Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- 'Geen tijd voor je feestje' (10-11 oktober 2026).
Posts tonen met het label genade. Alle posts tonen
Posts tonen met het label genade. Alle posts tonen

14 september 2026

Christelijke loonberekening: de ongelijke vergelijking (19-20 september 2026)

Een jongen heeft de tafel afgeruimd en krijg van papa een snoepje als beloning. Hij is trots, totdat zijn zusje binnenstapt en prompt ook een snoep krijgt. 'Waarom krijgt zij een snoep? Zij heeft toch niets gedaan?', vraagt de jongen verontwaardigd. 'Ik heb mijn snoep verdiend.' Papa legt uit dat hij zijn dochtertje niet wil 'achteruitsteken'. Voor zoonlief klopt het nog steeds niet. In zijn wereld heeft hij nu minder gekregen. Dat klopt niet. Of toch? 

Parabel

Jezus vertelt een verhaal met een diepe grond. Dat doet Hij altijd wanneer Hij het heeft over Gods Koninkrijk. We kunnen het ons helemaal voorstellen. Een landheer zoekt dagloners voor zijn wijngaard en spreekt op voorhand een loon af: één denarie. De dagloners gaan akkoord en vertrekken om er de hele dag te werken. Maar er is zoveel werk en de dagloners volstaan niet, dus gaat de landheer opnieuw op zoek naar werkkrachten. Weer spreekt hij een loon af. Ook zij gaan aan de slag voor de rest van de dag. En het gaat nog eens zo. 

Aan het eind van de dag merkt hij enkele mensen op die niets te doen hebben. Ook hen werft hij aan, al is het maar voor dat éne uur dat er nog gewerkt kan worden. De landheer is tevreden: er zijn heel wat arbeiders bezig wanneer de werkdag op zijn einde loopt. Het lijkt het perfecte landelijke tafereeltje voor een schilderij. (Matteüs 20, 1-8)

Dan is de idylle voorbij. De landheer vraagt zijn rentmeester om iedereen het afgesproken loon te betalen. Hij is een eerlijk man. De werkers van het eerste uur krijgen inderdaad de denarie die afgesproken is. Ze zijn blij en dankbaar, totdat ze merken dat de arbeiders die minder uren hebben gewerkt precies hetzelfde loon ontvangen, zelfs degenen die slechts één uur kwamen werken. De dagloners van het eerste uur zijn verontwaardigd. (Matteüs 20, 9-12) Dat klopt toch niet?

Onrecht?

Een vakbondsafgevaardigde zou wellicht spontaan een staking uitroepen. Wie één uur arbeid verricht wordt twaalf keer beter betaald dan wie de hele dag onder de brandende zon heeft gewerkt. Dat is niet fair: loon naar werken! Toch valt de landheer niets te verwijten: hij heeft de looncondities telkens heel goed afgesproken. Iedereen is één denarie beloofd, dat wat men nodig heeft om één dag te leven. De dagloners worden ongelijk betaald ten opzichte van de gepresteerde uren, maar worden wel gelijkwaardig behandeld. Ze ontvangen allemaal wat ze nodig hebben om te leven.

De denarie staat voor wat je nodig hebt. Zoals we in het Onze Vader bidden om het brood te ontvangen dat we nodig hebben. De genade van God in zijn Rijk is er geen van onnodige rijkdom maar van gelijkwaardigheid. Er zijn geen armen en rijken meer, geen bevoorrechten en benadeelden, enkel volgelingen van Jezus. En wie in Hem gelooft, zal ontvangen wat hem toekomt. (Matteüs 20, 13-14)

Gelijkwaardig

De landheer vraagt terecht of de dagloners niet aan het klagen zijn uit jaloezie. Geld maakt immers jaloers. (Matteüs 20, 15-16) Het is brandstof voor ongelijkheid: wie heeft, die wil nog meer bezitten, en wie tekortkomt, die is minder waard en telt niet mee. Zo werkt onze samenleving. Kansarmen staan aan de rand. Naar rijken wordt opgekeken en ze krijgen meer aanzien. Mensen worden aangetrokken tot hun grote welvaart en streven er zelf ijverzuchtig naar, met alle frustratie van dien.

De arbeiders worden gelijk betaald voor ongelijke uren. Ze krijgen allen wat ze nodig hebben, niet wat ze verdiend hebben. Zo worden ze door de landheer gelijk in waarde. Allen gaan ze met voldoende geld naar huis. Gods gedachten zijn niet onze gedachten, zijn plannen zijn niet de onze. Daarom begrijpen we ze ook zo moeilijk. (Jesaja 55, 8-9) Wij vertrekken vanuit onszelf, onze gedachten en onze prestaties. Gods genade is niet te koop. Het is 'te geef'.

Gelukkig doet God dat zo. We falen zo veel, we maken er vaak een rommeltje van. En toch blijft Hij ons genadig. Het is maar goed dat we niet op basis van ons werk worden vergoed, maar op basis van Gods barmhartigheid, die onze gedachten ver te boven gaat. In zijn ogen zijn we allemaal evenveel waard: de eerste zoveel als de laatsten. Laten we de Heer zoeken, nu Hij zich laat vinden. (Jesaja 55, 6) En laten we vooral niet te veel roemen op onze eigen prestaties ten koste van anderen. Zijn onze prestaties werkelijk zo roemenswaardig?

10 september 2026

Christelijke rekenkunde: de tafels van vergeving (12-13 september 2026)

Iemand vergiffenis schenken: het blijft een enorme uitdaging voor een mens. Het klinkt mooi en aannemelijk in theorie, vervuld van goede voornemens. De concrete praktijk is een stuk moeilijker. Het gaat over gekwetst zijn door iemand en toch antwoorden met gulle Liefde.

Vraag

Petrus heeft een vraag voor Jezus. (Matteüs 18, 21) Naastenliefde is een flinke uitdaging bij momenten. Een wat nukkige visser zal dat zeker zo ervaren hebben. Mensen zijn niet altijd lief voor mekaar. Nieuwe kansen geven, is niet vanzelfsprekend. Als iemand je kwaad heeft gedaan, hoeveel keer moet je dan eigenlijk vergiffenis schenken? Is daar een aanvaardbare limiet op te stellen? Waar houdt het op? Daar denkt Petrus over na. 

Jezus is klaar en duidelijk: je moet altijd vergeven. Zeven keer is niet genoeg. Zelfs honderd keer zal niet volstaan. Als je je naaste echt graag ziet, dan tel je niet af in vergevingsgezindheid en in nieuwe kansen. Je schenkt geen voorlaatste of laatste kans, maar gewoon een nieuwe kans zonder meer. Jezus zet zijn woorden kracht bij: 'Ik zeg het je'. (Matteüs 18, 22)

Pittig

Toegegeven, dat is best pittig. Raak je het niet moe dan? Nee, aldus Jezus. Liefde vraagt  veel geduld. En vooral: als het eropaan komt, gaat heet niet over jou of over de ander. Het gaat over God, die jou ook steeds nieuwe kansen schenkt in zijn genade. Er is geen plaats voor een groot ego in liefde die geijkt is op God, en in de vergiffenis die zijn genade weerspiegelt.

Je hoeft jezelf echt niet te weg te cijferen om dichter bij God te komen. Steunen op je ego zal het echter wél onmogelijk maken. Het is een evenwichtsoefening om als mens op aarde de hemel telkens een stukje dichterbij te brengen, met vallen en opstaan. Het Koninkrijk van God wordt steeds meer werkelijkheid langs onze naastenliefde. Daarom verwijst Jezus er zo duidelijk naar wanneer Hij de parabel inleidt. (Matteüs 18, 23)

Geven en ontvangen

In de parabel stelt Jezus duidelijk dat je niet hypocriet kan zijn in je geloof. Je kunt niet verwachten dat de Heer jou alle kansen gunt om vol goede voornemens te herbeginnen na het begaan van fouten als je vervolgens zelf geen moeite wil doen om anderen even mild te benaderen met vergiffenis.

Omgekeerd is het ook zo: God vraagt niets van ons dat Hij zelf niet doet. (Matteüs 18, 35) Dat wil niet zeggen dat het eenvoudig is. Maar niemand beweert dat christen zijn eenvoudig zou zijn. En wij zijn God niet. We kunnen wel ons uiterste best doen. Het hemelse verheft ons, maakt ons tot de mooiste versie van onszelf. Daartoe worden we uitgenodigd. Wat Jezus zegt, is niet negatief, ook niet in de parabel. Integendeel, Hij wil ons meetrekken in de wonderlijke en inspirerende wereld van de Liefde. Dat is over de hele lijn een positief verhaal.

Christelijke rekenkunde gaat veel verder dan cijfers die zich tot mekaar verhouden. Het gaat over méér geven dan je ontvangen wil. Daarin verschilt de rekenkunde van de vergeving van de klassieke rekentafels: de klemtoon ligt niet op het ontvangen of op de verwachte gelijkheid, maar op geven om het geven. In Gods naam. En dat is nog niet alles: volgende week krijgen we andermaal een alternatieve vorm van berekening voorgeschoteld.

02 juni 2026

Een deal sluiten met God: een illusie (6-7 juni 2026)

Mensen hebben soms een neiging tot het syndroom van Calimero: 'de anderen hebben het beter dan ik en dat is niet eerlijk'. Ook de farizeeën, die zien hoe een tollenaar met Jezus aan tafel mag, voelen zich verongelijkt en reageren kleinzerig. Zij die alles zo correct en goed doen, mogen zij niet eerder bij de Heer aan tafel in plaats van zo'n zondaar? Ook wij kunnen het gevoel krijgen dat we niet genoeg aandacht krijgen van God. Misschien zoeken we dan vooral de verkeerde aandacht.

Geen automaat

De Romeinse godsdienst is opgevat als 'do ut des' (ik geef omdat jij zult geven): wanneer ik moeite doe voor de goden door een offer te brengen, dan moeten zij mij een gunst verlenen. Het is een systeem van wederkerigheid waarbij het initiatief bij de mens ligt. Wanneer die langs een offer een gunst afsmeekt, dan moet de god aan wie wordt geofferd vanzelf handelen. Een ritueel wordt een verdoken machtsmiddel om goden goedgunstig te stemmen. Het levert eigenlijk een omgekeerde situatie op waar een god ten dienste staat van een mens. En die dienstbaarheid is heel instrumenteel en materieel. Een mens wil via het offer iets verkrijgen, met andere woorden: een interessante deal sluiten met God. 

