de Verrijzenis en het Leven.' (Johannes 11, 25a) 

De Kerk

De dood van Jezus heeft de leerlingen angstig gemaakt en verward. Ze staan er nu alleen voor. Hun Meester is gevangengenomen, veroordeeld en gedood. En nu is zijn Lichaam zelfs weg! Dat terugplooien op zichzelf is eigenlijk compleet misplaatst. Daar zal de Heer hen weldra langs verschijningen en tekenen op wijzen. Hebben ze wel aandachtig geluisterd naar Jezus' woorden? De leerlingen zijn helemaal niet zielloos achtergelaten, integendeel. Weldra zal God werkzaam worden in hen. 

De Verrijzenis is geen schouwtoneel met klank- en lichteffecten. Niemand aanschouwt de verrijzenis van Jezus. Ze zien dat de opsluiting van de dood is ontsloten. In alle stilte. De Verrijzenis is een stille kracht. Er ontspruit zonder woorden nieuwe hoop uit de vergankelijkheid. Het lijden is niet betekenisloos geweest. De doeken zijn opzijgelegd. Het graf is leeg. Hoewel de leerlingen het nieuwe begin nog moeten inzien, mogen wij al de vreugde uit ons hart laten klinken: "De Heer is waarlijk verrezen! Alleluia!". En ook voor ons blijft de Verrijzenis een mysterie.

En wij

Tegelijk beseffen we dat geloven uiteindelijk geen theatraal en bombastisch gebeuren is. Het is een vreugde die zich uit in kleine daden en tekenen, in liefde die blijft, in goedheid tegen het sarcasme in. Gods Liefde is grenzeloos en gaat ver buiten ons menselijke verstaan. Dat blijkt nog maar eens aan het graf. Maria van Magdala en de leerlingen begrijpen niet wat er is gebeurd, al hebben ze zo aandachtig geluisterd naar Jezus' woorden.

Er is hoop, er is een nieuw begin met Pasen. Christus is opgestaan en het Nieuwe Verbond kan gesloten worden. Met de steen die is weggerold, is dat Verbond werkelijkheid geworden. Wij leven in de tijd van het Nieuwe Verbond. Laten we dus dankbaar zijn en blij dat God ons nabij blijft! En laat die vreugde ons aanzetten tot daden van naastenliefde...

03 april 2026

Stille Zaterdag: Suggestie om je gebed mee aan te vangen (4 april 2026)

Een passende vorm om je dagelijks gebed mee te beginnen op Stille Zaterdag:


Hoe lang nog moeten wij wachten op U? (Psalm 13, 2)

     Keer U niet af van ons, Heer onze God. (Psalm 69, 18)

Hoe lang nog moeten wij wachten op U?

       Kom toch terug, God, herstel ons in ere. (Psalm 80, 8)

Hoe lang nog moeten wij wachten op U?

     Toon uw erbarmen, kom ons tegemoet. (Psalm 85, 8)

Hoe lang nog moeten wij wachten op U?

      Wees hier aanwezig, Heer, (kruisteken) dat wij herleven. (Psalm 69, 19-20) 

 

02 april 2026

Goede Vrijdag: Golgota toen en nu (3 april 2026)

Jezus heeft het onrecht ondergaan, 
totterdood. 
Hij heeft het niet goedgepraat. 
Het moest zo zijn. 
Waarom? 
Omdat mensen zo zijn. 
Mensen kunnen elkaar de hel aandoen. 
Het kwaad waartoe mensen in staat zijn, 
overstijgt de meest ijzingwekkende verbeelding. 

In het contrast 
tussen wat naar Gods genade verwijst 
en wat naar menselijke genadeloze vernietiging leidt, 
daar staat de kernboodschap van Goede Vrijdag. 

Mensen kunnen wreed zijn voor hun medemensen. 
Honger. Onrecht. 
Hufterigheid. Afschuw. 
Marteling. Leedvermaak. 
Verkrachting. Dood. 
Duisternis. 
Alles wat het Licht niet verdraagt. 
Dat is Golgota.

Goede Vrijdag is een open wonde, 
een scherpe pijn 
om wat niet zou mogen gebeuren. 
Het zijn tranen die genegeerd worden, 
die in redevoeringen of scheldtirades 
goedgepraat worden 
door een mens die zichzelf god waant 
en die daarin wordt toegejuicht 
door een volgzame meute. 

Frustratie, jaloezie, 
ergernis, kortzichtigheid: 
dat is wat de farizeeën 
bij het volk hebben aangewakkerd en aangestookt. 
'Kruisig Hem!'
Het is van alle tijden. 
Helaas.

