Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label Ezechiël. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ezechiël. Alle posts tonen

02 juli 2024

Hooglied van de fragiliteit (6-7 juli 2024)

Sterke karakters zijn van alle tijden. Koppige, norse zelfvoldaanheid ook. In de Schrift lezen we hoe de Heer zijn profeet Ezechiël op weg stuurt om zijn tegendraadse Godsvolk te laten horen hoe Hij zich mateloos ergert aan hun eigenzinnigheid. Ook Jezus botst op sarcasme, geslotenheid van geest en neerbuigende kritiek. Het blijkt een terugkerend fenomeen te zijn. Dus ook wij kunnen maar beter niét in de valkuil van de koppige verharding trappen.

Sterke karakters maken vaak indruk. Je weet wat je hebt aan iemand die een uitgesproken mening heeft, desnoods tegen alle andere opvattingen in. Je bent het eens of oneens. Er volgen geen nuances en twijfels, geen onzekerheden en aanpassingen. In de politiek zijn dergelijke figuren populair, maar ook in de samenleving. Zoekt men naar standvastigheid in dergelijke figuren? Klampt men zich gezamenlijk aan de zekerheden van anderen vast? Het is wellicht veel te complex om in een alinea uit te zoeken.

Hart van steen

De Heer zegt tegen Ezechiël: “Mensenkind, Ik stuur jou naar de Israëlieten, naar dat weerspannige volk dat tegen Mij in opstand is gekomen. Tot op de dag van vandaag verzetten ze zich tegen Mij, zoals ook hun voorouders hebben gedaan.” (Ezechiël 2, 3) ‘Weerspannig’ mogen we hier in een actieve vorm interpreteren: rebelleren, opstandig zijn, tegenwerken (in het Hebreeuws ‘hamoorediem’). Het betreft dus geen godsdienstige lauwheid, maar een uitdrukkelijke negatieve houding in woord en daad. 

De ergernis van God wordt nog explicieter: “Naar dat volk, dat zo halsstarrig en eigenzinnig is, stuur Ik jou.” (Ezechiël 2, 4) De Heer is niet mals voor zijn Volk. Ze zijn hard, gemeen, ruw, koppig (in het hebreeuws ‘kashè’). Hun houding is onwrikbaar en wars (in het Hebreeuws ‘hizkè’: sterk, maar hier in een negatieve context). We zouden kunnen vertalen: ‘Het zijn koppige kinderen met een hart van steen.’ God is erg kwaad en bijzonder teleurgesteld, zo blijkt. Toch sluit Hij zich niét af van hen: Hij stuurt immers zijn profeet Ezechiël.

De zwakte van sterkte

In de ogen van God is een mens die genoeg heeft aan zijn of haar eigen mening, eigenlijk te veel met zichzelf bezig en te weinig met God en de naasten. Daar is iets over te zeggen. Wie vol is van zichzelf, heeft niets of niemand nodig, ook God niet. Wie eigenzinnigheid hoog in het vaandel draagt, zoekt geen zin bij de gans Andere, maar bij zichzelf. Narcisme is de dure naam voor dat verschijnsel.

Kordate zelfzekerheid wordt vaak bewonderd als een sterke kwaliteit, als een teken van zelfredzaamheid en leiderschap. In de praktijk kan een harde, onwrikbare egocentrische houding echter veel ellende veroorzaken, in de persoonlijke kring, maar ook op wereldniveau. Eigengereidheid en narcisme mogen we nooit verwarren met goed leiderschap, dat heeft de geschiedenis al voldoende bewezen. In het eerste geval worden de eigen principes opgedrongen, in het tweede geval redt de leider enkel zijn eigen hachje.

