Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label brood. Alle posts tonen
Posts tonen met het label brood. Alle posts tonen

30 juli 2026

Wonderlijk Brood (1-2 augustus 2026)

Het broodwonder is een inspirerend evangelieverhaal, omdat het zoveel vertelt, zelfs zonder het eigenlijke wonder zelf te beschrijven. We lezen enkel wat het resultaat ervan is: er blijkt een grote overvloed over te blijven van de vijf broden en twee visjes die voorhanden waren. Het moet een hele uitdaging zijn om dat in beeld te brengen: de schilderkunst wil graag het kernmoment uitbeelden. 

Symbolistisch

Tomasz Kuran (geboren in 1971 in Warschau) is een hedendaagse Poolse schilder en kunstconservator. Hij ging naar de Academie voor Schone Kunsten in Warschau en volgde daarnaast een opleiding schilderkunst in het atelier van professor Rajmund Ziemski, een abstract-figuratieve kunstenaar. Kurans werk omvat landschappen, abstracties en personages, in een realistische en symbolistische stijl, vaak met een sterk gebruik van vlakken en kleuren. Liefde, lichamelijkheid, verdriet en geloof zijn terugkerende thematieken in zijn werken. Hij exposeert heel af en toe. 


'De wonderlijke vermenigvuldiging van brood en vis' is een hedendaags werk, geschilderd in acryl. Het is vervaardigd in 2022 of 2023 en meet 80 bij 80 cm.  De typische stijlkenmerken komen duidelijk in beeld: een breed gamma aan contrastrijke kleuren en het gebruik van onderling sterk verschillende kleurvlakken. We zien op de voorgrond een persoon in een kleed, met een mand voor zich. De achtergrond bestaat uit zanderige grond en de lucht erboven.

God en mens

Water en land zijn de basiselementen van Gods schepping. Die schepping is allesbehalve monotoon. De hemel roert zich in dit werk, er is veel beweging. De aarde is eveneens veelkleurig en levendig weergegeven. De kleuren van hemel en aarde keren terug in het motief op het naadloze kleed van de afgebeelde figuur, die Jezus voorstelt. Hij is één met de hemel én met de aarde. Jezus is God en mens, heilig en aards tegelijk. 

Zijn mantel is perfect, maar zijn gezicht onvolmaakt. De mantel is uit één stuk en is uit een hemels zuiver witte stof vervaardigd, maar met aardse patronen gekleurd. De ogen zijn ongelijk geplaatst. Dat gebeurt wel vaker in abstracte kunst. Hier duidt het misschien ook op menselijk kijken en Goddelijk kijken. De mond van Jezus is geopend: Hij is aan het spreken, aan het vertellen, aan het verkondigen. Jezus is het Woord. Zijn mond is deels verhuld, niet volledig zichtbaar. Jezus spreekt langs parabels en wonderen.

Verwijzing

Hij stelt een zegenend gebaar. Eén hand is afgebeeld in het wervelende hemelvlak, één in het aardevlak dat qua kleur verschilt van de andere. Uit de mand verschijnt een ordelijke veelheid aan broden en vissen, ze lijken te zweven uit de mand. Veelheid hoeft geen chaos te zijn. De ordelijkheid en het zweven verwijzen naar het bovennatuurlijke, het bovenaardse. Vijf broden en twee vissen hebben een rode aanduiding, de rest niet. Uit die broden en vissen blijft er een veel grotere veelheid over, die reikt tot in de hemel. Is het rood een verwijzing naar het lijden van Christus? We vinden diezelfde rode kleur terug op de kraag van zijn kleed.

Het broodwonder verwijst uiteraard naar het Laatste Avondmaal en naar het Lijden van de Heer. Tegelijk verbeeldt het de zorg voor zijn Volk, opdat zij mogen leven, en niet verloren gaan...

13 april 2026

Een brandend hart (18-19 april 2026)

Wanneer het vuur traagjes uitgaat, dan blijft er weinig over. De warmte verdwijnt, het licht dooft uit. Zoiets moeten de leerlingen in hun hart hebben gevoeld nadat Jezus in het graf is gelegd: kilte en duisternis. Hoe komt het dat hun vuur voor Jezus uitdooft? Hij heeft ze toch verteld wat er zou gebeuren? Misschien zijn ze te hard geschrokken. Misschien kunnen ze het niet alleen aan...

  • Voor de lezingen van de derde Paaszondag A: klik hier.

Somber

Twee leerlingen zijn onderweg naar Emmaüs. Eén ervan heet Kleopas. (Lucas 24, 18) Somber spreken ze onder elkaar over wat er allemaal is gebeurd. (Lucas 24, 14-17) Ze leefden in de hoop dat Jezus het Volk zou redden en bevrijden, maar dan is Jezus gevangengenomen en gestorven aan het kruis. Drie dagen zijn voorbijgegaan sinds zijn dood intussen. Er gebeurt niets... Jezus is waarschijnlijk zelfs weggenomen uit het graf, zo bleek deze ochtend. (Lucas 24, 24) Geen mens die weet waar Hij is. 

Het is te zeggen: enkele vrouwen beweren dat ze van engelen hebben vernomen dat Jezus leeft. Wat zou daar van aan zijn? (Lucas 24, 22-23) Het is één grote warboel. De leerlingen zien het somber in. (Lucas 24, 21) Hun hoop is vervlogen. We herkennen deze somberheid van bij de apostel Tomas, in het evangelie van vorige week. (Johannes 20, 19-31)

De twee leerlingen spreken er over met een onbekende Man die hen onderweg vervoegt. (Lucas 24, 15-16) Het is Jezus, maar dat zien de leerlingen niet: ze zijn verblind door wanhoop en verdriet. (Lucas 24, 16) Het feit dat ze er met deze onbekende Man over spreken, is toch een teken dat ze Jezus niet hebben afgeschreven. Ze willen wel geloven, maar hun verdriet en twijfel wegen te zwaar door.

Vertrouwenscrisis

Jezus vertelt hun over de profeten, die hebben voorzegd dat de Messias moest lijden om zijn glorie binnen te gaan. (Lucas 24, 26-27) Jezus reageert verontwaardigd: 'Hebben jullie dan zo weinig verstand en zijn jullie zo traag van begrip dat jullie niet geloven in alles wat de profeten gezegd hebben?' (Lucas 24, 25) Dat klinkt best hard. Ze hebben zich laten leiden door hun menselijke afweerreactie, weg van het geloof. De vrouwen hebben immers engelen gezien. En Jezus leeft, Hij moet niet onder de doden gezocht worden.

Het zal duren totdat Jezus het zegengebed uitspreekt en brood breekt vooraleer ze Hem zullen herkennen. (Lucas 24, 31) Zodanig zijn ze verblind dat ze de Man met wie ze drie jaar hebben opgetrokken niet herkennen. Daartoe moeten ze immers eerst wíllen kijken. Hun blik is vertroebeld. Geloven is een hele opdracht voor een mens. We willen zo graag zien en voelen, terwijl onze perceptie ons zo vaak bedriegt. Geloven is vertrouwen op wat je niet ziet. Dat zullen de leerlingen moeten leren. Zoals wij dat moeten doen. 

Vuur

Het vuur in hun hart brandt plots weer. (Lucas 24, 32) Hun hart is geraakt door Jezus, zoals voorheen. De leerlingen hebben zoveel woorden van de Heer gehoord, ze hebben aandachtig geluisterd en vragen gesteld. Toch slagen ze er uit zichzelf niet in om hun geloofsvuur brandend te houden. Op deze mensen zal Christus zijn Kerk bouwen. God stelt veel vertrouwen op ons, zo blijkt.

Er is Kracht van God nodig om ons in staat te stellen om te geloven in de Verrijzenis. (Lucas 24, 34) De dood is niet het einde, hoe logisch het tegendeel ook mag aanvoelen. De blijde Boodschap overstijgt immers de menselijke vanzelfsprekendheden. Onze kennis en wetenschap zijn indrukwekkend, maar uiteindelijk altijd eindig, heel beperkt, onnoemelijk onvolledig. Een stofje in vergelijking met Gods wijsheid. (1Korintiërs 1, 25) 

De leerlingen hebben vuur in hun hart nodig. Hun geloof moet aangevuurd worden. De evangelielezingen van de zondagen na Pasen nemen ons bij de hand op weg naar Pinksteren. Het is de heilige Geest die de leerlingen wijsheid en kracht zal schenken, zodat ze zichzelf overstijgen: Gods Adem van vuur. 

Onderweg

We zijn allen onderweg. De tijd tikt genadeloos vooruit, hij staat niet stil en keert niet weerom. Ons leven staat niet stil. Het verhaal van God met mensen evenmin. Jezus was onderweg met zijn leerlingen. De evangeliën zijn trektochten, op weg naar de Stad van God. De leerlingen zijn naar Emmaüs onderweg, opnieuw samen met de Heer. 

Ook ons eigen leven is een tocht. We zijn op weg, en onderweg ervaren we hoogten en laagten, begaan we rustige en moeizame wegen. Bijgevolg staat ook ons geloof niet stil. Het maakt immers een essentieel deel uit van ons bestaan. We mogen de hoop bewaren, ook in moeilijke tijden. God is met ons, zijn Geest zal ons leiden. Laten wij in sombere tijden ons geloof niet verwaarlozen en verliezen, maar juist kracht putten uit de Bron die God is. 