30 maart 2026

Witte Donderdag: samen maaltijd vieren, samen Kerk vormen (2 april 2026)

Witte Donderdag is een bijzondere dag. We gedenken de symboolhandelingen van Jezus met zijn leerlingen, die ons tot op vandaag inspireren langs de eucharistie. Jezus geeft Zichzelf als teken van het Nieuwe Verbond: zijn Lichaam en zijn Bloed. De dag is feestelijk maar tragisch tegelijk. Inhoudelijk wordt daarnaast nog een kernsymbool aangereikt, namelijk de voetwassing. In het verlengde daarvan is heel veelzeggend: de (spreekwoordelijke) uitnodigingslijst voor het Laatste Avondmaal. Daarom kan het Laatste Avondmaal veel betekenen voor de authenticiteit van ons christenzijn. 

  • Voor de lezingen van Witte Donderdag: klik hier.

Symboliek

Op een feestelijke gelegenheid komen mensen bijeen om te eten en samen te zijn. Het Laatste Avondmaal is zo'n feestelijke maal van Jezus met zijn leerlingen. Ondanks de context van de Goede Week, herdenken we absoluut geen rouwmaaltijd. Er is wel een bromtoon van verraad en van verandering. De symboliek die Jezus introduceert in Brood en Wijn is een sacramentele genadegave waaraan wij ook nu nog deel mogen hebben. Deze maaltijd staat in een traditiePesach viert traditioneel de redding uit Egypte en het sluiten van een Verbond tussen God en mensen. Deze viering krijgt een heel nieuwe betekenis, waar de kern van ons christelijke geloof mee vasthangt. Het geschonden Verbond van weleer wordt hernieuwd en verbonden aan de gedachtenis van Christus' Lichaam en Bloed. 

Het Laatste Avondmaal is een moment van sacrament en evenzeer van inclusie. Eigenlijk zou dit laatste inzicht even belangrijk moeten zijn. Jezus weet dat Judas Hem zal verraden. Toch is hij ook op deze Maaltijd aanwezig. Ook Judas, ondanks zijn zwakheid, maakt deel uit van de heilsgeschiedenis. (Matteüs 26, 21-25) Trouwens, Petrus zal Jezus weldra verraden en doen alsof hij Hem nooit heeft gekend. (Matteüs 26, 31-35) Ook hij mag mee aan tafel. Mensen hebben hun gebreken, allemaal. Niet dat typeert hun in Gods ogen, maar wel de oprechtheid en goede bedoelingen in hun geloof. Zelfs tot in de mate dat ze het vertwijfeld dreigen te verliezen, zoals Judas, of dat ze het onder druk angstig ontkennen, zoals Petrus. Bij uitbreiding heeft dus iedereen deel aan Gods feestmaal, iedereen die gelooft in de Heer. 

Uitnodiging

Verdeeldheid scheppen uit ijverzucht, zelfverheerlijking en zwakte: het zijn betreurenswaardige menselijke houdingen. God kent onze zwakheden. Ze hoeven ons overigens niet te typeren. Zijn we van goede wil en streven we oprecht geloof na? Dat is wat er toe doet, daarin bevestigen we het Nieuwe Verbond. Dat wordt duidelijk op Witte Donderdag, wanneer Jezus met zijn leerlingen maaltijd houdt. 

De uitnodiging om de instelling van het Nieuwe Verbond mee te gedenken gaat uiterst breed, en gaat gepaard met grote mildheid, groter dan een mens zou kunnen opbrengen. Wellicht is dat de essentie van Christus te volgen, en bijgevolg ook de grootste uitdaging voor een mens. Maar wellicht is dat ook de achilleshiel van het geloof: een mens zal nooit zo barmhartig kunnen zijn als God zelf. Er liggen zoveel verleidingen op de loer, zoals zelfzucht, eerzucht en machtszucht. Naar God zou onze liefde, eer en macht moeten gaan. En God ontmoeten we langs onze naasten.

Voetwassing

De kleinsten en de zwaksten horen centraal te staan in onze wereldwijde geloofsgemeenschap. De mensen waarop wordt neergekeken, die gemarginaliseerd worden en nagewezen: zij hebben bij uitstek deel aan het Nieuwe Verbond. De dienstbaarheid en zorg voor naasten wordt nogmaals in de verf gezet bij het laatste samenzijn van Jezus met zijn leerlingen. Die dienstbaarheid is immers dienst aan God. (Matteüs 25, 31-46) Naastenliefde is eredienst.

Dit kan Jezus niet genoeg benadrukken, en daarom giet Jezus deze grondhouding in een krachtige symboolhandeling: Hij wast de voeten van zijn leerlingen. Petrus protesteert aanvankelijk: de Messias hoeft dat toch niet te doen? Maar grootheid uit zich juist in bescheidenheid, in het stellen van kleine daden. (Johannes 13, 1-17) Hebben we ooit de werkelijke omvang begrepen van Christus' bedoeling met dit symbool?

