Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label menselijk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label menselijk. Alle posts tonen

28 augustus 2025

'Jij zit op mijn stoel' (30-31 augustus 2025)

“Jij zit op mijn stoel!”, zegt een man heel verontwaardigd tegen me in een kerk, een paar minuten voordat de mis begint. “Heb je dan geen respect? Ik zit hier altijd!” Tja, hoe kan ik dat weten? Ik ben op bezoek en er staat geen naam op de stoel, wat vroeger al eens kon gebeuren. De stoel waarop ik zit ziet er precies hetzelfde uit als de andere. Ik verontschuldig me kort en zoek een andere plek, een eind verderop. Het blijft me bezighouden. Waarom zou je een plek opeisen in een kerk, zelfs in de parochiekerk waar je al jaren wekelijks komt? Wat hebben mensen toch met vaste plekken?

Akkoord, mensen zijn gewoontedieren, maar dit lijkt me overdreven gedisciplineerd. En wat onbeleefd ook. Spontaan dacht ik aan de kerkbanken die je in Nederland en Wallonië vaker vindt dan in Vlaanderen. En het valt me op dat het cliché wordt bevestigd: de beste plaatsen in de kerk bevinden zich in Vlaanderen hoegenaamd niet vooraan, maar ongeveer in twee derden van het schip, veilig en onopvallend. Waar is de tijd van het gestoelte voor 'de kerkheren'? We hebben het evangelie niet altijd aandachtig gelezen...

Uitgenodigd

Jezus is uitgenodigd bij een vooraanstaande farizeeër voor een maaltijd en merkt hoe de collega's Farizeeën en wetgeleerden druk doende zijn om de ereplaatsen in te nemen. (Lucas 14, 7) Het is blijkbaar heel belangrijk voor hen dat ze hun eer bevestigd zien. Jezus reageert. Is het verontwaardiging die hem ertoe aanzet, of ergernis, of walging? We kunnen er enkel naar gissen. Deze mensen zouden een voorbeeldfunctie moeten vervullen in de godsdienst, zoveel is zeker. Wat zij doen, dat doen de mensen hun na.

Meteen waarschuwt Jezus dat het niet gepast is om een ereplaats te kiezen. (Lucas 14, 8) Hij pakt zijn verklaring heel praktisch aan. Misschien moet je je geclaimde plaats wel afstaan aan iemand die belangrijker is dan jij: wat een beschutting! (Lucas 14, 9) Hij heeft een punt natuurlijk. Je kunt maar beter bescheiden zijn en de minste plaats innemen. Wanneer de gastheer je dan op een nietige plek aantreft, dan kan hij je met plezier begeleiden naar een mooiere plaats. (Lucas 14, 10)

Een betere plaats

Het doet me denken aan een kwinkslag van wijlen Dame Edna. Humor kan met veel eenvoud op een aanvaardbare manier gevoeligheden rond evidenties onder de aandacht brengen. Op subtiele wijze spot ze met de meest luxueuze ereplaatsen van de toenmalige kroonprins Charles en zijn vrouw Camilla. (klik hier) “Het spijt me,” zegt ze smalend, “ze hebben een betere plaats gevonden voor mij.”

De beste plaats, de duurste wagen, de eerste en de beste zijn: uiteindelijk is het allemaal maar vluchtig en inhoudsloos. Vandaag geëerd, is morgen misschien alweer vergeten. Eer en macht maken deel uit van een spel dat zonder veel menslievendheid wordt gespeeld. Het wekt een donkere kant op in mensen. De ander wordt een bedreiging en moet plaats maken voor jou. Maar dan word je zelf op jouw beurt ook opzij geduwd. 

“Tu quoque, fili mi,”, zou Julius Caesar hebben gezegd tegen zijn protégé Brutus, die hij herkende tussen de samenzweerders die hem doodden. Of wellicht sprak hij in het oud-Grieks: “Kai soe, teknon”. Jij ook, mijn zoon? Wat er ook van zij, de keizer werd met het zwaard gedood tijdens een senaatvergadering. Zijn macht doofde uit met zijn hartslag. Macht heeft de neiging om mensen te verontmenselijken.

Hoger lager

Jezus wijst ons op de kracht van generositeit, het tegenovergestelde van hebberigheid. Wie openstaat voor de vrijgevigheid, gaat niet opeisen. Dan is de gelegenheid om iets te gunnen immers al weggevaagd. Genade vraagt een open, ontvangende en dankbare houding, en geen inhalige en gretige ingesteldheid. Jezelf verhogen is onverstandig: je verlaagt jezelf er immers mee. (Lucas 14, 11)

Ook in het geven verwacht Jezus een vrijmoedige gezindheid. Geef niet om iets terug te krijgen. (Lucas 14, 12) Het eigene van het vrije geven is dat het geen ruilhandel inhoudt. Wanneer je gratuit geeft, wanneer je geeft enkel en alleen om te geven, dan gun je de ander je gave ten volle. Het is een manier om de ontvangen genade door te geven uit dankbaarheid jegens God en uit oprechte liefde om je naaste. (Lucas 14, 13-14) Een wijze les!

