Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label verrijzenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verrijzenis. Alle posts tonen

08 mei 2026

Heerlijk... (14 en 17 mei 2026)

Drie romige bollen vers vanille-ijs, overgoten met warme chocoladesaus en afgewerkt met een koekje: heerlijk is dat op zo'n typische warme voorjaarsdag. Een heerlijke en welgekomen afkoeling. Wij gebruiken het woord 'heerlijk' spontaan voor wat lekker smaakt of aangenaam voelt. Oorspronkelijk verwijst het naar 'verheffing': een beweging naar het adellijke of het hemelse toe. Het heerlijke beweegt ons dichter bij de hoogten waar we met bewondering naar opkijken: het ideale, het perfecte, het goddelijke. De betekenis is dus niet helemaal verloren gegaan bij mijn omschrijving van de 'dame blanche': haar smaak verheft ons uit het dagelijkse, uit het gewone naar een edele puurheid.  

  • Voor de lezingen van de Hemelvaart van de Heer A: klik hier.
  • Voor de lezingen van de zevende Paaszondag A: klik hier.

Veertig dagen na Pasen

De verheffing wordt een centraal thema wanneer de Paastijd op zijn einde loopt. Jezus is over een periode van veertig dagen ter ondersteuning onder zijn leerlingen verschenen. (Handelingen 1, 3) Nu is de tijd gekomen voor Jezus om volledig terug te keren naar zijn Vader in de hemel. Hij wordt omhoog geheven tot in een wolk en verdwijnt uit hun zicht. (Handelingen 1, 9) Jezus belooft dat de heilige Geest over hen zal neerdalen. (Handelingen 1, 8) Pinksteren komt genaakbaar dichtbij. De hemelvaart is niet zozeer een fysieke beweging tot boven de wolken, maar eerder een verheffing naar het hemelse: Christus wordt verheerlijkt en opgenomen bij zijn Vader. En uit die hemelsferen zal de heilige Geest over de leerlingen komen.

Jezus is van het aardse terug naar het hemelse teruggekeerd: dat is de boodschap die we horen op Hemelvaartdag. De overgang na Jezus' dood is voltooid: Jezus verschijnt niet meer. Negen dagen van samen waken en bidden zijn ze verwijderd van de neerdaling van de heilige Geest. (Handelingen 1, 14) 

Negen dagen van gebed

De leerlingen blijven met God verbonden en kijken de toekomst onzeker maar met vertrouwen tegemoet. De redeloze, chaotische twijfel van de eerste dagen na de verrijzenis zijn voorbij. Er wordt nu rustig maar doordacht gehandeld: een nieuwe leerling wordt gekozen in de plaats van Judas Iskariot: Mattias vervolledigt de twaalf. (Handelingen 1, 17-22a) Alles is in gereedheid gebracht in afwachting van een nieuw hemels teken, zoals Jezus hen heeft beloofd. (Handelingen 1, 22b) Wat ze precies te verwachten hebben, dat weten ze niet. God zal het hun wel duidelijk maken.

Met Hemelvaart begint de Pinksternovene: een tijd van eensgezinde stilte en gebed tot de apotheose van de Paastijd: Pinksteren. (Handelingen 1, 14) Het gebed is de nieuwe communicatievorm met de Heer nu Hij naar de Vader in de hemel is teruggegaan. Het Griekse woord 'proseuchè' wijst op het intieme en persoonlijke karakter van hun gebed, intens en vurig van aard ('proseuchè' is een samentrekking van 'pros': naar, en 'euchè': wensen; dus: aan God toewensen, naar God toe wensen). Dit gebed is niet smekend, vragend of ontvangend van aard, maar eerder aanbiddend en gevend. 

De leerlingen vragen niet om nieuwe zekerheden, ze verblijven geduldig bij de Heer, die hun heeft beloofd dat ze niet verweesd achter zullen blijven. (Handelingen 1, 4) Daar vertrouwen ze op: ze hebben intussen begrepen dat de Heer altijd woord houdt. Ze brengen hun Heer lof en eer omwille van zijn heerlijkheid.

Hoop

De dood en verrijzenis van de Heer was voor de leerlingen aanvankelijk een 'scandalum', een struikelblok. Ze begrepen niet wat er gebeurde en waarom het zo moest gaan. Ze voelden zich verdrietig en verward, verlaten en verloren. (Matteüs 24, 21-24) Hoe Jezus Tomas toesprak, die zo volhardde in zijn twijfel, mag een belangrijke les zijn. (Johannes 20, 26-29) Geloven gaat voorbij het zien en het weten. Op weg naar Emmaüs verbaasde de Heer zich over het wankele geloof van Kleopas en een andere leerling. (Matteüs 24, 25-26) De heerlijkheid, de verhevenheid van Christus is onlosmakelijk verbonden met zijn lijden, sterven en verrijzen. Dat moeten ze aanvaarden.

Nu pas lijken de leerlingen werkelijk in te zien dat dit alles zo moest gebeuren. Ze beseffen dat de dood het einde niet is. Jezus heeft de dood overwonnen en een nieuw Verbond gesloten tussen God en zijn Volk. Uiteindelijk worden wij in de Paastijd uitgenodigd om mee te groeien in dit verrijzenisgeloof, dat de menselijke logica ver overstijgt. Geloven in de verrijzenis is geloven in de heerlijkheid van Jezus Christus. 

Drieëenheid

God heeft Jezus hoog verheven en Hem de heilige Naam toegekend die alle namen overstijgt: Jezus Christus is de Heer. Bij het noemen van Jezus' Naam moet elke knie zich buigen: in hemel, op aarde en onder de aarde. (Filippenzen 2, 9-11) Dat is de heerlijkheid die Christus van God heeft ontvangen. Jezus' Naam eindigt niet bij zijn sterven. Zijn dood is overwonnen. Hij is de Verrezene, de Heer. Die Naam vat de heerlijkheid samen waaraan Jezus deelachtig is.

Afsluiten doe ik met een fragment uit Jezus' gebed tijdens het Laatste Avondmaal in het Johannesevangelie, dat op de zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren weerklinkt: 'Ik ben al niet meer in de wereld, Ik ga naar U toe, maar zij blijven wel in de wereld. Heilige Vader, bewaar hen door uw Naam, de Naam die U ook aan Mij gegeven hebt, zodat zij één zijn zoals Wij één zijn.' (Johannes 17, 11) De eenheid van Jezus met zijn Vader zal met Pinksteren worden uitgebreid tot de Goddelijke driehoek: de Drieëenheid van Vader, Zoon en Geest: één God die op drie wijzen met ons, mensen, is verbonden.

05 april 2026

Pasen: een nieuw begin (5 april 2026)

Pasen markeert een nieuw begin. Het oude is voorbij. Voorbij het gemis en het verdriet om Jezus die in het graf is gelegd. Voorbij de wonderlijke verkondigingstocht doorheen het land. Voorbij ook het dramatische einde. Een nieuw begin vangt aan. Het graf is leeg, de Heer is niet dood. Het verhaal is niet gedaan, het begint pas!

Maria van Magdala

Vroeg in de morgen gaat Maria van Magdala naar het graf van Jezus. Het is nog donker. (Johannes 20, 1a) De nacht trekt nog weg achter de einder. Ze wil bij Jezus zijn. Zijn dood heeft haar diep getroffen. Maria van Magdala klampt zich vast aan het enige tastbare van Hem op aarde, na al die tijd van meetrekken met Hem. Ze heeft Hem steeds bewonderd. Wat Hij zei of deed, was waarheid.