Naaste in God

De kern van ons geloof ligt niet in het vrijwaren van een strenge leer maar in het beleven en beoefenen van de liefde voor God langs de aandacht voor onze naasten. Daarom doet de Zoon van God het meest nederige werk: vuile voeten schoonwassen. Hij wast het stof en vuil van de aarde af van de voeten van zijn leerlingen. Deze handeling verscheurt de menselijke regel dat grote heren geen nederig werk doen. Dat is denken in standen en in ongelijkwaardigheid. In de ogen van God is iedereen gelijkwaardig. Of beter: even menselijk.

'Non triumphalismus!', liet kardinaal Suenens klinken in de schoot van het Tweede Vaticaans Concilie. Laten we ons geloof dus niet verliezen in sierlijke grootdoenerij. 'Buiten de kwetsbaarheid is er geen redding': zo mogen we de insteek van Johannes XXIII bij het openen van dat concilie eigenlijk samenvatten. Niet in starre trots of machtsvertoon, maar in nederigheid dienen we God werkelijk. De Kerk mag nooit een nostalgisch eiland worden, nooit een zelfvoldane elite. Ze moet vóór alles een gemeenschap zijn die uitblinkt in dienstbare zorg voor alle naasten. En die Kerk, dat zijn wij allemaal. Jij en ik. Daarom kan de Kerk ook nooit 'iets van vroeger' zijn. Kerk zijn, dan doén we. Hier en nu.

Op Witte Donderdag kijken we het lijden en sterven van Christus recht in de ogen, en daarmee ook de verrijzenis die erop volgt. Vanuit dit mysterie krijgt Kerk-zijn vorm, en vooral dan in het erkennen en herkennen van lijden - lijden dat Jezus zelf heeft doorgemaakt - en in het zorg dragen voor wie lijdt. In het opnemen van de kleinste en gewoonste taken om elkaar dienstbaar te zijn. Want in de zorg voor anderen hebben we God lief: 'Ubi caritas et amor, Deus ibi est.'

23 maart 2026

De polemiek van de Passie (28-29 maart 2026)

Palmzondag is een  zonevreemd element aan het einde van de Veertigdagentijd. Er wordt vrolijk gezongen, de Heer wordt lof gebracht, terwijl de Veertigdagentijd juist zo getypeerd wordt door stilte en ingetogenheid en bezinning. De vreugde van Palmzondag is echter niet zorgeloos. Met Palmzondag vieren we tegelijk ook Passiezondag. De blijde intocht van Jezus in Jeruzalem gaat gepaard met het herdenken van Jezus' lijden. We horen twee evangelieteksten. 

  • Voor de lezingen van Palm- en Passiezondag A: klik hier.

De climax van de Veertigdagentijd is ingezet. Na een periode van bezinnen, bidden en overwegen, van stilstaan bij geloofsonderwerpen en aandacht voor naastenliefde, gaat de liturgie in een rechte lijn vooruit: de Goede Week. Het is een week van hoogten en laagten, een polemiek die meteen al op Palmzondag voelbaar is. Jezus verkondigt de blijde Boodschap en krijgt steeds meer gehoor, maar zijn woorden wekken ook grote woede op. 

Liturgische fusie

Palm- en Passiezondag is een soort liturgische fusie van twee zondagen uit de tridentijnse liturgie. De week vóór Palmzondag werd het lijden van Christus eerst herdacht op Passiezondag. De lezingen en gezangen stonden in het teken van pijn en lijden, van onrecht en kwaad. In een wat onhandige vertaling van psalm 129 - uit het Hebreeuws, langs het Grieks naar het Latijn - werd vlak voor het evangelie in het 'Tractus' zelfs gezongen dat 'de rechtvaardige Heer de zondaars de nek heeft overgesneden'. In onze huidige vertaling hebben we het over 'de Heer die de riemen van de ploegers doorsnijdt'. 

Het lijden was op Passiezondag aan alles voelbaar. De heiligenbeelden en kruisbeelden werden gesluierd: ze werden met paarse doeken bedekt tot na Goede Vrijdag, om de menselijkheid van de lijdende Jezus te beklemtonen en de 'verborgenheid' van zijn goddelijkheid. De Passiezondagviering was opgebouwd rond de Schriftgeleerden, de farizeeën en de menigte die Jezus met de dood bedreigen, wat een roep om rechtvaardigheid deed opwellen al vanaf de intredezang: 'Judica me', of: verschaf mij recht. (Psalm 43) Jezus heeft geleden en heeft met het kruis ook de zonden van de mensheid gedragen. Tegen de zondigheid en de heidenen richten zich de liturgische pijlen van de klassieke Passiezondag. Het is mooi in zijn eenvoud, maar de nuance ontbreekt.