Laat je geloof ook hoop op God inhouden. (1Petrus 1, 21) Wanneer het leven je toelacht, maar evenzeer in angst of verdriet. Ook in het lijden is Christus ons nabij. Hij heeft het leed dat mensen overkomt zelf doorgemaakt. Daarin is Hij ten volle mens geweest. Vergeet niet om in vreugde dankbaar tot de Heer te komen. Hij gaat de weg met ons mee, Hij is met ons onderweg.

Dat je hart altijd vurig mag blijven branden voor Gods Liefde!

30 maart 2026

Witte Donderdag: samen maaltijd vieren, samen Kerk vormen (2 april 2026)

Witte Donderdag is een bijzondere dag. We gedenken de symboolhandelingen van Jezus met zijn leerlingen, die ons tot op vandaag inspireren langs de eucharistie. Jezus geeft Zichzelf als teken van het Nieuwe Verbond: zijn Lichaam en zijn Bloed. De dag is feestelijk maar tragisch tegelijk. Inhoudelijk wordt daarnaast nog een kernsymbool aangereikt, namelijk de voetwassing. In het verlengde daarvan is heel veelzeggend: de (spreekwoordelijke) uitnodigingslijst voor het Laatste Avondmaal. Daarom kan het Laatste Avondmaal veel betekenen voor de authenticiteit van ons christenzijn. 

  • Voor de lezingen van Witte Donderdag: klik hier.

Symboliek

Op een feestelijke gelegenheid komen mensen bijeen om te eten en samen te zijn. Het Laatste Avondmaal is zo'n feestelijke maal van Jezus met zijn leerlingen. Ondanks de context van de Goede Week, herdenken we absoluut geen rouwmaaltijd. Er is wel een bromtoon van verraad en van verandering. De symboliek die Jezus introduceert in Brood en Wijn is een sacramentele genadegave waaraan wij ook nu nog deel mogen hebben. Deze maaltijd staat in een traditiePesach viert traditioneel de redding uit Egypte en het sluiten van een Verbond tussen God en mensen. Deze viering krijgt een heel nieuwe betekenis, waar de kern van ons christelijke geloof mee vasthangt. Het geschonden Verbond van weleer wordt hernieuwd en verbonden aan de gedachtenis van Christus' Lichaam en Bloed. 

Het Laatste Avondmaal is een moment van sacrament en evenzeer van inclusie. Eigenlijk zou dit laatste inzicht even belangrijk moeten zijn. Jezus weet dat Judas Hem zal verraden. Toch is hij ook op deze Maaltijd aanwezig. Ook Judas, ondanks zijn zwakheid, maakt deel uit van de heilsgeschiedenis. (Matteüs 26, 21-25) Trouwens, Petrus zal Jezus weldra verraden en doen alsof hij Hem nooit heeft gekend. (Matteüs 26, 31-35) Ook hij mag mee aan tafel. Mensen hebben hun gebreken, allemaal. Niet dat typeert hun in Gods ogen, maar wel de oprechtheid en goede bedoelingen in hun geloof. Zelfs tot in de mate dat ze het vertwijfeld dreigen te verliezen, zoals Judas, of dat ze het onder druk angstig ontkennen, zoals Petrus. Bij uitbreiding heeft dus iedereen deel aan Gods feestmaal, iedereen die gelooft in de Heer. 

Uitnodiging

Verdeeldheid scheppen uit ijverzucht, zelfverheerlijking en zwakte: het zijn betreurenswaardige menselijke houdingen. God kent onze zwakheden. Ze hoeven ons overigens niet te typeren. Zijn we van goede wil en streven we oprecht geloof na? Dat is wat er toe doet, daarin bevestigen we het Nieuwe Verbond. Dat wordt duidelijk op Witte Donderdag, wanneer Jezus met zijn leerlingen maaltijd houdt. 

De uitnodiging om de instelling van het Nieuwe Verbond mee te gedenken gaat uiterst breed, en gaat gepaard met grote mildheid, groter dan een mens zou kunnen opbrengen. Wellicht is dat de essentie van Christus te volgen, en bijgevolg ook de grootste uitdaging voor een mens. Maar wellicht is dat ook de achilleshiel van het geloof: een mens zal nooit zo barmhartig kunnen zijn als God zelf. Er liggen zoveel verleidingen op de loer, zoals zelfzucht, eerzucht en machtszucht. Naar God zou onze liefde, eer en macht moeten gaan. En God ontmoeten we langs onze naasten.

Voetwassing

De kleinsten en de zwaksten horen centraal te staan in onze wereldwijde geloofsgemeenschap. De mensen waarop wordt neergekeken, die gemarginaliseerd worden en nagewezen: zij hebben bij uitstek deel aan het Nieuwe Verbond. De dienstbaarheid en zorg voor naasten wordt nogmaals in de verf gezet bij het laatste samenzijn van Jezus met zijn leerlingen. Die dienstbaarheid is immers dienst aan God. (Matteüs 25, 31-46) Naastenliefde is eredienst.

Dit kan Jezus niet genoeg benadrukken, en daarom giet Jezus deze grondhouding in een krachtige symboolhandeling: Hij wast de voeten van zijn leerlingen. Petrus protesteert aanvankelijk: de Messias hoeft dat toch niet te doen? Maar grootheid uit zich juist in bescheidenheid, in het stellen van kleine daden. (Johannes 13, 1-17) Hebben we ooit de werkelijke omvang begrepen van Christus' bedoeling met dit symbool?

Naaste in God

De kern van ons geloof ligt niet in het vrijwaren van een strenge leer maar in het beleven en beoefenen van de liefde voor God langs de aandacht voor onze naasten. Daarom doet de Zoon van God het meest nederige werk: vuile voeten schoonwassen. Hij wast het stof en vuil van de aarde af van de voeten van zijn leerlingen. Deze handeling verscheurt de menselijke regel dat grote heren geen nederig werk doen. Dat is denken in standen en in ongelijkwaardigheid. In de ogen van God is iedereen gelijkwaardig. Of beter: even menselijk.

'Non triumphalismus!', liet kardinaal Suenens klinken in de schoot van het Tweede Vaticaans Concilie. Laten we ons geloof dus niet verliezen in sierlijke grootdoenerij. 'Buiten de kwetsbaarheid is er geen redding': zo mogen we de insteek van Johannes XXIII bij het openen van dat concilie eigenlijk samenvatten. Niet in starre trots of machtsvertoon, maar in nederigheid dienen we God werkelijk. De Kerk mag nooit een nostalgisch eiland worden, nooit een zelfvoldane elite. Ze moet vóór alles een gemeenschap zijn die uitblinkt in dienstbare zorg voor alle naasten. En die Kerk, dat zijn wij allemaal. Jij en ik. Daarom kan de Kerk ook nooit 'iets van vroeger' zijn. Kerk zijn, dan doén we. Hier en nu.

Op Witte Donderdag kijken we het lijden en sterven van Christus recht in de ogen, en daarmee ook de verrijzenis die erop volgt. Vanuit dit mysterie krijgt Kerk-zijn vorm, en vooral dan in het erkennen en herkennen van lijden - lijden dat Jezus zelf heeft doorgemaakt - en in het zorg dragen voor wie lijdt. In het opnemen van de kleinste en gewoonste taken om elkaar dienstbaar te zijn. Want in de zorg voor anderen hebben we God lief: 'Ubi caritas et amor, Deus ibi est.'

23 juli 2025

Een steen, een slang en een schorpioen (26-27 juli 2025)

Jezus vertelt wijsheden vaak langs gelijkenissen: ze kunnen grote thema's in eenvoudige beeldtaal weergeven. Er staat telkens veel meer in dan een oppervlakkige lezing zou doen vermoeden. Gods Zoon stelt ons vandaag gerust: God laat ons niet in de steek. We blijven ontvangen van zijn genade en mogen Hem dus onbevangen vragen om hulp. Er zijn uiteraard wel enkele basisvoorwaarden: je kunt niet van God ontvangen wanneer je Hem niet erkent, niet belijdt of niet beleeft. Mag ik je meenemen op een spirituele wandeling doorheen een beeldverhaal?

In het evangelie lezen we vandaag hoe Jezus zijn leerlingen – en in het verlengde dus ook ons – leert bidden. Het Onze Vader is het allerbelangrijkste gebed in de christelijke traditie, precies doordat Jezus het ons hoogstpersoonlijk heeft aangereikt. Meer daarover lees je in deze eerdere bijdrage

Dubbelparabel

Dit keer wil ik graag een korte maar veelzeggende parabel onder de aandacht brengen die volgt op het gebed. Een dubbelparabel is het eigenlijk: een tweeluik dat gaat over oprechte vriendschap en over de liefdevolle zorg van een vader voor zijn kind. De vertelling is bijzonder beknopt en valt meteen met de deur in huis.

Je geeft geen steen wanneer een vriend je vraagt om drie broden te mogen lenen. En een vader geeft zijn kind geen slang in de plaats van vis, of een schorpioen wanneer hij om een ei vraagt. Deze kwalijke verwisselingen zijn hoegenaamd niet zinvol, ze zijn zelfs destructief. Ze getuigen niet van vriendschap of zorg. Een verzwarende factor is de vermelding dat de ondermaatse vriend er al tegen opziet om uit bed te komen en de deur open te maken. Nee: “Val me niet lastig,” is geen uiting van vriendschappelijke bekommernis. (Lucas 11, 7a) De absurditeit spreekt voor zich.