24 februari 2023

Het kwaad en de woestijntijd (25-26 februari 2023)

‘Het kwaad’ is een zwaar thema in de theologie. Naargelang de tijdsgeest neemt het denken en spreken erover ook heel verschillende vormen aan. ‘Het kwaad’ staat tegenover ‘het goede’, het Goddelijke. Vandaar ook de neiging om parallel met het verpersoonlijken van het goede tot God, ook ‘het kwaad’ te personaliseren. Dat kan op een symbolische wijze gebeuren, zoals de slang in het scheppingsverhaal. Het kan ook heel persoonlijke vormen aannemen: Satan. Dat is niet zonder gevaar en het is evenmin evident. Hoe kunnen we verstandig nadenken over dit thema, dat helaas echo's van het verleden meedraagt?

  • Voor de lezingen van deze zondag: klik hier. 

 

Ongrijpbaar meervoud

Een eerste gevaar is het systematisch mythologiseren van ‘het kwaad’. Zo wordt het fabelachtig herleid tot iets herkenbaars, iets tastbaars, terwijl dat net géén eigenschap is van verkeerde beslissingen, uitspraken en handelingen. Er zijn veel vormen en verschijningswijzen. Het komt niet op je af voorzien in hoorns en bokkenpoten. Een ander gevaar van het dualistisch denken is dat ‘Satan’ beschouwd zou kunnen worden als tegenpool van God en dus gelijkwaardig lijkt te worden.

Het kwaad wordt vaak heel concreet ingevuld. Een gevaar van invulling is dat het meestal aanleunt bij een vooringenomen persoonlijke visie. Zo wordt gediaboliseerd wat men wil plaatsen onder die noemer. Bijbelse relevantie wordt dan al te vaak eenzijdig en ongenuanceerd ingevuld. Het is kwaad want dat staat in dit vers en dat vers. Ook wordt er hyperactief ingevuld, vanuit de verkeerde veronderstelling dat overdrijving getuigt van een dieper geloof.

‘Het kwaad’ is een verzamelnaam voor alle verkeerde keuzes, voor beslissingen en daden die tegen Gods Boodschap ingaan, die Gods Verbond met de mensen schaadt. De graad van slechtheid kan variëren. De wereld is niet gelabeld: er bestaat geen ‘Satanscore’ zoals voeding een nutriscore krijgt. Je ziet dus niet op voorhand of iets goed is of kwaad. Je kan enkel een beroep doen op je geweten, op de Schrift en op de mening van andere mensen. Ik ben niet geneigd om ‘het kwaad’ als fenomeen in het enkelvoud te beschouwen. Zelfs in het enkelvoud vernoemd, is het altijd veelvoudig in vorm en verschijning.

Wanneer we passages lezen over ‘het kwaad’ of ‘Satan’, dan moeten we het literair genre respecteren. Beeldtaal zoals in de Openbaring en bijvoorbeeld ook de verzoeking van Jezus in de woestijn (Matteüs 4, 1-11 en Lucas 4, 1-13), is geen wetenschappelijke geschiedschrijving of objectieve verslaggeving. Is ‘Satan’ werkelijk met Jezus boven op de tempel gaan staan? Wellicht niet. Mocht het wel zijn gebeurd, dan maakt dat uiteindelijk ook weinig verschil. De symboliek van het verhaal staat voorop. Dat komt straks verder aan bod.

Van in het begin

In Genesis al wordt de slang vernoemd als symbool voor kwaadaardigheid (Genesis 2, 7-9 en 3, 1-7). De slang is sluw en weet in te spelen op de menselijke gevoeligheden. De eerste mensen, verpersoonlijkt in Adam en Eva, worden al meteen geconfronteerd met de verlokking om gelijk te worden aan God. (Genesis 3, 5) Dat is het ultiem menselijk verlangen. Eva laat zich ompraten en Adam volgt haar. Ze verliezen meteen hun onschuld: ze merken dat ze naakt zijn. (Genesis 3, 7a)

Er wordt een truc toegepast die in onze tijden nog altijd in propaganda wordt gehanteerd. De slang creëert een fundamenteel wantrouwen en beweert stellig dat er onrecht geschiedt: er is kennis die achtergehouden wordt. De mensen worden zogezegd dom gehouden. Wat officieel gezegd wordt, is helemaal niet waar. De echte waarheid kan je maar op één manier ontdekken: volg de instructies van de slang.