Haar ontsteltenis is groot wanneer ze het graf nadert en merkt dat de zware sluitsteen is weggenomen. Het graf is geopend... (Johannes 20, 1b) De rustplek van Jezus is geschonden, en Jezus is weggehaald uit het graf! Waarheen hebben ze Hem meegenomen? En wie heeft dit gedaan? Helemaal overstuur rent Maria van Magdala weg en haast zich naar Petrus en de geliefde leerling. (Johannes 20, 2) 

Twee leerlingen

De twee leerlingen lopen naar het graf en zien wat Maria van Magdala hun heeft verteld. De zware steen die het graf afsloot, is weggerold en in het graf liggen de linnen doeken waarin Jezus was gewikkeld. (Johannes 20, 3-8) Wat ze zien is geen hersenschim, geen hallucinatie. Jezus, die gestorven is aan het kruis en in het graf is neergelegd, is niet meer in het graf. Wat er gebeurd is, dat weten ze niet. Maar ze zien wel wat ze zien.

Nochtans heeft Jezus hen willen voorbereiden op deze dag, wanneer Hij sprak over de tempel die in drie dagen heropgebouwd zou worden (Johannes 2, 19-22) en over de graankorrel die in de aarde sterft om nieuwe vruchten voort te brengen (Johannes 12, 24). Ondubbelzinnig was Jezus toen Hij tegen Marta zei: 'Ik ben de Verrijzenis en het Leven.' (Johannes 11, 25a) 

De Kerk

De dood van Jezus heeft de leerlingen angstig gemaakt en verward. Ze staan er nu alleen voor. Hun Meester is gevangengenomen, veroordeeld en gedood. En nu is zijn Lichaam zelfs weg! Dat terugplooien op zichzelf is eigenlijk compleet misplaatst. Daar zal de Heer hen weldra langs verschijningen en tekenen op wijzen. Hebben ze wel aandachtig geluisterd naar Jezus' woorden? De leerlingen zijn helemaal niet zielloos achtergelaten, integendeel. Weldra zal God werkzaam worden in hen. 

De Verrijzenis is geen schouwtoneel met klank- en lichteffecten. Niemand aanschouwt de verrijzenis van Jezus. Ze zien dat de opsluiting van de dood is ontsloten. In alle stilte. De Verrijzenis is een stille kracht. Er ontspruit zonder woorden nieuwe hoop uit de vergankelijkheid. Het lijden is niet betekenisloos geweest. De doeken zijn opzijgelegd. Het graf is leeg. Hoewel de leerlingen het nieuwe begin nog moeten inzien, mogen wij al de vreugde uit ons hart laten klinken: "De Heer is waarlijk verrezen! Alleluia!". En ook voor ons blijft de Verrijzenis een mysterie.

En wij

Tegelijk beseffen we dat geloven uiteindelijk geen theatraal en bombastisch gebeuren is. Het is een vreugde die zich uit in kleine daden en tekenen, in liefde die blijft, in goedheid tegen het sarcasme in. Gods Liefde is grenzeloos en gaat ver buiten ons menselijke verstaan. Dat blijkt nog maar eens aan het graf. Maria van Magdala en de leerlingen begrijpen niet wat er is gebeurd, al hebben ze zo aandachtig geluisterd naar Jezus' woorden.

Er is hoop, er is een nieuw begin met Pasen. Christus is opgestaan en het Nieuwe Verbond kan gesloten worden. Met de steen die is weggerold, is dat Verbond werkelijkheid geworden. Wij leven in de tijd van het Nieuwe Verbond. Laten we dus dankbaar zijn en blij dat God ons nabij blijft! En laat die vreugde ons aanzetten tot daden van naastenliefde...

17 maart 2026

De wonderlijke vooruitblik (21-22 maart 2026)

Lazarus, de broer van Marta, is heel ziek. Ze laat daarom een boodschap overbrengen naar Jezus. Met zijn leerlingen blijft Hij nog twee dagen waar Hij is, en daarna vertrekt Hij naar Betanië. Hij loopt het risico gestenigd te worden - de Joden hebben er al meermaals mee gedreigd - maar dat houdt Hem niet tegen. Zijn vriend Lazarus zal Hij bezoeken, samen met de leerlingen. Dit verhaal zit vol parallellen met de climax van de evangelieverhalen: het lijden, sterven en verrijzen van de Heer.

  • Voor de lezingen van de vijfde zondag in de Veertigdagentijd A: klik hier.

Goede Vrijdag

We moeten dus even vooruit in de Veertigdagentijd, naar Goede Vrijdag, de dag waarop herdacht wordt dat de Mensenzoon moest lijden en stierf aan het kruis. Dat lijden heeft Jezus tijdens zijn verkondiging voorspeld. Hij wordt gegeseld, bespot en veroordeeld, en moet zijn kruis dragen tot aan Golgota om vervolgens gekruisigd te worden. Goede Vrijdag draagt een wreedheid in zich. Jezus lijdt doorheen dit hele verhaal, totdat Hij uitgeput sterft. (Johannes 19) Jezus maakt het menselijke leed door tot het uiterste toe. En zijn hemelse Vader komt niet tussenbeide. Nergens, gedurende die hele dag. Het moet zo gebeuren. Midden in het lijden is het niet duidelijk, maar uiteindelijk zal God verheerlijkt worden door dit lijden. Jezus, de Zoon van God, wordt opgeofferd als Paaslam, om een nieuw begin te maken: het Nieuwe Verbond tussen God en zijn Volk.

Laten we even kijken naar wat Lazarus overkomt. Hij is erg ziek, zo zegt Jezus duidelijk. (Johannes 11, 4a) Langs zijn lijden zal hij God en de Zoon eer brengen. (Johannes 11, 4b) Zijn lijden krijgt een bovenmenselijke betekenis. Mensen zullen tot geloof komen door het teken dat Jezus zal stellen. (Johannes 11, 15) Lijkt dit alles niet erg op Goede Vrijdag? Het verhaal van Lazarus is een opmerkelijk verhaal.

Pasen

We kijken verder vooruit, naar de Paasmorgen: de vrouwen ontdekken dat het graf van Jezus leeg is. De steen is weggerold en zijn zweetdoek ligt er nog. Ze zien Jezus niet verrijzen, de doeken en het bezoek van twee engelen zijn het onweerlegbare getuigenis. (Johannes 20, 1-13) Maria van Magdala weent bij het graf en wordt dan door de Verrezene aangesproken. (Johannes 20, 15-20)

Bij Lazarus is het zijn zus Marta die een hoofdrol toebedeeld krijgt. Merk op: het is opnieuw geen apostel. In haar gesprek met Jezus wordt de weg naar Pasen vrijgemaakt. Jezus weet dat Lazarus dood is. (Johannes 11, 11-15) Marta komt Jezus tegemoet wanneer Hij in Betanië aankomt. Ze begroet Hem met een tweeledige boodschap: ‘Als U hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik dat God U alles zal geven wat U vraagt.’ Marta geeft aan dat Jezus eerder had kunnen komen. Het is niet duidelijk of ze het Hem ook verwijt. Misschien veronderstelt ze dat Jezus in zijn wijsheid wel zijn redenen daartoe zal hebben. Radeloos is ze niet: ze weet dat Jezus wonderen verricht in Gods Naam. (Johannes 11, 20-22)

Geloof en twijfel

Jezus antwoordt meteen: ‘Je broer zal uit de dood opstaan.’ (Johannes 11, 23) Marta belijdt in haar antwoord haar geloof dat haar broer zal verrijzen op de laatste dag. (Johannes 11, 24) Nu nodigt Jezus Marta uit om haar geloof een stap hoger te verheffen. Hij zegt onomwonden: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, en ieder die leeft en in Mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?’ (Johannes 11, 25-26) En dat bevestigt zij terstond: ‘ik geloof dat U de Messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’ (Johannes 11, 27) Dit is een gesprek met een bijzonder hoog theologisch gehalte, dat eindigt met een kort maar krachtig credo van Marta. 

