Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label David. Alle posts tonen
Posts tonen met het label David. Alle posts tonen

04 februari 2025

God en mens, ideaal en realiteit (8-9 februari 2025)

Jesaja is een profeet. Hij heeft een diepe mystieke band met de Heer. Jesaja ziet met lede ogen aan hoe het volk zich afkeert van de Heer en tracht hen te waarschuwen voor de gevolgen van hun zelfgenoegzaamheid. Ze drinken en feesten, ze zoeken hun heil in rijkdom en bezit. Ze kiezen zelfs hun goden, die ze plezieren wanneer het hen uitkomt. Het is duidelijk voor Jesaja: dit kan niet blijven duren. Het volk is allang vergeten wat God voor hen heeft gedaan. In een visioen ziet de profeet wat er komen zal, en dat deelt hij met de mensen, of ze het horen willen of niet. Dat is wat een profeet doet: als geroepene door de Heer de mensen in wijsheid toespreken en waarschuwen.

Visioen

In een visioen ziet hij de Heer, die een mantel draagt, waarvan de zoom de hele tempel vult. (Jesaja 6, 1) Dit gebeurt op het ogenblik dat koning Uzzia is gestorven, voegt Jesaja er aan toe. De troon is leeg. Deze tijdsaanduiding wil niet louter historische geloofwaardigheid toevoegen, maar is ook inhoudelijk relevant: na grote weelde onder Uzzia dreigt aan de horizon een angstige tijd, met oorlog en geweld. 

Hoewel Uzzia over het algemeen geboekstaafd staat als een goede vorst, die tijdens zijn 52 jaar op de troon het leger versterkte en verschillende steden van betere omwalling voorzag, stierf hij van een huidziekte. Hij had zelf wierook geofferd in de tempel, een gebruik dat enkel aan de priesters toekomt. (2 Kronieken 26) Hij wou zijn macht uitbreiden en ook het sacrale beheersen. Er verschijnen inderdaad onweerswolken aan de horizon. De welvaart heeft de mensen verwaand gemaakt, terwijl de macht koning Uzzia had verblind. Het noordrijk Israël zal weldra vallen en later ook het zuidrijk Juda.

Gezien en ook weer niet

Jesaja zag de Heer, zo meldt hij. We mogen niet te vlug over dit vers van Jesaja heen lezen. Hij spreekt namelijk het onmogelijke uit: “Ik zag de Heer.” Het verlangen van zoveel gelovigen lijkt in Jesaja te zijn vervuld. Maar hij spreekt over een beeld in extase, niet over een ontmoeting. De profeet ziet het Goddelijke, het meest zuivere. Hij ziet immers slechts de zoom, de buitenrand. (Jesaja 6, 1) Die zoom alleen al vult de héle tempel. Het mag duidelijk zijn dat onze menselijke bouwsels God nooit kunnen omvatten. Hier wordt de grootheid van God beklemtoond. Dat is net wat het volk lijkt te zijn vergeten, en koning Uzzia ook. De Heer mag niet herleid worden: dat komt ons hoegenaamd niet toe. Niet tot een instrument en evenmin tot een handig hulpmiddel.

Jesaja ziet de troon en de zoom van de mantel van de Heer. Het zijn koninklijke beelden. De koningen in de beide rijken - noord en zuid - zijn nog slechts een schaduw van Davids koningschap. En ook David kreeg de koninklijke macht van God, en van God alleen. (2 Samuel 5 en 24) God is de ultieme Koning, Hij die geen fouten maakt, die smetteloos is, maar die door mensen in hun falende trouw wordt bedrogen. God is de Allerhoogste, door een mens nooit te evenaren. 

Allerheiligst

Bij de Heer staan in het visioen twee serafs die elkaar toeroepen: “Heilig, heilig, heilig is de Heer van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.” (Jesaja 6, 2-4) Deze zin kennen we uit de eucharistie. Het is de enige keer dat serafs (of serafijnen) worden vernoemd in de Schrift. Het zijn engelachtige figuren die dicht bij God staan, maar zelfs zij worden verblind door Gods helderheid: met twee van hun vleugels bedekken ze hun gezicht. (Jesaja 6, 2)

Ze zingen ‘Kadoosj-kadoosj-kadoosj’: tot drie keer toe wordt God heilig genoemd. Dit wijst op een overtreffende trap of superlatief: God is Allerheiligst. Deze aanroeping wordt herhaald in Openbaring (Openbaring 4, 8). De drievoudige herhaling dient ook als benadrukking: er is niet naast te kijken, het staat er drie keer. Er is tevens een morele connotatie: een duidelijk contrast met de onreinheid van mensen. Het drievoud kan ook als tijdsperspectief geïnterpreteerd worden. In alle tijden: verleden, heden en toekomst. Vanuit christelijk perspectief kan de triniteit erin gezien worden. 

De Heer die door de serafs wordt bezongen, heeft zich niet teruggetrokken in de hemel maar vervult de aarde, de hele Schepping. Zijn majesteit is niet gereserveerd voor Kanaän: de héle aarde is vervuld van zijn glorie. Hiermee wordt het allesomvattende karakter van het geloof onder woorden gebracht: niets is groter, niets weegt op tegen de Heer. Er is maar één Heer, één God. Tegelijk brengt dit perspectief een openheid mee voor die hele schepping: iedereen mag in Hem geloven. 

Kleine ik

In contrast met de Allerhoogste beziet Jesaja zichzelf en klaagt: “Wee mij, ik ben verloren, want ik ben een mens met onreine lippen te midden van een volk met onreine lippen!” (Jesaja 6, 5) Er klinkt ontzag, en zelfs angst en fatalisme: Wie ben ik: kleine, nietige ik? Uzzia had zich beter die vraag gesteld: hij liep met zijn lompe voeten de tempel zomaar binnen, denkend dat hij alles kon en mocht. En bij het volk, dat enkel aan zichzelf denkt, horen we helaas evenmin deze kritische zelfreflectie.

Bij zijn eerste ontmoeting zegt Simon tegen Jezus: “Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens.” (Lucas 5, 8b) En de honderdman, die Jezus om een gunst vraagt, zegt heel nederig: “Heer, ik ben het niet waard dat U onder mijn dak komt.” (Lucas 7, 6d) Ook Johannes de Doper verkondigt: “Ik ben het zelfs niet waard om de riemen van zijn sandalen los te maken.” (Lucas 3, 16b) In het bijzijn van God en zijn wonderlijke kracht en grootheid, voelt een mens zich klein. Geloven, dat is ontzag hebben voor God. En de eigen beperkingen onder ogen zien.