Ook Jezus

Ook Jezus wordt door het kwaad benaderd, dit keer in de vorm van ‘Satan’, de duivel. Hij beproeft Jezus, de Zoon van God, die immers de Nieuwe Adam is. De duivel tracht Jezus een wonder te laten verrichten, enkel en alleen om zichzelf te plezieren. Dat kan nooit de bedoeling zijn van een wonder. Jezus heeft honger, een typisch aards gevoel. Als Hij de stenen in broden verandert, kan Hij zijn honger stillen. (Matteüs 4, 4) Dat weigert Jezus te doen. Vervolgens vraagt Satan aan Jezus om God uit te dagen en te gebruiken als instrument van zijn wil. Als Hij van de tempel afspringt, zal God Hem wel moéten redden. (Matteüs 4, 6) Dit sluit aan bij de gedachtegang van de slang in Genesis: ‘overstijg je beperkingen en word God’. Nog verder gaat de derde verlokking. Jezus wordt de macht over de hele wereld aangeboden. Eén voorwaarde wordt er slechts gesteld: Hij moet zich afkeren van God en de duivel aanbidden. (Matteüs 4, 9) Opnieuw weigert Jezus.

Merkwaardig detail: Lucas vernoemt dezelfde verlokkingen maar de volgorde verschilt van Matteüs. Lucas bouwt de dynamiek als volgt op: het wonder uitlokken (Lucas 4, 3), macht over de wereld verwerven (Lucas 4, 6-7) en tenslotte God als instrument gebruiken (Lucas 4, 9). Welke volgorde verkies jij, geordend van minst naar meest erg?

Nogmaals, dit is een symboolverhaal en geen journalistieke reportage. De betekenis van het verhaal behoeft weinig uitleg. Jezus is in het vorige hoofdstuk gedoopt door Johannes (Matteüs 3, 13-15) en de heilige Geest is over Hem neergedaald. (Matteüs 3, 16) Vanuit de hemel is hij de Zoon van God genoemd. (Matteüs 3, 17) Nu leidt de heilige Geest hem naar de woestijn om op de proef gesteld te worden. (Matteüs 4, 1)

De heilige Geest vrijwaart ons niet van het kwaad, maar maakt ons sterker in de confrontatie. Doordat Jezus de proef met glans doorstaat, wordt het ultieme bewijs geleverd: Hij is de Zoon van God. Het was als het ware een eindexamen om te tonen dat Hij voldoet aan de Goddelijke eindtermen.

Tegelijk wordt Jezus hier bevestigd als lijdende Dienaar. Hij is geen aardse koning met pracht en praal, afgezonderd in een veilige burcht. Hij ontmoet het lijden en het kwaad. Niets menselijks wordt Hem bespaard. Dat is de diepste symboliek van het verhaal. En er vloeit een opdracht voort uit het verhaal: doe dit ook.

Verkleefd

Sytze de Vries schrijft ergens dat we soms verkleefd zijn aan de waan van lust, geld en macht. We hebben de neiging om te aarzelen in confrontatie met iets waarvan we weten dat het niet goed is. Het is niet vanzelfsprekend om altijd ‘flink’ te zijn. Toch hebben we hier een belangrijke verantwoordelijkheid. Geloven doe je niet enkel in het kerkgebouw. Het moet ook blijken uit je levenswandel. Geloof zonder daden is als een leven zonder verstand. (Jakobus 2, 26) Laten we ons verstand voeden en gebruiken!

Moeten we terug naar de angstneurose van weleer? Moet het schrikbeeld van de hel ons opnieuw doen afkeren van zonde en verderf? Nee. Ons geweten moet ons sturen. Een negatieve boodschap stimuleert niet noodzakelijk tot het goede. Het perkt enkel het slechte in. Dat volstaat niet.

Bewust en verstandig

In de Veertigdagentijd gaan we spiritueel de woestijn in, zoals Jezus. We krijgen de kans om ons ethisch kompas te herijken. Het is een goede jaarlijkse gewoonte. We veranderen als mens, we worden geconfronteerd met nieuwe keuzes. We leven in een veranderende maatschappij met technologische snufjes. Hoe gaan wij om met sociale media? Wat geloven we wel en niet op het internet? Maken we tijd voor God in de drukte? Wat of wie stellen we voorop in onze keuzes?

In een tijd van hashtags en reclameboodschappen hebben we geen duivels en Satans van doen. We kunnen ons maar beter goed wapenen met kennis en inzicht en kritisch en bewust in het leven staan. We kunnen maar beter zelfkritisch zijn en zelfbewust: op voorhand, wanneer we een keuze maken. Spijt is immers het verstand dat te laat komt. Maak goed gebruik van deze Woestijntijd

21 december 2022

Kerstmis: Licht in de duisternis (24-25 december 2022)

Ik was onlangs in de Ardennen, om even tot rust te komen, in een chalet. Heel gezellig, maar wat had ik het donker onderschat. Buiten was het ’s avonds werkelijk stikdonker. Hier is er veel straatverlichting. Daar zag je werkelijk niets, op een paar verre sterren na. Na drie stappen was ik letterlijk de weg kwijt. Stond ik in de grasberm? En was daar geen diepe gracht naast? Ik kon enkel tasten in het duister. Ik greep naar mijn gsm, die heeft een zaklamp. En zie: er was licht. Bijna meteen klonk een waarschuwingstoon: batterij leeg. Enkele tellen later ging het licht uit. Daar stond ik dan, in de steek gelaten door de techniek, met rondom mij duisternis...
Onze duisternis
Duisternis brengt onzekerheid. Het beangstigt. We hebben graag zicht op de zaken, we willen weten waar we staan. In het leven overkomt de duisternis je. Soms word je erdoor overvallen, soms sluipt het donker traagjes dichterbij. Zware tegenslagen zetten het leven overhoop. Je bent de controle kwijt en dagelijkse evidenties worden plots in vraag gesteld. We kennen dit fenomeen allemaal.