Nu kunnen we ons de vraag stellen of Jezus de drie nutteloze vervangingsmiddelen toevallig heeft gekozen, improviserend op het moment. Of brengt Hij bewust een dieptelaag binnen met zijn symboolkeuze? Het is absoluut niet Jezus’ gewoonte om oppervlakkige beelden te gebruiken. Doorgaans schuilt er meer achter zijn woordkeuze, zeker in parabels. Laten we dus op zoek gaan naar de verdiepende dimensie.

Brood...

In een eerste hulpvraag wil een vriend graag drie broden lenen voor onverwacht bezoek. Een reiziger heeft immers honger. Brood staat in de Schrift symbool voor wat levensnoodzakelijk is. Brood is voedzaam en levengevend. Jezus maakt vaker gebruik van brood als beeld. Het is iets dagdagelijks: iedereen kent het, iedereen eet het.

Zo omschrijft Jezus zichzelf als levend Brood dat uit de hemel is neergedaald. (Johannes 6, 35a en 51a) Bij Jezus is er geen honger meer, maar eeuwig leven. (Johannes 6, 35b en 39) Tijdens het Laatste Avondmaal breekt Jezus brood als teken van het Nieuwe Verbond. “Dit is mijn Lichaam, dat voor jullie gegeven wordt.” (Lucas 22, 19) Hij draagt zijn leerlingen vervolgens op om brood te blijven breken tot zijn gedachtenis. En in het gebed aan de Vader dat Hij enkele verzen vóór de dubbelparabel opdraagt, komt het beeld van brood ook voor: “Geef ons elke dag het brood dat we nodig hebben.” (Lucas 11, 3) Ook dat brood heeft een geestelijke connotatie: het is zoveel meer dan een bede tegen honger.

Het schenken van drie broden aan de vriend die er om komt vragen, verwijst in deze parabel wellicht naar het erkennen van God als noodzakelijke voedingsbron in ons leven. In het naleven van zijn geboden uiten we onze dankbaarheid voor het leven, dat ons door de Schepper is geschonken.

...versus steen

Tegenover het brood staat de steen. Elders in de Schrift verwijst een rots of steen soms naar standvastigheid en doorzetting, maar dit keer niet. Een steen is ruig, hard en onveranderlijk. Stenen bloeien niet en werpen geen vruchten af. Een hongerige reiziger is niet gebaat bij de woestijnrotsen: ze zullen zijn maag niet vullen en zijn honger niet stillen. Stenen doen zelfs denken aan levenloosheid en aan de dood: doden worden in rotsholtes begraven. (Lucas 23, 53) Een steen wordt in de Bijbel ook vermeld als een hard en bot wapen waarmee je iemand kunt doodslaan of bekogelen. (Numeri 35, 17 en Johannes 10, 31-33)

De steen wordt in de Schrift tevens soms aangewend als opponent van een invoelend en meevoelend hart, van liefdevolle menselijkheid: Ik zal zijn hart van steen wegnemen en hem een hart van vlees geven. (Ezechiël 11, 19) Er is geen empathie in een hart van steen: “Zijn hart is hard als een steen, ja, hard als de onderste molensteen.” (Job 41, 15) Deze hardheid die de steen uitbeeldt, bestaat ook naar God toe. Wie een hart van steen heeft, zal niet in staat zijn om de liefde van God te beleven

Vis... 

In het tweede parabeldeel verplaatst Jezus het verhaaldecor in een vingerknip naar een vader en zijn hongerige zoon. Een vader hoort te zorgen voor zijn kind: dat spreekt voor zich. Een kind is kwetsbaar en heeft zijn vader nodig om aan voedsel te komen. Zelf is hij daar nog niet toe in staat: stel dat hij iets giftigs eet of iets dat bedorven is. In het Onze Vader heeft Jezus de verhouding tussen de hemelse Vader en zijn Volk uitgelegd: wij zijn allen kinderen van God en mogen Hem biddend vragen om hulp. (Lucas 11, 2b-4) God is onze liefhebbende Vader die ons altijd nabij is en die ons geloof niet afwijst. (Lucas 11, 9-10)

De vis staat voor menselijk geloof, voor het navolgen van Jezus Christus als Zoon van God. Wanneer Jezus de vissersbroers Simon en Andreas roept, zegt Hij: “Jullie zullen vissers van mensen worden.” (Marcus 1, 16-17) Ze zullen in zijn Naam het Woord verkondigen en mensen tot bij God brengen. Na zijn dood, verschijnt Jezus onder de leerlingen. Simon Petrus is opnieuw aan het vissen, maar deze nacht hebben ze niets gevangen. (Johannes 21, 1-3) Ze herkennen Jezus niet meteen. Hij geeft hun aanwijzingen waar ze hun netten uit moeten gooien, en die zitten meteen vol vissen. De beminde leerling zegt terstond tegen Petrus: Het is de Heer! (Johannes 21, 6-7). Hun verdriet en gemis om Jezus maken plaats voor geloof en de volle netten zijn een beeldende voorspelling van hun nieuwe taak: hun geloof belijden en mensen bekeren.

...versus slang

Een vader die zijn kind een levende slang in de handen stopt wanneer die om een vis vraagt, is een dwaas. Dat behoeft geen uitleg. Een slang kan heel gevaarlijk zijn, dodelijk zelfs. Er klinkt echter ook een symbolische verwijzing mee in het verhaal. Slangen worden in de joodse cultuur geassocieerd met kwaad. In het tweede scheppingsverhaal voedt de slang listig de ambities van Adam en Eva. Door te eten van de boom van goed en kwaad, willen zij de goddelijke kennis verwerven en God worden. (Genesis 2-3) De slang staat symbool voor hoogmoed ten aanzien van God. Wie de slang gehoorzaamt, gaat van de waarheid weg en laat God zelfgenoegzaam achter zich.

We kunnen in deze twee voorbeelden ook niet om het beeld van het wonder van de broden en de vissen heen. Enkele broden en vissen kunnen een hele volksmenigte voeden die Jezus heeft beluisterd. (Matteüs 14, 13-21) Jezus heeft de mensen gevoed met de ware blijde Boodschap én zo aangezet om Hem in geloof te volgen. En wat er overblijft, is overvloed.

En ei... versus schorpioen

De zoon vraagt in het tweede parabeldeel ook om een ei aan zijn vader, want dat is heel voedzaam. Een ei is een geschenk: wie een kip bezit, die raapt het gewoon op en hoeft er niets voor te betalen. Het staat ook symbool voor vruchtbaarheid, nieuw leven en groei: uit een bevrucht ei kan een kuiken groeien. De kip leeft uiteindelijk verder in haar kuikens. Een ei brengt hoop en toekomst. Daarom wordt het doorheen de traditie ook gerelateerd aan de Verrijzenis. Het leven gaat door, het houdt niet op. De dood is niet het einde maar wordt overstegen.

Daar tegenover staat de schorpioen die doet denken aan gevaar, beproeving en pijn. Een schorpioen grijp je niet zomaar beet. (Apokalyps 9, 5) Het gif van een schorpioen zal een gezonde volwassene vooral ongemak bezorgen, maar kan dodelijk zijn voor een kind. Zoiets doet een vader zijn kind toch niet aan? Welnu, zo zal de hemelse Vader evenmin met ons omgaan.

Drie geloofshoudingen

De drie ongepaste surrogaten hebben elk een essentiële betekenis in ons geloof, in onze relatie met God. Laten we de kerngedachten even samenbrengen. Wanneer we in ons geloof en in ons leven geen deel hebben aan het brood, dan verharden we. Dan beleven we ons geloof niet meer hartelijk en doorleefd. We verstarren in ons denken en spreken en in ons leven. De band met de blijde Boodschap van Liefde voor God, onze naaste en onszelf gaat dan verloren. In een versteend hart is geen liefde meer.

Identificeren we ons met de slang in plaats van de vis van het geloof, dan keren we ons af van God. Het is mogelijk dat we die keuze maken uit zelfgenoegzaamheid, omdat we denken God niet nodig te hebben. In dat geval belijden we ons geloof niet langer en vervreemden we van God. Dan is er geen geloof meer.

Als de schorpioen ons meer inspireert dan het ei van de hoop, dan laten we ons vangen in destructief denken en handelen. In dat geval aanvaarden en delen we geen hoop meer. We staan niet langer open voor de genade van God. Sarcasme, wrok en haat krijgen vrij spel en kunnen ons bestaan dan ongestoord verzuren en vergiftigen. Er is in dat geval geen opening meer tot hoop.

Vragen en ontvangen

Jezus leert ons in dit evangeliefragment hoe we het beste kunnen bidden tot God. (Lucas 11, 2b-4) Daarbij vertrekken we vanuit ons geloof in de Vader in de hemel, wiens Naam heilig is. We drukken onze hoop uit op het komend Rijk en engageren ons om te helpen zijn Wil te verwerkelijken op aarde door het Verbond na te leven dat op de Liefde is gebouwd. (Matteüs 22, 37-40) 

Daarna maakt Jezus ons duidelijk dat we geen schroom hoeven te voelen om Gods hulp te vragen. We zullen van God ontvangen wat we nodig hebben: de spirituele genade van hemels Brood, de vergiffenis van onze schuld en wijsheid om zijn wegen te bewandelen. (Lucas 11, 13) De heilige Geest zal ons daarbij leiden. (Lucas 11, 10)

Welnu, wat is daarop ons antwoord? 