Ook binnen het jodendom bestaat deze traditie. Maar er gebeurt een transformatie in de verhouding tussen God en mens en dus ook in het offeren zelf. God vraagt niet om de offers te verbieden maar beklemtoont dat de menselijke relatie met God moet bestaan uit gebed en goed handelen, om vergeving vragen wanneer dat nodig is en Gods Grootheid steeds erkennen. In ruil schenkt God zijn Liefde en zijn trouw, die ons mogen inspireren. (Psalm 40) Dat is een veel volwassener Godsrelatie dan 'do ut des'. Het betreft een band van wederzijdse liefde. ‘Want liefde wil Ik, geen offers; met God vertrouwd zijn is meer waard dan enig offer.’ (Hosea 6, 6)

Onevenredigheid

 ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel. Overdenk maar eens goed wat dit wil zeggen: “Barmhartigheid wil Ik, geen offers.” Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.’ (Matteüs 9, 12-13) Jezus spreekt de verontwaardigde farizeeën streng toe. Wie zijn zij om Gods aandacht op te eisen langs hun gemor en geklaag? Denken ze dat ze perfect zijn misschien?

God schenkt zijn genade aan wie vraagt om zijn hulp. Gods aandacht gaat naar de hulpbehoevenden, de zwaksten. Gods genade hoort niet thuis in een boekhouding waarin een mens zou ontvangen volgens de inspanning die geleverd is. Dan zou de genade worden herleid tot iets waar een mens recht op heeft, iets wat men kan opeisen. Dat doen de farizeeën. En wij? Doen wij dat soms? 

Wie goed doet, moet daar helemaal geen voortdurende bevestiging voor verlangen. God hoeft niet voortdurend te zeggen dat we het goede doen. Het goede doen, dat is namelijk onze plicht. Dat zou heel normaal moeten zijn. Wanneer iemand meer krijgt dan wij, dan is dat Gods vrijgevigheid: Hij weet wat we nodig hebben.

Doordrenkt door God

Wanneer we een oprechte band met God nastreven, gebaseerd op liefde en trouw, dan is God ons nabij, en wel op een heel diepgaande manier. ‘Dan zullen wij Hem kennen, ernaar streven om de Heer te kennen. Even zeker als de dageraad zal Hij komen, Hij komt naar ons als milde regen, als de lenteregen die de aarde drenkt.’ (Hosea 6, 3) Wat een inspirerend beeld!

Zoals de regen in de aarde drenkt, zo zal God Liefde in ons worden opgenomen. Zoals olie in de steen dringt, zo zal God in ons zijn. De gedachte van zalving met Gods Geest is hier niet ver weg. Vormelingen ontvangen het zegel van de heilige Geest, de gave Gods. Doordrenkt zijn door God, dat is misschien wel het sterkste beeld dat een diep geloof kan uitdrukken.

Leven in zijn nabijheid

‘Hij redt ons na twee dagen van de dood, de derde dag doet Hij ons opstaan: in zijn nabijheid zullen wij leven.’ (Hosea 6, 2) De profeet Hosea voorspelt de Verrijzenis van Jezus Christus. Gods Liefde laat zich niet begrenzen, zelfs niet door de dood. In het nieuwe Verbond dat de Heer met ons heeft gesloten, mogen wij leven in zijn nabijheid en steeds verder groeien in de Liefde die God is.

Laten we God dus blij van hart loven en prijzen, laten wij biddend vragen en danken. Maar laat ons evenzeer het goede doen, eerlijk zijn, en geen aandacht opeisen: niet bij God en ook niet bij vervangmiddelen. 

29 september 2025

'We hebben niets bijzonders gedaan' (4-5 oktober 2025)

We worden graag bevestigd en beloond in het leven. Dat geeft ons een goed gevoel. Wanneer die hunker dwangmatig wordt, dan zorgt het voor een grijperige en gedwongen atmosfeer. God laat zich niet binden aan menselijke dwangmatigheden. Geloven in God betekent Hem aanbidden en verheerlijken, en dat uit zich hoegenaamd niet in het manipulatief afdwingen van allerlei voorwaarden. God laat zich niet dwingen. Daarmee worstelt de mensheid al eeuwenlang: dat God ongrijpbaar is en ons overstijgt. Toch is het essentieel in de Liefde voor God.

Meer! Meer!

“Geef ons meer geloof!”, vragen de leerlingen aan Jezus. (Lucas 14, 5) Ze gaan ervan uit dat hun geloof niet kan volstaan, zeker in vergelijking met hun Meester. Het is niet genoeg. Is het ooit genoeg? Het kan niet de bedoeling zijn dat we hebberig geloven. Dan groeit ons geloof vanuit prestatiedrang. Het is typisch menselijk. We willen het niet goed doen, maar beter of best. Welnu, de genade volstaat. Er is iets moois aan de nederigheid van de leerlingen, maar helaas schuilt er tegelijk een storende inhaligheid achter. Jezus geeft de leerlingen dus geen extra portie geloof. Geloof wordt niet in porties verhandeld.

“Hadden jullie maar geloof als een mosterdzaadje”, antwoordt Jezus. Dan was alles mogelijk. (Lucas 14, 6) Hij verwijst naar een klein zaadje dat een enorme struik wordt. Met zijn beeldspraak van een zaadje geeft hij weer dat de groei al in hen aanwezig is. Zijzelf kunnen groeien in geloof. Die groei zal niet meetbaar zijn, maar zich uiten in authenticiteit. In daden. Dat is de - al bij al - hoopvolle boodschap die Jezus hun toevertrouwt. Zouden ze het begrijpen? Zien wij voldoende in wat Hij bedoelt?

Gewoon je plicht

Hij voegt er een waarschuwing aan toe. Het is niet de bedoeling dat je een beloning vraagt omdat je je best hebt gedaan. Opnieuw komt het risico op prestatiedrang in het vizier. We doen wat we doen omdat het zo hoort, niet omdat er een beloning tegenover zou staan. Je best doen, is geen verdienste maar een vanzelfsprekendheid. Dat is even slikken. Je doet wat je doen moet omdat je het doen moet, niet omwille van eventueel applaus.

Jezus is heel duidelijk: “Hetzelfde geldt voor jullie; wanneer jullie alles gedaan hebben wat jullie is opgedragen, zeg dan: ‘Wij zijn maar eenvoudige knechten, we hebben enkel onze plicht gedaan.’” (Lucas 14, 10) Altijd maar belonen is immers niet goed. Het bevestigt de menselijke hebberigheid en maakt van een vanzelfsprekendheid ineens een krachttoer. Jezus is heel gevoelig voor geloof als egotrip.

Tevredenheid

Dat komt omdat Hij de wanpraktijken van de farizeeën en Schriftgeleerden hekelt, die overal en altijd lof en bevestiging zoeken. Daardoor dreigt het geloof in de hemelse Vader herleid te worden tot hun kneuterige visie die nefast is voor de diepste identiteit van de Boodschap. Zij leggen immers de Schrift uit en ze vertegenwoordigen het geloofsgezag. Hun voorbeeld wordt nageleefd. 

Worden we dan in het geheel niet bevestigd voor wat we goed doen? God volgen is een kwestie van je best doen en Gods nabijheid als kracht en genade terugkrijgen. Dat is de gulheid waarop je kunt rekenen. Het is een les in tevredenheid. Wie niet tevreden is in Gods genade, die maakt het geloof tot een persoonlijk instrument en herleid God tot een maakbare beloner. Dat kan niet de bedoeling zijn. God is immers niet te regisseren. Een kernbeginsel van ons geloof is juist dat we God als onze Meerdere aanvaarden, met wie we niet marchanderen.

Continuïteit

We maken als illustrerende afsluiter de brug naar kunstenaar Max Bill (Winterthur, 1908 - Berlijn, 1994), een Zwitserse architect, schilder, graficus, beeldhouwer en schrijver.

In 1932 sloot hij zich aan bij de door Georges Vantongerloo opgerichte Parijse kunstenaarsgroep ‘Abstraction-Création’. De naam van de stichter verraadt diens Belgische origine. De groep is van groot belang geweest voor de ontwikkeling van de moderne kunst en had Kandinsky en Mondriaan op de ledenlijst staan. De zoektocht naar schoonheid, licht en energie kreeg een podium, en de moderne kunst begon stilaan internationale aanvaarding te genieten.

Max Bill, Unendliche Schleife (1956), Antwerpen (Middelheimmuseum)

Max Bill, Kontinuität (1986), Frankfurt am Main

De werken ‘Unendliche Schleife’ en ‘Kontinuität’ van Max Bill drukken dynamiek uit zonder concrete doelstelling. De beweging in beide werken is het tegenovergestelde van lineair. In de vorm zit geen enkele vorm van verwachting. Er wordt geen verandering of verbetering verondersteld. Tegelijk stralen beide vormen een ongedwongenheid uit, een vanzelfsprekendheid. De beweging is vloeiend en harmonisch van aard. Er is geen boven of onder, geen binnen- of buitenkant. Het mag verwijzen naar het Goddelijke, dat eeuwig en onophoudelijk is. 

Prestatiegerichtheid is menselijk, harmonie is Goddelijk. Geloof is geen opeenvolging van geven en ontvangen. Het is geen ‘credere’ (Latijn: toevertrouwen, krediet verlenen) en ‘debere’ (Latijn: schuldig zijn, in debet staan). Ons geloof hoort een ondeelbaar continuüm te zijn. Onze Godsrelatie kan niet gedijen op verdienste en bevestiging. De Liefde kent deze eisende eigenschappen niet. Die vernielen de ongedwongenheid van een echte liefdesverbintenis. Ook in de Liefde bestaan geboden, zeker. Maar binnen dat kader is er een oprechte, spontane, creatieve en verheffende bewegingsruimte van continuïteit. Daarbinnen hebben eer, macht en bezit geen enkele waarde.

Dat alles geeft Jezus ons mee in zijn waarschuwende woorden.