Ook Maria spreekt Jezus aan: de zus van Marta, die Jezus met olie zal zalven en zijn voeten met haar haren zal afdrogen. (Johannes 11, 2 en 12, 3) Dat beschrijft de evangelist in het volgende hoofstuk. De volgende keer dat Jezus gezalfd zal worden, is na zijn dood. (Johannes 19, 39-41) Daar alludeert Jezus trouwens op wanneer Judas Iskariot hem erop aanspreekt. (Johannes 12, 7)

Terug naar Lazarus. Maria merkt hetzelfde op als haar zus Marta: ‘Als U hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn!’ (Johannes 11, 32b) Kwaad of nijdig is ze niet: ze werpt zich aan haar voeten. Wellicht is ze radeloos en begrijpt ze niet waarom Jezus zo lang wegbleef. (Johannes 11, 32a) Op vraag van Jezus wordt de steen van het graf weggerold en Lazarus komt naar buiten, nog met wikkels rond zijn handen en voeten en rond zijn gezicht. Lagen Jezus' wikkels niet opgerold in het lege graf? (Johannes 20, 6-7) De doeken die met de dood zijn verbonden, vertellen het wonder van het Leven.

Emotie

Jezus ziet de tranen van Maria en het gejammer van de mensen rondom hen. Er worden emoties van Jezus benoemd, wat heel zeldzaam is in de evangelieteksten. Hoe ze geïnterpreteerd mogen worden, is niet zo duidelijk. De eerste uiting van Jezus zouden we spontaan vertalen als diep ontroerd, maar het kan evenzeer een geërgerd morren uitdrukken ('enebrimesato' in het Grieks: ontroerd zuchten, grommen, streng reageren). De tweede uiting is agitatie vanbinnen, die niet veruitwendigd wordt ('etaraxen he-auton' in het Grieks: van streek zijn vanbinnen, inwendig ontsteld zijn). We weten eigenlijk niet goed of Jezus verdrietig is met de anderen of zich juist ergert aan hun gedrag. Wel weten we dat Hij geëmotioneerd is. (Johannes  11, 33)

Wanneer ze bij het graf van Lazarus aankomen, huilt Jezus zacht ('edakrusen' in het Grieks: tranen laten, zacht huilen). (Johannes 11, 35) Kort maar krachtig. Maar waarom weent Hij? Hij weet toch dat Lazarus weer zal leven? Huilt Hij om zijn eigen dood in het verschiet? Huilt Hij omdat de mensen niet in Hem geloven? Misschien huilt Jezus gewoon om de dood van Lazarus. Daar hoort verdriet bij. 

Leed

De dood van Lazarus is essentieel in dit verhaal. Hij kan niet opgewekt worden als hij enkel een dutje aan het doen is. Daarom corrigeert Jezus de leerlingen wanneer die zijn woorden verkeerd interpreteren in die richting. Lazarus slaapt niet, hij is wel degelijk gestorven. (Johannes 11, 11-15) Het leed is echt, vandaar dat Jezus ook huilt om Lazarus.

Maar net als Jezus' eigen dood is ook de dood van Lazarus niet het sluitstuk. Met Pasen zal het menselijk lijden ineens tot Goddelijke overwinning verworden. Dat is de vooruitblik die we in de opwekking van Lazarus zien. Zo wordt meteen de menselijke én de goddelijke kant van Jezus getoond, bij Lazarus en tijdens het heilig Triduüm. 

Drie trappen 

Via Marta krijgen we een bijzonder inzicht in de drie trappen van ons geloof in Christus. Ze gelooft in God, ze aanvaardt in de Heer haar Meerdere. Vervolgens spreekt ze haar geloof in de verrijzenis uit. Dat is een veel complexere geloofsinhoud: het is geloven dat het leven niet eindigt na ons aardse bestaan en dat we opstaan uit de dood wanneer God terugkomt. Tegelijk blijft het nog vrij theoretisch en abstract. Heel specifiek wordt het wanneer Christus de centrale plaats krijgt in je geloof: Jezus is de Verrijzenis is en het Leven.

'Geloof je dat?' Jezus vraagt het aan Marta, en langs de evangelist ook aan ons. Geloven wij dat? Durven wij te geloven tot voorbij onze denkconcepten? Durven wij ons geloof open te stellen voor Gods ultieme heilsplan? Geloven wij in het Nieuwe Verbond dat God langs Jezus' lijden, dood en verrijzenis sluit met de mensheid? De opstanding is geen figuurlijk verhaal dat herleid kan worden tot een vlot verteerbare symboolwaarde. Het is een kernthema in ons geloof, dat niet onderschikt mag worden aan onze rede. Kunnen wij dit geloofsmysterie aannemen? Het wordt tijdens de eucharistie verkondigd tijdens het eucharistisch gebed, vlak na de instellingswoorden: 'Heer Jezus, wij verkondigen uw dood en wij belijden tot Gij wederkeert, dat Gij verrezen zijt.'

Via Lazarus krijgen we een vooruitblik op het heilig Triduüm, dat na halfvasten plots snel dichterbij komt: Goede Vrijdag en Pasen. Langs de opwekking van Lazarus geeft Johannes ons een wonderlijke inkijk, een mysterieuze vooruitblik op de passie van de Heer. Geloven wij dat Jezus de Messias is, de Zoon van God en onze Redder? Zijn we klaar om weldra Pasen te vieren?

29 april 2025

Niemand durft het te vragen: groeien in geloof (3-4 mei 2025)

De leerlingen ontmoeten Jezus opnieuw na zijn dood en verrijzenis. Het is een mooi moment, een verhaal van herkenning en van stille vreugde. Hoewel Jezus niet meer onder hen aanwezig is de hele tijd, maakt Hij hun duidelijk dat Hij hen niet in de steek zal laten. Een nieuwe nabijheid en een nieuw geloof krijgen vorm. Ook ons geloof is gevormd door die verhouding van afstand en nabijheid.

Herkenning

Enkele leerlingen, waaronder Petrus en de beminde leerling, zijn bij het Meer van Tiberias. (Johannes 21, 1) In alle vroegte gaan ze vissen. Ze hebben hun eerdere beroep terug opgenomen. Het is een ambacht, met ervaring die van generatie op generatie wordt doorgegeven. Toch vangen ze dit keer niets. (Johannes 21, 3) Petrus is teleurgesteld. Een Man staat aan de oever van het meer. De leerlingen herkennen Hem niet. (Johannes 21, 4) ‘Gooi het net uit aan de rechterkant van het schip,’ roept Hij, ‘dan lukt het wel.’ En dat doen ze. In hun net zit meteen zo veel vis in dat ze het niet meer omhoog kunnen trekken. (Johannes 21, 6) 

En dan zegt de beminde leerling tegen Petrus: ‘Het is de Heer!’ (Johannes 21, 7a) Het is al de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verschijnt nadat Hij uit de dood is opgestaan. (Johannes 21, 14) En toch herkennen ze Hem niet meteen. De leerlingen zijn niet radeloos op zoek om in alles en iedereen de Heer te herkennen. De nuchtere vissers houden het bij het tastbare. Jezus heeft een teken nodig om zich kenbaar te maken. Hij spreekt in hun eigen taal, en in de symbolen die Hij hun heeft geleerd.

Brood en vis

Jezus maakt zijn aanwezigheid heel tastbaar. Hij zegt tegen hen: ‘Kom, eet iets.’ (Johannes 21, 12a) Een geest of spookbeeld eet niet. Jezus komt als mens onder hen aanwezig. Hij neemt vervolgens het brood en geeft hun ervan, en Hij geeft hun ook vis. (Johannes 21, 13) Dat is geen toeval natuurlijk. De leerlingen denken meteen terug aan het wonder van de broden en de vissen. (Johannes 6, 1-15) En aan de dag erna, toen Hij uitgelegde: “Het brood van God is het brood dat neerdaalt uit de hemel en dat leven geeft aan de wereld.” (Johannes 6, 33) Toen vroegen ze heel enthousiast om van dat brood te mogen ontvangen. (Johannes 6, 34) Het was echter nog te vroeg: Hij was nog onder hen aanwezig. Maar nu breekt de tijd aan. Dat hemels brood dat alle honger stilt, dat is het geloof in Jezus Christus. (Johannes 6, 35) Dat ontvangen ze van Hem.