Reinheid

Er gebeurt iets opmerkelijks in het visioen van Jesaja. Zijn menselijke gebrekkigheid blijft niet onveranderd bestaan. Eén van de serafs neemt met een tang een gloeiende kool en reinigt daarmee Jesaja’s lippen. Zijn zonden zijn tenietgedaan. (Jesaja 6, 6-7) De menselijke tekortkomingen zijn niet gebrandmerkt, de reiniging wel. En zo zijn er nog vormen van reiniging in de Schrift: met hysop of marjoraan bijvoorbeeld (Psalm 51, 9), door een offer van vogels, of met cederhout of karmozijn (Leviticus 14, 49). Het offer kan ook geestelijk van aard zijn en bestaan uit een een gebroken geest en een verbrijzeld hart (Psalm 51, 19), of uit het belijden van zonden (1 Johannes 1, 9). Door het bloed van Christus is het eigenlijke offer volgens Johannes al geschied. (1 Johannes 1, 7)

Het contrast is duidelijk: reinheid is Goddelijk, en de mens is God niet. Er is altijd onreinheid of zondigheid aanwezig, al van bij de geboorte. (Psalm 51, 7) Deze woorden zijn loodzwaar geworden doorheen de tijd, in die mate zelfs dat in de christelijke geschiedenis sprake is van een toenemend schuldcomplex. Dit kan leiden tot ziekelijk fanatisme: een staat van onvrijheid, waarin men voortdurend angstig is om te falen of teleur te stellen, bang voor de duivel en bang voor de hel. Een andere reactie is doemdenken: wat baat het om je best te doen, als je toch altijd en overal zonden begaat?

Van alle tijden

Er wordt terecht wel eens gespot met de kerkelijke wijsvinger, immer waarschuwend opgestoken, speurend naar zonde en verderf. “Wat hebben ze ons wijsgemaakt?”, hoor ik soms van mensen, of: “Ik mocht werkelijk niets toen ik jong was.” Echter: ook nu kennen we bekende en onbekende mensen een voorbeeldfunctie toe. In de verschillende vormen van seculiere moraal – van links over centrum tot rechts – is evenzeer een ideaalbeeld ontwikkeld en wordt waarschuwend gewezen naar alle mogelijke afwijkingen. De sociale media puilen er zowat van uit: verwijten, veroordelingen en dreigementen over en weer.

Dit markeert het tijdloze menselijke conflict tussen ideaal en realiteit, tussen zuiverheid en menselijk falen. Het zal nooit verdwijnen. Wanneer Jesaja echter over zijn visioen spreekt, dan viseert hij geen kleine foutjes. Hij heeft het over iets vreselijks in Gods ogen. Voorafgaand heeft de Heer bij monde van Jesaja immers gefoeterd op het volk dat huizen bouwt, eigendom verzamelt en feest viert, maar dat God vergeet. (Jesaja 5, 8-12) Die eerste zaken zijn voor God nog niet eens het probleem. Maar dat ze Baäl vereren in plaats van God en dat ze vergeten wie hun Schepper en Bevrijder is, dat ze vol van zichzelf van God wegkijken: daar is God kwaad over. (Jesaja 1) Woest zelfs: de edelen zullen in ballingschap verhongeren en het volk zal omkomen van de dorst, zegt Jesaja dreigend. (Jesaja 5, 13) Jesaja is geen waarzegger of wichelaar, hij ziet wat er aan het gebeuren is. Interessante randbemerking: de voorzegging is al vervuld wanneer de teksten van Jesaja en aanvullende profetische teksten in de laatste redactie worden samengebracht tot één boek.

Essentie

We zijn mensen. We doen vaak ons best, en we falen soms. Bij momenten gaan we zelfs bewust in de fout. En spijt komt altijd te laat. Dat is de onreinheid waar het over gaat. Onrein betekent immers: niet smetteloos, niet perfect. En dat zijn wij inderdaad niet, hoe hard we ook ons best doen. We zullen het ook nooit worden. 

Wat de Heer van ons verlangt, is geen regelneverij of kwezelarij. Wat Hij vraagt, is dat we Hem loven, eren en danken, dat we Hem trouw blijven in de geboden. Kort maar krachtig: dat we God niet vergeten of negeren. Daarom vat Jezus God Wet terecht samen in het dubbelgebod van de Liefde. (Matteüs 22, 36-40) We hoeven niet bevreesd te zijn, zoals Jezus ook zegt tegen Simon. (Lucas 5, 10) Ons geloof zal ons op de weg van de Heer brengen.

Met de serafs, en met Jesaja die het visioen heeft verkondigd, mogen wij trots uitroepen: “Heilig, heilig, heilig is de Heer, de God van de hemel, die de aarde vervult!” Het zal God verheugen, en ook ons blij maken.

27 december 2024

Over de vader en de Vader (28-29 december 2024)

Jozef is de vader van Jezus, of tenminste de voedstervader. Deze uitspraak is niet biologisch, maar theologisch. Over de biologische afkomst van Jezus valt weinig te vertellen zonder DNA-stalen. Het zou trouwens ook een overbodig onderzoek zijn omdat het van weinig belang is. De symboliek is voor de evangelisten veruit de belangrijkste reden om Jozef te vernoemen. Een evangelietekst is geen historische documentaire maar een theologisch geschrift: het wil ons iets over God vertellen.

  • Voor de lezingen van het feest van de heilige Familie, jaar C: klik hier.

Zoon van David

De stambomen bij Matteüs en Lucas tonen al aan dat hun bedoeling niet heemkundig van aard is: ze verschillen namelijk onderling. Volgens Matteüs is Jozef een zoon van Jakob (Matteüs 1, 16) en volgens Lucas van Eli (Lucas 3, 23). Er wordt vermeld dat Jozef van de stam van David afkomstig is. Opnieuw moeten we dit theologisch lezen, niet biologisch: dit zegt eigenlijk niets over Jozef, maar alles over Jezus. 

De Messias zal de hoogdagen van Davids koningschap doen herleven: gouden tijden breken aan na eeuwen van onderdrukking. Daar kijkt men ten tijde van Jezus naar uit. Dankzij Jozef krijgt Jezus zijn bevoorrechte plaats in de geschiedenis van de twaalf stammen. (Lucas 2, 5) Zo wordt Hij legitiem de langverwachte Redder, die door de profeten is voorspeld. Jozef geeft Jezus zijn naam en zijn afkomst, bij monde van de engel. Dat de vader de (familie-)naam doorgeeft, is nog steeds gebruikelijk in onze joodschristelijke cultuur. 

Dromer en doener

Wanneer Jozef overweegt om de verloving te verbreken en bij Maria weg te gaan omdat ze zwanger blijkt te zijn – een toch wel dramatische passage in het kerstverhaal – vertelt een engel hem dat het Kind dat Maria verwacht van de heilige Geest is.  (Matteüs 1, 20) Diezelfde engel bevestigt Jozef meteen ook als afstammeling van David.