Vrijheid

Wie in God gelooft – met andere woorden: wie in God zijn Meerdere erkent – kan onmogelijk vol zijn van zichzelf. Geloven in God is jezelf fundamenteel in vraag durven te stellen, elke keer opnieuw. Het is je geweten koesteren, je vreugde en zorgen aan God toevertrouwen, en Hem om raad en ontferming vragen. Geloven is leven van de genade. Paulus krijgt van God te horen: “Je hebt genoeg aan mijn genade, want mijn kracht openbaart zich juist ten volle wanneer iemand zwak is.” (2 Korintiërs 12, 9a) 

Laat dit Paulus’ hooglied op de zwakte zijn:

Ik heb tot de Heer gebeden 

dat het kwaad van me weg zou gaan. 

Zijn antwoord luidde: ‘Mijn genade volstaat, 

want mijn kracht openbaart zich bovenal 

wanneer iemand zwak is.’ 

Daarom ben ik fier op mijn zwakheid, 

opdat de kracht van Christus in mij komt wonen. 

Daarom schep ik vreugde in mijn zwakte en mijn nood, 

want in mijn zwakheid ben ik sterk. (2 Korintiërs 12,8-10)

Paulus raakt een kerneigenschap van ons christelijk geloof aan in wat ik noem: ‘het hooglied van de fragiliteit’. De mens bereikt zijn of haar hoogste bestaanswijze in de ‘asteneia’ (Grieks): kwetsbaarheid, broosheid, fragiliteit. Dit is het lofzang voor de Heer en voor de ander, en tegen triomfalisme en farizeïsme, tegen hufterigheid en zelfvoldaanheid. Wie zijn sterkte in Christus vindt, heeft als het er op aan komt helemaal niets te vrezen en hoeft zich niet groter voor te doen om anderen te imponeren en af te schrikken. We zijn meer dan goed genoeg met onze zwakte. En dat schept juist een indrukwekkende vrijheid. Geen mens is immers altijd sterk. Te weten dat dat màg, is een bevrijding.

Open geest

Geloven betekent niet dat je ophoudt met nadenken, zoals soms wordt beweerd. Integendeel: je gedachten reiken verder, hoger, dieper. Er komt een perspectief bij, namelijk de transcendentie. Dan wordt alles natuurlijk ook complexer, en dat valt niet altijd in de smaak bij mensen. Evenzo is het Volk ten tijde van Ezechiël in de ogen van God bekrompen en egocentrisch geworden. Het is van alle tijden. Je vertrouwen stellen op de Onzichtbare is niet vanzelfsprekend.

Zelfs Jezus moet ervaren hoe men God niet herkent in zijn Zoon, in Jezus’ eigen geboortestad dan nog. Wanneer Hij onderricht geeft in de synagoge hoort Hij reacties als: “Waar haalt Hij dat allemaal vandaan? Wat is dat voor wijsheid die Hem gegeven is? En dan die wonderen die zijn handen tot stand brengen! Hij is toch timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakobus en Joses en Judas en Simon? En wonen zijn zussen niet hier bij ons?” (Marcus 6, 2-3) Jezus vindt geen geloof in zijn geboortestreek. De mensen zijn te argwanend, te cynisch en te koppig om de Mensenzoon te herkennen. Daar is inderdaad geen ruimte voor geloof en voor wonderen.

Weinig voorwaarden om oprecht in God te geloven zijn zo moeilijk te realiseren als de houding van de kwetsbaarheid. Vandaar dit hooglied. Dit is een 'conditio sine qua non' , een noodzakelijke voorwaarde. Het is ons mensen niet eigen om ons kwetsbaar op te stellen, het druist in tegen ons overlevingsinstinct. Vandaar de moeilijkheid. De donkerste bladzijden uit de lange kerkgeschiedenis bevestigen dat de oproep om zich zwak opstellen absoluut niet evident is en gauw vergeten wordt, en bovendien compleet haaks staat op het politiek en maatschappelijk denken en handelen.

Mogen wij groeien in kwetsbaarheid om God steeds meer toe te laten in ons leven, in onze gedachten, in ons doen en laten. Mogen wij bidden om een open geest, om ontvankelijkheid voor het Woord en voor de diepste kern van de blijde Boodschap. 