29 april 2025

Niemand durft het te vragen: groeien in geloof (3-4 mei 2025)

De leerlingen ontmoeten Jezus opnieuw na zijn dood en verrijzenis. Het is een mooi moment, een verhaal van herkenning en van stille vreugde. Hoewel Jezus niet meer onder hen aanwezig is de hele tijd, maakt Hij hun duidelijk dat Hij hen niet in de steek zal laten. Een nieuwe nabijheid en een nieuw geloof krijgen vorm. Ook ons geloof is gevormd door die verhouding van afstand en nabijheid.

Herkenning

Enkele leerlingen, waaronder Petrus en de beminde leerling, zijn bij het Meer van Tiberias. (Johannes 21, 1) In alle vroegte gaan ze vissen. Ze hebben hun eerdere beroep terug opgenomen. Het is een ambacht, met ervaring die van generatie op generatie wordt doorgegeven. Toch vangen ze dit keer niets. (Johannes 21, 3) Petrus is teleurgesteld. Een Man staat aan de oever van het meer. De leerlingen herkennen Hem niet. (Johannes 21, 4) ‘Gooi het net uit aan de rechterkant van het schip,’ roept Hij, ‘dan lukt het wel.’ En dat doen ze. In hun net zit meteen zo veel vis in dat ze het niet meer omhoog kunnen trekken. (Johannes 21, 6) 

En dan zegt de beminde leerling tegen Petrus: ‘Het is de Heer!’ (Johannes 21, 7a) Het is al de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verschijnt nadat Hij uit de dood is opgestaan. (Johannes 21, 14) En toch herkennen ze Hem niet meteen. De leerlingen zijn niet radeloos op zoek om in alles en iedereen de Heer te herkennen. De nuchtere vissers houden het bij het tastbare. Jezus heeft een teken nodig om zich kenbaar te maken. Hij spreekt in hun eigen taal, en in de symbolen die Hij hun heeft geleerd.

Brood en vis

Jezus maakt zijn aanwezigheid heel tastbaar. Hij zegt tegen hen: ‘Kom, eet iets.’ (Johannes 21, 12a) Een geest of spookbeeld eet niet. Jezus komt als mens onder hen aanwezig. Hij neemt vervolgens het brood en geeft hun ervan, en Hij geeft hun ook vis. (Johannes 21, 13) Dat is geen toeval natuurlijk. De leerlingen denken meteen terug aan het wonder van de broden en de vissen. (Johannes 6, 1-15) En aan de dag erna, toen Hij uitgelegde: “Het brood van God is het brood dat neerdaalt uit de hemel en dat leven geeft aan de wereld.” (Johannes 6, 33) Toen vroegen ze heel enthousiast om van dat brood te mogen ontvangen. (Johannes 6, 34) Het was echter nog te vroeg: Hij was nog onder hen aanwezig. Maar nu breekt de tijd aan. Dat hemels brood dat alle honger stilt, dat is het geloof in Jezus Christus. (Johannes 6, 35) Dat ontvangen ze van Hem.

Het vernoemen van de vissen bevestigen dit. Het Griekse woord voor vis is ‘ichthus’. Dit woord wordt gebruikt in de vroeg-christelijke traditie als acroniem. De eerste letters van de korte geloofsbelijdenis ‘Jezus Christus is Gods Zoon en Redder’ (Ièsoes Christos Thèjoe Hwieos Sootèr) vormen samen het woord ‘ichthus’. Zo ontvangen de leerlingen de basis om de verkondiging aan te vatten en de Kerk te stichten: het geloof in Jezus Christus, de verrezen Messias en Zoon van God.

Vreugde

In psalm 30 klinkt grote vreugde: “U hebt mijn klacht veranderd in een vreugdedans, mijn rouwkleed weggenomen, mij in vreugde gehuld.” (Psalm 30, 12) Dat moeten de leerlingen hebben ervaren op dat moment van herkenning met dat overvolle net in hun handen. Ze hebben de Heer voorheen al twee keer gezien. Dat neemt niet weg dat ze de tijd als volgelingen op weg naar Jeruzalem enorm missen. Toen was Jezus altijd bij hen.

Hij had echter voorzegd wat zich nu ontplooit: “Werkelijk, Ik verzeker jullie, je zult huilen en weeklagen, terwijl de wereld blij zal zijn. Je zult bedroefd zijn, maar je verdriet zal in vreugde veranderen.” (Johannes 16, 20) Ze wisten dat Jezus’ tijd op aarde niet eindeloos zou duren: “Nog een korte tijd is het licht bij jullie.” (Johannes 12, 35a) Maar begrepen ze toen wel wat Hij zei? 

Aarzeling

De leerlingen zijn verwonderd, letterlijk. Ze gaan volledig op in deze wonderlijke aanwezigheid van Jezus. Er heerst een sereniteit: dit moment is ongewoon, onverklaarbaar en uniek. Er hangt een heiligheid in het relaas. De evangelist vermeldt dat geen van de leerlingen aan Hem durft te vragen wie Hij is. Of beter gezegd misschien: óf Hij het is. Ze begrijpen dat het de Heer is, maar niemand zegt het luidop of durft te vragen om bevestiging. (Johannes 21, 12b) Het teken spreekt voor zich. Tekenen behoeven geen uitleg: ze spreken voor zich. Tegelijk is het toch een bevreemdende ervaring.

Maar weldra...

Weldra zullen ze uitdrukking geven aan het volgende vers van psalm 30: “Mijn ziel zal voor U zingen en niet zwijgen. Heer, mijn God, U wil ik eeuwig loven.” (Psalm 30, 13) Maar nu nog niet. Het sterven van Jezus staat nog op hun netvlies gebrand. Het verdriet en de angst zijn nog te groot. En ze moeten nog groeien in het geloof dat Hij daarna uit de dood is opgestaan. Daarom verschijnt Jezus ook verschillende keren in de tijd tussen Pasen en Hemelvaart. Geloof vraagt tijd en geduld. En herhaling.

Maar stilaan zullen ze een stem geven aan de engelen van Openbaring: “Het Lam dat geslacht is, komt alle macht, rijkdom en wijsheid toe, en alle kracht, eer, lof en dank.” (Apokalyps 5, 12) Dat is voor Pinksteren. Daar zijn we nu nog niet aanbeland. De tijd is nog niet rijp. 

Laten ook wij deze tijd tussen Pasen en Pinksteren benutten om ons geloof in Pasen en de verrijzenis te verdiepen. Zeker, het zijn voor ons, mensen, moeilijk vatbare gebeurtenissen. Maar in ons geloof ligt juist daar het begin van spiritueel en theologisch inzicht. Het gaat immers over het fundament van ons christelijk geloof. Dat verdient onze aandacht, telkens weer. Laten wij durven te vragen aan God wie Hij is om te groeien in geloof.

16 augustus 2024

Geloof voeden (17-18 augustus 2024)

Een mens kan overleven zonder voeding voor een periode van 8 tot 21 dagen, en maximaal tot 60 dagen als er wel vocht wordt ingenomen. Het lichaam gaat na een halve dag over op een overlevingsmodus, waarbij aanvankelijk energie geput wordt uit de lever en de spieren en later uit vetweefsel. Naar het einde van de verhongering is de kans overigens klein dat het lichaam zich nog kan herstellen. Conclusie: we hebben voedsel en vocht nodig om te leven. In onze tijden van welvaart en overvloed beseffen we te weinig hoe sterk ons bestaan en onze overlevingskansen er van afhangen. In Jezus’ tijd is dat anders. Op een slechte oogst kan een hongerjaar volgen.

Beeldspraak

Jezus omschrijft zichzelf als eten en drinken wanneer Hij de gelovigen toespreekt en onderricht geeft in de synagoge. “Ik ben het brood dat leven geeft.” (Johannes 6, 48) Hij gaat nog verder in het thema: “Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven.” (Johannes 6, 54) 

Het spreekt voor zich dat Jezus een beeldspraak gebruikt. De gelovigen moeten niet in zijn arm of been bijten om eeuwig leven te verwerven. Toch is dat voor de luisteraars niet meteen duidelijk in de directe en complexe rede die Jezus hier gebruikt.

Voedsel en snoepgoed

God wordt door Jezus voorgesteld als spiritueel voedsel en drinken. Wie zich niet voedt en laaft met de Heer, zal spiritueel wegkwijnen. Critici noemen dit wel eens het failliet van onze tijd. Mensen interesseren zich teveel voor uitwendigheden en vergeten hun spirituele noden. 

Eigenlijk is het een probleem van alle tijden. Het is makkelijker om het snelle genot op te zoeken dan zich te engageren voor geloofsverdieping. In plaats van zich te voeden aan God, wordt gekozen voor aanlokkelijk snoepgoed. Maar hoe lang blijf je dan gezond?