Jozef wordt wel eens een dromer genoemd. Zware crisissen en toekomstige problemen worden telkens in een droom opgelost. Een engel vraagt hem om Maria alsnog tot vrouw te nemen, wat Jozef ook doet. (Matteüs 1, 18-25) In een tweede droom voorspelt de engel aan Jozef dat er gevaar dreigt en dat ze naar Egypte moeten vluchten. (Matteüs 2, 13-15) Wanneer het weer veilig is in hun thuisland, hoort Jozef voor een derde keer de engel in zijn droom. (Matteüs 2, 19-21) Drie keer komt hetzelfde patroon weer: de engel geeft hem een duidelijke opdracht en Jozef voert deze precies uit zoals hem is opgedragen. Dat wordt in de tekst telkens beklemtoond, twee keer zelfs door een letterlijke herhaling: “Maak je gereed” - “Jozef maakt zich gereed(Matteüs 2,13 en 20 en Matteüs 2, 14 en 21) 

Jozef neemt de Boodschap telkens voor waar aan en verandert zijn eigen mening door de engel. Flexibel zijn, heet dat in onze dagen. De afgrijselijke kindermoord in opdracht van koning Herodes bevestigt hoe reddend de gehoorzaamheid van Jozef aan de engel is geweest. (Matteüs 2, 16) Het Kind is kwetsbaar, zo blijkt, en de bescherming van Jozef blijkt cruciaal te zijn. Nee, theologisch mag er niet zomaar over Jozef heen worden gekeken.

Partner en vader
De bescherming en de afkomst van Jozef maken hem tot een essentiële figuur in het leven van Jezus. De heilige familie is een gezin, een eenheid, waarin Jezus wellicht het beroep van Jozef gaandeweg is aangeleerd: timmerman. Jozef wordt traditioneel Jezus’ voedstervader genoemd, een soort pleegvader. Er is trouwens ook sprake van overige kinderen verderop: broers en zussen van Jezus (Matteüs 13, 55-56). Marcus vernoemt vier broers: Jakobus, Joses, Simon en Judas. (Marcus 6, 3) Misschien zijn het halfbroers- en zussen, misschien bedoelen de evangelisten eerder dichte aanverwanten, onder de vorm van nichten en neven bijvoorbeeld. Het is echter goed mogelijk dat het effectief gaat over broers en zussen. Dat doet niets af van de uniciteit van Jezus.

In de katholieke Kerk ligt dat gevoelig: de maagdelijkheid van Maria – semper virgine (altijd maagd) – zou dan in vraag gesteld kunnen worden. Daar gaat het dogma echter niet over. Dit dogma gaat over de zuivere Bron waaruit Jezus werd geboren. Opnieuw merken we dat theologie geen biologie is. Jozef is theologisch de voedstervader en Maria is theologisch Maagd gebleven. De wetenschappelijke kant is niet van belang in deze kwestie. Wie ‘in de wolken’ is, hoeft ook niet per se in een vliegtuig te zitten, toch? 

Ter illustratie: Jezus en Jozef aan het werk, een werk van Mario Bogani (1932-2016).



Van vader naar Vader

Maria wordt doorheen de vier evangeliën vernoemd, tot na de dood en verrijzenis van haar Zoon Jezus. Bij Jozef is dat niet het geval. Hij wordt het laatst vernoemd wanneer Jezus 12 jaar is en in de tempel in Jeruzalem achterblijft om onderricht te geven. (Lucas 2, 41-51) We lezen dit evangelie op het feest van de heilige Familie. Daarna wordt Jozef enkel nog vernoemd om Jezus aan te duiden als Jozefs zoon. (Johannes 1, 45 en 6, 42) Daar wordt Jezus zijn afkomst ten nadele aangewreven: Hij is ‘slechts’ de zoon van een timmerman. Wat er is gebeurd  met Jozef wanneer Jezus aan zijn verkondiging en zijn tocht naar Jeruzalem begint, is onduidelijk. Maria volgt Hem wel, samen met de leerlingen, maar van Jozef is geen sprake meer. Wellicht is hij inmiddels overleden.

Er is nog een belangrijke reden om Jozef niet meer te vernoemen. Zijn theologische rol is namelijk uitgespeeld, of beter: ‘volbracht’. Theologisch gezien wordt een overgang gemaakt van de opvoedende vader Jozef naar de hemelse Vader. In die laatste passage met Jozef noemt Jezus de tempel het huis van zijn Vader. (Lucas 2, 49) Zijn ouders begrijpen niet wat Hij bedoelt. (Lucas 2, 50) Aldus wordt de overgang onder woorden gebracht.

Doopsel en Drievuldigheid

Het doopsel van Jezus bevestigt dit scharniermoment. De Goddelijke Vader erkent Jezus op dat ogenblik als zijn Zoon, vanuit de hemel. Dat doet Hij langs het neerdalen van de heilige Geest. Zo wordt meteen ook de heilige Drievuldigheid geïntroduceerd. (Lucas 3, 22)

Doorheen de geschiedenis heeft men met de beste bedoelingen theologische concepten met heel tastbare elementen willen aanreiken aan de gelovigen, opdat ze de Boodschap zouden kunnen bevatten, bijvoorbeeld wat maagdelijkheid van Maria betreft en het vaderschap van Jozef. Dergelijke antwoorden verstikken echter het mysterie dat eigen is aan de geloofsinhoud. Wanneer geloof te bevattelijk wordt, is het ontsnapt aan haar eigenlijke inhoud. Die theorieën worden nu vaak ‘fabeltjes’ genoemd en met hen gaat het geloof in haar geheel dan helaas vaak op de schop. “Ze hebben ons wat wijsgemaakt”, klinkt dan soms geërgerd. Laten we dus meer ruimte vrijmaken voor mysterie in ons geloofsdenken. Laten we God niet versimpelen. Laten we steeds zijn ongrijpbaarheid vieren.

Kerkelijk inhaalmanoeuvre

Sint-Jozef kreeg in de Oosterse Kerk al heel vroeg een belangrijke plaats in de geloofsbeleving. In de Rooms-katholieke Kerk lag dat veel moeilijker. Pas in 1729 introduceerde paus Clemens XI het hoogfeest van de heilige Jozef voor de hele Kerk. Pius XII voegde er een tweede feest aan toe, in 1955: Sint-Jozef Arbeider. De keuze voor de feestdag is geen toeval: 1 mei. De heilige Jozef Arbeider moest een katholieke tegenhanger worden van de Dag van de Arbeid met socialistische 1 meivieringen. Jozef als wapen tegen het socialisme en communisme, wordt dan soms spottend gezegd. Misschien is een betere omschrijving: Jozef als inspiratiebron in een nieuwe tijd. Johannes XXIII, tenslotte, vereerde Sint-Jozef en nam hem op in de heiligenlijst van het Romeinse Canongebed, het eerste eucharistisch hooggebed. 

Sint-Jozef wordt vereerd als voedstervader, maar ook als Dromer en voorziener. Hij is patroonheilige voor houtbewerkers en arbeiders, maar ook voor de vaders en de huisgezinnen. Daaruit is ook de merkwaardige gewoonte gegroeid om een beeldje van de heilige Jozef ondersteboven in de grond te begraven om te verkrijgen dat men een huis vlot zal kunnen verkopen.

Laten we dit feest van de heilige Familie vieren als de weg van Jezus naar de verkondiging, als het feest van een kwetsbaar Kind dat weldra aan zijn Opdracht zal beginnen, maar nu nog geniet van de geborgenheid die een gezin kan schenken.