28 augustus 2025

'Jij zit op mijn stoel' (30-31 augustus 2025)

“Jij zit op mijn stoel!”, zegt een man heel verontwaardigd tegen me in een kerk, een paar minuten voordat de mis begint. “Heb je dan geen respect? Ik zit hier altijd!” Tja, hoe kan ik dat weten? Ik ben op bezoek en er staat geen naam op de stoel, wat vroeger al eens kon gebeuren. De stoel waarop ik zit ziet er precies hetzelfde uit als de andere. Ik verontschuldig me kort en zoek een andere plek, een eind verderop. Het blijft me bezighouden. Waarom zou je een plek opeisen in een kerk, zelfs in de parochiekerk waar je al jaren wekelijks komt? Wat hebben mensen toch met vaste plekken?

Akkoord, mensen zijn gewoontedieren, maar dit lijkt me overdreven gedisciplineerd. En wat onbeleefd ook. Spontaan dacht ik aan de kerkbanken die je in Nederland en Wallonië vaker vindt dan in Vlaanderen. En het valt me op dat het cliché wordt bevestigd: de beste plaatsen in de kerk bevinden zich in Vlaanderen hoegenaamd niet vooraan, maar ongeveer in twee derden van het schip, veilig en onopvallend. Waar is de tijd van het gestoelte voor 'de kerkheren'? We hebben het evangelie niet altijd aandachtig gelezen...

Uitgenodigd

Jezus is uitgenodigd bij een vooraanstaande farizeeër voor een maaltijd en merkt hoe de collega's Farizeeën en wetgeleerden druk doende zijn om de ereplaatsen in te nemen. (Lucas 14, 7) Het is blijkbaar heel belangrijk voor hen dat ze hun eer bevestigd zien. Jezus reageert. Is het verontwaardiging die hem ertoe aanzet, of ergernis, of walging? We kunnen er enkel naar gissen. Deze mensen zouden een voorbeeldfunctie moeten vervullen in de godsdienst, zoveel is zeker. Wat zij doen, dat doen de mensen hun na.

Meteen waarschuwt Jezus dat het niet gepast is om een ereplaats te kiezen. (Lucas 14, 8) Hij pakt zijn verklaring heel praktisch aan. Misschien moet je je geclaimde plaats wel afstaan aan iemand die belangrijker is dan jij: wat een beschutting! (Lucas 14, 9) Hij heeft een punt natuurlijk. Je kunt maar beter bescheiden zijn en de minste plaats innemen. Wanneer de gastheer je dan op een nietige plek aantreft, dan kan hij je met plezier begeleiden naar een mooiere plaats. (Lucas 14, 10)

Een betere plaats

Het doet me denken aan een kwinkslag van wijlen Dame Edna. Humor kan met veel eenvoud op een aanvaardbare manier gevoeligheden rond evidenties onder de aandacht brengen. Op subtiele wijze spot ze met de meest luxueuze ereplaatsen van de toenmalige kroonprins Charles en zijn vrouw Camilla. (klik hier) “Het spijt me,” zegt ze smalend, “ze hebben een betere plaats gevonden voor mij.”

De beste plaats, de duurste wagen, de eerste en de beste zijn: uiteindelijk is het allemaal maar vluchtig en inhoudsloos. Vandaag geëerd, is morgen misschien alweer vergeten. Eer en macht maken deel uit van een spel dat zonder veel menslievendheid wordt gespeeld. Het wekt een donkere kant op in mensen. De ander wordt een bedreiging en moet plaats maken voor jou. Maar dan word je zelf op jouw beurt ook opzij geduwd. 

“Tu quoque, fili mi,”, zou Julius Caesar hebben gezegd tegen zijn protégé Brutus, die hij herkende tussen de samenzweerders die hem doodden. Of wellicht sprak hij in het oud-Grieks: “Kai soe, teknon”. Jij ook, mijn zoon? Wat er ook van zij, de keizer werd met het zwaard gedood tijdens een senaatvergadering. Zijn macht doofde uit met zijn hartslag. Macht heeft de neiging om mensen te verontmenselijken.

Hoger lager

Jezus wijst ons op de kracht van generositeit, het tegenovergestelde van hebberigheid. Wie openstaat voor de vrijgevigheid, gaat niet opeisen. Dan is de gelegenheid om iets te gunnen immers al weggevaagd. Genade vraagt een open, ontvangende en dankbare houding, en geen inhalige en gretige ingesteldheid. Jezelf verhogen is onverstandig: je verlaagt jezelf er immers mee. (Lucas 14, 11)

Ook in het geven verwacht Jezus een vrijmoedige gezindheid. Geef niet om iets terug te krijgen. (Lucas 14, 12) Het eigene van het vrije geven is dat het geen ruilhandel inhoudt. Wanneer je gratuit geeft, wanneer je geeft enkel en alleen om te geven, dan gun je de ander je gave ten volle. Het is een manier om de ontvangen genade door te geven uit dankbaarheid jegens God en uit oprechte liefde om je naaste. (Lucas 14, 13-14) Een wijze les!

08 augustus 2025

Gaat er een lampje branden? (9-10 augustus 2025)

We zijn niet altijd even sterk gefocust in het leven. Ons lampje gaat niet altijd tijdig branden wanneer ons geloof verslapt en ons gebed flets wordt. Daarom krijgen we komende zondag een reminder: God vraagt om onze lampen brandend te houden en alert en wakker te zijn in ons geloof. 

Wachters

We zijn op deze aarde wachters in de tijd, of van de tijd. We wandelen doorheen het leven, soms vlot op weg, soms zoekend en dwalend, soms gehavend en kruipend op de knieën. Maar we mogen geloven dat God er is voor ons, wat er ook gebeurt. Hij laat ons niet alleen. Wat doen wij met dit aanbod van genade? Hoe beantwoorden wij Gods gulle gave van nabijheid? Blijven we vertrouwen op Hem? Blijven wij Hem trouw? (Lucas 12, 35-40)

De heilsgeschiedenis, verhaald doorheen de Schrift en de Kerkgeschiedenis, is eigenlijk één lange afwisseling van geloof en ondankbaarheid, van lofprijzing en zelfzucht. Er is een steeds weerkerend conflict. We zijn vrij als mensen. God dwingt ons nergens toe. Hij vraagt ons om wakker te blijven, om de lamp van ons geloof brandend te houden en ons niet van Hem af te keren om elders troost te zoeken, in oppervlakkigheden zoals geld bijvoorbeeld of in betekenisloze podia die aanzien opleveren. 

Trouw

De trouw die God van ons vraagt, is geen vluchtig ja-woord, geen eenmalig engagement. Het is een blijvende verbinding. Een Verbond. Hij vraagt van ons om doorheen de nacht op Hem te wachten. De nacht kan eenzaam zijn en kil, de nacht kan ons afleiden van onze taak. De slaap kan ons wenken, of de verveling.

Welnu, zoals in monastieke kloosters en abdijen al vóór dag en dauw samen tot God wordt gebeden, zo moeten wij in onze donkere momenten evenzeer tot Hem zijn gericht. Vooral wanneer het lastig is en zwaar, wanneer alles betekenisloos lijkt. Juist dan is God onze grootste toeverlaat. Net dan moeten we niet onder afdaken gaan schuilen die door mensen zijn vervaardigd. Hun bescherming is tijdelijk en zonder enige garantie.

Voorbeeld

De leerlingen hebben de parabel gehoord. Uitgerekend zij doen de gelijkenis van de wakkere wachters in Getsemane hoogst persoonlijk alle oneer aan. Ze dommelen in tijdens één van de meest cruciale momenten in de heilsgeschiedenis. Hoewel Jezus hun uitdrukkelijk vraagt om te waken en op Hem te wachten, vallen hun ogen telkens weer dicht van de slaap. (Matteüs 26, 36-44)

De teleurstelling van Jezus is groot. Hij had op hen gerekend. Zo krijgen we een duidelijk voorbeeld van hoe het niet moet. Toch is Jezus niet te streng voor hen. Het uur is gekomen, Hij wordt verraden en uitgeleverd. De volbrenging van het Verbond is op handen. (Matteüs 26, 45-46)

Opdracht

Ons leven mag en kan betekenis ontvangen door in het Nieuwe Verbond te leven, door ons leven toe te vertrouwen aan God die ons heeft geschapen en die ons bevrijdt. Wij mogen zijn verhoring verwachten, we mogen wachten om zijn genade en zullen niet beschaamd staan. (Psalm 22, 6)

Er is uiteraard ook een eschatologisch aspect aan de parabel verbonden. Wanneer de tijden zijn volbracht, wanneer onze aarde haar reis door de eeuwen heeft voltooid, mogen wij de Heer verwachten. Ook daarvoor moeten we wakker en alert blijven.

De kernboodschap is dat we steeds met God verbonden blijven. Ons geloof mag niet indutten of op de spaarstand worden gezet. Ons spiritueel licht brandend houden: dat is wat God van ons verwacht in ruil voor zijn genade. Dat is niet teveel gevraagd, toch? Gaat er een lampje branden?

11 maart 2025

Hemelmensen hier op aarde (15-16 maart 2025)

Je zou kunnen stellen dat christenen leven met hun voeten op de aarde en met hun gedachten in de hemel. God zelf is in zijn eigen schepping komen wonen. De Mensenzoon is op aarde geboren uit Maria en op aarde is Hij veroordeeld, gekruisigd en gestorven. Christus is zelfs uit de dood opgestaan, hier op onze aarde. Het is dus niet vreemd dat wij onze ‘aardsheid’ erkennen en waarderen. Maar het is evenzeer vanzelfsprekend dat we ons richten tot God. En zijn Boodschap is niet van deze wereld. Ze is hemels, vol idealen die vaak moeilijk na te streven zijn.

  • Voor de lezingen van de tweede zondag in de Veertigdagentijd, jaar C: klik hier.

Overdreven contrast

Nee, we moeten de aarde niet verloochenen. Anders had God ons niet geschapen op deze wereld. Anders had God niet gezien dat zijn Schepping in zijn geheel heel goed is. (Genesis 1) We zijn allen geroepen om God toe te laten in ons bestaan, tot in onze diepste kern: ons hart en onze ziel. Dan kunnen we van ons bestaan het mooist-mogelijke maken. God wil ons zijn genade schenken, hier op aarde. Hij is genadig en liefdevol, geduldig en trouw. (Joël 2, 13)

Paulus wordt wel eens geciteerd om te beweren dat we ons moeten afzetten tegen de wereld. Constrastchristendom getuigt echter van een heel eenzijdige kijk op God en op zijn Schepping. Paulus lijkt inderdaad aanleiding te geven om wereldvreemd te denken. Zo schrijft hij aan de christenen van Filippi: “Ons vaderland is in de hemel, van daar verwachten wij onze Verlosser.” (Filippenzen 3, 20) Is ons vaderland dan niet aards? Is ons vaderland anti-aards? Eigenlijk bedoelt Paulus wellicht: ‘wij behoren toe aan de hemel’. We lezen een vertaling, een interpretatie, en er kan evengoed vertaald worden (‘to politeuma’ in het Grieks): toebehoren aan een gemeenschap. Het is een kwestie van nuance.