Offer

Er is nog een diepere laag: Jezus zal zijn lichaam – zijn eigen vlees en bloed – opofferen voor ons. Hij zal veroordeeld worden en gekruisigd, zoals een lam dat als zoenoffer wordt geslacht. Dit bespreekt Jezus niet aan vanuit de intentie om het te voorkomen. Neen, wat Hij zegt, zal ook gebeuren. Het beeld zal verder vorm krijgen tijdens het Laatste Avondmaal, wanneer de leerlingen gebroken brood eten en drinken van de beker en de traditie aanvat om dit te blijven doen om Hem te gedenken.

De Mensenzoon zal lijden en sterven. De genade komt dus concreet via Jezus in de wereld. Hij is door de Vader gezonden, uit de hemel. (Johannes 6, 45.50.57) Jezus Christus, de Zoon van God en Redder spreekt met autoriteit. Hij stelt zich boven de schriftgeleerden en oudsten, want zij hebben de Vader niet gezien. (Johannes 6, 46) Daarmee raakt Hij uiteraard een bijzonder gevoelige snaar bij de Joden, zeker bij de religieuze gezagsdragers.

Wreedheid

De beeldspraak van voedsel en drank is al bij al erg bloederig. Echter, de kruisdood zelf is dat ook. Jezus kan de wreedheid niet omzeilen: Hij zal moeten sterven en zijn leven opofferen. Hij kan dus niet anders dan harde taal spreken in de synagoge van Kafarnaüm. Er is geen ander discours dat de diepte van de boodschap even scherp kan verwoorden. 

Waar zouden de toehoorders meer mee worstelen: met die plastische beeldtaal, of met het gezag dat Jezus zichzelf toekent? Volgende week zal blijken dat Jezus’ harde woorden niet door iedereen gesmaakt worden. Niet de schriftgeleerden en oudsten zullen Hem erover aanspreken, maar juist volgelingen van Jezus: mensen die Hem zijn gevolgd, maar die onderweg gaan twijfelen.

25 juli 2024

Wonder van vrijgevigheid (27-28 juli 2024)

Jezus leert zijn apostelen en toehoorders met het broodwonder over de gulheid en vrijgevigheid van God. De lichamelijke én de geestelijke honger worden gestild. Geloven in God doe je als mens, niet enkel met je 'geest'. Maar we zien het wonder niet altijd. En als we het zien, begrijpen we de boodschap niet noodzakelijk. Daarom blijft God zo gul: om ons de kans te geven, telkens weer, om Hem beter te begrijpen.

Het is traditie bij het joodse volk om het eerste brood van het nieuwe graan aan de levieten te schenken (2 Kronieken 11, 13-14 – Leviticus 23, 10). Vanuit het Noordrijk is het onmogelijk om naar Jeruzalem te gaan offeren, dus worden ze aan de profeet Elisa (eigenlijk uitgesproken als ‘Elisja’) geschonken. Hij heeft immers ook een priesterlijke taak. Langs deze offerdaad wil het Volk de eerste oogstvruchten van wat God langs de schepping schenkt aan Hem teruggeven uit dankbaarheid. Elisa wordt hiermee ook uitdrukkelijk bevestigd in zijn profeet-zijn, als opvolger van Elia. (2 Koningen 4, 42)

Profeten

Wat aan Elisa uit gulheid wordt gegeven, deelt hij op zijn beurt verder uit. Elisa houdt geen grote portie voor zichzelf. Hij voedt honderd mensen met de twintig gerstebroden. Een interessant detail: vlak voor dit verhaal maakt Elisa tijdens de hongersnood een gerecht van wilde kruipplanten dat na toevoeging van meel plots eetbaar wordt. (2 Koningen 4, 38-41)

Bij Jezus gebeurt bij het broodwonder precies hetzelfde als bij Elisa, zij het dan in grotere omvang. De verwijzing naar Elisa roept meteen veel op. De naam betekent: ‘mijn God is redding’. Dat is niet toevallig. Bovendien is Elisa is de opvolger van Elia, die het monotheïsme hersteld heeft. Verder wordt Jezus langs dit verhaal bevestigd als profeet. Sterker nog: Hij is méér dan een profeet, want het verhaal neemt grotere proporties aan.

Niet zien

De toehoorders van Jezus hebben honger. Er is een kereltje met vijf gerstebroden en twee visjes (het gaat uitdrukkelijk om kleine vissen). (Johannes 6, 9) Jezus vraagt echter bij wijze van proef aan Filippus: ‘Zullen we brood kopen?’ (Johannes 6, 5) De eigenlijke test bestaat erin of Filippus in Jezus een profeet ziet. (Johannes 6, 6) Filippus beklemtoont de grote nood en maakt zelf een rekensom. Hij ziet de vijfduizend mensen maar ziet geen kans op een wonder. (Johannes 6, 7 en 10) Hij (h)erkent nog niet wat er mogelijk is met Jezus bij zich, maar drijft de spanning wel op in het verhaal. Andreas gaat mee in gesprek en acht het meteen onmogelijk dat er genoeg voedsel samengebracht kan worden. (Johannes 6, 8-9) Beide apostelen zien in Jezus nog geen profeet.

Wel is het Andreas die het jongentje met de vijf broden en twee visjes opmerkt. Draagt deze jonge knaap in zijn onschuld symbolisch de vijf boeken van de Tora en de 2 stenen tafelen van de Wet van Mozes bij zich? Voegt Jezus in zijn eigen Persoon de Profeten toe aan de Wet langs zijn broodwonder? Betrekt Hij de hele Schrift bij het wonder? Het is een mogelijke interpretatie. 

Alleszins wordt langs Jezus’ bezorgdheid dat het volk gevoed moet worden, meteen duidelijk dat Hij ook de lichamelijke noden van de mensen erkent, dat Hij niet enkel met de geest en de spiritualiteit begaan is.

Wonder

Het brood, dat uit de vrijgevigheid van het kereltje is ontvangen, wordt onder de mensen uitgedeeld. Daarna wordt het broodwonder vastgesteld. De twaalf apostelen verzamelen de overschot op vraag van Jezus. Waarom vraagt Jezus dit zo uitdrukkelijk? Als zelfbevestiging? Nee. Hij wil een boodschap aan de mensen overbrengen op een zichtbare, tastbare wijze. 

De twaalf manden met brokken staan voor de twaalf stammen van het Godsvolk. Jezus richt zich tot het hele Volk van God. (Johannes 6, 12-13) Zij worden belichaamd door de twaalf apostelen, die volop delen in de overvloed van het wonder, de één niet meer dan de ander. In volle gelijkwaardigheid hebben ze deel aan Jezus’ Boodschap. Zo zullen ze de verkondigingstaak ook overnemen na zijn dood en verrijzenis.

Misverstand

De mensen bevestigen Jezus als de Heiland en Redder: “Hij moet de profeet die in de wereld zou komen.” (Johannes 6, 14) Duidelijker kan het niet. Maar ze overdrijven in hun typisch-menselijk enthousiasme en willen hem meteen tot nieuwe koning kronen. Daar wil Jezus niets van weten. Hij trekt zich terug in de bergen, helemaal alleen. (Johannes 6, 15) 

Zo landt dit spiritueel verhaal weer op de harde grond van de realiteit. Mensen begrijpen niet wat Jezus eigenlijk bedoelt. Ze klampen zich vast aan Hem en willen Hem als politiek instrument gebruiken. Dat is niet de bedoeling. De Boodschap is zoveel sterker, breder, hoger. 

21 april 2023

Emmaüs en de eerste christenen: getuigen van een geloofstriptiek (22-23 april 2023)

De Emmaüsgangers (Lucas 24, 13-35): een verhaal dat tot de belangrijkste evangeliepassages behoort, en niet toevallig. Het was zondag, ongeveer op de middag. Jezus was twee dagen geleden gestorven en begraven. Het bleef stil. Twee leerlingen waren onderweg naar Emmaüs en spraken onder elkaar over wat er was gebeurd. De teneur was somber en moedeloos. Dat zou echter niet zo blijven. Het verhaal krijgt een dynamiek. De drie kerntaken van ons geloof komen in dit verhaal aan bod. Dit is een verhaal over groeien in geloof en vreugde vinden bij de Heer. 

Aha!

Jezus vergezelde hen en nam deel in het gesprek. De leerlingen herkenden hun Messias vreemd genoeg niet. Waarom niet? Hun ogen waren verhinderd, hun blik was vertroebeld om Hem te herkennen. (Lucas 24, 16) De Zoon van God, met wie ze zo lang op weg waren gegaan, naar wie ze zo hadden opgekeken, herkenden ze niet, hoewel Hij vlak naast hen stond. Wat weerhield hen dan om Jezus te herkennen? Verdriet (Lucas 24, 20), teleurstelling (Lucas 24, 21), twijfel (Lucas 24, 22-23) en heimwee (Lucas 24, 24). Doorheen die verzen klinkt ook telkens een ondertoon van ontreddering en verontwaardiging. Toch zouden hun ogen open gaan. Ze zouden een buitenproportionele ‘Aha-Erlebnis’ ondergaan. Die Godsrevelatie, de ontdekking van God in hun midden, is onlosmakelijk verbonden met een essentieel geloofsdrieluik. 