Vreugde en verdriet

In onze huidige liturgie is gekozen om het lijden en de verheerlijking samen te vieren. Het lijdensverhaal is het 'lang' evangelie, maar bij de intrede wordt de intocht van Jezus in Jeruzalem voorgelezen. Hij wordt vorstelijk onthaald maar gaat zijn kruisdood tegemoet. Die polemiek typeert onze Palmzondag: bescheiden blijheid en verdriet. Er klinkt zowel 'Hosanna in den hoge' (Matteüs 21, 9) als 'Aan het kruis met Hem!' (Matteüs 27, 22-23)

Zo is het lijden van Jezus geen geïsoleerd thema, maar hangt het samen met het gegeven dat Hij volgelingen had en dat zijn Boodschap niet door iedereen werd verguisd. Dat is immers ook de teneur in de evangelieverhalen in de aanloop naar het lijden: geloof en verwerping, groeiende bewondering en toenemende woede. Die polemiek hoort bij Palmzondag. De spanning stijgt: de leerlingen komen steeds dichter bij hun Redder en de tegenstanders smeden plannen om Hem te doden. 

Met Hem

Het is die spanning die de toon zet voor de Goede Week. En dit is, ondanks de sterke dramatiek, geen 'slechte' week: de uitkomst zal vreugde zijn. Dat vieren we met Palm- en Passiezondag: dat we Jezus mogen verwelkomen als onze heilige Koning, dat we Hem enthousiast en vol verwondering mogen toejuichen. (Matteüs 21, 9-11) Tegelijk worden we uitgenodigd om zijn weg van de droefheid, van pijn en leed mee te gaan, zijn kruisweg.

We hoeven ons de mond niet te laten snoeren. Laat de uitbundige vreugde om ons geloof maar klinken. En in het blije 'hosanna' zelf zit trouwens al een laag van droefheid. Wellicht riepen gevangenen dit oorspronkelijk: "O, red mij toch!" Een roep om genade is doorheen de tijd uitgegroeid tot een uitroep van vreugde en bevrijding. De beide lagen komen terug in de roep van de mensen die Jezus 'Hosanna!' scanderen: ze juichen om Hem, maar vragen hun Messias tegelijk om redding

Een processie van mensen brengt hulde aan de Messias: "Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer! Gezegend is het komende koninkrijk van onze vader David! Hosanna in de hoogste hemel!" (Marcus 11, 9b-10) Deze vreugde voor de ogen van de farizeeën is een triomf, (Johannes 12, 19) maar enkele dagen later zal de wrok en de haat even luid schreeuwen: ziedaar de polemiek van de Passie.

In de musical 'Jesus Christ Superstar' (geschreven door Tim Rice en op toon gezet door Andrew Lloyd Webber in 1973) komt deze dubbelheid duidelijk aan bod bij de intrede in Jeruzalem. De vreugde weerklinkt in het creatief spel met het woord 'hosanna' en in de bijna extatische menigte, maar de reactie van de gedegouteerde farizeeën, die vanop de stellingen van de bijna afgewerkte tempel op Jezus neerkijken, is heel duidelijk. Een merkwaardige passage is de vraag van de menigte of Jezus voor hen wil sterven, met een kort stilstaand beeld. Voor het fragment: klik hier.

Een gezegende Palm- en Passiezondag!

17 maart 2026

De wonderlijke vooruitblik (21-22 maart 2026)

Lazarus, de broer van Marta, is heel ziek. Ze laat daarom een boodschap overbrengen naar Jezus. Met zijn leerlingen blijft Hij nog twee dagen waar Hij is, en daarna vertrekt Hij naar Betanië. Hij loopt het risico gestenigd te worden - de Joden hebben er al meermaals mee gedreigd - maar dat houdt Hem niet tegen. Zijn vriend Lazarus zal Hij bezoeken, samen met de leerlingen. Dit verhaal zit vol parallellen met de climax van de evangelieverhalen: het lijden, sterven en verrijzen van de Heer.

  • Voor de lezingen van de vijfde zondag in de Veertigdagentijd A: klik hier.

Goede Vrijdag

We moeten dus even vooruit in de Veertigdagentijd, naar Goede Vrijdag, de dag waarop herdacht wordt dat de Mensenzoon moest lijden en stierf aan het kruis. Dat lijden heeft Jezus tijdens zijn verkondiging voorspeld. Hij wordt gegeseld, bespot en veroordeeld, en moet zijn kruis dragen tot aan Golgota om vervolgens gekruisigd te worden. Goede Vrijdag draagt een wreedheid in zich. Jezus lijdt doorheen dit hele verhaal, totdat Hij uitgeput sterft. (Johannes 19) Jezus maakt het menselijke leed door tot het uiterste toe. En zijn hemelse Vader komt niet tussenbeide. Nergens, gedurende die hele dag. Het moet zo gebeuren. Midden in het lijden is het niet duidelijk, maar uiteindelijk zal God verheerlijkt worden door dit lijden. Jezus, de Zoon van God, wordt opgeofferd als Paaslam, om een nieuw begin te maken: het Nieuwe Verbond tussen God en zijn Volk.