Hemels verlangen

We zijn dus geen inwoners van de hemel, want we wonen er helemaal niet. We zijn ook niet ontheemd, want we hebben nooit in de hemel gewoond. Paulus lijkt smachtend uit te kijken naar de terugkomst van Jezus, alsof de hemel eerstdaags tot aan de aarde zou reiken. Dat kan wat kort door de bocht gelezen worden in: “Wij, die in leven blijven tot de wederkomst van de Heer.” (1 Tessalonicenzen 4, 15) De geschiedenis wijst uit dat die wederkomst niet zo vlug is gekomen en zelfs nog steeds te verwachten is. 

Is ook dat vers wat te eenzijdig geïnterpreteerd? Wellicht wel. Paulus spreekt namelijk in de eerste plaats over hen die ons ontvallen zijn: zij zullen niet verloren zijn. Daarna heeft hij het over zij die nog in leven zullen zijn. (1 Tessalonicenzen 4, 16-17) Paulus beweert niet dat de lezers van zijn brief nog allemaal in leven zouden zijn wanneer de Heer terugkomt. Hij heeft het over ‘wij, volgelingen van Christus’. (1 Tessalonicenzen 4, 14a)

Heimatlosigkeit

Misschien klinkt er wel een gevoel van ‘Heimatlosigkeit’. Ik hoor deze gewaarwording soms bij derde generatie-allochtonen. “Ik ben nergens echt thuis: niet hier en niet in Turkije”, vertrouwde iemand me toe. “Ik zou hier nooit meer weg willen. Ik spreek de Vlaamse taal, ik ken de gewoonten. Maar in Turkije ben ik één van de velen en val ik niet op. Totdat ik spreek. Dan word ik daar meteen ook als ‘vreemde’ bekeken.” In België noemt men hem een Turk, en in Turkije beschouwen ze hem als Westerling. 

Dat lijkt wat op het gevoel dat Paulus deelt. Zijn gedachten richten zich naar de hemel, maar hij is mens op de aarde. Hij verlangt naar de hemel, maar hij is er niet. En op aarde voelt hij zich ook niet helemaal thuis: het is immers een tijdelijk verblijfsoord. 

Mystiek zicht

Wanneer Petrus, Johannes en Jakobus samen met Jezus de Tabor beklimmen, hebben de drie leerlingen zich te slapen gelegd en heeft Jezus zich afgezonderd om te bidden. Plots merken ze hoe Jezus in gesprek is met Mozes en Elia. De aanblik is verblindend voor de apostelen. Een stem klinkt uit de hemel: “Dit is mijn Zoon, mijn Uitverkorene, luister naar Hem.” (Lucas 9, 35) Deze mystieke ervaring is één van de weinige momenten dat de hemel de leerlingen toespreekt. De ogen van de leerlingen kunnen de ervaring niet aan. De gedaanteverandering mag ons inspireren in deze Veertigdagentijd.

We zijn hemelmensen op de aarde, aards en hemelgericht tegelijk. Paradoxaal genoeg, kan juist ons geloof deze discrepantie samenbrengen tot een harmonieus geheel. We geloven in de hemelse Vader, in de Mensenzoon die op aarde heeft geleefd en in de heilige Geest die ons van Godswege als genade wordt geschonken, als troost en kracht op onze aardse wegen. We hoeven ons aardse bestaan niet te vervloeken en we hoeven niet neer te kijken op alles om ons heen. 

Oefening

Sterker nog: ons leven hier op aarde maakt deel uit van Gods heilsplan met ieder van ons. Het is een bijzondere, merkwaardige en verrassende pelgrimstocht, soms vermoeiend, soms zwaar, maar vaak ook inspirerend en verrijkend. De hemel is in onze gedachten, en wanneer we op ons best zijn, is die hemel zelf zichtbaar, hoorbaar en tastbaar in onze gedachten, woorden en daden. Hier op aarde wel te verstaan.

In deze Veertigdagentijd mogen we ons dus stevig opstellen midden in dat contrast, als uitdaging. We hoeven de aarde niet te verachten en de hemel hebberig naar ons toe willen trekken, integendeel. Vasten en bezinnen doen we hier. Er zijn immers prachtige plekken van rust en sereniteit te vinden. En zelfs in de dagelijkse drukte kunnen we rustpunten creëren. In de Veertigdagentijd mogen we een balans opzoeken tussen het hemelse en het aardse. Dat is een bijzonder zinvolle oefening. 

Hemel en aarde hebben elkaar ontmoet met Kerstmis, en dat gebeurt opnieuw, in de overtreffende trap met Pasen. Er is zoveel mogelijk wanneer hemel en aarde ons inspireren… 

27 oktober 2024

Allerheiligen (1 november 2024)

Allerheiligen raakt sinds jaar en dag bedolven door Allerzielen. 1 november is een vrije dag, dan bezoeken we de graven. Daardoor is het tweeluik niet helemaal correct verdeeld in tijd en in aandacht. Halloween in haar commerciële en populaire vorm, zorgt voor een extra overschaduwing. Allerheiligen en Allerzielen horen bijeen. Dat wordt al duidelijk gemaakt op Allerheiligen. 'De zaligsprekingen' vestigen onze aandacht op het hoogste ideaal en de genade. Het feit dat we alle voortrekkers in het geloof samen vieren daarbij, versterkt het inspirerende karakter. Allerzielen verbindt ons daarna met wie van ons is heengegaan en doet ons nadenken over het gemis en hoe zij ons blijven inspireren.

Kwestie van klemtoon
De zaligsprekingen worden soms bestempeld als een zoete tekst om de kleinen klein te houden. Onterecht, want Jezus zegt niet: “Ben je nederig van hart? Prijs je gelukkig!” Hij zegt niet: “Goed dat er op je neergekeken wordt. Zit je tijd hier rustig uit, je loon wacht in de hemel.” Hier is een revolutionaire Jezus aan het woord. Niet met geweld maar met zegen sticht Hij een nieuwe wereld. Dat is wat profeten doen. En Jezus is méér dan een profeet: Hij is de Zoon van God. Jezus kiest zijn woorden.

Hij zegt: “Gelùkkig mogen de nederigen van hart zich prijzen.” (Matteüs 5, 3a) De klemtoon ligt op ‘gelukkig’, dat helemaal vooraan in de zin wordt gezet, niet op ‘nederigen’. Want daar bevindt zich het onrecht: in het feit dat zij zich nu vaak ongelukkig voelen, niet gehoord, niet gewaardeerd. Er wordt namelijk neergekeken op de mensen die Jezus vernoemt. Ze staan niet centraal in de samenleving, maar ergens opzij. Andere mensen eisen de aandacht op. 

We zijn vatbaar voor succesverhalen en voor leiders met een hoek af. Vreemd genoeg spreekt dat mensen aan. Macht, prestatie en sensatie staan ook nu centraal. Daar horen we naar op te kijken, althans: die indruk wordt gewekt. En dàt vindt Jezus onterecht, in die mate zelfs dat hij het Koninkrijk van God gunt aan hen die nu onterecht benadeeld worden, ten nadele van wie hen vernederen en bespotten of met hen meeheulen. De zaligsprekingen gaan vooral over diegenen die niét vernoemd worden door Jezus in zijn opsomming, en die geen zegen en geluk gegund worden door Hem.
Wel en niet
Nederigen van hart zullen het Koninkrijk van zijn Vader binnengaan, niet de roeptoeters. De treurenden zullen er troost vinden, hardvochtigen niet. Aan de zachtmoedigen behoort de aarde, niet aan de machtswellustelingen. Wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid zullen haar vinden in overvloed, wie in een ivoren toren van rijkdom en zelfzucht leven niet. Barmhartigen zullen barmhartigheid ervaren, zelfgenoegzamen zullen zelfgenoegzaamheid ontmoeten. Wie zuiver zijn van hart zullen God zien, van aanschijn tot Aanschijn. Niet de oneerlijken, zij blijven in het ongewisse. De vredestichters worden kinderen van God, wie prat gaat op eigenbelang en macht heeft genoeg aan zichzelf. Wie vervolgd wordt, bespot of valselijk beschuldigd, hoeft zich niet op te sluiten in verdriet en teleurstelling, want het Gods Rijk is voor hén bedoeld. Voor hen, en niet voor wie hen kwaad doen. (Matteüs 5, 2-11) 
Streng
Daar gaan de zaligsprekingen over: zij die ten koste van anderen groot aanzien genieten - en soms zelfs opeisen - in de samenleving: ze hebben Jezus niet aan hun zijde. En dat is hard, zeker in het groter geheel van wat Jezus verkondigt. Hij stelt hier belangrijke grenzen, die juist gebaseerd zijn op de het dubbelgebod van de Liefde. Wie God niet liefheeft en zijn naaste als zichzelf, die sluit zichzelf buiten. (Matteüs 22, 34-40)

In die zin is het niet Jezus die hard en streng is, maar de Boodschap zelf. Hij straft ook niet actief, Hij ontzegt hen genade. Allerheiligen wijst ons op het hoogste goed en geeft ons daarna de keuze. En die kan niet beperkt worden tot een morele kwestie. Het gaat niet alleen over handelen, het is een kwestie van levensbeschouwing, van hoe je in het leven staat. 

Wanneer Johannes de Doper de komst van de Heiland aankondigt, geeft hij de mensen een duidelijke opdracht: “Breng vruchten voort die tonen dat je tot inkeer gekomen bent.” (Matteüs 3, 8) Die aankondiging krijgt in Jezus’ bergrede heel concreet vorm. Wanneer we tot inkeer komen, kunnen ons voelen, ons denken, ons spreken én ons handelen getransformeerd worden. Laten wij dat toe? Of vergt het teveel van onszelf?