Bij de eerste christenen is deze triptiek in alle eenvoud heel goed te herkennen. Het zou ook ons geloof moeten typeren, twintig eeuwen later. laten we hiervoor teruggaan we naar de Handelingen van de apostelen. In de eerste lezingen van de zondagen na Pasen komen dit – niet toevallig – aan bod. De drie geloofsopdrachten zijn ook voorgeleefd door Jezus en aan ons opgedragen door Hemzelf.

Vieren

Een eerste luik bestaat in het breken van het brood. (Handelingen 2, 42-47: 2e Paaszondag) In nagedachtenis van het Laatste Avondmaal, komen de leerlingen en gelovigen bijeen om brood te breken en te delen. (Matteüs 25, 20-30 – Marcus 14, 17-25 – Lucas 19, 14-20) Dat is doorgaans in een huis van één van de gelovigen, omwille van haat en vervolging. In onze tijden is de eucharistie hiervan de voortzetting, tot zijn gedachtenis.

Verkondigen

Het Woord verkondigen, de blijde Boodschap delen met wie het horen wil, is een tweede luik. (Handelingen 2, 22-32: 3e en 4e Paaszondag). De belijdenis en het getuigenis van ons geloof is een centrale taak. Jezus is voor ons en voor alle mensen gekruisigd, gestorven en verrezen. Dat mysterie belijden we in het eucharistisch gebed, maar kan ook ter sprake komen in gesprekken met anderen. Dit is een moeilijke taak, omdat je ook geconfronteerd wordt met weerwoord en soms met afkeer of spot. Ook hiertoe heeft Jezus zijn volgelingen en dus ook ons uitgezonden. Jezus geeft zijn apostelen de zending om zijn werk verder te zetten, maar Hij stuurt een nog ruimere groep op pad. We kunnen deze moeilijke opdracht dus niet gemakkelijkheidshalve wegschuiven naar priesters en bisschoppen. (zending van de twaalf: Lucas 9, 1-6 – Matteüs 9, 35-38 en 10, 5-14 – Marcus 6, 7-13; van de tweeënzeventig: Lucas 10, 1-11)

Tijdens de verkondiging worden ook genezingen gedaan. Ten tijde van Jezus is dat een belangrijk teken: wonderen doen overtuigen. De medische wetenschap staat nu uiteraard veel verder dan toen. Misschien moeten wij de wonderen zoeken waar ze te vinden zijn in onze tijd. Is iemand die tot geloof komt op zich al geen wonder? Is iemand die zich optrekt aan het geloof en zich staande weet te houden, ondanks tegenslag en ellende, geen wonder? Ik pleit niet om genezingswonderen uit te sluiten, maar wel om onze focus sterk te verruimen.

Naastenliefde

Het derde luik betreft de naastenliefde, de zorg voor de naasten in nood (Handelingen 6, 1-7: 5e Paaszondag) Hiertoe geeft Jezus in het Johannesevangelie een essentiële aanzet met de voetwassing. (Johannes 13, 4-17) Geloven als werkwoord, is in de kern een kwestie van leven naar je geloof. Het is de liefde voorrang geven op de regels, zoals de barmhartige Samaritaan bijvoorbeeld deed. (Lucas 10, 25-35) Het is voorleven wat je gelooft.

Emmaüs

Terug naar Emmaüs. Ook daar is het geloofsdrieluik duidelijk aanwezig in het verhaal. Het hoogtepunt van het verhaal bestaat in het vieren van de maaltijd en het breken van het brood in Emmaüs. (Lucas 24, 30) Dan herkennen ze de man als Jezus, hun Redder, die niet in de dood is blijven wonen, maar inderdaad verrezen is. 

Voorafgaand spreken de leerlingen onder elkaar, en daarna met  de niet-herkende Jezus  over hun vertrouwen en hun twijfels bij wat Jezus had verkondigd. Daar vinden we het tweede luik van de geloofsbeleving. Ondanks hun twijfel, verkondigen ze wat ze tot dan toe weten. Jezus omschrijven ze als "een machtig profeet in woord en daad in de ogen van God en van het volk". Hij is veroordeeld en gekruisigd. In de ochtend ontstond er na een lange stilte ineens grote verwarring: het graf bleek leeg te zijn en de vrouwen hadden een engel gezien die vertelde dat Hij leeft (Lucas 24, 19-24).

Het derde luik van de geloofstriptiek, de naastenliefde, komt in beeld wanneer de leerlingen in Emmaüs aankomen. Jezus, die ze dan nog niet herkennen, wil verder stappen, maar de twee leerlingen insisteren dat Hij hen vergezelt naar binnen. (Lucas 24, 29) Hun gastvrijheid is een veruitwendiging van hun geloof: ze nemen een vreemde in huis op en bieden hem bescherming.

De vroege Kerk

Deze drie basisprincipes van ons geloof typeren de eerste christenen. Hun geloof wordt bedreigd door de wetgever. Ze komen samen in het verborgene. Er is nog geen uitgebreide hiërarchie en geen gebouwenpatrimonium. In haar eenvoud steunt de Kerk op dit drieluik: de verkondiging, het geloof vieren en het beoefenen van de naastenliefde.

Emmaüs bevindt zich nog vóór deze vroege Kerk. Het vertrekt uit het Stille Zaterdaggeloof, nog vóór de verschijningen van de Heer, zijn Hemelvaart en de zending van de heilige Geest. Het is een pril geloof dat door onzekerheid wordt vertroebeld. Net als de ongelovige Tomas leven de twee leerlingen op weg naar Emmaüs in de twijfel, in een waas van verontwaardiging, teleurstelling en onbegrip. Dat de vrouwen een engel hebben gezien die vertelt dat Jezus is verrezen, kunnen ze niet aannemen. Maar zelfs dan verkondigen de leerlingen wat ze weten, en zijn ze gastvrij, en Jezus maakt het mogelijk om hun geloof te vieren.

En wij?

Er leeft soms een verlangen om terug te gaan naar de eenvoud van de eerste christenen. Dat is op zich mooi, maar uiteindelijk niet realiseerbaar. Er bestaat geen teletijdmachine. Op heimwee bouw je misschien dromen, maar geen toekomst. 

Wel kan de kracht van die tijd ons hier en nu inspireren. Hoe geven wij de geloofstriptiek vorm in ons leven? Verdeelt ons leven zich voldoende over deze drie opdrachten? Waar zouden we meer in moeten investeren? Vinden we de drie opdrachten ook voldoende terug in onze plaatselijke geloofsgemeenschap?

17 juni 2022

Wat broodnodig is: engagement en naastenliefde (18-19 juni 2022)

We vierden donderdag Sacramentsdag. De lezingen kunnen ook op zondag worden gekozen. De menigte krijgt honger. Hoe is het met onze honger gesteld? Herkennen wij de honger? Worden wij gevoed? Veel vragen... 

  • Voor de lezingen van Sacramentsdag: klik hier. 

“De mensen aten en allen werden verzadigd.” (Lucas 9, 17a) Ze waren vervuld van het voedsel. Er was aanvankelijk leegte, maar er kwam volheid. Het hoeft niet gezegd dat beeldspraak in de Schrift vaak veel symbolische snaren mee laat trillen.

Stoorzenders

Laten we meteen even hermeneutisch denken: wat kan deze zin voor ons betekenen? Het is misschien niet meteen de slagzin die gewoonlijk uit dit verhaal wordt geplukt. Toch blijf ik bij het lezen van de passage over de broodvermenigvuldiging juist hier halt houden. Misschien omdat mijn eigen maag gromt om wat aandacht? Wellicht speelt er meer. Ik vraag me wel vaker af waarmee wij nog te verzadigen zijn.

Wij worden dagelijks al verzadigd met aandacht en informatie. Onze agenda bepaalt al te vaak ons leven, en als we veel mensen mogen geloven, is dat leven druk-druk-druk. We omringen ons ook met toestellen die ons constant bezig houden. Een smartphone, een laptop, een tablet, een huistelefoon, een radio, een televisie. We lijken te leven van scherm naar scherm en van geluid naar geluid. Berichtjes ontvangen, berichtjes sturen, berichtjes liken, berichtjes delen, berichtjes forwarden... Het geeft ons de indruk dat we belangrijk zijn, dat we meetellen, dat we iemand zijn. Het internet voorziet ons op ieder moment van de dag van een tsunami aan informatie waarin je kan verdrinken tussen feiten en onzin. Het ego wordt intussen ijverig gestreeld. Het toestel zingt, piept of trilt, en we weten ons aangesproken. Dat is de psychologie achter het fenomeen.

Zin en ego

Voor alle duidelijkheid: het is niet de bedoeling om het cultuurpessimisme te voeden. De realiteit is wat ze is. Er worden leegtes gevuld met tijdelijke prulletjes. En meer en meer mensen vergeten stilaan de leegte die ze zo gedreven verdoezelen. Wat ben je zonder zingeving? Wat stelt je leven voor als je er geen visie rond ontwikkelt? Wat is het doel en de zin van je bestaan? Zingeving is een proces doorheen je leven, met ups en downs, geen solide blok. Het wordt problematisch wanneer je je geen vragen stelt en geen antwoord zoekt. Heeft men nog honger naar een doel en naar zin? Of is alles tijdelijk en wegwerpbaar geworden, tot er iets ergs gebeurt en je wel halt moét houden?