Het doet ons verlangen naar licht, dat we maar niet kunnen vinden. Soms helpt een tijdelijke lichtbron, zoals mijn gsm in de Ardennen, een sprankeltje hoop. Dat kan een gesprek zijn, een hobby, een engagement, noem maar op. Een aangename afleiding. Tegelijk weet je dat het een troostdoekje is. Er is meer voor nodig om een tegenslag te dragen. Iets wat rotsvast is.

"Ik ben er"
Wanneer je wankelt, heb je nood aan een steun die je rechtop houdt of die desnoods je val breekt. God biedt zich aan. Hij kent ons, doorgrondt ons. Hij kent onze sterkten en zwakten. Hij is onder ons komen wonen, Hij is als mens onder ons geboren en heeft het menszijn tot het uiterste toe doorgemaakt. Hij is niet onder ons gekomen als een rijk koningskind, maar in alle eenvoud. Juist daarom staat de kerststal vandaag centraal, niet enkel als vertederend plaatje, maar vooral als boodschap. “Ik ben er”, zegt God, niet als een mythisch verhaal in het ongrijpbare, maar heel concreet in onze geschiedenis.

Hij wordt geboren als Licht in onze wereld. Hij deelt onze vragen en zorgen, onze beperkingen, onze emoties. Hoewel Jezus de Zoon van God is, mag Hij ook één van ons zijn. Dat biedt God ons aan, zozeer heeft Hij ons lief. Dichterbij kan Hij niet komen. Waarom zouden we dan weigeren?
Onder ons
Neen, Hij zal ons verdriet niet wegnemen. Hij zal onze tegenslagen niet ongedaan maken. Dan zouden wij magie van Hem verlangen. Toen Jezus geboren werd, heeft God niet gauw nog een paleis getoverd. Toen Jezus zijn lijden tegemoet ging, heeft God zijn Zoon niet vlug van de aardbol weggeplukt. God zal er zijn om met ons mee in het verdriet te staan, om ons in de tegenslag bij te staan, om zich over ons te ontfermen.

Kerstmis gaat over dankbaarheid: God laat ons niet alleen. Kerstmis gaat over Licht in een wereld die zo donker kan zijn. Dat wordt over de hele wereld gevierd: dit feest kent geen landgrenzen. 

Laten we onze blik richten op de kerststal en blij en dankbaar het Geboortefeest van de Heer vieren. Laat het voor elk van ons een zalig Kerstfeest zijn.

16 oktober 2021

Jezus: God werd mens zoals wij (16-17 oktober 2021)

God heeft ons veel gegund doorheen de tijd. Niet alleen heeft Hij de wereld geschapen en aan ons toevertrouwd. Hij heeft ook het menszijn zelf met ons gedeeld. God is niet alleen de afstandelijke Schepper, Hij is onder ons komen wonen. Dik twee maanden voor Kerstmis worden we door Paulus al even gewezen op de genade die we hebben ontvangen en de invloed ervan op ons geloof.

God onder ons

Jezus was Mens onder de mensen. Uiteraard was Hij ook de Zoon van God, dat valt op geen enkel ogenblik te ontkennen. Maar de Zoon is geboren als klein en kwetsbaar wezen, net zoals wij allemaal. Hij is ook als mens gestorven, even kwetsbaar en menselijk opnieuw. God moet ons wel mateloos liefhebben om zo'n inspanningen te leveren om ons te leren hoe we Hem trouw kunnen zijn in geloof en in daden (Johannes 3, 16).  De Mensenzoon heeft het ons voorgedaan. Langs de Zoon komen wij tot de Vader (Johannes 15, 1-15).

Paulus wijst ons er op dat Jezus ons bestaan heeft gedeeld. Hij heeft onze zwakheden van heel dichtbij ervaren. Hij kwam in contact met de verlokkingen, de zijwegen, de omwegen en de aarzelingen van ons bestaan. Hij heeft er weliswaar niet aan toegegeven. Integendeel, we kregen van Hem belangrijke instructies, wijsheden en verhalen mee, die werden opgetekend door de evangelisten.

Dichtbij én een mysterie

In Jezus is God in de geschiedenis tastbaar aanwezig gekomen. Hij is geen afstandelijke magische kracht die ergens ongrijpbaar aan het begin aanwezig was en daarna op de achtergrond bleef. Hij is Mens geworden, heeft zijn Boodschap aan concrete mensen verkondigd en kreeg meer en meer volgelingen die in Hem de Messias zagen, de Beloofde. Er groeide ook argwaan en tegenstand, wat uiteindelijk tot zijn dood zouden leiden. God heeft verregaande middelen aangewend om ons te roepen om in Hem te geloven en er ook naar te leven.