12 juni 2024

Groeien en bloeien (15-16 juni 2024)

Jezus vraagt zich luidop af waarmee Hij het Koninkrijk van God het beste kan vergelijken. De oren worden gespitst na deze opmaat. De Mensenzoon zoekt in zijn Goddelijke kennis en inzicht naar een herkenbaar beeld. Maar wat volgt, ligt niet in de lijn van de verwachtingen. Er wordt namelijk geen hemelconstructie verbeeld die je je zou kunnen voorstellen. Hij omschrijft geen ruimte of locatie, en al zeker geen paradijselijk weelde. Er wordt geen zekerheid aangeboden, en dat is wat we zo vaak zoeken, vanuit een houding van hebben en houden, van overijverig zoeken naar standvastigheid.

  • Voor de lezingen van deze zondag: klik hier.

Klein

Wat Jezus als beeld aanbrengt, is groei, en wel vanuit het allerkleinste begin. Het Rijk Gods lijkt dus vooral een ingesteldheid, een houding, een engagement te zijn, en geen aanwijsbare plaats. Jezus maakt de vergelijking met een piepklein zaadje van een mosterdplant, dat een grote struik wordt. (Marcus 4, 31-32)

Het Koninkrijk van God ontspruit en groeit in ons geloof. Het vindt een voedingsbodem in ons hart, in het diepste van ons bestaan: geen extern toevluchtsoord, maar een dynamiek die binnen in ons menszijn ontstaat en toeneemt.

Kennelijk is het Rijk Gods wel al aan de leerlingen onthuld, maar de toehoorders krijgen enkel gelijkenissen aangeboden. (Marcus 4, 11-12 en 34) Wat heeft Hij dan gedeeld met de leerlingen, dat niet in de evangeliën staat? Of heeft Hij het gewoon voorgeleefd, Hij die de ultieme voedingsbodem is van het geloof?

Groei

Het beeld van groei vanuit een nieuw begin horen we ook trouwens ook door de profeet Ezechiël verkondigen. Een twijgje zal geplant worden op de hoogste berg van Israël en het zal een grote ceder worden. (Ezechiël 17, 23-24) We horen hier meteen ook Jesaja’s prediking meeklinken, over de telg uit de stronk van Isaï. (Jesaja 11, 1) Groei is geen nieuwe gedachte bij Jezus, het is de kerngedachte van het geloof in God. Men vergeet het helaas al te vaak. Daarom is Jezus gekomen: om ons te verduidelijken dat geloof geen zaak is van regeltjes en uitwendigheden, maar van innerlijke groei.

De profeten en ook Jezus hebben het niet over groei uit het niets, maar gevestigd op de traditie. Het mosterdzaadje is afkomstig van een vorige plant. Bij Ezechiël zal een twijg worden geplant op Sion, de Goddelijke berg, die door koning David werd veroverd op de Jebusieten. (Ezechiël 17, 23) Er begint bij Jesaja een kwetsbare, menselijke nieuwheid, geen gewelddadige revolutie. (Jesaja 53, 2) Ook Paulus beschrijft dit nieuw begin, maar aan de overzijde van Jezus’ komst op aarde, na zijn dood en verrijzenis: ‘Het oude is voorbij, het nieuwe is al gekomen’, schrijft hij. (2 Korintiërs 5, 17)

Levenslang leren

Ons geloof is een levenslange ontwikkeling. Het begint niet groots en allesomvattend. Bij een bekering wordt in grote overmoed soms gedacht van wel. Bekering is overigens geen eenmalige ommekeer, maar een terugkerend gebeuren, bij iemand met een levend geloof wel te verstaan. We raken soms verdwaald. We voelen ons dan ver van de Heer weg.