Stof tot nadenken...

30 juli 2024

'Doe een jas aan!' (3-4 augustus 2024)

“Doe een jas aan! Het is veel te fris om er zo bij te lopen.” Hoeveel zou dit gezegd worden? Uit bezorgdheid, uit voorzichtigheid of verontwaardiging. Zelfs in een Belgische zomer kan het soms nodig zijn. De ontvanger van de boodschap zou vaak beter moeten weten: “Hoe is het mogelijk?” Paulus heeft hetzelfde gevoel. Hij wil dat we ons kleden met de nieuwe mens.

Zich kleden

Waarom dragen we kleren? We kleden ons eerst en vooral om onze kwetsbaarheid te bedekken. In tegenstelling tot wat modeontwerpers en reclamemakers ons willen doen geloven, is kledij in de eerste plaats een functionele bescherming van ons lichaam. Naargelang we ons moeten bedekken tegen regen, wind, sneeuw, koude of hitte, zal onze kledijkeuze duidelijk verschillen. Zonder extra beschermlagen lopen we het risico om een longontsteking op te lopen, of bij hitte brandwonden. Zelfs in vroege beschavingen droeg men dierenhuiden ter bescherming.

We kleden ons ook om onze naaktheid te bedekken. Kledij heeft een morele connotatie. Het in ongeoorloofd om rond te lopen zonder kleren aan, tenzij in bepaalde afgebakende zones uiteraard. In een tijd waarin algemene waarden verschuiven, blijft er toch een zekere schroom bestaan. Onbegrensde vrijheid is immers niet leefbaar. En wanneer de hormonen pingpong spelen, zou het kunnen leiden tot heel wat problemen.

Wat het esthetisch karakter van kledij betreft, is het niet aangewezen om in dit discours veel te vertellen. ‘De gustibus et coloribus non disputandum.’

Bescherming

Wanneer Paulus aan de christenen van Efeze schrijft dat ze zich moeten bekleden met de nieuwe mens, gebruikt hij een bijzonder goed gekozen beeldspraak waarbij de functionaliteit van kledij gebruikt als uitgangspunt. Paulus ziet geloof als een jas die je aantrekt, weliswaar zonder die zomaar weer uit te trekken natuurlijk. Het geloof biedt je een bescherming, een filter tegen de hardheid van de realiteit.

De werkelijkheid is als het zonlicht. Wanneer we er zonder filter recht in kijken, verblindt ze ons. We interpreteren dus altijd. Hoe zou je tegenslag en pijn, ziekte en dood kunnen accepteren zonder enig interpretatiekader? Dan is alles absurd. We hebben nood aan betekenis.

Goed en kwaad

De ‘nieuwe mens’ bij Paulus (of deutero-Paulus, want het auteurschap van Paulus is niet zeker wat de Efeziërsbrief betreft) is een mens zoals alle anderen, maar zij of hij draagt de jas van gerechtigheid en heiligheid in navolging van Christus. (Efeziërs 4, 24) Het is een jas van geloof belijden én beleven.

Voor de concrete invulling kiest Paulus als echte Westerling vooral de weg van de ‘negatieve ethiek’ en beschrijft hij vooral alles wat men niét mag doen. Met name: lieg niet, blijf niet kwaad, wees niet oneerlijkheid, spreek geen verderfelijke taal, vloek niet. (Efeziërs 4, 25-31) In het vijfde hoofdstuk volgt nog een sappige lijst. Toch is er ook al een glimp van positiviteit: spreek goede en opbouwende woorden die de ander deugd doen. (Efeziërs 4, 29b) En Paulus bouwt hier in zijn conclusie op verder: ‘Wees goed voor elkaar en vol medeleven; vergeef elkaar zoals God u in Christus vergeven heeft.’ (Efeziërs 4, 32)

Is de ‘nieuwe jas’ een keuze tegen iets? Eigenlijk wel. Zich kleden, is zich wapenen en beschermen tegen negatieve invloeden. Zonde en verderf worden in de brief nogal overvloedig uitgewerkt, zoals vaker bij Paulus. Kiezen voor Christus is kiezen voor het goede. Dus: tegen het kwaad. Het is even goed kiezen tegen de leegte, tegen de zinloosheid. (Efeziërs 4, 14)

Positieve keuze

De jas van de nieuwe mens is echter ten diepste een actieve en positieve keuze. Het is zelf in alle vrijheid kiezen voor Christus en voor een bewuste levensstijl. Dus niet zijdeling of gedeeltelijk, maar ten volle en uitdrukkelijk. Een keuze is een actieve beslissing. Je draagt de jas of je draagt ze niet.

De nieuwe mens ‘aantrekken’ overkomt je niet. Je doet het zelf, omdat je ervan overtuigd bent, omdat je er in gelooft. Omdat je in Hém gelooft. Dat is immers wat God van je verlangt: dat je gelooft in Jezus, die door God onder de mensen is gezonden. (Johannes 6, 29)

Op je lichaam

Deze jas vult je mens-zijn aan. Geloven is geen zelfontkenning of zelfverguizing maar de gelegenheid aangrijpen om een betere versie van jezelf te worden, vertrekkend vanuit je keuze. Deze kledij – dit bekleden – sluit immers aan op je huid, op je kwetsbaarheid.

Je vult je kwetsbaarheid aan met genade. Eigenlijk is het aantrekken van deze jas het aanvaarden van de genade die God ons schenkt. (Efeziërs 4, 7) Die genade schonk de Heer langs het manna in de woestijn en in overvloed met Jezus Christus' komst op aarde. (Johannes 6, 32-35) Geloven is dus ook geen zelfverheerlijking.

We aanvaarden de genade volmondig en dus ook de Schenker ervan.  En God aanvaardt ons zoals we zijn en verheugt ons in wat we mogen worden, wanneer we groeien ten goede. Naar Hem toe, met zijn hulp. 

30 april 2024

De liefde verheft (4-5 mei 2024)

De liefde maakt een mens bijzonder. Een mens is vrij en kan kiezen wie hij of zij liefheeft en wie niet. Met wie we kunnen opschieten, heeft vaak met persoonlijke voorkeuren te maken: interesses, waarden, prioriteiten, uiterlijk, levensvisie. Maar dat is niet de Liefde die God bedoelt. Zijn Liefde overstijgt immers elke persoonlijke voorkeur. Gods Liefde is universeel, voor iedereen bedoeld. Zo hoort ook menselijke naastenliefde niemand uit te sluiten.

Kwetsbaar groot

De Liefde maakt een mens groter, meer gelijkend op zijn Schepper. Petrus zegt tegen Cornelius: “Sta op, ik ben maar een mens.” (Handelingen 10, 26) In de Liefde zijn we allemaal gelijken in openheid en kwetsbaarheid. Geen mens is de grootste in Gods Liefde. Jezus is mens geworden, aan ons gelijk, om dat duidelijk te maken. (Filippenzen 2, 6-7) 

Als geen ander heeft Hij zich kwetsbaar getoond, tot de dood toe. In zijn lijden en sterven is de onrechtvaardigheid in het mensenbestaan pijnlijk in beeld gekomen. Liefde wordt niet altijd met menselijke liefde beantwoord. En toch maakt de Liefde een mens groter, omdat langs die Liefde God telkens opnieuw zichtbaar en tastbaar wordt op aarde. Het zijn de weinige momenten waarop we God kunnen zien.

Driehoek

Deze Liefde is een voortdurende beweging tussen God, de ander en mijzelf. Vanuit ons perspectief horen wij onszelf lief te hebben, God en al onze naasten. (Matteüs 22, 38-39) De Liefde is circulair en vertrekt vanuit God (1 Johannes 4, 7) naar ons. God is van alles het begin, ook van de Liefde. 

Die Liefde is geen verheven ideaal dat ergens in de lucht hangt: ze bestaat heel concreet onder ons, in heel eenvoudige, maar onmisbare, leven-gevende daden. Het zijn uitdrukkingen van ons geloof. In onze liefde en zorg voor de ander tonen wij onze liefde voor God. (Matteüs 25, 40) En daarmee volgen we het voorbeeld van Jezus. Dat geeft Jezus zelf kernachtig weer in het liefdesgebod: “Heb elkaar lief zoals Ik jullie heb liefgehad.” (Johannes 15, 12) 

Leven in de Liefde is de ultieme navolging van Jezus Christus, onze Heer. Liefde brengt een mens dichter bij God. We leven dan in Jezus Christus, die ons deze liefde tot het uiterste toe heeft voorgeleefd. Sterker nog: door de Liefde die Jezus op aarde heeft voorleefd, worden wij met God terug verzoend. (1 Johannes 4, 10) Zo allesomvattend en sterk is deze Liefde. Zo Goddelijk. 

Geloof

Hoe kunnen we deze Liefde dan uiten? Heel eenvoudig door iedereen gelijkwaardig te behandelen en niemand, maar dan ook niemand uit te sluiten. Door niemand kwaad te doen. In die liefde gaat bijzondere aandacht en zorg naar hulpbehoevenden: minderbedeelden, zieken, gevangenen. Een luisterend oor zijn voor een zieke, een eenzame bezoeken, voedselpakketten helpen samenstellen, ontwikkelingsprojecten steunen, helpen bij activiteiten om geld of goederen in te zamelen voor organisaties, vergiffenis schenken aan iemand die jou kwetste: er zijn zoveel kansen om God in daden eer te brengen. Nog even ter herinnering: we selecteren de hulpbehoevenden niet volgens onze persoonlijke voorkeur. 

En zo kan de kwaliteit van onze geloofsgemeenschappen afgemeten worden: aan de mate waarin zij tegemoet komen aan de noden van de zwaksten. Wanneer van hun noden en vragen wordt weggekeken, dan wordt God zelf genegeerd. “Blijf in de Liefde”, zo insisteert Jezus. (Johannes 15, 9b) De Heer vraagt ons uitdrukkelijk om ons geloof levend te houden, door de daad bij het woord te voegen. Met onze daden van liefde participeren wij in de Liefde die God is.

Genade

In de Liefde zijn we geen dienaars meer van Jezus, maar zijn vrienden. (Petrus 15, 15) Dat wil niet zeggen dat we dan aan God gelijk zouden kunnen zijn. Helemaal niet! Wel betekent het dat we boven onszelf uitstijgen, dat we in de Liefde de beste versie van onszelf zijn. 