Laten we even kijken naar wat Lazarus overkomt. Hij is erg ziek, zo zegt Jezus duidelijk. (Johannes 11, 4a) Langs zijn lijden zal hij God en de Zoon eer brengen. (Johannes 11, 4b) Zijn lijden krijgt een bovenmenselijke betekenis. Mensen zullen tot geloof komen door het teken dat Jezus zal stellen. (Johannes 11, 15) Lijkt dit alles niet erg op Goede Vrijdag? Het verhaal van Lazarus is een opmerkelijk verhaal.

Pasen

We kijken verder vooruit, naar de Paasmorgen: de vrouwen ontdekken dat het graf van Jezus leeg is. De steen is weggerold en zijn zweetdoek ligt er nog. Ze zien Jezus niet verrijzen, de doeken en het bezoek van twee engelen zijn het onweerlegbare getuigenis. (Johannes 20, 1-13) Maria van Magdala weent bij het graf en wordt dan door de Verrezene aangesproken. (Johannes 20, 15-20)

Bij Lazarus is het zijn zus Marta die een hoofdrol toebedeeld krijgt. Merk op: het is opnieuw geen apostel. In haar gesprek met Jezus wordt de weg naar Pasen vrijgemaakt. Jezus weet dat Lazarus dood is. (Johannes 11, 11-15) Marta komt Jezus tegemoet wanneer Hij in Betanië aankomt. Ze begroet Hem met een tweeledige boodschap: ‘Als U hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik dat God U alles zal geven wat U vraagt.’ Marta geeft aan dat Jezus eerder had kunnen komen. Het is niet duidelijk of ze het Hem ook verwijt. Misschien veronderstelt ze dat Jezus in zijn wijsheid wel zijn redenen daartoe zal hebben. Radeloos is ze niet: ze weet dat Jezus wonderen verricht in Gods Naam. (Johannes 11, 20-22)

Geloof en twijfel

Jezus antwoordt meteen: ‘Je broer zal uit de dood opstaan.’ (Johannes 11, 23) Marta belijdt in haar antwoord haar geloof dat haar broer zal verrijzen op de laatste dag. (Johannes 11, 24) Nu nodigt Jezus Marta uit om haar geloof een stap hoger te verheffen. Hij zegt onomwonden: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, en ieder die leeft en in Mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?’ (Johannes 11, 25-26) En dat bevestigt zij terstond: ‘ik geloof dat U de Messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’ (Johannes 11, 27) Dit is een gesprek met een bijzonder hoog theologisch gehalte, dat eindigt met een kort maar krachtig credo van Marta. 

Ook Maria spreekt Jezus aan: de zus van Marta, die Jezus met olie zal zalven en zijn voeten met haar haren zal afdrogen. (Johannes 11, 2 en 12, 3) Dat beschrijft de evangelist in het volgende hoofstuk. De volgende keer dat Jezus gezalfd zal worden, is na zijn dood. (Johannes 19, 39-41) Daar alludeert Jezus trouwens op wanneer Judas Iskariot hem erop aanspreekt. (Johannes 12, 7)

Terug naar Lazarus. Maria merkt hetzelfde op als haar zus Marta: ‘Als U hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn!’ (Johannes 11, 32b) Kwaad of nijdig is ze niet: ze werpt zich aan haar voeten. Wellicht is ze radeloos en begrijpt ze niet waarom Jezus zo lang wegbleef. (Johannes 11, 32a) Op vraag van Jezus wordt de steen van het graf weggerold en Lazarus komt naar buiten, nog met wikkels rond zijn handen en voeten en rond zijn gezicht. Lagen Jezus' wikkels niet opgerold in het lege graf? (Johannes 20, 6-7) De doeken die met de dood zijn verbonden, vertellen het wonder van het Leven.