Wij mogen in ons menszijn tot bij God komen, zonder aarzeling, zonder angst dat we niet begrepen zullen worden. Dat is een voorrecht. Jezus is onze hogepriester, die bij de Vader voor ons kan pleiten, vanuit zijn ervaringen. 

Deze symbolische Goddelijke dialoog zien we best niet té plastisch. De heilige Drievuldigheid blijft voor ons tot op zekere hoogte een mysterie. We hoeven ook niet alles wetenschappelijk te analyseren. We zijn niet Gods gelijke, onze wijsheid is beperkt. Er is dan ook een groot verschil tussen interesse en hoogmoed.

De wijsheid die Paulus ons meegeeft is deze: laten we zonder schroom naderen tot Gods troon, laten we onophoudelijk tot God bidden en Hem om raad en kracht vragen. God kent ons, zijn Zoon heeft immers onder ons gewoond. Goddank!

11 september 2021

Petrus en Jezus: een moeilijk gesprek (11-12 september 2021)

Jezus vraagt aan zijn leerlingen wie Hij is. Ze worden uitgedaagd om de identiteit van Jezus Christus te omschrijven, die ze vol bewondering volgen. Er ontpopt zich een diepgaand maar tegelijk heel confronterende dialoog.

Wie is Jezus?

Petrus neemt het woord in naam van de apostelen en antwoordt kort en duidelijk, gedreven en zelfverzekerd zoals alleen Petrus dat kan: “U bent de Christus.” (Marcus 8, 29: Su ei ho Christos, in het Grieks.) Bij Matteüs voegt Petrus daar nog aan toe: “de Zoon van de levende God” (Matteüs 16, 16).

Deze korte zin is een sterk staaltje van theologie, vrij letterlijk zelfs. Er wordt kennis uitgesproken (logos) over God (theos). Petrus heeft duidelijk aandachtig geluisterd naar de leer van de Meester. 

Messiasverwachting

Het Griekse begrip “christos”, waarvan de titel Christus is afgeleid, betekent: de Gezalfde. Gelijklopend is Messias afgeleid van het Hebreeuwse “masjiach”, met zalfolie gewijd. Ten tijde van Jezus bestaat een diepgewortelde Messiasverwachting. De profeten spreken over de komst van een telg van het huis van David, die de vredevolle hoogtijd van het koninkrijk komt herstellen, door de stammen terug samen te brengen onder gezag van de nieuwe gezalfde koning en van God. Sommigen verwachten een heerser die met geweld het rijk in eer herstelt, anderen verwachten een ethisch-religieus réveil. Dit wordt door sommigen verwacht in de eindtijd en door anderen in de geschiedenis. Jezus bevestigt dat deze titel Hem toekomt en dat in Hem de verwachting tot vervulling komt. De apostelen bevestigen bij monde van Petrus dat Hij de langverwachte Messias is, de Christus.

Petrus ziet wellicht een leven voor zich van vrede en geluk, een tijd waarin Hij van Jezus zelf mag horen wat God van elk van ons verwacht. De hemel op aarde, als het ware. De profeten reiken immers een resem hoopvolle en inspirerende beelden aan over de komst van de Messias. De hele wereld zal God aanbidden (Jesaja 2, 11-17). De geest van de Heer zal op Hem rusten (Jesaja 11, 2). Hij zal opkomen voor armen (Jesaja 11, 4) en zal gerechtigheid brengen voor iedereen (Jesaja 11, 5). Hij zal zijn volk weer bijeenbrengen (Jesaja 11, 12) en de onderlinge vijandschap tussen de stammen zal verdwijnen (Jesaja 11, 13). Er zal geen honger of ziekte meer zijn en de dood zal niet meer bestaan (Jesaja 25, 8). De doden zullen opstaan (Jesaja 26, 19). Het volk zal vreugde ervaren en bevrijd zijn van verdriet (Jesaja 51, 11). Hij zal vrede aankondigen en goed nieuws brengen (Jesaja 52, 7).  Voor geestelijke leiding zal de wereld zich tot het Joodse volk wenden (Zacharia 8, 23). De verwoeste steden van Israël zullen hersteld worden (Ezechiël 16, 55) en oorlogswapens zullen vernietigd worden (Ezechiël 39, 9). Het volk zal door Hem de wijsheid van de Schrift begrijpen (Jeremia 31, 33). Wat een veelbelovende vooruitzichten!

Messiasgeheim

De vreugde wordt echter meteen al gedempt. Dat mogen we zelfs heel letterlijk zien: Jezus draagt zijn leerlingen op hier met niemand over te spreken. Ze mogen deze vreugde niet delen met de wereld. Het Messiasgeheim ontstaat hier. Denkt Jezus hierbij aan het risico dat zijn titel verkeerde verwachtingen zou kunnen opwekken bij het volk? Wil Hij dat de leerlingen eerst beter bekend raken met de diepgang van zijn leer voordat ze zijn Boodschap beginnen te verkondigen? Of vertrouwt Hij op de volkswijsheid dat wat door mensen verzwegen moet worden juist het best verspreid wordt?