Deze liefde is geen middel om eer en bewondering op te eisen. Het zijn gratuite daden die een dankbaar antwoord zijn op de genade van God, waarmee alle Liefde is begonnen. In diezelfde genade blijft God ons nabij. (1 Korintiërs 13, 4)

Mooiste

Zo oneindig gul is God met zijn Liefde, dat we die onmogelijk onbeantwoord kunnen laten. Nooit zal de liefde van een mens de pure Liefde van God kunnen evenaren, maar ze kan er in delen, door hoopvol en oprecht te zijn. We kunnen elke dag opnieuw het mooiste van onszelf delen in uitdrukkingen van de Liefde die ons gelovig hart verwarmt. 

Nee, de Liefde zal nooit vergaan. (1 Korintiërs 13, 8) Ze is de ultieme veruitwendiging van ons geloof. En daarom zal ook de hoop nooit verdwijnen, hoe hard het ook stormen mag in ons leven en in de wereld. (1 Korintiërs 13, 13) 

05 maart 2024

Een wenskaartje met 'Zomaar' erop (9-10 maart 2024)

Zomaar. Niet omdat het je verjaardag is, niet omdat je een bewonderenswaardige daad hebt gesteld, niet omdat je een heldendaad hebt verricht, maar gewoon zomaar. Gratuit. Uit genade. Als een ruiker bloemen of een wenskaart, onverwacht, uit het niets: ‘Zomaar’. Zo is Gods Liefde.

Dankbaarheid

‘God heeft de wereld zodanig lief dat Hij zijn eigen Zoon heeft gegeven, opdat wie gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leeft.’ (Johannes 3, 16) We horen Jezus hier aan Nikodemus vertellen over de diepste identiteit van God: Hij is Liefde. Deze Liefde is zo anders dan de menselijke liefde, net zo anders als God is in vergelijking met een mens. Zijn Liefde is eindeloos, grenzeloos, en overstijgt het menselijke in alles. Zo onvoorstelbaar, zo onmetelijk groot is Gods Liefde dat Hij zijn eniggeboren Zoon op aarde geboren laat worden: oneindig wijs als God zelf, maar kwetsbaar als een mens. 

Jezus verkondigt Gods redding, Hij spreekt over Gods Rijk. Dat rijk begint al hier op aarde. De aarde is helaas niet zo dankbaar als men zou verwachten. Hoe goed God het ook met de mensen meent, velen onder hen zijn wispelturig, beïnvloedbaar en besluiteloos, soms ook zelfzuchtig en eigengereid. Maar de focus van God ligt in de eerste plaats op zij die wél hun hoop vestigen op Hem, zij die wél in Hem geloven. Geloof begint bij dankbaarheid. We mogen nooit vergeten om God te danken, ook wanneer we om een gunst vragen.

Begin bij jezelf

‘God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om te oordelen, maar om de wereld te redden.’ (Johannes 3, 17) Hoewel Jezus vaak heftig tekeer gaat tegen Schriftgeleerden, farizeeën en Sadduceeën, dààr ligt niet de kern van Jezus’ taak. De tempelreiniging van vorige week, hoe spectaculair ook, is niet het hoogtepunt van Jezus’ aardse bestaan. (Johannes 2, 13-22) Niet om te oordelen, komt Hij onder de mensen leven, maar om hun redding te verkondigen. (Zie ook Johannes 12, 47)

Voor elk van ons is dat een belangrijke vaststelling. Je geloof druk je niet uit in starre oordelen over anderen en strenge veroordelingen van woorden en daden, maar in het voorleven van naastenliefde en goedheid, zaken die het licht mogen zien en die schitteren in God Licht. Geloven is in de kwetsbaarheid gaan staan, en tegelijk in de wijsheid die God ons schenkt langs zijn Geest. We leven ons geloof niet voor in grootse heldendaden, maar in kleine, onderbelichte goedheid, telkens weer. Onopvallend als het zachte briesje waarin God te vinden is. (1 Koningen 19, 11-13) Kwetsbaar als onze Redder die aan het kruishout heeft gehangen.

Positief begin

Men zegt wel eens dat het Westerse denken negatief ingesteld is en dat het christendom daar een belangrijke rol in speelt. Mogelijks schuilt daar waarheid in, maar het is alleszins niet in de lijn van wat Johannes schrijft. De klemtoon ligt immers op het goede, daar begint alles. De schepping zelf begint met goedheid. (Genesis 1) Dan pas komt het weren van het kwaad in beeld. (Genesis 2) Niet omgekeerd. Het traditionele wijsvingertje hebben we dus niet zo vlug van doen, bij voorkeur zelfs helemaal niet. De eerste taak van iedere christen is een voorbeeld te zijn, de belichaming van Gods Liefde: een houding van pure authenticiteit. Dat is op zich al een levensopdracht.

Daarbij houden we ons bij voorkeur ver van verborgen vooringenomenheid. Je eerste insteek hoort zuiver positief zijn, op hoop en toekomst gericht. Goedheid mag dus geen oprijlaan zijn naar een ‘ja, maar…’. God is bovenal de Oerkracht van goedheid en genade.

Genade

Aan de christenen van Efeze schrijft Paulus: ‘Dank zij je geloof word je gered, maar wel door de genade van Jezus Christus.’ (Efeziërs 2, 8a) Inderdaad: ons geloof is de voorwaarde om door God genade te kunnen ontvangen. Het is niet zo dat we recht hebben op Gods genade. Wij zijn niet in de positie om dat te claimen. We ontvangen de genade omdat God ze ons gunt. 

We hoeven dus niet in diepe angst te leven wanneer we met goede bedoelingen in het leven staan. Een smetteloos parcours zullen we niet afleggen: we zijn immers mensen. Dat weet God in zijn oneindige Wijsheid. Als Gods genade van onze daden afhing, dan zou niemand redding vinden. (Psalm 130, 3-4 en 7) Dat wil niet zeggen dat we onszelf zomaar kunnen goedpraten. Het houdt vooral de waarschuwing in dat we niet in de positie om anderen te veroordelen. Zo streng als we voor anderen zijn, zo streng zal God voor ons zijn. (Matteüs 7, 1-2)

In vrijheid

De genade ‘is een geschenk van God.’ (Efeziërs 2, 8b) God is mateloos kwistig met zijn Liefde, veel guller dan een mens ooit voor een medemens zal kunnen zijn. In Hem vinden we nieuwe hoop, als we in Hem geloven. God heeft de mens de vrijheid geschonken om te denken, te spreken en te handelen. Liefde kan je niet dwingen. Ook de Goddelijke Liefde werkt niet zo. Alleen wanneer de mens zich er voor openstelt, kan de ultieme wisselwerking tussen God en mens plaatsvinden.

In Christus is een nieuw Verbond gesloten dat hoop inhoudt voor de hele wereld. Voorheen was het verbond gesloten tussen God en zijn Volk. Er volgde een pijnlijke historiek, gekenmerkt door ontrouw en ondankbaarheid. God ontsluit in zijn Zoon de genade voor de hele wereld, voor alle mensen (in het Grieks ‘kosmos’: wereld). We mogen ‘wereld’ hier beschouwen als ‘Schepping’, maar tegelijk ook als plaats van grenzeloze vrijheid. 

Vrijheid is de voorwaarde tot liefde en dus ook het fundament van geloof. In vrijheid worden we geboren. Helaas wordt die vrijheid soms geknecht door politieke heersers. Maar ten diepste blijven we vrij. We zijn vrij om te kiezen voor God of niet. Die vrijheid is soms zwaar om te dragen, maar zonder haar is het geen leven hier op aarde. In geen geval zijn we marionetten van God. De Heer gunt ons het leven, en dat zal bestaan uit hoogten en laagten, en misschien kort duren, of misschien lang. Hij gunt ons ook zijn Liefde, maar dringt ze nooit op. Wanneer wij ons ervoor openstellen, geeft God ze ons als geschenk, vergezeld van een wenskaartje met 'Zomaar' erop. 

We mogen ons gelukkig prijzen, we hebben het getroffen. En dat mogen we vieren op Laetare-zondag. Een ogenblik van blijheid, van dankbaarheid, te midden van de spirituele zoektocht die de Veertigdagentijd is.

22 december 2023

Kerstmis: het hoogfeest van de eenvoud (24-25 december 2023)

God merkte dat de mensen Hem niet begrepen. De farizeeën waren vooral met zichzelf bezig, en met de schone schijn. De mensen volgden allerlei zelfgemaakte regels en geloofden dat ze God daarlangs gelukkig maakten. Het werd tijd dat de voorspelling van de profeten in vervulling ging en zijn Zoon op aarde geboren werd. God laat zijn Volk niet in de steek omdat ze de Boodschap niet begrijpen. Ze krijgen de kans om het Woord van zijn eniggeboren Zoon aan te nemen. 

Méér dan dat

Is dat wat we vieren met Kerstmis? Ja… en nee. Er is meer. We vieren inderdaad dat God ons niet in de steek laat, dat Hij ons nabij blijft, ook wanneer wij denken dat we in de steek gelaten zijn; dat Hij ons begrijpt, ook wanneer wij Hem niet begrijpen.

Een belangrijke vaststelling is dat God Maria niet op een heilige berg heeft geleid zodat ze in de overdadige luxe van een tempel of paleis haar Zoon kon baren. Voor de Zoon van God is de grootste eenvoud goed genoeg. Wat volstaat voor de minsten onder ons, dat volstaat ook voor Jezus. Geen warme kamer, geen zacht bed, geen koninklijke praal, maar een voederbak met prikkend stro. Jezus wordt ten volle opgenomen in het menszijn.

Eenvoud

En juist daarom gaat Kerstmis ten diepste helemaal niet over gezelligheid en over een fonkelend, knipperend en blinkend interieur. Het is geen feest van luxe en van culinaire finesse. Er is natuurlijk niets verkeerd aan samen gezellig tafelen, maar dat is niet waar Kerstmis over gaat. De kern van het Geboortefeest van Jezus is pure, onversneden eenvoud. De Messias wordt in de grootste eenvoud geboren, uit een heel gewone Moeder zonder adellijke afkomst, in een ongezellige stal. 