18 april 2024

Pastoraal is herderen (20-21 april 2024)

“Ik ben de goede herder,” zegt Jezus plechtig. “Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen Mij.” (Johannes 10, 14) Dat Jezus hier beeldtaal gebruikt, is evident. Maar waar refereert Jezus naartoe wanneer Hij dit beeld gebruikt? Wanneer Jezus op zichzelf het beeld van herder toepast, dan klinkt meteen een fragment uit de profeet Ezechiël op de achtergrond. 

“Jullie zijn mijn schapen, de schapen die Ik weid. Jullie zijn mensen en Ik ben jullie God.” (Ezechiël 34, 31) Koningen en leiders hebben God teleurgesteld als herders in zijn Naam. God besluit daarom zelf het herderschap op zich te nemen. En Jezus wordt zelfs al aangekondigd in de passage: “Ik zal een andere herder over ze aanstellen, één die ze wél zal weiden.” (Ezechiël 34, 23) God heeft het hier over een ‘tweede David’, een nieuwe Koning.

Jezus als herder

We vinden bij de profeet Ezechiël een uitgebreide omschrijving van wat een plichtsbewuste herder hoort te doen (Ezechiël 34, 15-16): (1) de schapen laten grazen op een goede weide, waar voldoende gras is, (2) de schapen genoeg laten rusten, (3) op zoek gaan naar verdwaalde en verjaagde dieren, en (4) gewonde dieren verbinden en zieke dieren gezond maken. Het zou perfect in de taakomschrijving van een hedendaagse vacature voor schaapsherder overgenomen kunnen worden.

Jezus zal niet handelen zoals een huurling, die de dieren in de steek laat en op de vlucht slaat van zodra hij een wolf ziet aankomen. (Johannes 10, 12) Net zoals de Heer zich afzet tegen herders die de schapen in de steek lieten en enkel voor zichzelf hebben gezorgd. (Ezechiël 34, 8)

De slechte leiders hebben er een zootje van gemaakt en dat is voor God een diepe teleurstelling. De mensen kijken op naar leiders, verwachten goed en rechtvaardig leiderschap, maar ze worden misleid en in de steek gelaten. De Schriftgeleerden en farizeeën ten tijde van Jezus, en de koningen en leiders ten tijde van Ezechiël: ze zijn een teleurstelling in de ogen van de Heer.

Herder in zijn navolging

Wanneer Jezus het herderschap vernoemt, doelt Hij ook op de opdracht die de apostelen zullen opnemen na Jezus’ lijden en sterven, vanaf het stichten van de Kerk: “Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik jullie uit.” (Johannes 20, 21b) Petrus spreekt Hij hierover heel persoonlijk aan: tot driemaal toe draagt Hij Petrus op om zijn schapen te hoeden. (Johannes 21, 15-17) Die taak komt niet alleen de apostelen toe, maar allen die in de lijn van de traditie Jezus navolgen, Kerk vormen en verantwoordelijkheid opnemen.

Hoe kunnen we deze herderlijke taak dan omschrijven in onze dagen? Hier volgt een proeve: (1) voeding brengen tot bij hongerigen en noodlijdenden als liefdadigheid, en geestelijk voedsel vanuit Gods Woord in bijeenkomsten en in het dagelijkse leven, (2) samen de zondag vieren om op krachten te komen, (3) wanneer mensen hun geloof lijken te verliezen of gelovig indommelen: trachten om hen terug te brengen bij de gemeenschap en bij God, en (4) oog en oor hebben voor mensen die een crisis meemaken, of getroffen worden door ziekte, lichamelijk of psychisch.

Schaap en herder zijn

Christenen zijn schaap en herder tegelijk. We ontvangen steun en bemoediging, maar we zorgen ook voor onze medegelovigen, elk volgens onze eigen talenten. Als gemeenschap van gelovigen - gedoopt, aangesteld, gezonden en gewijd - nemen we het herderschap op voor elkaar zoals God dat voor ons doet. (1 Korintiërs 12, 4-11)

Daarom is ‘elkaar’ een belangrijk woord in de Schrift. In de brieven in het Nieuwe Testament komen we het woord geregeld tegen. (bijvoorbeeld Kolossenzen 3, 13 en 1 Petrus 4, 10) Christus volgen, is niet passief ontvangen, vrij van inzet en verantwoordelijkheid. We worden opgeroepen elkaar te bemoedigen, elkaar te stimuleren, voor elkaar te zorgen. De wederkerigheid staat centraal. 

Pastoraal

Pastorale taken opnemen, is deelnemen in het herderschap van de Kerk. Herderen is niet enkel een priesterlijke taak. Toch zal een priester, in navolging van Petrus, deze roeping in het bijzonder ervaren en beleven. De tijden van de herder en zijn afgelijnde parochiale kudde zijn voorgoed voorbij. Een priester 'herdert' nu meerdere samengevoegde kuddes. 

Daarom zal meer en meer verantwoordelijkheid opgenomen worden vanuit het doopselpriesterschap. Deelhebbend aan de priesterlijke taak van de geloofsgemeenschap die de Kerk is, nemen mensen taken op in samenspraak en samenwerking met een priester of verschillende priesters. Hoe meer dat gebeurt, hoe meer overlevingskansen plaatselijke gemeenschappen zullen hebben. 

In Engeland en Wales hebben herders soms wel duizend schapen, verdeeld over verschillende kuddes. Op enorme graasgebieden zoeken zij hun kuddes op, kijken ze of ze niets tekort komen en trekken dan naar de volgende kudde. Een inspirerend beeld.

Veelvormig

Er zijn nog veel andere gebieden waarin gelovigen hun pastorale talenten in taken vorm geven: in het onderwijs, in de zorg, in de detentie, in het leger, noem maar op. Ook zij staan in het verlengde van Jezus' allesomvattende uitspraak: Ik ben de goede herder.” In navolging van dat goede herderschap zetten mensen zich in: professioneel gevormd, veerkrachtig uit ervaring en idealistisch van ingesteldheid.

De vele vormen van pastoraal, van jongeren tot bejaarden, van klassiek tot creatief, hoeven geen angst of ongerustheid op te wekken. Het geloof eigentijds en toegepast tot bij de mensen brengen, is immers van alle tijden. Daarin waait de Geest. Daarin is Christus zelf aanwezig, elke dag opnieuw. (Matteüs 28, 19-20)

21 november 2023

Koning van een zalig Land (25-26 november 2023)

Koningen en prinsessen zijn figuren die we kennen uit sprookjes. Sprookjes gaan vreemd genoeg nooit over presidenten. Zelfs in onze nuchtere en transparante tijden, blijft rond de monarchie een zweem van mysterie hangen. De vorst is een symbolische, verbindende figuur. Tegelijk worden vorsten geassocieerd met blinkend goud en dure interieurs. Een vorst is werelds en onwerelds tegelijk. Wanneer dat koningschap met Christus wordt verbonden, dan stoten we in onze dagen op heel wat vragen. Een Amerikaan vertelde me ooit dat het voor hem beslist makkelijker is om het feest van Christus, Koning van het Heelal te vieren, dan voor mij. Wellicht heeft hij gelijk. Ik heb ook een aardse koning. Ons beeld van een vorst is al heel concreet ingevuld.