Het vernoemen van de vissen bevestigen dit. Het Griekse woord voor vis is ‘ichthus’. Dit woord wordt gebruikt in de vroeg-christelijke traditie als acroniem. De eerste letters van de korte geloofsbelijdenis ‘Jezus Christus is Gods Zoon en Redder’ (Ièsoes Christos Thèjoe Hwieos Sootèr) vormen samen het woord ‘ichthus’. Zo ontvangen de leerlingen de basis om de verkondiging aan te vatten en de Kerk te stichten: het geloof in Jezus Christus, de verrezen Messias en Zoon van God.

Vreugde

In psalm 30 klinkt grote vreugde: “U hebt mijn klacht veranderd in een vreugdedans, mijn rouwkleed weggenomen, mij in vreugde gehuld.” (Psalm 30, 12) Dat moeten de leerlingen hebben ervaren op dat moment van herkenning met dat overvolle net in hun handen. Ze hebben de Heer voorheen al twee keer gezien. Dat neemt niet weg dat ze de tijd als volgelingen op weg naar Jeruzalem enorm missen. Toen was Jezus altijd bij hen.

Hij had echter voorzegd wat zich nu ontplooit: “Werkelijk, Ik verzeker jullie, je zult huilen en weeklagen, terwijl de wereld blij zal zijn. Je zult bedroefd zijn, maar je verdriet zal in vreugde veranderen.” (Johannes 16, 20) Ze wisten dat Jezus’ tijd op aarde niet eindeloos zou duren: “Nog een korte tijd is het licht bij jullie.” (Johannes 12, 35a) Maar begrepen ze toen wel wat Hij zei? 

Aarzeling

De leerlingen zijn verwonderd, letterlijk. Ze gaan volledig op in deze wonderlijke aanwezigheid van Jezus. Er heerst een sereniteit: dit moment is ongewoon, onverklaarbaar en uniek. Er hangt een heiligheid in het relaas. De evangelist vermeldt dat geen van de leerlingen aan Hem durft te vragen wie Hij is. Of beter gezegd misschien: óf Hij het is. Ze begrijpen dat het de Heer is, maar niemand zegt het luidop of durft te vragen om bevestiging. (Johannes 21, 12b) Het teken spreekt voor zich. Tekenen behoeven geen uitleg: ze spreken voor zich. Tegelijk is het toch een bevreemdende ervaring.

Maar weldra...

Weldra zullen ze uitdrukking geven aan het volgende vers van psalm 30: “Mijn ziel zal voor U zingen en niet zwijgen. Heer, mijn God, U wil ik eeuwig loven.” (Psalm 30, 13) Maar nu nog niet. Het sterven van Jezus staat nog op hun netvlies gebrand. Het verdriet en de angst zijn nog te groot. En ze moeten nog groeien in het geloof dat Hij daarna uit de dood is opgestaan. Daarom verschijnt Jezus ook verschillende keren in de tijd tussen Pasen en Hemelvaart. Geloof vraagt tijd en geduld. En herhaling.

Maar stilaan zullen ze een stem geven aan de engelen van Openbaring: “Het Lam dat geslacht is, komt alle macht, rijkdom en wijsheid toe, en alle kracht, eer, lof en dank.” (Apokalyps 5, 12) Dat is voor Pinksteren. Daar zijn we nu nog niet aanbeland. De tijd is nog niet rijp. 

Laten ook wij deze tijd tussen Pasen en Pinksteren benutten om ons geloof in Pasen en de verrijzenis te verdiepen. Zeker, het zijn voor ons, mensen, moeilijk vatbare gebeurtenissen. Maar in ons geloof ligt juist daar het begin van spiritueel en theologisch inzicht. Het gaat immers over het fundament van ons christelijk geloof. Dat verdient onze aandacht, telkens weer. Laten wij durven te vragen aan God wie Hij is om te groeien in geloof.

23 april 2025

Beloken Pasen, na het overlijden van paus Franciscus: eensgezind in de vrede van de Levende gezonden (26-27 april 2025)

Sinds Paasmaandag vertoeven we in een tijd van 'sede vacante': de zetel van de paus is leeg. De Heilige Stoel, zoals ze ook wordt genoemd. De opvolger van paus Franciscus zal niet enkel de Stoel, maar vooral grote schoenen moeten vullen. In deze tijd van 'sedisvacatie' mogen we mijmeren over het nalatenschap van de mens, priester en paus Jorge Bergoglio, maar tegelijk ook vooruitkijken naar wie hem zal opvolgen. En dat in de week van Pasen, in die heilige dagen tussen Verrijzeniszondag en Beloken Pasen.

Alleen achterblijven

De apostelen blijven alleen achter na de dood van Jezus Christus in het Paasevangelie. Ze hebben vernomen dat Hij verrezen is, maar de dagen vóór Goede Vrijdag komen daarmee nooit terug. Die unieke periode is voorbij. Er is een zekere analogie: na het overlijden van paus Franciscus weten we dat hij deelt in de verrijzenis van Christus, zoals alle gelovigen. Tegelijk nemen we afscheid van een indrukwekkende man, met grote gaven en kleine gebreken. Al worden deze bijvoeglijke naamwoorden door criticasters vaak omgewisseld, vergezeld van een sarcastische ondertoon. Ten onrechte, volgens mijn bescheiden mening. Zowel wat de naamwoorden als het sarcasme betreft.

Paus Franciscus moest een overgangspaus worden, zoveel wat duidelijk. Met zijn 76 jaar was hij zeker niet jong te noemen toen hij werd gekozen. Er was een gelijkenis met Johannes XXIII, die op zijn 77 paus werd. Ook in de enorme invloed die beide pausen uiteindelijk hebben gehad op de Kerk, is een parallel te trekken. Maar terwijl Johannes XXIII slechts enkele jaren de Kerk heeft geleid, is paus Franciscus toch 12 jaar lang onze kerkvorst geweest en werd hij de tweede oudste (dienstdoende) paus ooit. Alleen Leo XIII leefde langer: hij werd maar liefst 93. (Paus emeritus Benedictus XVI werd 95, maar was 9 jaar daarvoor uit het ambt teruggetreden.)

Verandering, authenticiteit en pijn

Ook anders dan Johannes XXIII heeft paus Franciscus geen concilie samengeroepen. In zijn wijsheid zag hij in dat de tijd er niet rijp voor was. Hij koos een andere manier om de Kerk een nieuw elan te geven: de weg van de soberheid en vreugde. Hij ging niet in het apostolisch paleis wonen maar in een gastenverblijf. Ook de vele tierlantijntjes in gewaden en kledij liet hij bewust grotendeels achterwege. Deze christelijke authenticiteit werd nog versterkt door zijn blije en spontane persoonlijkheid. Barmhartigheid stond centraal: De enige keer dat we mogen neerkijken op anderen, is wanneer we hen helpen om weer overeind te komen,” zei Franciscus tijdens de Wereldjongerendagen in Portugal.

De Kerk moet de plaats van belangeloze barmhartigheid zijn, waar allen zich welkom mogen voelen en bemind, vergeven en bemoedigd om te leven naar het goede leven van het evangelie,” zei paus Franciscus in zijn exhortatie ‘Evangelii Gaudium’.  Deze overtuiging dat de Kerk toegankelijk en geloofwaardig moet zijn, heeft paus Franciscus met daadkracht vorm gegeven. Hij hervormde de curie en was niet mals in zijn kritiek op de bureaucratie en het klerikalisme binnen de curie. Daarnaast bracht hij wereldwijd een synodaal proces in beweging, waardoor de lokale kerkgemeenschappen zich meer gehoord en betrokken voelden. Ver staat dit proces nog niet, maar het is alvast aangevat, en dat is op zich een hele prestatie in een Kerk die denkt en handelt in eeuwen, niet in jaren.