Emotie

Jezus ziet de tranen van Maria en het gejammer van de mensen rondom hen. Er worden emoties van Jezus benoemd, wat heel zeldzaam is in de evangelieteksten. Hoe ze geïnterpreteerd mogen worden, is niet zo duidelijk. De eerste uiting van Jezus zouden we spontaan vertalen als diep ontroerd, maar het kan evenzeer een geërgerd morren uitdrukken ('enebrimesato' in het Grieks: ontroerd zuchten, grommen, streng reageren). De tweede uiting is agitatie vanbinnen, die niet veruitwendigd wordt ('etaraxen he-auton' in het Grieks: van streek zijn vanbinnen, inwendig ontsteld zijn). We weten eigenlijk niet goed of Jezus verdrietig is met de anderen of zich juist ergert aan hun gedrag. Wel weten we dat Hij geëmotioneerd is. (Johannes  11, 33)

Wanneer ze bij het graf van Lazarus aankomen, huilt Jezus zacht ('edakrusen' in het Grieks: tranen laten, zacht huilen). (Johannes 11, 35) Kort maar krachtig. Maar waarom weent Hij? Hij weet toch dat Lazarus weer zal leven? Huilt Hij om zijn eigen dood in het verschiet? Huilt Hij omdat de mensen niet in Hem geloven? Misschien huilt Jezus gewoon om de dood van Lazarus. Daar hoort verdriet bij. 

Leed

De dood van Lazarus is essentieel in dit verhaal. Hij kan niet opgewekt worden als hij enkel een dutje aan het doen is. Daarom corrigeert Jezus de leerlingen wanneer die zijn woorden verkeerd interpreteren in die richting. Lazarus slaapt niet, hij is wel degelijk gestorven. (Johannes 11, 11-15) Het leed is echt, vandaar dat Jezus ook huilt om Lazarus.

Maar net als Jezus' eigen dood is ook de dood van Lazarus niet het sluitstuk. Met Pasen zal het menselijk lijden ineens tot Goddelijke overwinning verworden. Dat is de vooruitblik die we in de opwekking van Lazarus zien. Zo wordt meteen de menselijke én de goddelijke kant van Jezus getoond, bij Lazarus en tijdens het heilig Triduüm. 

Drie trappen 

Via Marta krijgen we een bijzonder inzicht in de drie trappen van ons geloof in Christus. Ze gelooft in God, ze aanvaardt in de Heer haar Meerdere. Vervolgens spreekt ze haar geloof in de verrijzenis uit. Dat is een veel complexere geloofsinhoud: het is geloven dat het leven niet eindigt na ons aardse bestaan en dat we opstaan uit de dood wanneer God terugkomt. Tegelijk blijft het nog vrij theoretisch en abstract. Heel specifiek wordt het wanneer Christus de centrale plaats krijgt in je geloof: Jezus is de Verrijzenis is en het Leven.

'Geloof je dat?' Jezus vraagt het aan Marta, en langs de evangelist ook aan ons. Geloven wij dat? Durven wij te geloven tot voorbij onze denkconcepten? Durven wij ons geloof open te stellen voor Gods ultieme heilsplan? Geloven wij in het Nieuwe Verbond dat God langs Jezus' lijden, dood en verrijzenis sluit met de mensheid? De opstanding is geen figuurlijk verhaal dat herleid kan worden tot een vlot verteerbare symboolwaarde. Het is een kernthema in ons geloof, dat niet onderschikt mag worden aan onze rede. Kunnen wij dit geloofsmysterie aannemen? Het wordt tijdens de eucharistie verkondigd tijdens het eucharistisch gebed, vlak na de instellingswoorden: 'Heer Jezus, wij verkondigen uw dood en wij belijden tot Gij wederkeert, dat Gij verrezen zijt.'

Via Lazarus krijgen we een vooruitblik op het heilig Triduüm, dat na halfvasten plots snel dichterbij komt: Goede Vrijdag en Pasen. Langs de opwekking van Lazarus geeft Johannes ons een wonderlijke inkijk, een mysterieuze vooruitblik op de passie van de Heer. Geloven wij dat Jezus de Messias is, de Zoon van God en onze Redder? Zijn we klaar om weldra Pasen te vieren?

09 maart 2026

'Maar dat mag niet!' (14-15 maart 2026)

Wanneer mensen hard drukken op het feit dat iets 'de enige echte waarheid' is, dan betreft het vaak iets waarvan ze vooral wíllen dat het waar is. Dat is van alle tijden. Jezus wandelt langs een man die blindgeboren is. Prompt wordt de man genezen en hij ziet voor het eerst. Dit is een bijzonder verhaal, dat echter pas werkelijk begint wanneer de man genezen is.

  • Voor de lezingen van de vierde zondag in de Veertigdagentijd C: klik hier.

Argumenten en visie

Er bestaat een verhaal over een missiepater die in een parochie langsging voor een stevige donderpreek. Angst scheen de goede zeden te bevorderen. Hij had - in het Frans - enkele aanwijzingen in de kantlijn toegevoegd met als bedoeling de opbouw van zijn preek kracht bij te zetten. Er stond bij een bepaalde passage de regieaanwijzing: 'argument faible, crier très fort', oftewel: 'zwak argument, heel luid roepen'. Zo zou het argument waarachtiger overkomen en toch wezenlijk kunnen bijdragen aan het geheel. Wordt een zwak argument daar sterker door?