President

Een koning is geen president. Een president wordt verkozen door de bevolking en heeft een tijdelijke opdracht, voor een vooraf bepaalde periode. Vaak kan een president herkozen worden voor een tweede ambtstermijn, maar daarna niet meer. Dat leidt ertoe dat een president veel aandacht moet besteden aan zijn persoonlijke populariteit. Hij kan electoraal maar beter de vinger aan de pols houden en populaire beslissingen nemen, desnoods ten koste van de duurzaamheid. Wanneer men ontevreden is over het beleid, wordt iemand anders verkozen. Presidenten zijn bij wijze van spreken een wegwerpartikel.

Het gevaar bestaat bovendien dat men op basis van sloganeske beloften en populaire praatjes kiest voor de grootste jandoedel omdat die op dat ogenblik het beste alternatief lijkt te zijn. En narcisten, zo weten we, zijn vaak gewiekste populisten. In een democratie krijgen de leiders de leiders die ze verdienen, simpelweg omdat ze hen zelf kiezen. Veel mensen zijn helaas wispelturig en nalatig als het gaat over het kiezen van hun leiders: te beïnvloedbaar voor zoete praatjes, te ongeïnteresseerd om diep en kritisch na te denken en te zelfzuchtig om een maatschappelijk verantwoorde keuze te maken.

Jong

Jezus noemen we absoluut geen president. Jezus is niet verkozen, maar uit genade van Godswege aan ons geschonken, ons gratuit gegund. Hij is niet gekomen om de mensen welgevallig te zijn. Hij is op aarde geboren vanuit Gods bekommernis voor de mensen, die de weg kwijt zijn en in duisternis ronddwalen. (Jesaja 9, 1-2) Hij is van God gezonden om bij te sturen wat scheefgegroeid is. (Jesaja 9, 15) God doet wat Hij belooft. Die Jezus wordt feestelijk ‘Koning’ genoemd vandaag.

Dit feest is afgekondigd in 1925 onder Pius XI. Het was nauw verbonden met de spiritualiteit van het heilig Hart van Jezus. In een vlug seculariserende wereld moest dit feest de allesomvattende betekenis van Christus in de verf zetten. Vandaar dat Hij de Koning van het heelal wordt genoemd.

Koning

Een koning is geen president. In tegenstelling tot een president ontvangt een koning zijn mandaat uit geboorte: het koningschap is erfelijk. De eerstgeborene maakt aanspraak op de troon. In onze streken hoeft het niet langer de eerstgeboren man te zijn, maar de eerste ‘telg’. Een vorst of vorstin wordt niet gekozen. Wie de volgende monarch wordt, is niet bepaald door diens persoonlijke talenten, interesses of voorkeuren. 

Toch kan een vorst tegenwoordig niet zomaar zeggen of doen wat hij of zij wil. De tijd van wrede koningen is lang voorbij. De rol van een Westerse monarch is beperkt en welomschreven. De monarchie stoelt overigens op de goedkeuring van het volk. De vorst of vorstin regeert over een land en zweert de wetten na te leven en de landsgrenzen te bewaren. Het is een begrensd koningschap in tijd en in ruimte.

Niet van deze wereld

Christus’ koningschap is van een heel andere aard. Zijn Koningschap is niet van deze wereld. (Johannes 18, 36) Dat betekent weliswaar niet dat de wereld buiten zijn Koningschap staat of uitgesloten is uit het Koninkrijk. Zoals de Vader de Schepper is van hemel en aarde, van al wat is, zo is Christus de Koning van het heelal. Deze theologische metafoor wil de verhevenheid van Christus benoemen: in Liefde en in Wijsheid overstijgt Hij het hele universum. De hele schepping moet buigen voor zijn heerlijkheid van Jezus Christus en voor zijn heilige Naam. (Filippenzen 2, 10-11)

Tegelijk is het koningschap van Christus een dienst in grote nederigheid. Niet voor niets draagt Hij een doornenkroon voordat Hij aan een kruis wordt genageld. (Johannes 19, 1-5) Niet voor niets heeft Hij daaraan voorafgaand de voeten van zijn leerlingen gewassen. (Johannes 13, 3-5) 

In dit koningschap weerklinkt duidelijk de heimwee van het joodse volk naar de hoogdagen van koning David. Christus brengt deze hoogtij terug. In christenen leeft een diepe wens om dicht bij Christus te zijn: door terug te kijken, maar ook vooruit. Jesaja vertelt hoe God, die Koning is, Allerheiligst en Schepper, iets nieuws zal verrichten. Het ontkiemt al en draagt vrucht in Christus. (Jesaja 43, 15-19) Zo zal Christus de Messiaanse taken op zich nemen van Koning, Priester en Profeet. Zo mogen wij deelachtig zijn aan het Rijk, dat steeds meer werkelijkheid wordt.

Vredevorst op Davids troon

Het feest van Christus Koning beëindigt het kerkelijk jaar. Het is de laatste zondag door het jaar. Tegelijk leert dit feest ons dat er geen begin of einde is. Dit feest legt immers de grondvesten voor de advent van het nieuwe liturgische jaar. De Vader zendt de Messias die men zo vurig verwacht, de Redder van geloof en wereld. Een Koning mogen wij weldra verwachten. Vandaag mogen we zijn koningschap alvast vieren.

Over ruim een maand zullen we met Jesaja Gods belofte opnieuw werkelijkheid zien worden. Er wordt een Kind geboren, een Zoon wordt ons geschonken. Hij zal de Vredevorst zijn. Hij zal zitten op Davids troon. (Jesaja 9, 6-7) Er is een spirituele draad gespannen tussen Christus Koning en Kerstmis: de advent. Die begint een week na Christus Koning. De verwachting van het Rijk Gods – ooit ver weg, maar ook nu al op aarde – geeft de korte, duistere winterdagen een bijzondere diepte.

Vandaag vieren we dat Christus onze Koning is, de Vredevorst van een zalig Land. Dat Rijk bevindt zich in de ongrijpbare eeuwigheid, maar het ontstaat al hier op aarde, in tijd en ruimte. Hoe dan? Heel eenvoudig: in alles wat we doen voor de kleinsten, de minsten, de meest hulpbehoevenden onder ons. (Matteüs 25, 34-40) Daarin dienen we onze Koning: niet met grote lofdichten aan Hem, maar door armen te eten en te drinken te geven en kledij, vreemdelingen te verwelkomen, zieken en gevangenen te bezoeken en bij te staan. In onze barmhartigheid groeit het Rijk Gods hier op aarde. Het zalig Land begint al hier! Merk je het niet?

17 maart 2023

Zien en gezien worden (18-19 maart 2023)

God blijft altijd een mysterie voor ons, mensen. Hoezeer wij ons ook verdiepen in de Schrift en in de Traditie die Hem tracht te omschrijven en te verklaren, steeds overstijgt Hij ons exponentieel. In Jezus is God ons het dichtste genaderd. Ook dan blijft zijn Boodschap hoog gegrepen en verrassend moeilijk. Gelukkig heeft God ons het leven geschonken, jaren en jaren om Hem te ontdekken en beter te leren kennen.