Op zijn pontificaat hebben de schandalen van seksueel misbruik heel zwaar doorgewogen. Tijdens zijn bezoek van België werd er bijzonder veel aandacht aan besteed. Maar wereldwijd waren er schandalen, vaak uit het verleden, maar daarom niet minder pijnlijk en beschamend. Het moet een zware taak zijn geweest voor paus Franciscus. Hoewel deze pijn niet te vergelijken valt met het leed van de slachtoffers zelf uiteraard. De paus heeft alvast niet de andere kant op gekeken. Al was er wel kritiek. 

Beloken

Terwijl wij afscheid nemen van een optimistische, hartelijke paus met een indrukwekkende spirituele visie, naderen we Beloken Pasen: het einde van de Paasweek. We hoeven niet in de rouw te zijn. Misschien kunnen we in de eerste plaats bidden dat paus Franciscus rust mag vinden bij de Heer na een leven van toewijding. Deze week van Paasdagen, die eindigt met Beloken Pasen, leert ons immers dat de dood overwonnen is met de verrijzenis van de Heer. Het christendom is geen verdrietig of neerslachtig geloof.

In zijn allerlaatste toespraak, die na de zegen ‘Urbi et orbi’ van Pasen 2025 werd voorgelezen, beklemtoont paus Franciscus de vreugde en de hoop die de verrijzenis van Christus in de wereld brengt. Aan deze lofspraak over de verrijzenis verbindt hij meteen een pleidooi voor vrede wereldwijd. Een voortreffelijke dubbeloproep om deze Paastijd zinvol te besteden in gebed en in engagement.

Laten we dus in vrede samen bouwen aan de Kerk van Christus, waarin de verrijzenis de centrale Boodschap is. Christus moet niet gezocht worden onder de doden: Hij leeft! Laten we eensgezind in zijn Naam samenkomen om te bidden, te vieren, anderen te helpen waar het kan en samen Kerk te vormen: een eenheid in veelheid. 

Afsluiten doe ik met nog één citaat van paus Franciscus: “Ik geloof in God, niet in een katholieke God. Er bestaat geen katholieke God: er is enkel God.” Zo is het. Amen.

19 april 2025

Pasen: de vreugde toelaten (19-20 april 2025)

Pasen is het grootste feest van het liturgisch jaar. In de Paaswake horen we langs een selectie van Schriftteksten hoe alles in ons geloof samenkomt op dat éne moment, daar bij het lege graf.

  • Voor de lezingen van de Paaswake (C-cyclus): klik hier.

Licht, hoop, groeikracht en nieuwheid

We horen in Genesis dat God ons de wereld heeft toevertrouwd en dat die wereld goed is. De grote chaos en donkere leegte verdwijnen wanneer God licht brengt in de wereld. Er komt dag en nacht, orde en regelmaat, hoop en leven. Alles begint met God en zijn goedheid. 

In Exodus ontdekken we dat de Heer zijn Volk verhoort en hen redt uit de wanhoop. In hun donkerste dagen van verdriet, leed en onderdrukking, schept God nieuwe kansen. Hij zal zichzelf kenbaar maken als ‘Hij die is’, als de Aanwezige. Toch is het niet altijd evident om die aanwezigheid gewaar te worden. 

De profeet Jesaja leert ons dat we God nooit vruchteloos zoeken: Hij maakt zich kenbaar en is ons nabij. Al zien we Hem niet, Hij is er voor ons en blijft ons trouw. Wanneer wij ontvankelijk zijn voor zijn Woord, voor zijn Boodschap, dan zal dit vreugdevolle nieuws in ons groeien. 

Paulus bevestigt dit aan de christenen in Rome: als volgelingen van Jezus Christus kiezen wij voor het leven en voor het goede, niet voor haat en zelfdestructie. We mogen ten volle leven in Christus Jezus. Zo is ons geloof een bron van hoop en kracht, van volharding en nieuwheid. 

Vervulling in leegte

In het evangelie horen we dat Jezus’ graf leeg is. De engel zegt aan de vrouwen die het graf bezoeken dat ze op de verkeerde plek zijn. De engel is hun hemelse wegwijzer. Ze zijn immers de weg kwijt. Jezus moeten ze daar niet zoeken, in het graf. Hij is verrezen. 

De apostelen denken dat de vrouwen kletspraat uitkramen wanneer ze het vreugdevolle nieuws vertellen. Typisch, toch? Maar Petrus, die denkt na en gaat kijken bij het graf. Laat het nogmaals herhaald zijn: de eerste getuigen van de verrijzenis zijn vrouwen die Hem zijn gevolgd op weg naar Jeruzalem. Er gebeurt iets mystieks, iets bovenmenselijks wanneer de engel hen toespreekt.

Vreugde

Hun ontmoeting met de engel is het begin van iets nieuws. Heel even reikt de hemel tot aan de aarde. Er komt licht, zoals in Genesis. Er is bevrijding, zoals in Exodus. God blijft ons nabij, zoals bij Jesaja. En er is nieuw leven, zoals bij Paulus.

Weldra daalt de heilige Geest neer, met Pinksteren. Maar vandaag ligt de klemtoon op de vreugde om de verrijzenis. Vandaag en de komende tijd, tot Pinksteren, mag ons geloof verder aangevuurd worden met vreugde. Die vreugde mogen we toelaten in ons geloof, in ons bestaan, en delen met elkaar.

Met de verrijzenis komen we bij de kern van ons geloof. We kunnen het nooit volledig begrijpen, we kunnen het niet glashelder uitleggen. Dat is geloven: God ten volle in ons bestaan aanvaarden: Hij die ons in alles overstijgt telkens opnieuw toelaten in ons leven. Onze Heer Jezus Christus is waarlijk verrezen! 

Let wel: God is geen verzekeringsformule tegen rampspoed. Laten we dat steeds in gedachten houden. Ons geloof is geen magie of science fiction. Jezus is niet uit het lijden weggeplukt door God. Jezus is niet gespaard van Goede Vrijdag. Wel was God met Hem en in Hem al die tijd, als kracht, als steun en troost. En als de bron van nieuw en eeuwig leven met Pasen.

Broeders en zusters in de Heer, onze Heer Jezus Christus is waarlijk verrezen!

Ik wens je een zalig Pasen toe! 

03 september 2024

Wonderen en wij: een zoektocht naar betekenis (7-8 september 2024)

Een wonder is een onverwachte, bovenmenselijke wending in een wereldse omgeving, die ons tot verwondering brengt. In onze tijd is de wetenschap bijzonder ver geavanceerd. Een wonder is dan vanuit onze optiek een uitzondering op de regels van de natuurwetenschap. Ten tijde van Jezus was het begrip van wereld en natuur compleet anders. In de kijk op de werkelijkheid ervaarde men in tal van situaties be-wondering en ver-wondering waar wij nu logica en verklaring vinden. Hoe kunnen de wonderen dan betekenis hebben in onze dagen? 

Men zag wereld en heelal als schepping van God. Waar wij vertrouwen op de logica die inherent is aan de werkelijkheid en die door de wetenschap steeds meer wordt ontdekt, was er ten tijde van Jezus veel onwetendheid en bijgevolg veel mysterie. God werd gezien als de regelgever. In die mysterieuze en onoverschouwelijke realiteit werd ziekte vaak gezien als straf en genezing als genade. Zowel mens als natuur leefden in een magische, moreel ingevulde logica.

Taal

Daarom is het voor ons zo moeilijk om de wonderverhalen een plaats te geven in ons geloofsleven. Jezus sprak de taal, en dus ook de tekentaal van toen. Hij vertelde aan de mensen van toen in hun symboliek over een herstel van het Verbond tussen God en mens. Veel van die taal en interpretatie gaat aan ons voorbij.

Toch kunnen de wonderverhalen ons dichter bij God brengen. Ze kunnen ons immers zoveel meer vertellen dan we spontaan zouden denken. De realiteit is immers méér dan de driedimensionele waarneming waar wij op steunen. Een pasgeboren kind noemen wij een klein wondertje. Niet geheel onterecht: er is een diepte in nieuw leven waar we nog voor open staan. Op veel andere vlakken hebben veel Westerlingen zich afgesloten voor de transcendente dimensie: voor de diepte van wat ons overkomt, de verwijskracht van het alledaagse, de poëtische schoonheid van de werkelijkheid, het Goddelijke. Toch is de afstand nog bijzonder groot tussen het ervaren van de schoonheid van verliefdheid bijvoorbeeld en de wonderverhalen van Jezus.