Filosofe Wytske Versteeg analyseert het als volgt: 'De grens tussen waar en onwaar is lang niet altijd helder: iets is zelden "gewoon waar" maar veeleer een kwestie van perspectief'. Feiten spreken voor zich, maar de selectie van de feiten en het onderlinge verband tussen die feiten is al een kwestie van mening. Het is een fenomeen in onze maatschappij vol polemiek: 'mijn waarheid staat boven jouw waarheid'. Eigenlijk is het van alle tijden: in de verzuilde samenleving was er een socialistische waarheid, een katholieke en een liberale. Er kwam nog een Vlaamsgezinde waarheid bij. In Nederland waren er meerdere christelijke zuilen, die zich ook niet lieten vermengen met elkaar. Ook ten tijde van Jezus bestonden er visies en interpretaties. Soms werden (en worden nog steeds) in die interpretaties de feiten passend gemaakt om 'in het straatje te passen'. Een beetje bijknippen, omdat feiten niet in de weg mogen staan van een goed verhaal. Zoiets kan pijnlijke proporties aannemen.

Weten en niet weten

De waarheid, waar vaak gul mee wordt gestrooid in debatten en conflicten, doet de werkelijkheid lang niet altijd eer aan. Socrates zou gezegd hebben: 'Ik weet dat ik niet weet.' (of 'dat ik bijna niets weet', bij monde van Plato in zijn Apologie). Deze paradox van waarheid en niet-weten is ons nog altijd eigen. En in het lijdensverhaal zullen we Pontius Pilatus weldra opnieuw filosofisch horen mijmeren: 'Wat is waarheid?' (Johannes 18, 38) In het Romeinse rijk leefden veel waarheden naast elkaar samen. Ze moesten elkaar verdragen, willens nillens soms. Zowel Socrates als Pilatus realiseren zich dat we altijd slechts een beeld van de werkelijkheid hebben.

Toch is er de werkelijkheid zoals ze zich aan ons presenteert. Los van onze interpretatie, ligt daarin de ultieme waarheid. In het postmodernisme spreken we over het einde van de grote verhalen. Dat betekent niet het einde van de werkelijkheid. Het luidt wel een versnippering in van visies op die realiteit: ieder zijn gedacht, en nog veel meer 'waarheden' dus. Winston Churchill zei ooit: 'De waarheid is onweerlegbaar. Kwaadwilligheid mag haar aanvallen, onwetendheid mag haar bespotten, maar uiteindelijk blijft ze bestaan.' Hij heeft het niet over een visie, maar over de diepe zoektocht naar de ultieme Waarheid die aansluit bij het Schone en het Goede. Bij de klassieke samenhang van deze drie 'transcendentalia' of allesoverstijgende bestaansidealen maakt Kant enkele kanttekeningen (met mijn welgemeende verontschuldigingen voor dit flauwe wijsgerige grapje). We dwalen af.

Wonder

Waarom ben je hier getrakteerd op een filosofische uiteenzetting? Welnu, omdat we op deze Laetarezondag midden in de Veertigdagentijd het verhaal van de genezing van de blindgeborene mogen lezen. Op halfvasten lezen we over een blindgeboren man die Jezus opmerkt onderweg. Een naam krijgt hij niet in het verhaal, ook geen omschrijving. Het verhaal gaat niet over zijn persoon: hij staat symbool. In de traditie krijgt hij de naam Celidonius toebedeeld, maar dat is eerder de vrucht van religieuze creativiteit. Hij is alleszins niet Bartimeus, die andere blindgeborene die wordt genezen. (Marcus 10:46-52)

'Rabbi, wie heeft er gezondigd: hij of zijn ouders?', vraagt een leerling geïnteresseerd. Jezus antwoordt dat geen van hen heeft gezondigd. De man is niet blind door schuld, wat in Jezus' tijd vaak wordt verondersteld, maar omdat er langs hem een wonder moet gebeuren. We horen de man overigens niet vragen aan Jezus om genezen te worden: een unicum in de genezingsverhalen. Jezus mengt aarde met speeksel, bestrijkt de ogen van de man ermee en draagt hem vervolgens op om zich in de rivier van Siloam te wassen. Siloam betekent: gezondene. Dat is geen toeval. De man kan zien, voor het eerst in zijn hele leven. En nu zal hopelijk duidelijk worden waarom er zo uitgebreid is ingegaan op waarheid en werkelijkheid daarnet.

Dat kan niet

Vrijwel meteen na de genezing wordt er in het verhaal namelijk twijfel gezaaid. Buren en kennissen zijn verwonderd. Iemand vraagt zich af: 'Is dat diezelfde man die blindgeboren is?' Een ander antwoordt meteen: 'Nee, hij lijkt er alleen maar op.' (Johannes 9, 9) Dat kan toch niet: een blindgeborene die plots kan zien. En waar de Man is die hem heeft genezen, dat weet hij niet eens. De argwaan is groot. 