Algauw wordt duidelijk dat Petrus de dramatische zijde van de komst van Jezus op aarde nog niet heeft begrepen. De Mensenzoon zal moeten lijden, Hij zal door de wetgeleerden verworpen worden, Hij zal sterven en verrijzen op de derde dag. Hier vinden we opnieuw een sterk staaltje van summiere theologie. In weinig woorden wordt door Christus een belangrijk deel van onze geloofsbelijdenis uitgesproken. Wat gezegd wordt, zal voor de apostelen heel choquerend zijn geweest.

Petrus en de Mensenzoon

Petrus neemt opnieuw het woord en tracht op Jezus in te praten. Hij verzet zich wellicht tegen de gedachte dat Jezus moet lijden en sterven. Petrus had een ander vooruitzicht in gedachten. Het warm, vredig, harmonisch gevoel wordt in gruzelementen geslagen door de komende realiteit. Petrus kijkt op naar Jezus maar wil Hem als vriend niet verliezen. Petrus gaat midden in zijn menselijke gedachten en gevoelens staan en negeert zijn gehoorzaamheid als apostel. 

Dit is de enige keer dat Petrus zo streng wordt berispt. Het gaat dan ook over de kern van Christus Boodschap, die Petrus moet accepteren. Er valt niet te onderhandelen over het lijden en de dood van de Mensenzoon, hoe jammer het vooruitzicht ook is. Zelfs Jezus onderhandelt niet wanneer het zo ver is: Gods wil geschiedt. Natuurlijk zou Jezus liever niet hoeven te lijden, maar Gods wil moet geschieden (Matteüs 25, 39).

Petrus leert de dualiteit kennen die elke christen ervaart. Jezus Christus is God en mens, afstand en nabijheid, ver weg en dichtbij. Hij ziet zijn volgelingen als zijn vrienden (Johannes 15, 15), maar blijft tegelijk toch Boodschapper van de Vader.

Geloven: een groeiproces

Hoe herkenbaar is Petrus. Hij bedoelt het goed, maar moet met vallen en opstaan leren dat Christus is gekomen om Gods Wil te laten geschieden en Gods Boodschap aan zijn volk te verkondigen. De rots op wie de Kerk zal worden gebouwd, door Jezus persoonlijk uitgekozen, is een man die soms ook de mist in gaat. Dat mag alvast een troostende gedachte zijn voor elk van ons.

En jij... wie zeg jij dat Hij is?

01 juli 2021

Eigen haard is voor een profeet weinig waard (3-4 juli 2021)

De streekgenoten van Jezus staan te konkelfoezen. “Is dat niet de timmerman, de zoon van Maria en de broeder van Jakobus en Jozef en Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet hier bij ons?” In Jezus’ tijd worden broeder en zuster gebruikt voor familieleden, en niet louter binnen een gezin. Ze kennen die Jezus. Waarom doet Hij zo vreemd? Hij is toch maar een gewone timmermanszoon? Het is “van de roddelroddel en de kletsklets”.

  • Voor  de lezingen van deze zondag: klik hier.

Gezien worden

Jezus wordt in een vakje gestopt en heeft er geen vat op. Hij wordt geobjectiveerd: herleid tot ‘iets’ wat makkelijk weggezet kan worden. De Franse filosoof Jean Paul Sartre noemt dit fenomeen ‘le regard des autres’ (de blik van de anderen). Een mens is niet langer ‘iemand’ in de ogen van de ander, maar ‘iets”: de reductie tot wat past in het denkkader van die ander. Sartre is bekend om zijn slagzin: “L’enfer, c’est les autres” (de hel, dat zijn de anderen). Die uitspraak hoort bij deze context: een mens heeft geen controle over hoe hij door anderen wordt beschouwd. Het is geen toeval dat Sartre deze boutade gedurende de Tweede Wereldoorlog schrijft: een periode waarin mensen door het naziregime een stempel krijgen op basis van hun ras of overtuiging. Concentratiekampen zijn bij de allerpijnlijkste voorbeelden van hoe mensen tot objecten kunnen worden herleid.

Ludwig Wittgenstein, een andere filosoof, tracht aan te geven hoe iets op verschillende manieren gezien en uitgelegd kan worden. Vaak kan men iets bekijken en duidelijk benoemen. Soms is er een interpretatiekader dat het kijken bepaalt. Dit fenomeen noemt hij ‘Sehen als’ (zien als). Dat klinkt erg abstract, maar Wittgenstein maakt het concreet met zijn ‘eend/konijn’. Je kan de afbeelding hieronder bekijken en spontaan concluderen: “Dit is een eend.” De kans is echter even groot dat je er een konijn in ziet.