Nooit echter mogen we de pretentie toeëigenen dat we God kennen en weten wat Hij bedoelt. Dan overtreden we met onvergeeflijke hovaardigheid de basisregel die al in het scheppingsverhaal is vernoemd: wij zijn God niet, wij bezitten de kennis van goed en kwaad niet. (Genesis 3, 5) We kunnen enkel ons best doen, streven naar het goede en anderen op die manier inspireren.

Niet kunnen zien

God kijkt niet met menselijke ogen. (1Samuël 16, 7) Hij kijkt niet vanuit ons perspectief, dat zo beperkt en persoonlijk ingevuld is. Wij kijken naar het uiterlijk, dat is immers alles wat we kunnen aanschouwen. God is niet beïnvloed door een ‘eerste indruk’. Wij wel. Nee, God kijkt naar het hart. Hij doorziet onze façade, Hij doorgrondt ons, veel dieper nog dan wij onszelf ooit zullen kennen. Op Aswoensdag klinkt niet toevallig een fragment uit de profeet Joël: “Niet je kleren moet je scheuren, maar je hart.” (Joël 2, 13a) God heeft ons door. Al flaneren we nog zo vaak op de ‘Place M’as-tu vu’ (het plein van heb je mij gezien) van de uiterlijke wereld, zalig pralend en prijkend, zodat iedereen voldoende gelegenheid heeft gehad om naar ons op te kijken. Al worden we geroemd en geloofd door bewonderaars, fans of volgers. Het is zo weer voorbij. Morgen dweept men met iemand anders. Alles is ijdel, alles wat we vergaren is hol en leeg... (Prediker 1, 1)

God kiest niet Eliab: de stoere kerel, groot van gestalte en een knappe, indrukwekkende verschijning. Samuël ziet meteen een groot leider in Eliab. (1Samuël 16, 7) Maar hij baseert zich op het omhulsel, op het uiterlijk van de jongeman. God corrigeert Samuël en zegt: “Laat je toch niet vangen.” De mens (In het Hebreeuws: “ha-adam”, verwijzend naar de eerste mens) laat zich vangen door het omhulsel. Het klopt: onze blik is vertroebeld door interpretatie. We kijken niet objectief, maar beïnvloed door vooroordelen, ideaalbeelden, verlangens, voorkeuren. Ons perspectief en onze kennis zijn altijd beperkt. Dat resulteert in hokjesdenken, in de bandeloze menselijke neiging om alles te categoriseren. De filosoof Ludwig Wittgenstein noemt dit fenomeen “seeing as” (zien als).

Niet willen zien

Dat interpreteren is niet louter onschuldig, onbewust en onbedoeld. Wij bekijken de wereld en plaatsen die ook actief binnen ons referentiekader, in functie van onze idealen. Er is een maakbaarheid in ons kijken en zien. Dat gaat zelfs zo ver dat mensen er in slagen om voor zichzelf te verantwoorden dat ze mensen niet langer beschouwen als mensen. 

Denk maar aan de geschiedenis van slavernij en uitbuiting, en aan het nazisme. Daarbij mogen we niet de pretentie hebben om dit fenomeen te beperken tot het verleden, alsof we het nu inzien en niet meer laten gebeuren. Ook vandaag worden mensen herleid tot kanonnenvlees in oorlogen en gewapende conflicten. Ook vandaag worden mensen genadeloos gemarteld en verkracht. Ook nu worden mensen dicht bij huis het slachtoffer van zinloos geweld. En laten we niet vergeten dat onze economie en ons welzijn ten koste gaat van minder fortuinlijke gebieden op aarde.

Anders zien

Het ‘zien als’ omschrijft de Nederlandse dichter Martinus Nijhoff (1894-1953) op sublieme wijze in zijn gedicht “Wolken” (klik hier). Wat zag de kleine Martinus in de wolken? Hij herkende er Scandinavië in, en eenden, een dame, en schapen. Uiteraard zag hij wolken en was zijn interpretatie bewuste verbeelding. Toch komt ook het ruimere plaatje aan bod wanneer hij de wolken bekijkt als volwassene: hij ziet dreigende wolken vanuit de verte naderen. Hij kijkt nu verder, terwijl hij als kind in zijn onschuldig enthousiasme enkel naar boven keek. Onze blik verandert, onze kijk op het leven evolueert met ons mee.

Moeten zien

Jezus bevestigt dat de zienden blind zijn. (Johannes 9, 41) Daarom joegen de farizeeën de blindgeborene de tempel ook uit wanneer hij zich kwam tonen aan hen toen hij door Jezus was genezen. (Johannes 9, 34b) Het kon niet zijn: Jezus was slecht in hun ogen, dat wonder kon niet door Hem komen. Zien is soms ook bewust niet kijken en volharden in de boosheid. Ook dat herkennen we in ons dagelijks leven. Hoe vaak wellen discussies niet op in debatten, in gesprekken, op sociale media. Telkens weer manifesteert zich hetzelfde patroon: “Ik zie dat zo” – “Nee, ik zie dat anders”. Al te vaak zijn dergelijke discussies tijdverspilling omdat men de moeite niet doet om elkaars visie te beluisteren. Want dat is wat ons bepaalt: visie, de vrucht van ons beperkte zicht en inzicht.

Goddelijk zien

God kiest Eliab niet, maar wel wel David, van wie gezegd wordt dat hij rossig is, heldere ogen heeft en een knap voorkomen. Wat is dan het verschil met Eliab? Het wordt niet verduidelijkt omdat de reden al vernoemd is. Het uiterlijk speelt geen rol. Toch omschrijft men David. We willen ons kunnen voorstellen hoe hij er uit ziet, dat is belangrijk voor ons, mensen. Voor God speelt dat echter geen rol: Hij kijkt naar het hart, naar de inborst van de jongen. “Hij is het.”, zegt God. (1Samuël 16, 12d) David wordt gezalfd en de Geest van de Heer komt over David. (1Samuël 16, 13b)

Wat zoekt God in ons hart? Dat is niet duidelijk. Nogmaals, wij kunnen niet kijken en denken zoals God. We krijgen wel een interessante aanwijzing in de tweede lezing van deze week. Paulus draagt de christenen van Efeze en overal ter wereld op om te leven als kinderen van het Licht. (Efeziërs 5, 8c) De vruchten van het Licht zijn goedheid, gerechtigheid en waarheid. Misschien ligt daar een belangrijke aanwijzing. Het zijn uiteraard niet de kwaliteiten die tentoongespreid worden op de ‘Place M’as-tu vu’. Daar gaat het ook niet om.

We hebben geluk. God is geen genadeloze rechter. We krijgen elke dag opnieuw de kans om ons voor God van onze beste kant te tonen, niet voor de schijn, maar welgemeend; kwetsbaar en beperkt als we zijn. God is immers genadig en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid. (Joël 2, 13b) Daar mogen wij oneindig dankbaar voor zijn en blij. Niet voor niets is het Laetare-zondag.