De talrijke aanwezigen die rond Jezus zijn verzameld, stellen zich wel vragen en zijn bewust op zoek. Het lijkt een typisch Westerse pretentie dat we ons geen zinsvragen hoeven te stellen. Vragen die mensen aangereikt krijgen, hebben vaak louter betrekking op zichzelf. Misschien kan je een beetje yoga doen, of een beetje chakratherapie, of een beetje mindfulness. Het gaat over ik en mijn en mij en mezelf. Maar een religie in zijn geheel wordt als onverstandig beschouwd, en dan druk ik het nog heel braaf uit. We leven in een complexe postmoderne realiteit waarin nieuwe taboes zijn ontstaan.

Het christelijk geloof vertrekt niet uit een menselijke honger maar uit Gods openbaring. De Blijde Boodschap is niet bedoeld als vulmiddel voor onze persoonlijke diepe zinskraters. Als we een honger ervaren, kan die ons wel dichter brengen bij de keuze om te geloven. Het kan een aandacht ontwikkelen, een zoektocht opstarten of heropstarten. Toch zal het engagement niet gekneed kunnen worden in de vorm van onze leegte. God overstijgt ons en onze behoefte. God is niet maakbaar.

Verzwegen wonder

Laten we terugkeren naar het verhaal in haar geheel. Jezus heeft een grote menigte rond zich verzameld. De leerlingen merken dat de avond valt en stellen voor om de mensen stilaan weg te sturen, zodat ze onderdak kunnen zoeken voor de nacht. (Lucas 9, 12b) Jezus vindt dit geen goed idee. “Geef hun te eten.” (Lucas 9, 13b) De leerlingen zien dat absoluut niet zitten: “We hebben maar vijf broden en twee vissen.” (Lucas 9, 13c) En toch zal bij de menigte, na de spirituele honger, ook de honger in de maag gestild worden.

Is dit een verhaal over vermenigvuldiging of over deling? Hoewel dit vaak “de broodvermenigvuldiging” wordt genoemd, wordt het wonder nergens in het verhaal vernoemd. Er staat enkel dat er achteraf twaalf korven met brokken overschot worden verzameld: veel meer dan er aanvankelijk was. (Lucas 9, 17)

Er ontstaat in dit verhaal, vooral tussen de lijnen door, in het met mysterie omhulde wonder, een dimensie van breedte en van hoogte. Jezus leert zijn leerlingen, en dus ook ons, dat ze een plicht hebben ten aanzien van naasten, tot voorbij wat mogelijk is of haalbaar. Jezus stuurt de mensen niet weg, maar geeft hun te eten. Hij verkondigt immers geen navelstaarderij. Het is niet Jezus’ ultiem verlangen dat de leerlingen hun diepste zelf beter leren kennen. Ze moeten zichzelf juist overstijgen. Ook wij worden uitgedaagd om God te leren kennen, tot Hem te bidden en vanuit zijn boodschap te handelen.

Misschien vertelt dit verhaal bovenal over hoe het onmogelijke werkelijkheid kan worden. Jezus neemt het brood, kijkt op naar de hemel, spreekt een zegengebed uit en breekt het (Lucas 9, 16): een niet verkeerd te verstane verwijzing naar het Laatste Avondmaal.

Waarden uit geloof

In die zin is dit niet zozeer een verhaal over solidariteit maar over liefde voor God én voor de naasten in Jezus’ Naam. Hoe mooi, zinvol en lovenswaardig wereldse waarden ook zijn, ze zijn nooit synoniem voor de christelijke Liefde, precies omwille van de identiteit en het engagement waarop de naastenliefde gegrondvest is.

Vlak voor dit wonder zond Jezus zijn leerlingen uit in de streek om de Blijde Boodschap te verkondigen. Zijn praktische instructies waren niet verkeer te verstaan: “Neem niets mee voor onderweg: geen stok, geen reistas, geen brood en geen geld, en ook geen extra kleren.” (Lucas 9, 3) De eigen soberheid typeert de christelijke caritas. De Boodschap is slechts geloofwaardig als de verkondigers er zelf ook naar leven. Het moet adequaat gebeuren, zoals Franciscus van Assisi zo scherp had ingezien: men hoort in soberheid de soberheid te verkondigen.

En ik dan?

Mogen wij dan helemaal niet aan onszelf denken? Natuurlijk wel. Ook wij hebben brood nodig, ook wij hongeren naar Liefde, naar het Woord, naar gerechtigheid, naar hoop. Welnu, wat we het hardst nodig hebben, dat moeten we in de eerste plaats geven aan anderen. “Geef, dan zal je gegeven worden. De maat die je voor anderen gebruikt, zal ook voor jou worden gebruikt.” (Lucas 6, 38ac)

16 maart 2022

Hongerdoek: "Hoeveel broden hebben jullie?" (17 maart 2022)

In de Middeleeuwen ontstond de traditie om het priesterkoor aan het zicht te onttrekken in de Veertigdagentijd. Er werd een doek opgehangen voor het altaar en het kruisbeeld erboven. De rijke versiering van het altaar leidde de aandacht af van boete en gebed. Op het doek werd vaak het lijden van Jezus afgebeeld. Sinds de jaren '70 heeft het hongerdoek een nieuwe betekenis gekregen. Het beeldt op kleurrijke wijze de ongelijkheid uit die in de wereld bestaat, als oproep tot solidariteit. 
  • Lees hierbij het evangelie van de dag (donderdag in de tweede week van de Veertigdagentijd): klik hier.
Het hongerdoek "Hoeveel broden hebben jullie?" van de Boliviaanse kunstenares  Ejti Štih (°1957) dateert van 2013 en vertrekt vanuit het onrecht dat er om de drie seconden een kind sterft van honger en uitputting, terwijl onze planeet in principe iedereen van voldoende voedsel zou kunnen voorzien. Het centrale thema wordt in vier taferelen uitgebeeld. De taferelen zijn verbonden met elkaar door het kruis: het onrecht wordt verbonden met het lijden van Christus, maar ook met zijn verrijzenis, het ultieme teken van hoop voorbij alle verwachtingen.



Laten we linksonder aanvangen. De mensen aan tafel hebben het goed: ze genieten van een overvloed aan eten en drinken en zijn getooid met sieraden en mooie kledij. Ook de macht is vertegenwoordigd: een militair bewaakt de rijkdom. Deze mensen lijken zorgeloos, vooral omdat ze geen oog hebben voor de armen. Dat mogen we heel letterlijk zien: de vele uitgestrekte armen van mensen die lijden en tekort hebben, brengen de rijke tafelgasten niet van de wijs. Ze leven in hun eigen wereld en de rest doet er niet toe. De wanhoop van de armen die smeken om een aalmoes wordt weerspiegeld in de lijdende Christus, die aan de horizon is afgebeeld. De rijken keren er hun rug naartoe, ze hebben er geen boodschap aan. Ze zijn verheven boven de armen, zoals de rijke man geen aandacht wou schenken aan de arme Lazarus (Lucas 16, 19-31).

Linksboven zien we de tafel, met daarop twee vissen. Een vrouw komt uit de menigte met een brood naar de tafel. Het tafereel brengt het moment vlak vóór de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging in beeld (Marcus 6, 32-44). Waar mensen met elkaar delen wat ze hebben, komt niemand iets tekort. Een warme gloed van licht schijnt op de tafel, op het gezicht van de jongen die hoopvol naar de tafel kijkt en op de menigte die de tafel nadert. Het is de glans van Jezus op de berg Tabor. De leerlingen waren unaniem: ze konden de vijfduizend hongerige mensen niet te eten geven. Ze stelden voor om hen weg te sturen, en met hen ook het hele probleem. Jezus vraagt: “Hoeveel broden hebben jullie?” Laten we gewoon beginnen met de mogelijkheden die we hebben: we kunnen meer bereiken dan we relativerend denken.

Het Laatste Avondmaal (Lucas 22, 1-20
) zien we rechtsboven. Jezus zit echter niet tussen de apostelen, maar tussen de minsten en armsten van de wereld, zij die uitgestoten en uitgesloten worden. Met hen deelt Hij het brood. God kiest voor de minsten, voor de mensen die niet vereerd en gerespecteerd worden. Voor hen is het evangelie in de eerste plaats bestemd. Zijn boodschap, het Licht in de duisternis, schijnt op ieder van hen. Ze zijn uitverkoren om het gastmaal met Hem te vieren. Wanneer ook wij deelachtig willen zijn aan de Maaltijd, is het onze opdracht om in deze complexe en mondiale wereld te delen met onze naasten, dichtbij en ver weg.

Rechtsonder, tot slot, zien we opgewekte, vrolijke kinderen, zittend op de tafel. Hun voeten spelen met het graan dat in overvloed groeit. Het symboliseert de volheid van het leven (Johannes 10, 10). Het is een utopisch beeld, het beeld van het Rijk Gods waar Jezus het zo vaak over heeft en waar zijn optreden een afspiegeling van is geweest. Daar is geen armoede meer, geen honger of dorst, geen ongelijkheid. Mensen respecteren elkaar en leven verbonden met elkaar. De belofte van het Rijk Gods geeft zin en richting aan ons streven naar gerechtigheid en vrede voor iedereen. Dat komend Rijk kan weliswaar slechts realiteit worden als we bereid zijn om er de grondvesten voor te bouwen: hier en nu en voor alle mensen. Het contrast met het tafereel ernaast kan niet groter zijn. Dat de twee afbeeldingen onderaan heel sterk op elkaar lijken, maakt duidelijk dat het verschil maken werkelijk mogelijk is met goede wil. 