Schandaal

De mensen uit Jezus’ geboortestreek zien Hem bezig en horen Hem spreken. Voor hen klopt het niet met hun beeld van de opgroeiende mens Jezus. Zij zien iemand die in de synagoge het hoge woord voert, grote wijsheid verkondigt en wonderen doet. Het is een schandaal: in de Griekse tekst staat letterlijk ‘eskandalidzonto’. “Wie denkt die Jezus wel dat Hij is?” Jezus kan gezien worden als een struikelblok of als een stapsteen.

Jezus is God en mens. In zijn geboortestad zien ze Hem enkel als mens, als hun evenwaardige. Sterker nog: ze lijken om Hem neer te kijken. Zij kunnen Hem onmogelijk aanschouwen als de Zoon van God. Daartoe is hun blikveld te beperkt. Het is ook voor ons een uitdaging om Jezus niet te herleiden tot zijn Goddelijke of zijn menselijke natuur.

Omdat ze niet in Hem en zijn Boodschap kunnen geloven, is Jezus ook niet in staat om veel wonderen te verrichten. Jezus is geen geneesheer die zoveel mogelijk mensen ontdoet van hun kwalen. De essentie van zijn wonderen is het reddend geloof. Precies dat ontbreekt bij hen.

Verwonderd

Jezus blijft niet onbewogen bij de negatieve commentaren in zijn eigen streek. We zien hier een heel menselijke karaktertrek bij de Mensenzoon. In het Grieks wordt Jezus’ gevoel omschreven met het woord ‘ethaumazen’: Hij is verwonderd, of verbijsterd. Hij staat perplex. Het is heel duidelijk dat Jezus een andere reactie had verwacht van de mensen die Hij kent en die Hem kennen.

Hij is verwonderd over hun ongeloof, maar zijn eigen overtuiging blijft onwankelbaar vast staan. Meteen na het vernoemen van Jezus’ gevoel bij wat er gebeurd is, meldt de evangelist dat Hij onverwijld verder rondtrekt door de dorpen in de omtrek, waar Hij onderricht geeft. De waarheidswaarde van zijn Boodschap hangt niet af van de goedkeuring of de afkeuring van de toehoorders. De Boodschap ontvangt zijn waarde van Godswege.

Ook wij verbazen er ons soms over dat mensen geen interesse hebben voor Christus en zijn Boodschap. Ook wij zijn soms verontwaardigd over de eenzijdige antipathie die we bij momenten ervaren. Laten we dan niet in de verbazing en verbijstering blijven staan, maar zoals Jezus hoopvol verder op weg gaan.

17 juni 2021

De wind, het water en Jezus (19-20 juni 2021)

Het is avond en het is een drukke, lange dag geweest onder de blakende zon. Een grote menigte heeft zich rond Hem verzameld om naar zijn Boodschap te luisteren. Hij heeft hun verteld over het Rijk Gods, over je geloof in daden omzetten, over de kracht van het geloof, en dat alles in verhalen en gelijkenissen. Ze zijn naar huis terug gekeerd. Waarschijnlijk hebben ze Hem niet helemaal begrepen. Ze komen niet tot bekering. Er is nog veel werk…

Nu steken Jezus en de leerlingen het meer over. Er is in de boot niets anders te doen dan te wachten. Jezus maakt gebruik van de gelegenheid om even te rusten. Hij legt zich neer op de barre houten planken en legt zijn hoofd te rusten op het stugge lederen kussen in de boot. We zien hier een heel menselijke Jezus, met typisch menselijke noden. Hij is algauw in een heel diepe slaap verzonken: zo diep zelfs dat de opkomende, razende storm Hem niet wekt, zo diep dat het klotsende water dat de boot binnen gutst Hem niet doet opschrikken. Jezus slaapt niet rusteloos, maar in een diep vertrouwen in zijn Schepper.

Van water en wind

De zware storm, “lailaps” in het Grieks, is een typische orkaanwind met onvoorspelbare rukwinden en veel regen. Het meer van Tiberias is een laag gelegen, diep waterbekken met aan de oostzijde de kale, grootse hoogvlakten van Golan en het besneeuwde Haurangebergte. De rivieren die stromen uit de bergen naar het meer hebben diepe kloven uit het gesteente gehouwen. De koude wind wervelt doorheen deze kloven en zwelt aan op weg naar het meer. De leerlingen, doorwinterde vissers, kennen het meer en de lailaps en de deining, maar zijn nu overmand door angst. Dat zegt iets over de proporties van deze storm waar ze in verzeild zijn geraakt.

Waarom vertelt de evangelist dit verhaal eigenlijk? Een gelijkaardig verhaal lezen we trouwens twee hoofdstukken verder (Marcus 6, 45-53). Ook Matteüs vertelt dit tweeluik (Matteüs 8, 23-27 en 14, 22-33). De tweede keer is er harde tegenwind en is Jezus niet in de boot aanwezig, maar loopt Hij over het water naar hen toe. Twee keer temt Jezus op verbluffende wijze de kracht van de natuur. Twee keer worden de leerlingen bang. Zou het kunnen dat onrust en twijfel centraal staan in dit verhaal, en niet zozeer de wind? Is de storm slechts een aanleiding om tot het eigenlijke verhaal te komen?