16 december 2021

De laatste dagen vóór Kerstmis: "Kom, o Heer, en wacht niet langer" (17-23 december 2021)

De periode vanaf 17 december noemen we de kerstnoveen: een intense voorbereiding op het steeds dichterbij komende feest van Kerstmis. De O-antifonen worden gezongen of gebeden in deze periode. Ze richten zich telkens in gebed tot Christus en kennen Hem een titel toe uit het Oude Verbond. Steeds verwijst de aanspreking naar Gods heilsbelofte. Het gebruik van deze O-antifonen of “grote antifonen” is wellicht al in de vroege middeleeuwen ontstaan. Ze zijn ook vandaag een uitgelezen kans tot bezinning of gebed in voorbereiding op het Kerstfeest. 

In de laatste dagen vóór Kerstmis groeit het verlangen dat zo treffend wordt verwoord in de O-antifonen.

  • 17 december: O Wijsheid
Uit de mond van de Allerhoogste
weerklinkt Gods Wijsheid,
die sterk is en voornaam,
wereldbreed en hemelhoog.
Toon ons de weg, o Heer,
van de voorzichtigheid.

Lees hierbij: Spreuken 8, 1-6; Jesaja 11, 2-3; Spreuken 9, 1.

De profeet Jesaja had voorzegd dat de geest van de Heer zou rusten op de Messias, de geest van wijsheid en inzicht, beleid en sterkte, kennis en ontzag voor de Heer. Jezus is het Woord, de wijsheid die vrij is van alle twijfel. Hij bezit de kennis van Gods heilsplan met de Schepping. Laten we ons voorbereiden op de komst van Gods Woord!

  • 18 december: O Adonai
God, Vader van uw Volk,
uw Naam is heilig, Adonai,
U sprak tot Mozes vanuit het vuur
en sprak uw Wet op de berg Sinaï.
Reik ons uw hand, o Heer, en verlos ons.

Lees hierbij: Deuteronomium 10, 16-22; Exodus 3, 1-8; Exodus 20, 1-20, Deuteronomium 26, 5-9.

Adonai staat voor “onuitsprekelijk”. Gods naam is zo heilig dat men in de joodse traditie het woord “Heer” (JHWH) niet voorleest, maar in de plaats daarvan “Adonai” zegt. Laten we met ontzag uitzien naar Jezus!

  • 19 december: O Twijg aan de stronk van Isaï
Aan de stronk van Isaï
groeit een nieuwe twijg.
Groots zal het ontzag voor Hem zijn:
voor Hem zullen de heersers verstommen,
naar Hem zal het Volk van God zich richten.
Wacht niet langer, o Heer, bevrijd ons.

Lees hierbij: Jesaja 11, 1-10; Jesaja 45, 23; Jesaja 52, 13; Lucas 1, 32-33.

Koning David was de zoon van Isaï, die zonder zonde stierf. Aan de verdorde stronk – verdord toen de dynastie in Israël eindigde – ontspruit nu een nieuw twijgje, zoals Jesaja voorspelde. Een nieuwe gouden tijd breekt aan. Laten we ons voorbereiden op een heuglijke tijd!

  • 20 december: O Sleutel van David
Heer, U bezit de macht van Davids sleutel:
wat U openmaakt, zal niemand sluiten,
wat U afsluit, zal niemand meer openen.
Bevrijd allen die gevangen zitten, o Heer,
allen die in het duister dwalen.

Lees hierbij: Jesaja 22, 20-22.

De Messias is degene die in Gods naam de toegang biedt tot het eeuwig leven. Hij zal de deur naar de hemel openmaken. Laten we openstaan voor het mysterie van een leven na het aardse.

  • 21 december: O Dageraad
Heer, Licht uit het Oosten,
glans van de eeuwigheid,
stralende zon van gerechtigheid, verlicht ons.
Genees ons, o Heer, van de duisternis,
laat uw dageraad komen.

Lees hierbij: Maleachi 3, 1-3; Jesaja 9, 1; Psalm 104, 14.

God heeft aandacht voor hen die het moeilijk hebben. Hij brengt licht waar mensen het perspectief in het leven verloren hebben. Jezus brengt nieuwe hoop voor wie fouten heeft gemaakt. Laten we met verlangen wachten op de nieuwe morgen!

  • 22 december: O Vorst van uw Volk
U bent de Vorst van uw Volk,
het koningschap komt U toe:
U bent de hoeksteen waarop alles steunt.
Red de aardse mens die U uit klei hebt geschapen.
O Heer, kom gauw!

Lees hierbij: Jeremia 10, 1-7; Jesaja 28, 16; Genesis 2, 7; Matteüs 21, 42; 1 Petrus 2, 4-5.

De Messias is de Vorst die eenheid onder zijn volk zal breng door zijn aardse leven en zijn Blijde boodschap. De haat zal niet meer heersen, er zal geen oorlog meer zijn onder Gods Volk. Laten we hoopvol uitkijken naar onze Koning!

  • 23 december: O Emmanuel
Emmanuel, God met ons, vredebrenger,
bevestiging van onze hoop,
langverwachte Redder van allen,
kom nu en red ons,
o Heer, onze God.

Lees hierbij: Jesaja 7, 14; Maleachi 3, 1; Matteüs 1, 21-23.

Onze Heiland zal uit de maagd geboren worden, Hij zal God-met-ons zijn, Emmanuel. Als de Messias op aarde verschijnt, dan is de tijd van het goddelijk heil aangebroken. Laten we onze Emmanuel tegemoet gaan!


Bronvermelding:
Inleiding: https://www.kerknet.be/icl/artikel/zeven-o-antifonen-nemen-ons-mee-naar-kerstmis
Vertaalde antifoonteksten: Sven VANNECKE, U zeg ik dank, Averbode, 2018.
Verklaring bij antifonen: https://igniswebmagazine.nl/spiritualiteit/advent-de-ontmoeting-met-god-voorbereiden (Ward Biemans s.j.)

18 februari 2021

Psalm 51: een koningspsalm (19 februari 2021)

Psalm 51 is de koningspsalm van de Veertigdagentijd. Daarom wordt hij ook in de eerste dagen van de vasten gebeden, op Aswoensdag en op vrijdag in die week, tussen de eerste lezing en het evangelie door. De psalm is een schuldbelijdenis, of beter: een schuldbekentenis. Het is ook letterlijk een koningspsalm, toegeschreven aan de grote koning David. Hoewel, in deze psalm wordt David zich van zijn kleinheid en menselijkheid bewust. Daar kom ik later nog even op terug. Als je de psalm helemaal doorleest, kan een wat diepere tocht doorheen de woorden bepaalde nuances scherp stellen. De tekstcommentaar is vrij lang geworden. Laat je er niet door afschrikken…

  • Online kan je de Nederlandse Bijbelvertaling van 2004 van Psalm 51 hier lezen.