De Veertigdagentijd steunt op drie pijlers: gebed, vasten en solidariteit. Hoe dichter we bij Pasen komen, hoe duidelijker het wordt dat er een kloof bestaat tussen realiteit en idealen. Dat wordt duidelijk op Goede Vrijdag, wanneer Jezus met machtsvertoon wordt veroordeeld: de Mensenzoon die enkel met een Boodschap van Liefde op aarde kwam. Het kruis verbindt de vier scènes op het doek, ondanks hun onderlinge tegenstelling. De werkelijkheid, hoe oneerlijk en rauw ook, wordt niet uitgewist, maar staat als een aanklacht tegenover de idealen.

Naar het midden toe wordt het kruis steeds feller geel. Hiermee wordt het licht van Jezus’ genadige verzoening uitgebeeld. Met de hulp van Christus zijn wij in staat om het onrecht aan te klagen, anderen te helpen en samen met hen te bouwen aan een menswaardige wereld

22 juli 2021

Voedsel genoeg voor iedereen (24-25 juli 2021)

Twee teksten van deze zondag ontmoeten elkaar in deze bezinningstekst: Johannes 6, 1-15 en Efeziërs 4, 1-6. Johannes vertelt over het broodwonder, in de volksmond broodvermenigvuldiging genoemd. Er is met vijf broden en twee vissen genoeg om een grote menigte te eten te geven. Achteraf haalt men twaalf volle korven aan broodbrokken op. 

Paulus spoort de Efeziërs met een erg poëtische tekst aan om bescheiden te zijn en te handelen uit liefde, met vrede. 

De menigte wil Jezus tot hun koning kronen, maar Jezus weigert. Zijn Woord staat centraal, eer en faam zijn Hem vreemd. 

Zoals altijd zit Johannes' evangelieverhaal vol symboliek. De broden verwijzen naar het Laatste Avondmaal. De ware honger is de honger naar het Woord en naar het Nieuwe Verbond. De vissen (ichthus in het Grieks) verwijzen naar het geloof. De twaalf volle manden zijn een vooruitwijzing naar de taak van de apostelen... 

Deze zondag: "Johannes featuring Paulus".


Een menigte volgt Jezus

om zijn Woord te beluisteren,

en zijn wonderen te zien.

Jezus ziet hun honger. (Johannes 6, 1-5)

 

               Blijf altijd bescheiden,

 zachtmoedig en geduldig,

 geïnspireerd door de liefde. (Efeziërs 4, 2)

 

Filippus heeft geen geld genoeg.

Andreas heeft wat brood en vis:

veel te weinig, niet genoeg.

Jezus weet wel beter. (Johannes 6, 6-9)

 

               Vrede is de ware kracht die bindt,

               geschonken door de Geest. (Efeziërs 4,4)

 

De mensen zijn gaan zitten,

ze eten van het brood

en van de vis, zoveel men wil.

Er zijn twaalf manden over. (Johannes 6, 10-13)

 

               Eén Heer, één geloof, één doop.

Eén doop, één geloof, een Heer. (Efeziërs 4, 5)

 

De mensen noemen Hem profeet

en willen Hem tot koning kronen.

Jezus trekt zich vlug terug: (Johannes 6, 14-15)

zijn koningschap is niet van hier. (Johannes 18, 36a)

 

               Eén God die van allen is

en boven allen,

               door allen en in allen is.  (Efeziërs 4, 6)

 

15 april 2021

Derde zondag van Pasen: het symbool van de vis (17-18 april 2021)

We zijn met het evangelie van de derde Paaszondag in het laatste hoofdstuk van het Lucasevangelie aanbeland. Er hangt een wat ijle sfeer na de zware dramatiek van het lijdensverhaal. Angst en twijfel zijn nooit ver weg. Toch wordt dit laatste evangeliehoofdstuk een apotheose, vrij letterlijk zelfs: een tot Goddelijk niveau brengen van het voorafgaande.

  • Voor de lezingen van de derde zondag van Pasen: klik hier.

De Emmaüsgangers hebben Jezus ontmoet en herkend in het breken van brood. De leerlingen vertellen er nog over wanneer ze plots opschrikken. Jezus verschijnt onder hen. Hij wenst hun vrede en zegt dat ze niet bang moeten zijn.

Vrede voorbij de angst

De vredewens komt vaak terug wanneer Jezus onder zijn leerlingen verschijnt. Het vormt in dit geval een soort accolade in de Schrift en in het Lucasevangelie. Jezus werd al door Jesaja aangekondigd als Vredevorst (Jesaja 9, 5). Bij zijn geboorte, het begin van zijn aardse leven, brachten de engelen tijdens hun boodschap aan de herders eer aan God en wensten ze de mensen van goede wil vrede toe (Lucas 2, 14). Nu wenst de verrezen Jezus de leerlingen nogmaals persoonlijk vrede toe.

De leerlingen waren angstig, alsof ze een spook hadden gezien, of een geest. Jezus maakt meteen duidelijk dat Hij in vrede komt en aanwezig is in geest en in lichaam. Zijn verschijning is geen zinsverbijstering, geen waanbeeld, geen wensdroom. Dat bevestigt Hij door met hen te eten. Maar wat Hij eet, is nog veel dieper vervuld van symboliek. Jezus verschijnt uiteraard niet onder zijn leerlingen omdat Hij zin heeft in een hapje samen met zijn vrienden.

De vis als herkenningsteken

De vis was het geheime kernsymbool bij de eerste christenen, niet het kruis. Dat kruis was nog teveel verbonden met zijn dood en bestond nog als effectieve straf. Het Oudgriekse woord voor vis is: “ichthus”. Welnu, ichthus verzamelt de beginletters van de kern van de christelijke boodschap: Jezus is de Gezalfde, Gods Zoon en Redder (Ièsous CHristos THèou [h]Uios Sôtèr).



Tijdens de christenvervolging was de vis het herkenningsteken om een ontmoetingsplaats aan te duiden waar christenen bijeen kwamen. Zo wisten ze dat ze er veilig met medegelovigen konden bidden en vieren. Bij ontmoetingen op straat tekende een christen vaak een naar boven gebogen lijn op de grond. Wanneer de ander dan een naar onder gebogen lijn tekende om zo de contour van een vis te vervolledigen, dan betekende het dat men onder vrienden was. Het is dus niet toevallig dat Lucas de vis vernoemt.

De vis staat bij de vroege christenen voor het geloof in Jezus Christus. Wanneer de leerlingen aan Jezus de vis geven, reiken ze Hem eigenlijk hun geloof aan, aan niemand minder dan Jezus zelf, die daar in vlees en bloed staat, de Verrezene. Zoals Jezus brood brak met de Emmaüsgangers en daarmee de eucharistie bekrachtigde, zo wordt langs de vis bevestigd dat de leerlingen zijn volgelingen zijn, dat ze aan Hem toegewijd blijven. Jezus neemt hun gave aan en zendt de leerlingen vervolgens.

Zo vormt ook het teken van de vis een accolade in de inhoudstafel van het Lucasevangelie. Aan het begin van zijn verkondiging zegt Jezus na de wonderlijke visvangst dat Hij Simon, Jakobus en Johannes tot vissers van mensen zal maken (Lucas 5, 1-11). Hun roeping houdt meteen een zending in. In dit laatste hoofdstuk van Lucas wordt die zending opnieuw symbolisch in beeld gebracht en concreet gemaakt. Tijdens het wonder met de broden en de vissen wordt nogmaals vooruitgewezen naar die zending: breken en delen, in eucharistie en in geloof (Lucas 9, 10-17). Het resultaat na de gedeelde maaltijd: twaalf volle manden. Elke volle mand kan een apostel voorstellen.

Voorbij Pasen, richting Pinksteren

Jezus legt de fundamentele boodschap van de Schrift aan hen uit: de betekenis van zijn lijden, sterven en opstaan uit de dood. Van daaruit zendt Hij hen om getuigenis af te leggen, te beginnen in Jeruzalem. Ze moeten daar blijven totdat ze door God bekrachtigd worden met de Geest. Enkele Schriftverzen later stijgt Jezus ten hemel op.

Lucas schrijft overigens verder, hij houdt niet op bij hoofdstuk 24. Zijn tweede boek – tenminste: dat vermoeden we – heet de Handelingen van de apostelen, waarin de heilige Geest en de beginnende Kerk aan bod komen. Met de neerdaling van de heilige Geest wordt de taak van de volgelingen bevestigd, geconfirmeerd. We bevinden ons in de Paastijd in deze overgang, die eigenlijk de overgang is van Pasen naar Pinksteren, van Christus naar de Geest, van de volgelingen naar de wereldkerk. En daar zijn ook wij mee verbonden, in onze geseculariseerde, geautomatiseerde en gedigitaliseerde eenentwintigste eeuw, waar ontelbaar veel geluiden door elkaar heen klinken. Dat laatste was overigens ook het geval ten tijde van de eerste christenen.

Moge de vrede van God met ons zijn. Moge Christus de onrust in ons hart wegnemen en ons nabij zijn, langs ons gebed, de Zoon van God, onze Redder.