Angst en twijfel

Is de wind een verpersoonlijking van de twijfel, dezelfde twijfel van de toehoorders die zich verzamelden aan het meer? Ook de leerlingen begrijpen Jezus niet altijd, tot zijn grote verbijstering (Marcus 4, 13): “Begrijpen jullie deze gelijkenis niet? Hoe zullen jullie alle andere gelijkenissen dan begrijpen?”. Jezus geeft daarom tussen de gelijkenissen door aanvullend duiding aan hen. Misschien is de storm de veruitwendiging van het (nog) niet begrijpen, van het gebrek aan inzicht. Als deze stormwind een soort geloofsexamen is aan het eind van de dag, dan behalen de leerlingen een dikke onvoldoende: hun angst en twijfel zijn sterker dan hun geloof. Gezien de omstandigheden, kunnen wij als lezers uiteraard begrip opbrengen voor hun reactie. Ook wij staan niet altijd even sterk in ons geloof, en al zeker niet zo sterk als Jezus zelf. Zouden wij ons niet angstvallig ergens aan vastklampen als de golven ons dreigen te verzwelgen?

Dieper dan de feiten

Deze interpretatie is inspirerend, maar er is nog een diepere laag in deze tekst aanwezig. Wanneer het stillen van de storm en het wandelen over het water aan bod komen, kunnen we eigenlijk niet om de “olifant in de kamer” heen: zijn deze twee verhalen echt gebeurd? Het antwoord hierop is complexer dan simpelweg “ja” of “nee”. Vooreerst moeten we inzien dat het niet de grondbedoeling is van de evangelist om zoals een journalist een objectief dossier bijeen te schrijven. Het evangelie is geen wetenschappelijke documentaire over Jezus. Veel verschillende verhaalvormen volgen elkaar in willekeurige volgorde op in elk van de evangelies. Parabels en gelijkenissen van Jezus worden afgewisseld met verklarende uitleg. Er zijn dialogen, wonderverhalen, redevoeringen, poëtische teksten, citaten uit het Oude Testament…

De twee kortverhalen op het water - Jezus die de storm stilt en die over het water wandelt - vormen wellicht een apart genre dat zich onderscheidt van de andere wonderverhalen. Ze willen ons in de overtreffende trap verwonderen en verbijsteren. Letterlijk gelezen doen ze aan Harry Potter denken, en dat moeten we net zien te vermijden: dat Schriftteksten ongeloofwaardige verhaaltjes over tovenarij worden. Wellicht is het stillen van de storm eerder een metafoor dan een nieuwsfeit: zo indrukwekkend is God in Jezus dat Hij de wind het zwijgen zou kunnen opleggen. “Het zou zomaar kunnen”: een symbolische vertelvorm met een diepe boodschap.

Goddelijke kracht

Een belangrijke interpreteersleutel zit verborgen in de apotheose van het verhaal (Marcus 4, 41): “Wie is Hij toch, dat zelfs de wind en het meer aan Hem gehoorzamen?” De wonderlijke kracht, die de leerlingen van God kennen uit het Oude Testament, behoort nu aan Jezus toe. God heeft aarde en water geschapen en gescheiden (Genesis 1, 9), Hij heeft het water uiteen gedreven om zijn Volk er doorheen te laten vluchten uit Egypte (Exodus 14, 21), Hij kan de aarde, die Hem is vergeten, doen overstromen, terwijl Hij de trouwe Noach waarschuwt en redt (Genesis 7, 4). Nu is Jezus ingelijfd in deze Goddelijke kracht die de heilsgeschiedenis heeft bepaald, zoals opgetekend in de Schrift. Na de mens Jezus, slapend in het bootje, zien we de Zoon van God die de wind en het water beheerst. Het is een vooruitwijzing naar de verrijzenis.

Guido Gezelle

Laten we priester-dichter Guido Gezelle er even bij nemen. In zijn gedicht “Hoort, 't is de wind” schrijft hij hoe de wind maar geen rust vindt. De wind kan zichzelf niet leegblazen of uitwaaien:

of hij de zee in de wolken doet botsen
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
   of hij de schepen daarbinnen begraaft,
   of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, 't is de wind en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,

De wind is niet almachtig, zo bevestigt ook Gezelle:

   nimmer en rustt' hij maar eenen keer: 'Stil!'
   sprak Hij, die immer in ruste is, 'Ik wil!'
   sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
   'Stil!' en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

De aardse storm komt tot rust, de wind die ons in kracht en in omvang vaak te boven gaat. Hoe onbegrijpelijk, hoe onvoorstelbaar? Guido Gezelle verwoordt de verwondering en benoemt Jezus' Goddelijke kracht in één adem: dit wonder is bijna even onvoorstelbaar als de opstanding uit de dood.