Dat is van alle tijden: de profeten spreken tot het Volk van God en roepen hen op om terug naar de Heer te komen. (Jesaja 31, 6 en 45, 22 - Jeremia 3, 1) Deze onfortuinlijke toestand kan tegelijk de aanleiding zijn tot een dieper en juister inzicht in God en zijn Boodschap. (Job 40, 4-5 - Jona 2, 3 - Handelingen 2, 1-12)

Dynamisch

Zoals de mosterdplant groeit ons geloof en blijft het zich verhouden tot de elementen, tot wat erbuiten gebeurt, in het dagelijks leven. Geloven is geen statisch gebeuren: het is geen ‘statuut’ maar een levenslange opdracht. Het is van Godswege een bijzonder teken van waardering voor ons menselijk bestaan. Met mensen gaat God een Verbond aan, niet met heiligenbeelden. Met mensen die gaven en talenten hebben maar ook fouten maken. Het zijn mensen die God mogen prijzen, verheerlijken en dankzeggen. God hoopt dat wij groeien en bloeien in zijn Schepping.

26 september 2023

Alles begint met inkeer (30 september - 1 oktober 2023)

In de aanloop naar Jezus’ verkondiging roept Johannes de Doper het Volk van God op tot inkeer en een nieuw begin. Een grote menigte laat zich dopen en belijdt hun zonden. (Matteüs 3, 3) De Vader bevestigt dit doopsel overigens door zijn Geest te zenden en zijn Zoon te openbaren wanneer Hij het doopsel ondergaat. (Matteüs 3, 16-17) Jezus blijft daarna ook veel belang hechten aan de ommekeer in het leven: de bekering. Er zit beweging en wending in deze woorden: inkeer, bekering, ommekeer. Bij die wending hoort echter geen groot drama: het is een stille, inwendige en oprechte verandering. We moeten ons leven niet ijken op uiterlijkheden. Onze binnenkant is wat écht telt. Jezus hekelt de Schriftgeleerden en farizeeën, die Hij vergelijkt met “witgepleisterde graven, die er vanbuiten fraai uitzien, maar die vanbinnen vol liggen met doodsbeenderen en andere viezigheden.” (Matteüs 23, 27) Het klinkt allemaal niet zo aantrekkelijk, daar achter de façade van die religieuze vooraanstaanden. Laat ons hen niet te vlug nawijzen: ook wij kunnen in die categorie belanden.

Voor de lezingen van deze zondag: klik hier.

Inkeer – bekering – ommekeer

Tot inkeer komen – de kritische en bewuste beweging naar binnen maken – veronderstelt nederigheid: je stelt jezelf kwetsbaar op. In die tere kleinheid ontstaat er ruimte voor werkelijke oprechtheid: zij maakt verbinding met je diepste zijn, en met God. Tot inkeer komen, is spirituele oprechtheid nastreven.

Van daaruit kan bekering ontstaan. Dat is gelouterd een nieuwe weg inslaan: het rechte, rechtvaardige pad van de Heer kiezen. De Heer weerlegt de verwijten van zijn Volk dat Hij onrechtvaardig zou zijn en legt de vinger op de wonde in de eerste lezing van deze zondag: “Ben Ik het die onrechtvaardig is? Gaan júllie niet eerder onrechtvaardige wegen?” (Ezechiël 18, 25b) De duistere kronkelpaden zijn niet van de Heer. Jezus bevestigt Gods goedheid, oprechtheid en rechtvaardigheid: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” (Johannes 14, 6) Die weg zal recht zijn en geëffend, dat kondigt Jesaja al aan. (Matteüs 3, 3 – Jesaja 40, 3) Welnu, als volgelingen van Christus zijn het onze daden, geïnspireerd op innerlijke oprechtheid, die de weg effenen. Het komend Rijk begint nu al, langs onze levenswandel, wanneer wij bouwen aan de weg, voor de Heer en voor elkaar. (Jesaja 43, 18-19)