Genezen, en dan nog wel op een sabbat? Dat lijkt geen zuivere koffie. Ze brengen hem bij de farizeeën. Misschien kunnen zij klaarheid scheppen, of hun achterdocht bevestigen: het is maar hoe je het ziet. (Johannes 9, 10-14) Zo mooi en idyllisch als dit wonderverhaal begon, zo twijfelachtig is alles geworden enkele verzen verderop. De man die pas kan zien heeft het wonder zelf meteen aanvaard, terwijl alle andere zienden vastzitten in een mist van twijfels en wantrouwen.

In de genezen man lijkt niemand zich te interesseren, merkwaardig genoeg. Niemand vindt het fijn voor hem dat zijn ogen zijn genezen. Het is eerder storend in de ogen van de mensen. De farizeeën en hun aanhangers denken vanuit systemen; mensen zijn bijkomstig. Zij hebben het vooral op Jezus' waarachtigheid gemunt, op zijn identiteit: 'Die Man komt niet van God, want Hij onderhoudt de sabbat niet.' (Johannes 9, 16) Met het wonder zitten ze vooral verveeld. Er ontstaat verwarring. Wat de genezene vertelt, kan niet waar zijn.

Dat mag niet

Er worden twee denkpistes begaan. Misschien is er helemaal geen wonder gebeurd. De farizeeën spelen met de gedachte dat hij helemaal niet blind is geweest en ze spreken de ouders aan: 'Is dit jullie zoon? Hoe komt het dat hij blind was en nu kan zien?' De ouders zijn vooral bang: wie Jezus volgt, wordt uit de synagoge gebannen. Een open en vrij gesprek is het duidelijk niet. Ze willen enkel antwoorden dat de man inderdaad hun zoon is en dat hij blindgeboren is. (Johannes 9, 17-23) 

De farizeeën richten daarna hun pijlen op de 'zogezegde' Aanstichter van het wonder: 'Die Man is een zondaar, dat weten wij.' (Johannes 9, 24) Merk op: ze denken het niet, ze wéten het. Er weerklinkt veel pretentie en weinig waarheid. Volgens de farizeeën moet God de eer krijgen, en bij uitbreiding dus zijzelf, maar zeker Jezus niet. De genezen man reageert verbouwereerd. Jezus moét wel godvrezend zijn, hoe zou God anders tekenen kunnen stellen langs Hem? (Johannes 9, 30-33)

De farizeeën weigeren het te aanvaarden. Ze luisteren helemaal niet. (Johannes 9, 27) Hun laatste argument lijkt wat op de aantekening van de missiepater: ze roepen tegen de man. Macht is altijd een argument. 'Wie denk je wel dat je bent?', schreeuwen ze hem toe. Hij was blindgeboren, dus zondig. En hij leest hen de les? Kwaad werpen ze hem buiten. (Johannes 9, 34) Het mag niet waar zijn.

Inzicht

Dit wonderverhaal vertelt in de eerste plaats hoe mensen blind zijn voor Jezus en zijn Boodschap. Langs de blindgeborene wil Jezus ons duidelijk maken dat Hij ons de ogen wil openen voor de Boodschap van God. De blindgeborene kan nu Jezus zien en komt daardoor tot geloof. (Johannes 9, 36-38) Maar dit beeld wordt meteen omhooggetild, want Jezus zal niet zichtbaar en tastbaar blijven voor de mensen. Ook dan worden ze uitgenodigd om te geloven in de Mensenzoon. (Johannes 9, 39) 

Een gelijkaardig gesprek heeft Jezus verderop in het Johannesevangelie met Tomas, die maar niet kan geloven dat Jezus verschenen is aan de andere leerlingen. Pas wanneer Hij Jezus zelf kan zien, komt hij tot geloof. (Johannes 20, 24-29) We moeten leren te geloven zonder te zien. Dat doen we door in te zien wie de Mensenzoon is.

De farizeeën beweren hooghartig dat zij zien - met andere woorden: dat ze inzicht hebben - en juist dat maakt het nog erger voor hen. (Johannes 9, 41) Hun blik op de waarheid is vertroebeld door allerlei regels en door hun sociale positie. Waarheid is vaak wat men wil geloven en aannemen. De farizeeën zitten vast in hun eigen, bekrompen waarheid. Helaas, want dat is niet de waarheid van Godswege.

Wat geloof jij? Lukt het je om voorbij regels en eigen ideeën tot bij God te komen in je geloof? Wie is God voor jou? Laat je toe dat God zich openbaart als gans Andere? En wie wij jij graag zijn voor de Heer?