Laten wij zoals de herders langsgaan bij de stal en het wonder aanschouwen. Net als de herders mogen wij ons meest kostbare bezit schenken: onze aandacht en aanwezigheid, onze bewondering, onze aanbidding, onze warmte. Oprechte eenvoud als meest hartelijk geschenk.

Levensecht

Kerstmis is een feest van vreugde en dankbaarheid, en die mogen we delen met elkaar. Let wel: de Kerstvreugde brengt geen spookjesachtig ‘lang en gelukkig’. Jezus wordt geboren in een stal en zal sterven aan een kruis. Gods gulle genade wordt lang niet altijd in dank afgenomen. Ook in ons leven ontmoeten we onbegrip, ziekte, uitdagingen en tegenslagen. Het zijn geen straffen. Ze horen bij ons menszijn, bij ons leven.

Liefde

De Kerstvreugde is een diepe blijdschap, uit dankbaarheid om Gods geschenk: zijn Zoon. En gedeelde vreugde is inderdaad dubbele vreugde. Vreugde werkt niet volgens de regels van de economie, maar volgens de liefde. Liefde delen maakt haar sterker. Die liefde is niet wollig of naïef, maar puur en oprecht.

Kerstmis daagt ons uit om ons geloof te versterken en te verdiepen: in ons denken, spreken én handelen. Laten we dus gul zijn met de Kerstvreugde, niet om iets terug te krijgen, maar uit pure vrijgevigheid. Laten we de essentie van dit feest vieren. Laten we de Boodschap van vrede verspreiden om ons heen en oog hebben voor wie troost of hulp nodig heeft. Laten we bouwen aan de wereld waar Gods Zoon over spreekt: een vredevolle wereld, waar mensen luisteren naar elkaar en zorgen voor elkaar. 

Ik wens je een zalig Kerstfeest!

16 juni 2023

Geloof en pastoraal: gratis en voor niets (17-18 juni 2023)

God is niet te betalen. Jezus rekent niemand geld aan. Ook zijn leerlingen mogen hun toehoorders geen geld vragen voor hun verkondiging. Genade is niet te koop. De leerlingen hebben hun roeping voor niets ontvangen en de blijde Boodschap evenzeer. 

Jezus heeft de menigte en zijn leerlingen van op de berg toegesproken: Hij heeft de zaligsprekingen gedeclameerd (Matteüs 5), uitgelegd hoe je tot de Vader kan bidden (Matteüs 6), geleerd om anderen niet te veroordelen maar de eigen gebreken indachtig te zijn. (Matteüs 7) Dan ontmoet Hij Matteüs, een tollenaar, die Hij roept om zijn twaalfde volgeling te worden. (Matteüs 9, 9)

Zending

Jezus ziet een stuurloze menigte van mensen voor zich en merkt op: “De oogst is groot, maar er zijn weinig arbeiders.” (Matteüs 9, 37) Daarna doet Hij een merkwaardige uitspraak: “Vraag de eigenaar van de oogst (de Heer van de oogst) of Hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.” (Matteüs 9, 38) Jezus zegt niet: “Ik moet voor arbeiders zorgen.”, en ook niet: “Laat de Vader arbeiders sturen.” Jezus geeft de leerlingen de opdracht om te vragen, te bidden dat God arbeiders wil sturen. Jezus sluit zelf uiteraard aan bij de bede, maar nodigt eerst en vooral zijn leerlingen uit om in verkondiging maar ook in gebed geëngageerd te zijn in de verspreiding van de blijde Boodschap.

Jezus zendt zijn leerlingen uit naar de ‘verloren schapen’ (Matteüs 10, 6). Hij geeft ze duidelijke instructies mee: ze gaan op weg om het komend Rijk te verkondigen (Matteüs 10, 7b), geesten uit te drijven en zieken te genezen (Matteüs 10, 8a). Uiteraard moeten we dit situeren binnen een volledig andere tijdsgeest. De fysieke en geestelijke gezondheidszorg waren op geen enkele wijze te vergelijken met nu. Omgetaald naar onze tijd, kunnen we stellen: aandacht hebben voor de hulpbehoevenden en de zwaksten.

Voor niets

De leerlingen hoeven geen reservekledij te voorzien. Over geld is Jezus heel duidelijk: “Om niet (voor niets) hebben jullie ontvangen, om niet moeten jullie geven.” (in het Grieks: ‘Dôrean elabete, dôrean dote’). (Matteüs 10, 8b) De leerlingen mogen geen geld vragen voor hun verkondiging. Geld beschadigt de boodschap. Het manipuleert de inhoud. De leerlingen zijn uit genade geroepen en hebben het Woord uit genade ontvangen, en uit dezelfde genade mogen zij nu verkondigen. Die genade is niet betaalbaar: genade heeft geen prijs.

Het Griekse woord ‘dôrean’: betekent ‘om niets, gratis, zonder iets aan te rekenen’, maar ook ‘in vrijheid’. Door geen betaling aan de verkondiging te verbinden, is ze in vrijheid: vrij van de aardse logica. Eigentijds vertaald zegt Jezus: “Zonder te moeten betalen, hebben jullie ontvangen, zonder aan te rekenen, moeten jullie geven.”

Kerk en geld

Jezus zendt zijn leerlingen in het prilste begin van wat de Kerk zal worden. Het is uiteraard een naïeve idylle om een Kerk volledig vrij van geld voor te stellen. Werkelijk niets dat in ons aardse bestaan in de grond of in de samenleving is verankerd, staat voor de volle 100 percent los van geld.

Een sobere Kerk is wel realistisch. De Brugse bisschop De Smedt reageerde tijdens het Tweede Vaticaans Concilie heel fel tegen een mentaliteit die hij ‘triomfalistisch’ noemde: een pronkende Kerk met veel machtsvertoon, pracht en praal. Terecht, want in de lijn van Jezus’ zending van de apostelen, mag de Kerk zich niet hooghartig of afgunstwekkend opstellen, maar inspireert ze het meeste in grote eenvoud. Dan is er ook meer ruimte voor de vrijheid van Gods genade. Die Kerk is toegankelijk voor iedereen die gelooft in de Heer Jezus, en vooral voor de zwaksten onder hen.

Inherent

Het is niet altijd vanzelfsprekend om als gelovige gemeenschap voldoende aandacht te schenken aan hulpbehoevenden. Het vraagt een engagement dat men soms ervaart als een extra inspanning. Dat is echter niet terecht: Christus navolgen, veronderstelt immers naastenliefde. Daar zonder is het een leeg geloof. (Jakobus 2, 14-18)

Ook soberheid is inherent aan het geloof. In de vroegste Kerk lag dweperij met rijkdom al op de loer. De Jakobusbrief is daarnet al aangehaald. Daarin laat de schrijver zijn lezers inbeelden hoe men een rijke vooraan op een stoel laat zitten, terwijl een arme op de grond ergens achteraan een plek mag zoeken. (Jakobus 2, 2-4) Het feit dat hij dit aanhaalt als voorbeeld, zegt ons ten minste dat het een herkenbare situatie was en dat de neiging ook toen in de kerkgemeenschappen bestond om rijken en machtigen te plezieren en de mooiste plekjes te gunnen. 

Geen triomfalisme!

En deze neiging is nooit ver weg gebleven. Denk maar aan de mooi gedecoreerde houten banken voor de kerkheren, vooraan in sommige kerkgebouwen. Denk maar aan de graven van edellieden, in de kerk zelf, zodat ze op de laatste dag een voorsprong zouden hebben om bij Gods uitverkorenen te geraken.

Het zijn getuigen van een tijd waarin Kerkelijke en wereldse macht verstrengeld waren en met fierheid werden geëtaleerd. Deze hiërarchie staat haaks op Jezus’ boodschap. Terecht fulmineerde Mgr. De Smedt ruim 60 jaar geleden tegen het triomfalisme, clericalisme en wetticisme. Kardinaal Suenens steunde hem daarin volmondig. Het maakte indruk, vooral omdat het inging tegen de immer presente menselijke wil om de ‘hogeren en beteren’ welwillend te zijn. Het zit diep in ons DNA geschreven. Ook in de dierenwereld is vaak een hiërarchie van sterk naar zwak.

Mensen

Christus beschouwt ons niet als een kudde dieren, maar als volwaardige en door God geschapen mensen. Juist daarom is het zo belangrijk dat we niet vervallen in instinctieve gewoonten, en al zeker niet in ons geloof. Dat ons geloof een grote belangeloosheidsfactor in zich hoort te dragen, gaat terug naar de kern van onze roeping en zending als christenen. Jezus zendt zijn leerlingen uit om te verkondigen en de zieken te genezen. Geld mogen ze niet aannemen: geen goud, geen zilver en zelf geen rosse koperen munt. (Matteüs 10, 9) Jezus benoemt het verrassend uitvoerig.

In die lijn mag ik met dankbaarheid tegen patiënten zeggen dat mijn gesprekken en gebeden als ziekenhuispastor gratis zijn. Ze komen niet op de rekening. Wanneer men toch iets wil geven, dan vraag ik om gebed. Dat is geven en ontvangen in de genade.

02 juni 2023

Triniteit: genade, liefde en eenheid (3-4 juni 2023)

De heilige Drievuldigheid vieren we deze zondag. Het concept is niet eenvoudig uit te leggen, maar is essentieel in het Christendom. Toen Jezus op aarde kwam, is ons inzicht in God veranderd. Er is symbooltaal nodig om over de Triniteit te spreken. Er is symbooltaal nodig om over God in het algemeen te spreken. Zoals elke omschrijving van liefde niet eenvoudig of droogjes omschreven kan worden, zo is ook de liefde tussen God en mens niet in enkele oppervlakkige woorden samen te vatten. Paulus doet zijn best, aan het eind van de tweede Korintiërsbrief, om de Drievuldigheid kernachtig weer te geven. Dat moet ook wel, want hij is niet tevreden over de toestand in de geloofsgemeenschap daar. Hij heeft ze een flinke veeg uit de pan gegeven. De slotzin wil een bemoediging zijn, een zetje terug op de goede weg. Het is een prachtige zegenwens, ook voor ieder van ons.