Echtheid

Wat wonderverhalen in de evangeliën betreft: het gaat over veel wonderen, die aardig wat plaats innemen in het geheel. Ze kunnen niet als een detail weggezet worden. Er wordt daarenboven vaak gebruikt gemaakt van details en van verwijzingen naar concrete mensen om de realiteit ervan te beklemtonen. Zo is er bijvoorbeeld de ‘schoonmoeder van Simon’ die een hevige koortsaanval kreeg. (Marcus 1, 30)

Wanneer we de evangelieboeken doorlezen, kunnen we er niet om heen dat Jezus een wonderdoener is die zieken heeft genezen. Daarbij staat het geloof van degene die het wonder mag ontvangen centraal: het is hun geloof dat het wonder mogelijk maakt. (Marcus 10, 52 en 9, 23-24)

Wanneer we de wonderen weg relativeren, dan relativeren we God en ons geloof weg. (1 Korintiërs 15, 14) In een tijd van grote verwondering voor onverwachte genezingen, gebruikt Jezus de wonderen als overtuigend argument. Hij is de Zoon van God omdat Hij wonderen doet. In onze tijden had Jezus wellicht een andere methodiek toegepast.

Verwijzing

Dat de wonderen niet op zich staan, maar een verkondigende functie hebben, legt Johannes als geen ander uit. De symboliek kan uitleggen wat woorden amper kunnen aanraken.

Zo is er het broodwonder, dat overigens niet wordt beschreven. (Johannes 6, 1-14) We vernemen dat het wonder is geschied. Vanuit deze symbooldaad start Jezus een theologisch discours op. Uiteindelijk zal niet het voedsel dat vergaat ons dichter bij God brengen, maar het voedsel dat blijft. Het wonder dient dus als opstapje naar het herstel van het Verbond tussen God en mens. (Johannes  6, 26-28) Dat wordt werkelijkheid wanneer volgelingen van Jezus delen in zijn Lichaam en Bloed (Johannes 6, 46-58) Tijdens het Laatste Avondmaal wordt de symboliek van de maaltijd hernomen. (Johannes 13, 17-38) Daar wordt bovenal nederigheid aangeleerd door Jezus. De Kerk van het Verbond, die weldra wordt gesticht, is niet gediend van macht en pracht maar van eenvoud en dienstbaarheid. (Johannes 13, 1-15) Hij wast de voeten van de genodigden, als een slaaf. Na het broodwonder en zijn theologische beeldspraak, trekt Jezus naar Galilea. (Johannes 7,1) Tegenstanders willen Hem in Judea immers arresteren. Dat bevestigt het offerkarakter van Jezus’ aardse bestaan.

Een ander wonder is de opwekking van Lazarus. (Johannes 11, 33-44) Het is mogelijks nog méér onvatbaar voor het menselijk verstand dan het broodwonder. Toch beweert Marta al op voorhand met klem dat haar broer niet was gestorven als Jezus eerder was gekomen. (Johannes 11, 32) Marta wordt door Jezus theologisch dieper ondervraagd: “Geloof je Ik de Opstanding en het Leven ben?” (Johannes 11, 24-27) Ze antwoordt bevestigend en kent Jezus stellig de kracht van de verrijzenis toe. Ook hier wordt een wonder aangewend om Jezus’ aardse opdracht uit te beelden. De opwekking van Lazarus is immers de voorafbeelding van Pasen. Ook hier wordt een les in nederigheid geleerd: Jezus zal lijden als een dienaar die ten onrechte is veroordeeld. (Johannes 11, 49-50) Eén mens sterft voor het hele volk. Slechts hierop kan de Kerk gebouwd worden. Ook hier wordt de tegenstand toe en vlucht Jezus de woestijn in omdat men Hem in de grote steden van Judea wil arresteren. (Johannes 11, 53-54) Het offer van het Lam van God komt steeds dichterbij.

Goddelijkheid

Het broodwonder en de opwekking van Lazarus, hoe fenomenaal van aard ook, verbazen de omstaanders, maar voor Jezus zijn het vooral voorafbeeldingen van de Boodschap die Hij wil verkondigen aan wie er voor openstelt. De verrijzenis is immers de apotheose van de heling voor de mensheid. De verrijzenis bekrachtigt de wonderen en de Goddelijkheid van Jezus. De verrijzenis is geen symboolverhaal en raakt een fundamenteel-Goddelijke diepte die ondoorgrondelijk is voor het menselijk verstand.

Zelf heb ik niet de neiging om veel te zeggen over het leven na de dood en over de verrijzenis. Ik vind een aanleiding daartoe in de Schrift: daar wordt enkel het lege graf vernoemd, niet het verrijzenisgebeuren, en het Rijk Gods wordt slechts in beelden benoemd. Ook over wie aanspraak heeft op het Rijk Gods zal ik er altijd het zwijgen toe doen. Het Goddelijke, dat behoort God toe. Een mens eert God nog het meest met grote bescheidenheid, en vooral kijkend naar zijn of haar eigen doen en laten, spreken en zwijgen. En dat is meteen een overgang naar het evangelie van de volgende zondag.

11 april 2024

Geloven is leven (13-14 april 2024)

In de weken na Goede Vrijdag en Pasen zijn we getuige van  de opgang van de leerlingen naar hun zending. Jezus is uit de dood opgestaan en laat zijn volgelingen niet verweesd achter. Sterker nog: Hij tilt hen op naar het volgende 'level': de opbouw en de uitbouw van de Kerk van Christus, de gemeenschap van christenen. Het Woord mag niet opgesloten blijven in het cenakel.

Angst

Verbijsterd en door angst overmand (Lucas 24, 37a) zijn de leerlingen wanneer Jezus in hun midden verschijnt. Er is paniek: ze hebben deuren gesloten (Johannes 20, 19) en toch verschijnt Jezus in hun midden, heel onverwacht. Aangezien geen deur is opengegaan, denken de leerlingen dat ze een geest zien, een verschijning. Hun denkvermogen misleidt de leerlingen. Ze hebben hun kwetsbare geloof en hun wankele vertrouwen voorlopig veilig opgeborgen. Wellicht is het een reflex, ter zelfbescherming. Er is zoveel veranderd, er is zoveel gebeurd.

Waarom toch?

Ondanks alles wat Jezus heeft voorzegd tijdens zijn aardse bestaan over zijn dood, treft Hij de leerlingen dus ontzet en vol twijfel aan. (Lucas 24, 38b) Sterker nog: Petrus heeft het lege graf gezien, hij heeft er zelfs binnengekeken; de engelen hebben aan Maria van Magdala en nog enkele vrouwen verkondigd dat de Heer is verrezen; Kleopas en een andere leerling hebben Jezus al herkend bij het breken van brood onderweg naar Emmaüs, en nog zijn ze verbaasd wanneer Jezus onder hen verschijnt. Ze hebben het getuigenis van de vrouwen zelfs als kletspraat afgedaan. (Lucas, 24, 1-35) Het is werkelijk niet te begrijpen. Of toch?

“Waarom toch?”, vraagt Jezus. Hij maakt hun geen verwijten, maar brengt juist vrede binnen in de ruimte en in de ontmoeting: precies het tegenovergestelde van angst. Na de teleurstelling daagt er eindelijk weer hoop. Het geduld en begrip van Jezus zijn werkelijk grenzeloos. Ze zijn van Goddelijke proportie. Jezus doet over wat Hij op weg naar Emmaüs al eens heeft gedaan: Hij ontsluit de Schriften (Lucas 24, 27 en 45) en houdt maaltijd met hen (Lucas 24, 30 en 43). Ze bevestigen dat het werkelijk Jezus is die aanwezig is onder hen. Zo kunnen ze opnieuw naderen tot Hem. Het Woord en het Brood brengen ons ook vandaag dichter bij de Heer.