Koning David zit ergens mee. Al in het eerste vers vraagt hij aan God om ontferming: “ontferm U in uw goedheid”. David weet dat God liefde is en goedheid. Hij heeft veel gunsten van Godswege genoten. Hij is immers tot koning gezalfd in Gods naam. Maar kennelijk heeft David zich misdragen, is hij hoogmoedig geworden. Zo direct als de opening stelt hij ook meteen een vraag aan God: “wis mijn overtredingen uit”. Hij vraagt om een nieuw begin waarbij zijn fouten worden uitgewist, zoals krijt op een bord of potloodschrijfsels op papier.

Koning David was hoogmoedig geworden. Hij vraagt om een nieuw begin.

Hij gaat dieper in op de vraag met een gelijkaardige beeldspraak. David hoopt dat God zijn onvolkomenheden wil “wegwassen”, niet vaag en oppervlakkig maar letterlijk vertaald uit het Hebreeuws: lang en uitgebreid. God zal grondig moeten wassen om de storende vlek te kunnen verwijderen. De vlek zit diep in de weefsels van zijn menszijn. Toch gelooft David dat God dit kan, als Hij dat wil, maar hij beseft dat het niet vanzelfsprekend is wat hij vraagt.

David bekent dat hij zijn overtredingen steeds voor zich ziet, hij wordt er voortdurend mee geconfronteerd. David heeft last van een knagend geweten. Hier noemt hij zijn misdragingen voor het eerst “zonde”.

Zonde is in onze dagen een beladen begrip. We leven in de nagalm van een tijd waarin zonde alom tegenwoordig was, ingedeeld in klassen, met de stem van de duivel binnen luisterbereik. Het gevolg van dit overbenadrukken, waarover grootouders en overgrootouders nog spreken, is dat er nu nog moeilijk over gesproken kan worden. “Te” is nooit goed. We leven in een “moratorium”: een tijd van stilte waarin het begrip bevroren wordt om de rust te laten weerkeren.

Laten we onbevangen te rade gaan bij David voor duiding bij het begrip zonde. David noemt zonde “doen wat God niet wil”, het Verbond tussen God en mens schenden. Ieder mens begaat fouten, we zijn immers mensen. Vanaf onze geboorte hebben we onze zwakheden. David zingt zijn lied tot God echter niet omwille van een akkefietje. Dat voel je doorheen de hele tekst. David wil ons hier niet aanzetten tot het systematisch verachten van onszelf omdat we maar mensen zijn. Hij deelt een diep schuldgevoel na een zware misstap.

David wil ons niet aanzetten tot het systematisch verachten van onszelf omdat we maar mensen zijn.

Wat is er dan gebeurd? In het eerste vers wordt gealludeerd op een verhaal dat je in het tweede boek van Samuël kan lezen (2 Samuël 12). De profeet Natan houdt David een spiegel voor, hij confronteert de grote vorst met zijn gedrag. Koning David is verliefd geworden op Betseba, de vrouw van zijn generaal Uria, die vecht aan het oorlogsfront. Betseba wordt zelfs zwanger van David. David wil dat ze zijn vrouw wordt en laat een bericht overmaken aan oppergeneraal Joab aan het front: laat Uria sneuvelen in de strijd. Zo gebeurt het. Hij dacht zich alles te kunnen permitteren als koning. Maar de mensen morren, ze vinden het een schande. Hoogmoed komt voor de val. Dit verhaal wordt vaak geïnterpreteerd als een levensles rond overspel. Ten onrechte, want het verhaal gaat ten diepste over onrecht en het belang van rechtvaardigheid. Uria is een Hetiet, geen uitverkorene, maar hij is wel eerlijk en rechtvaardig. David, de koning van het Godsvolk, is echter onrechtvaardig. Het contrast kan niet groter zijn. Dat is de belangrijkste levensles waar het hele verhaal rond is opgebouwd. Jammer genoeg leest men teksten soms bevooroordeeld en gaat men aan de bedoeling van de schrijver voorbij.

Nu is David een gebroken man, maar als God hem goedgezind is, kan hij weer blij worden.

Terug naar de psalm, vers 7. David vraagt niet om gewassen te worden. Zijn vraag ligt op een spiritueel niveau. Daarom vraagt hij om door God besprenkeld te worden met een tak van hyssop. Hij zal rein worden: dit wassen zal hem witter dan sneeuw maken. Sneeuw vind je maar weinig in Israël. Zo onbereikbaar schoon kan Davids geweten worden als God het wil. Nu is hij een gebroken man, maar als God hem goedgezind is, kan hij weer blij worden.

God, die hemel en aarde heeft geschapen, kan ook Davids hart herscheppen tot een hart dat zuiver is. “Laat de geest in mij vernieuwd worden.”, voegt David aan zijn smeekbede toe, “Gooi mij niet weg, keer mij niet af van uw aangezicht.” (Psalm 51, 10-11)

David smeekt tot God om zijn heilige Geest niet weg te nemen van hem. De “ruach” in het Hebreeuws, de goddelijke Adem, komt wel vaker voor in het Oude (Eerste) Testament. De tweede Schriftvers vernoemt de Geest al, die zweeft over de nog dorre en lege aarde (Genesis 1, 2). De Geest geeft kracht, doet mensen machtige daden stellen. Profeten vernoemen de Geest in hun oproep tot bekering (Joël 3, 1-5). Koning Saul raakt zelfs in een trance en voert een wervelend ritueel uit, door de Geest beroerd (1 Samuël 19, 19-24).

Het vijftiende psalmvers is een vaste waarde in het getijdengebed. Het is een openingsvers dat oneindig veel vertelt in zo weinig woorden. “Heer, open mijn lippen, en mijn mond zal uw lof verkondigen.” Als we heel dicht bij de Hebreeuwse tekst blijven, klinkt het: “Heer, U zal mijn lippen openen en ik zal U loven.” Nu nog niet, nu zit David nog gevangen in zijn schuld.

Oprechte spijt kan je niet wegschuiven, maar moet je inwendig doormaken.

Het psalmlied eindigt met het belang van oprechte spijt, die niet weggeschoven kan worden, maar die je inwendig moet doormaken, opdat je er iets uit zou leren. God vraagt geen dierenoffers, maar “een gebroken en verbrijzeld hart”. Een sterk beeld. Vergiffenis komt niet vanzelf, het is Gods geschenk na oprecht berouw.

Dit is één van de mooiste psalmen. Maak je wat tijd vrij in de komende tijd? Wanneer je tot inkeer komt in de Veertigdagentijd, neem deze psalm dan ter hand en doorgrond je hart in gebed, in gesprek met God… Spijt en berouw na een misstap zijn geen uiteindelijk doel. Ze vormen slechts de aandrijving tot een beter, wijzer, oprechter leven. De menselijke zwakte en neiging tot zonde is in het verleden al te vaak een refrein geweest. Niet het schuldbesef hoort centraal te staan in het Christendom, maar vergeving en de wil tot een beter leven. Dat is waar koning David naar verlangt in dit lied.


Volgende post: zaterdag 20 februari. Thema: "Woestijn", bij het evangelie van de zondag.