We leren de Heer in het Oude (Eerste) Testament kennen als de Enige, de Heer die “liefdevol en genadig, geduldig, trouw en waarachtig” is. (Exodus 34, 6) Het is door diezelfde liefde die Jezus’ komst in de wereld wordt gemotiveerd: “God heeft de wereld zodanig lief dat Hij zijn enige Zoon heeft gezonden.” (Johannes 3, 16) Doorheen alle tijden hebben mensen hun geloof in God ontdekt en beleefd, en die lange geschiedenis van de schepping tot nu, houdt niet op.

Op de zondag van de Goddelijke Drievuldigheid, wordt een stukje theologische poëzie van Paulus gelezen. Het betreft in feite een afsluitende groet aan de christenen van Korinte, maar die is inhoudelijk en vormelijk uitermate inspirerend:

“De genade van de Heer Jezus Christus,

de liefde van God,

en de eenheid met de heilige Geest zij met u allen.” (2 Korintiërs 13, 13)

Triniteit

Aan de drie Goddelijke Personen wordt telkens een eigenschap toegeschreven door Paulus. De groet is echter één dynamisch geheel, zoals de Triniteit zelf. De genade, liefde en eenheid zijn niet van elkaar los te maken, ze zijn onderling in elkaar verstrengeld. Er is geen genade zonder liefde, en geen liefde zonder eenheid. Ook is er geen exclusiviteit van gave: de eigenschappen zijn ook met de andere Personen verbonden, maar elk passen ze het meest bij één van de Goddelijke Persoon.

De Triniteit wordt vaak als een kunstmatige constructie ervaren. Het is lastig om één God te verbinden met drie Personen. Theologisch is de theorie al vaak beschreven en verduidelijkt, maar kennis volstaat niet om te groeien naar een harmonisch Godsgeloof. In het gebed, in de heilige ruimte van spiritueel gesprek met en meditatie bij God, mogen we wijsheid en inzicht ontvangen. De dynamiek van de Drie-eenheid huist immers niet zozeer in de theorie, maar in de dagelijkse geloofspraktijk.

De genade van de Heer Jezus Christus

Wanneer we spreken over de genade van de Heer Jezus Christus, dan hebben we niet alleen te maken met de mens Jezus die langs stoffige wegen, vergezeld van zijn leerlingen en zijn Moeder, naar Jeruzalem is getrokken. Christus is het gelaat van God. In concrete ontmoetingen en gebeurtenissen tot voorbij zijn dood heeft Christus zich in onze wereldse geschiedenis openbaard, als volwaardig mens, die geleden heeft en gestorven is, maar die daarna uit de dood is opgestaan, onder zijn leerlingen verscheen en hun de heilige Geest toezegde door over zijn leerlingen te blazen.

Alles wat Hij heeft gedaan, vertrekt uit welwillendheid, en is gunst in zijn zuiverste vorm. Wij hebben het niet verdiend, wij hebben er nooit recht op gehad. De genade is nergens beter zichtbaar geworden dan in Gods mensgeworden Zoon Jezus Christus. In geen groter teken kon God tonen dat Hij ons nabij wil zijn, dan door mens te worden onder de mensen. De genade van God, de bron van hoop en toekomst voor alle mensen, is op aarde verschenen in Jezus Christus. (Titus 2, 11) Mozes bracht de Wet onder de mensen, maar Jezus Christus is de bron van genade en waarheid. Zij zijn met Jezus op de wereld gekomen. (Johannes 1, 14-17)

Er bestaat geen andere genade dan gratuite genade. Gratuit betekent niet ‘goedkoop’, het is geen 'koopje'. Gratuit geeft de dieptedimensie weer: genade ontvangen we onverdiend, ongevraagd en onbegrensd. Die overvloedige genade hangt overigens niet af van ons menselijk antwoord. Wel kan er pas een relatie ontstaan wanneer de mens antwoordt op de genade met geloof. De genade is de een fundamentele roeping van alle mensen. Het is geen abstract concept, maar een concrete bron van leven, van hoop en van toekomst, de ultieme bron van geloof.

De roeping is ten diepste de bevrijding van onder het juk van de geldingsdrang. Wanneer we in Christus leven, hoeven we onze persoonlijkheid niet langer met hand en tand te verdedigen als enig kostbaar bezit, en onze oprechtheid en geloofwaardigheid niet telkens weer te bewijzen. Dat is een kwaal in onze egocentrische tijden. Welnu, wie in de genade leeft, die leeft in de waarheid. En wie in de waarheid leeft, die leeft in de liefde. Daarom heeft Johannes het aan het begin van zijn tweede brief ook in één adem over “genade, barmhartigheid en vrede, in waarheid en liefde” (2 Johannes 1, 3) Laten we dat goed onthouden en ons niet verliezen in nodeloze discussies die nergens toe leiden dan tot een clash van persoonlijkheden.

De liefde van de Vader

Door ons open te stellen voor de genade, openen we ons hart voor de bron van die genade, en dat is de liefde van de Vader.

Voor alle duidelijkheid: liefde is geen Goddelijke eigenschap, het is de identiteit van God en dus van de Vader. God is liefde en niets anders dan liefde. Zoals het licht enkel licht is en geen duisternis. Het is geen zeemzoete liefde, maar liefde die gestoeld is op de ultieme wijsheid. Niet toevallig spreekt Johannes aan het begin van zijn evangelie over ‘het Woord’, de kennis. Gods kennis is liefde. God heeft geschapen uit liefde.

In die liefde kennen wij God als de Aanwezige, als Hij die is. Hij ‘is’, point final. Het ultieme teken van die liefde van Godswege voor de mensheid schuilt dan ook in zijn naam: ‘Ik zal er zijn’ (Exodus 3, 14), anders gezegd: ‘Ik laat je nooit in de steek’. Daarom is God liefde: het is zijn Naam. En daarom kan er ook maar één God zijn. Buiten de liefde kan er niets groeien.

Die gave van liefde kent zijn oorsprong bij God, vanaf de schepping al. Niet de menselijke zoektocht is het begin, maar de Goddelijke liefde. God heeft ons het eerst liefgehad. (1 Johannes 4, 19) De liefde van de Vader is niet abstract of theoretisch, maar heeft een historische dimensie. (Leestip: Marc Steen en Lode Aerts (red.), Iedere grens voorbij: visies over God, 1999) Ze manifesteert zich elke dag, ze is overal te ontdekken, in grote en kleine dingen.

De Deense filosoof Søren Kierkegaard (bekend van het gebed 'Gij hebt mij het eerst bemind') zegt terecht dat het hoogst ondankbaar zou zijn om te stellen dat God maar één keer zijn liefde heeft geopenbaard. Dat doet God immers op ieder moment, elke seconde. God is niet afwezig gebleven nadat Hij het raderwerk van de schepping in gang heeft gezet. Telkens wanneer wij aan Hem denken of ons biddend tot Hem richten, is Hij al aanwezig. De openbaring van God die Liefde is, is meteen ook een appèl om zelf lief te hebben. Daarin ligt meteen ook ons antwoord op de liefde die ons telkens weer voorafgaat. Jezus vat het zelf voor ons samen: “Heb God lief, en je naaste als jezelf.” (Marcus 12, 29-31)

De eenheid van de Geest

De liefde onder christenen, die het wezen van de kerk uitmaakt, is een afstraling van de Liefde van de Vader. Wanneer Paulus spreekt over de eenheid van de heilige Geest heeft dat niets te maken met een persoonlijke band met God ontwikkelen. De Geest is de stichter en bezieler van de eenheid onder alle christenen, de eenheid van de universele geloofsgemeenschap. De eenheid van de Geest is een verbondenheid onder alle christenen, als gemeenschap van God.

In een verbrokkeld christelijk landschap is die eenheid geen utopie, maar een reële mogelijkheid.  De aandacht dient ultiem gevestigd te worden op wat alle christenen verenigt: God. Een christen die zich profileert in het zich onderscheiden van alle anderen, leeft niet in de Geest. De Geest is de verenigende kracht van God. Mogen we het dan niet oneens zijn in geloofsthema's? Jazeker, maar niet in die mate dat de fundamentele verbondenheid verbroken wordt. Wellicht mogen we de vrede die Paulus zijn lezers toewenst in de zegeningswens ‘genade en vrede’ (Romeinen 1, 7; en nog 8 andere brieven) beschouwen als aanzet tot die eenheid in de Geest. Niet toevallig wenst Jezus zijn leerlingen vrede toe wanneer Hij na zijn verrijzenis onder hen verschijnt en de Geest over hen laat komen. (Johannes 20, 21-23) In het streven naar de vrede van de Heer, daar is de Geest en daar is vrijheid. (2 Korintiërs 3, 17)

Openbaring

De genade, de liefde en de eenheid vatten de heilsgeschiedenis samen: wat was, wat is en wat komt, in het teken van Gods Verbond met de mensen. Geen van de drie kan weggenomen worden zonder de andere twee te doen wankelen. Open staan voor de genade, de liefde ontvangen en doorgeven, en een gemeenschap vormen op aarde zijn dan ook kerktaken van ons geloof, het antwoord van alle gelovigen op Gods Aanwezigheid doorheen de tijd, samen met ons.

Paulus schrijft niet over een vage God aan de geloofsgemeenschappen. God is concreet, in zoverre er concreet kan worden geschreven over God uiteraard. Hij blijft ons te allen tijde overstijgen. God is immers geen maaksel van het menselijk denken, maar een Openbaring waarvan het initiatief bij Hemzelf ligt, niet bij ons. Het argument van tegenstanders van het christendom, dat het geloof een vorm van realiteitsvlucht zou zijn, een onvermogen om in de werkelijkheid te staan, houdt geen rekening met de Openbaring en de diepste Andersheid van God.

Om het met de woorden van Mgr Lode Aerts te zeggen: “Een christen is er niet zozeer op uit om zichzelf zin te geven.” (in: Tom Zwaenepoel, Mag het iets meer zijn?, 2018) Men kent zichzelf geen God toe. Integendeel: we ontvangen de openbaring. God is ons voor met zijn liefde. Kierkegaard heeft gelijk:

U bent mij voor met uw liefde, God.

De hele dag, het hele leven door

bent U mij voor.

Als ik 's morgens wakker word

en mijn gebed zich tot U richt,

dan bent U mij voor.

U bent mij voor met uw liefde. (...)

En ik, ondankbare mens,

die altijd denk en spreek

alsof U mij maar één keer

voor bent geweest met uw liefde.

(in: Sven Vannecke, U zeg ik dank, 2018.)