Vreugde

De leerlingen herkennen de Heer en zijn vreugdevol en stomverbaasd tegelijk. (Lucas 24, 41) Weldra zullen ze met Kracht uit de hemel worden bekleed. (Lucas 24, 49b) Jezus heeft geen streng examen voorzien voor zijn apostelen. Hij maakt geen strikte taakomschrijving voor hen op. De leerlingen zijn goed zoals ze zijn, met hun gaven en gebreken. Ook hun twijfel en onzekerheid vormen geen struikelblok voor Jezus. Dat is op zijn minst merkwaardig te noemen, vanuit menselijk oogpunt beschouwd. Vanuit Goddelijk perspectief is het heel gewoon.

De volgelingen wijden zich toe aan de Heer. Hun bedoelingen zijn goed en hun ontzag voor Jezus is groot. Vrij van zonde zijn ze zeker niet. Alwetend zijn ze evenmin. De kracht van God, die vorm krijgt in de heilige Geest, zal hen toebereiden om hun zending met veel bezieling en ijver op te volbrengen. In die traditie mogen wij staan, bijna 2 000 jaar verder in de tijd. Het is een traditie van vallen en opstaan, een lange geschiedenis van bewonderenswaardig engagement en van schandelijk verval tegelijk.

Leven in de Heer

Gezonden zijn heeft niets te maken met presteren en  carrière maken, en evenmin met de beste zijn. Gezonden ben je in geloof, en geloven doe je elke dag, soms krachtig, soms twijfelend. Geloof is geen competitie. Welnu, dat geloof delen we met de apostelen en de vrouwen in het cenakel. 

De leerlingen zijn niet onwetend: ze kennen de Schrift en staan in de traditie. Wat hun leven zo bijzonder maakt, is dat ze zich met Christus verbonden weten. Na zijn dood was er verdriet en verlorenheid, maar dat gevoel van verlatenheid wordt uitgewist alvorens Jezus vertrekt naar de hemel. (Johannes 24, 51) 

De geboden zijn onze leidraad en de Heer is onze Weg. Geloven is je leven richten naar God, elke dag opnieuw, van ganser harte, zo goed als je kan. Dan kan God met ons meegaan, onderweg door ons leven, door de dalen en in vreugde, die we zelf lang niet altijd goed begrijpen. We zijn geluksvogels: nooit zijn we alleen. 

04 april 2024

Beloken Pasen: zending in vrede (6-7 april 2024)

Jezus verschijnt te midden van zijn leerlingen, die zich nochtans stevig hebben opgesloten uit angst voor het volk dat riep om Jezus' kruisiging en de religieuze leiders die Hem hadden aangeklaagd. Hij wenst hun vrede toe, tot tweemaal toe. Maar wat bedoelt Jezus hier mee?

  • Voor de lezingen van Beloken Pasen: klik hier.

Verschijning

“Ik wens jullie vrede.” (Johannes 20, 19d) Dat is het eerste wat Jezus tegen zijn leerlingen zegt. Ze hebben zich opgesloten uit angst. (Johannes 20, 19b) Nogmaals zegt Jezus: “Ik wens jullie vrede.” (Johannes 20, 21a) Vrede staat centraal in die eerste verschijning aan de leerlingen. Zonder vrede zijn we verloren.

Maar wat bedoelt Jezus met die ‘vrede’ (in het Grieks: ‘eirènè’) die Hij zijn leerlingen toewenst? De apostelen leven niet bepaald op voet van oorlog met elkaar. Ze zijn verenigd, ze zijn samen. Het is de angst die hen verenigt op dat moment, en het gevoel van verlatenheid. Jezus wenst de leerlingen ‘alle goeds’ toe: harmonie met zichzelf, met de anderen en met God, vrede in het hart. Je zou ‘vrede’ kunnen vertalen als welzijn, zowel lichamelijk als materieel. 

Gegroet

‘Ik wens je vrede’ is een typische joodse begroeting van gemoedelijke, familiaire aard (in het Hebreeuws: ‘sjaloom elechem’). Eigenlijk zoals wij elkaar ‘goeiedag’ zeggen en daarmee letterlijk de ander een goede dag toewensen. De Verrezene begroet de apostelen als vrienden, zoals Hij voorheen deed. Ze blijven Vrienden van Christus.

De begroeting maakt voor de lezer duidelijk dat Jezus niet verschijnt als een stilstaande beeltenis, maar levend en sprekend. Hij is de ruimte binnengekomen ondanks de gesloten en gebarricadeerde deuren. (Johannes 20, 19b) Hiermee is het bovenmenselijke van de verschijning meteen duidelijk. Zijn begroeting toont tegelijk de menselijke kant van Christus. De apostelen vertegenwoordigen alle volgelingen van Jezus Christus. Ook aan ons allen wordt vrede toegewenst.

Verandering

Met de ‘vrede’ wil Jezus een einde maken aan het verdriet van de apostelen. Goede Vrijdag heeft droefheid in hun hart gestort. Nu mag er weer vrede zijn, en vrede gaat gepaard met vreugde. Het onrecht is beslecht, het kwaad heeft niet gewonnen. 

De leerlingen mogen hun handen in zijn wonden leggen: Hij is de Gekruisigde, maar Hij heeft de kruisdood overwonnen en Hij leeft! (Johannes 20, 27) Tomas is er niet bij en weigert pertinent te geloven wat de apostelen hem bij zijn terugkomst vertellen. (Johannes 20, 24) Daarom verschijnt Jezus nogmaals als Tomas wel aanwezig is, opnieuw wenst Hij vrede. (Johannes 20, 26-27) Voor Jezus is het belangrijk dat de apostelen eensgezind zijn en dat er geen twijfel is.

Zending

Hij gaat beide keren in hun midden staan om te spreken. De Verrezene herneemt zijn centrale positie. Hij zal hen verder leiden, maar op een nieuwe wijze. Daartoe zendt Christus de leerlingen plechtig: “Zoals de Vader Mij heeft uitgezonden, zo zend Ik jullie uit.” (Johannes 20, 21) 

In tegenstelling tot zijn begroeting, is deze zending op geen enkele wijze te interpreteren als een alledaagse uitspraak. De Kerk in haar huidige vorm krijgt vorm. Dat wordt nog duidelijker wanneer Jezus blaast over de leerlingen en zegt: “Ontvang de heilige Geest.” (Johannes 20, 22) Het tijdperk van de Geest breekt aan, het tijdperk van de Kerk van Christus. Jezus spreekt performatief: Hij zegt en het gebeurt daardoor ook meteen.

Déjà-vu

Jezus' begroeting is trouwens helemaal niet zo banaal als men op het eerste zicht zou denken. Hij heeft niet de gewoonte om een banale uitspraak te herhalen. Dit is een teken. De leerlingen zullen immers zeker teruggedacht hebben aan een eerder gesprek met Jezus. Daar kondigt Hij aan dat Hij terug naar zijn Vader gaat. Hij zegt hen dan: “Vrede laat Ik jullie na, mijn vrede geef Ik jullie.” (Johannes 14, 27) Die vrede kan de wereld niet geven aan de apostelen. 

Daarom komt de Verrezene onder hen: om hun die vrede te geven. Zijn schijnbaar alledaagse groet is dus heel betekenisvol. Jezus vermeldt in dat eerdere gesprek ook dat Hij de heilige Geest zal zenden om hen te vergezellen in wijsheid en inzicht. (Johannes 14, 26) Dat gebeurt dan ook.

Groet

Paulus groet zijn lezers bij het begin van zijn brieven doorgaans met “Genade (zij u) en vrede.” (bv Filippenzen 1, 2 en Efeziërs 1, 2) en bij het afsluiten met: “De genade (van de Heer Jezus Christus) zij met u.” (Filippenzen 4, 23 en Kolossenzen 4, 18) Het zijn wensen van gelovig welbevinden.