De nieuwe weg inslaan, de paden van de Heer kiezen, dat is de ommekeer. Het is de daad bij het Woord voegen. We kunnen ons de vraag stellen of dit één moment in het leven betreft: een keerpunt, voor eens en voor altijd. Misschien bedoelen Jesaja en Johannes een allesbepalend ogenblik van inzicht, zoals Amazing Grace bezingt: ‘ooit was ik verloren, maar nu ben ik gevonden’ (‘I once was lost, but now I'm found’). Of gaat het eerder over een terugkerend fenomeen, wanneer we merken dat we van de juiste weg zijn afgedwaald? Mogelijks zijn ze allebei van tel: we zijn mensen met gaven en gebreken. We trachten en proberen, maar slagen niet altijd.

Gezindheid

Paulus wordt geconfronteerd met de ‘kinderziekten’ van de eerste christelijke gemeenschappen en omschrijft hoe de ideale (volmaakte) geloofsgemeenschap hoort te leven in de gezindheid van Christus Jezus. (Filippenzen 2, 2 en 5) Dit maakt zich kenbaar in eensgezindheid: “één in liefde, één in streven, één in geest”. (Filippenzen 2, 2) Het vertaalt zich in concrete handelingen, vrij van geldingsdrang of eigenwaan, waarbij de ander steeds belangrijker wordt geacht dan jezelf. (Filippenzen 2, 3) Dat Jezus Christus de maatstaf is, beklemtoont Paulus nogmaals in de daarop volgende lofrede. (meer hierover in een vorige bijdrage: klik hier)

Foert

Het gaat over een belangrijke onderwerp, en dat betekent bij Jezus doorgaans: tijd voor een parabel. Een man vraagt aan zijn zoon: “Ga vandaag werken in mijn wijngaard.” De zoon heeft absoluut geen zin en zegt dat ook tegen zijn vader. Uiteindelijk bedenkt hij zich echter en gaat hij toch werken. (Matteüs 21, 28-29) 

Tegen de andere zoon zegt de vader precies hetzelfde. Die antwoordt braafjes: “Ja, vader”, maar hij gaat niet naar de wijngaard. Ook hij heeft geen zin om te gaan werken, en hij blijft ook gewoon thuis. (Matteüs 21, 30) “Foert met je wijngaard!”, zal de tweede zoon gedacht hebben. Wellicht is hij wat verwaand en verwend, maar daar gaat Jezus niet op in. Hij laat het aan de toehoorders over om door te denken. Hij stelt de vraag: “Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan? (Matteüs 21, 31)

Heel eenvoudig

Het antwoord ligt voor de hand. De vraag is werkelijk té gemakkelijk. Maar daarom juist stelt Jezus deze vraag: omdat het antwoord evident is voor iedereen: er is geen enkele twijfel mogelijk. Zo werkt een parabel: een heel eenvoudig verhaal vertelt een diepe, schijnbaar complexe boodschap. In dit geval vestigt Jezus onze aandacht op een fundamentele keuze aan het Volk van God. Wil je in de wijngaard van de Heer werken of hou je de schijn op maar doe je eigenlijk niets wezenlijks? Misschien ervaar je weerstand in jezelf om je geloof in daden om te zetten, om je ten volle te engageren. Dat geeft niet. Wat echt van belang is, dat is wat je uiteindelijk doét. Breng je goede vruchten voort?

Welnu, de Schriftgeleerden en farizeeën zijn vooral bezig met hun prestige, macht en aanzien. Zij dragen niets bij in Gods wijngaard, integendeel. Ze werken voor eigen rekening en willen hun privileges veilig stellen. Johannes heeft het volk opgeroepen om de wil van de Vader te volbrengen door tot inkeer te komen. De hogepriesters en de oudsten zijn niet tot inkeer gekomen toen ze hem hoorden spreken. Tollenaars en zondaars daarentegen hebben Johannes wel geloofd en kwamen tot inkeer. (Matteüs 3, 1-10 en 21, 32)

Gesloten

Zij die de Schrift tot de kleinste detail bestuderen, die de aankondiging van de profeet Jesaja hebben gelezen en de waarschuwingen bij de profeet Ezechiël: ze begrijpen Johannes de Doper niet. Hun ogen blijven gesloten voor zijn voorspelling, hun oren horen het niet. Ze zijn met uiterlijkheden bezig: controleren of iedereen allerlei regels nauwkeurig onderhoudt, zich laten groeten op straat en zich laten bewonderen door de mensen.

De Schriftgeleerden en farizeeën hebben geen tijd en geen aandacht voor de woorden van Johannes de Doper. Het past niet in hun kraam. Wanneer Jezus in zijn verkondiging nog feller tegen hun gezag in gaat, schenken ze er wel aandacht aan: Hij vormt immers een bedreiging. Eigenlijk horen ze van Johannes de Doper al waar het op staat: “De bijl ligt al aan de wortel van de boom”. (Matteüs 3, 7-12) Zelfs wanneer tollenaars en zondaars zich bekeren, komen de Schriftgeleerden en farizeeën niet tot inkeer. (Matteüs 21, 32) Stuitend, toch? En Jezus vraagt: “Wie heeft nu de wil van zijn Vader gedaan?” 

Allemaal

Laten we vooral niet te zelfgenoegzaam toekijken hoe de farizeeën nog maar eens in de fout gaan en Jezus’ Boodschap niet begrijpen. Jezus hekelt juist de pretentieuze uitlachcultuur. Aan ieder van ons stelt Jezus dezelfde vraag als aan de farizeeën. Doen wij de wil van de Vader? 

We hoeven onszelf nu ook geen schuldcomplex aan te praten. Dat heeft Jezus ook niet gewild. Dan ligt de haarkloverij weer op de loer die de kern van de Boodschap in de weg staat. Laten we tijd maken om onszelf in vraag te stellen en na te gaan of we op de goede weg zijn en de wil van de Vader volbrengen.

En nu?

We kunnen ons de vraag stellen of de Kerk de wil van de Vader heeft gedaan door misbruik niet ernstig genoeg te nemen en te verdoezelen. Waren de verantwoordelijken van onze Kerk op de wijngaard aan het werken toen ze de aanklachten van de slachtoffers afwimpelden in het belang van de goede naam van het instituut? Wanneer priesters, paters, broeders, zusters, medewerkers zich lieten groeten op straat en respect en ontzag opeisten tot ver voorbij de grens van de schande: waren zij dan Gods wijngaard aan het bewerken? Ook hier ligt het antwoord helaas voor de hand. We mogen teleurgesteld en boos zijn hierover. Het is immers de kernopdracht van de Kerk om Christus centraal te stellen en met Hem ook zijn Boodschap van oprechte, authentieke liefde voor de naasten en voor God. Alles begint met inkeer, ook voor de Kerk. Paulus zei dat al onomwonden in de vroegste gemeenschap, waar het ook niet altijd suiker en zeem was.

Wanneer zusters, broeders en paters werken van vroeg tot laat hebben gezorgd - en nog zorgen - voor zieken, bejaarden, kinderen en wezen, dan krijgen ranken mooie vruchten op de wijngaard van de Vader. Wanneer priesters en diakens mensen in geloof samen brachten - en ook nu samen brengen - en ieder uur van de dag klaar staan om de mensen bij te staan en te helpen, dan bloeit de wijngaard. Wanneer aangestelde, gezonden leken en enthousiaste vrijwilligers hun best doen om de geloofsgemeenschap te inspireren in verenigingen, in gebed, in zorg en in liefdadigheid: dan is de Vader trots op zijn wijngaard. We mogen de bewonderenswaardige traditie van christelijk engagement niet vergeten. Laat ons daar inspiratie uit putten om zelf mee te bouwen aan de Kerk, de wijngaard van de Heer.

De beeldspraak van de wijngaard wordt volgende week verder uitgediept...