Bij het afsluiten van de tweede brief aan de christenen van Korinte gebruikt hij een bijzonder uitgebreide groet:  “De genade van de Heer Jezus Christus, de liefde van God en de eenheid van de heilige Geest zij met u allen.” (2 Korintiërs 13, 13) Het mag een inspirerende theologisch-poëtische omschrijving zijn van de toestand van vrede die Jezus toewenst: in Christus’ genade mogen leven, zich geliefd weten door de Vader, en verenigd zijn met elkaar in de heilige Geest.

Nu de week van Pasen haar luiken sluit, weten we ons gezonden door Jezus Christus zelf, om in zijn vrede te verblijven en zijn Boodschap na te leven en bekend te maken. Mogen de vrede en de genade van de Heer altijd met ons zijn!

29 maart 2024

Paasvreugde (30-31 maart 2024)

Met Pasen komen alle geloofslijnen samen. Daarom is het ook het grootste feest van het liturgisch jaar. In de Paaswake horen we Schriftfragmenten die ons voeling willen geven met de kern van de Verrijzeniszondag.

Schepper, Bevrijder en Nabije

Uit Genesis vernemen we dat God ons de wereld heeft geschonken en die wereld is goed. Op aarde is er aanvankelijk chaos en leegte in de duisternis, maar Gods brengt licht in de wereld. (Genesis 1, 3-5a) Er komt dag en nacht, hoop in de wanorde. Het licht brengt leven, bedrijvigheid, groei, vreugde. 

In Exodus horen we hoe God zijn Volk nooit in de steek laat. In hun donkerste dagen, in verdriet, leed of onderdrukking, blijft Hij hen nabij. (Exodus 14, 15-16) God heeft de wereld niet geschapen om ons daar vervolgens doelloos op te laten ronddolen. 

De profeet Jesaja brengt God aan het woord gehoord: wanneer wij God zoeken, wanneer we ons biddend en bezinnend tot God richten, dan schenkt Hij ons zijn nabijheid, zijn wijsheid, zijn kracht. (Jesaja 55, 10-11) God ként ons immers door en door. Als geen ander heeft Gods Zoon het mensenbestaan doorgemaakt. Hij heeft zijn zending volbracht om ons dichter bij de Vader te brengen, dichter bij wat goed is in Gods ogen. 

Paulus bevestigt dit in zijn brief aan de christenen van Kolosse: richt je op wat boven is, hou je niet bezig met wat enkel van de aarde is, met louter uiterlijkheden. (Kolossenzen 3, 1-2) We moeten van Paulus niet naar de wolken staren. Boven en beneden zijn een beeldspraak, net als licht en donker. 

Anders nabij

In het evangelie horen we dat Jezus’ graf leeg is. De engel zegt aan de drie vrouwen die het graf bezoeken dat ze niet bang hoeven te zijn. “Ga naar Galilea”, zegt de engel. (Marcus 16, 7) Maar hij zegt tegelijk ook: “Hij is niet hier.” (Marcus 16, 6) Het zijn moeilijke en verwarrende tijden voor de leerlingen en volgelingen. Alles is plots anders geworden. 

Pasen is vreugde, opstanding, nieuw leven, maar ook het einde van de mens Jezus met wie de leerlingen mee op weg kunnen gaan. De hemelse Vader blijft wel onze Schepper van in Genesis, onze Nabije van in Exodus, onze Bron van wijsheid en kracht van bij Jesaja en Paulus.

God blijft nabij, ook vandaag en morgen, maar dan opnieuw onzichtbaar en ongenaakbaar. God nodigt ook ons uit, maar niet door ons in de ogen te kijken en bij de hand te nemen. Dat merken de vrouwen al aan het graf en de leerlingen die horen wat er gebeurd is. Er is een afstand ontstaan. Alles is plots anders. En we weten het maar al te goed: verandering is van alle tijden.

Ons bestaan

Hoe gaan wij om met die afstand wanneer we onszelf verliezen in verdriet en tegenslag? Vertrouwen we ons leed toe aan God? En wat doen we in voorspoed, bij vreugde en geluk? Richten we ons dan ook spontaan tot Hem? Danken we evenveel als we vragen? 

Ons aardse bestaan is, wanneer je er over nadenkt, ondraaglijk oneerlijk. Het is eindig: we moeten mensen verliezen om ons heen, we worden zelf ook ouder. De meest voorbeeldige, brave mensen worden ziek. Het is eigen aan ons bestaan. Veel mensen lijken daar zo weinig mogelijk over na te denken. Maar wegkijken betekent niet dat iets verdwijnt. Dat is slechts een illusie.

Ons geloof is geen levensverzekering. Het is belangrijk dat we dat beseffen. Het leven gaat zoals het gaat. Langs God kan je wel verbinding vinden met de diepste zin en betekenis van het bestaan. God voedt ons geloof met zijn Woord, horen we bij Jesaja.

Licht én duisternis

Met de schepping van het licht heeft God het duister niet uitgewist. En Christus heeft het leed en de dood ook niet ontweken. Het maakt deel uit van zijn – en van ons – mens-zijn. Het wordt nooit Pasen zonder dat het eerst Goede Vrijdag is geweest. Ziekte en leed worden niet op ons afgevuurd door een kwade, straffende, boosaardige God. Zo werkt het uiteraard niet. Kwaad en onrecht bestaan al van in de duisternis bij de schepping. (Genesis 1, 2-4)

We ontvangen het leven, kort of lang, en we worden uitgenodigd om er een mooi leven van te maken. En we ontvangen met de verrijzenis ook de belofte van het Rijk Gods: er is meer dan enkel ons korte, aardse bestaan.

Voorbij ons denken

Soms zullen we dus mijmeren en tobben over de tegenslagen die ons overkomen, over wat we niet begrijpen, over wat ons te boven gaat, zoals de leerlingen ongetwijfeld hebben gedaan. En soms zullen we bloeien in blijdschap en fierheid, zoals de bloemen die overal de omgeving sieren. Vandaag ligt de klemtoon op de vreugde. Vandaag en de komende tijd, tot Pinksteren, mag ons geloof steeds meer vervuld worden met vreugde. 

Die vreugde mogen we met trots in ons laten groeien en met ons meedragen. De verrijzenis is een kernboodschap van ons geloof. Ons verstand kan er niet bij, maar God overstijgt ons denken wel vaker. 

Onze Heer Jezus Christus is waarlijk verrezen! Ik wens je van harte een zalig Pasen toe.

30 juni 2023

Zoveel méér dan een bloederig verhaal (1-2 juli 2023)

“Ik vind dat niet mooi.”, hoor ik een jongen van een jaar of zeven met een afkeurende blik zeggen tegen zijn vader in een kerk. Hij wijst daarbij heel uitdrukkelijk naar een groot kruisbeeld. Er zijn buitenproportionele bloeddruppels op de handen en voeten van het beeld geschilderd. Grote uitstulpende nagels verbeelden hoe Jezus’ ledematen aan het houten kruis vasthangen. “Waarom heeft die meneer geen pleisters waar het bloed?” Papa antwoordt goedbedoeld: “Die meneer is Jezus. Op dat beeld is Hij gestorven, Hij leeft niet meer.” Het kind is verbouwereerd. “Waarom hebben ze een dood beeld gemaakt?” Vader doet zijn best: “Omdat Jezus gestorven is aan het kruis. In de kerk vieren de mensen dat elke zondag in de mis.” Nu kijk ik ook wat verbijsterd. “Waarom vieren de mensen feest? Dood zijn, is toch niet leuk?” “Maar Hij is ook verrezen daarna. Hij werd weer levend.”, sust vader zijn zoon. “Wat is dag: gevezen?” De vader geeft het op. “Kom, we gaan nog wat wandelen.” De jongen wil het gesprek verder uitdiepen. “Maar papa…?”, dringt hij enkele keren aan. Vader verandert telkens wat radeloos van onderwerp en stapt in grote passen de kerk uit.

De kleine jongen stelt verrassend goede vragen, zoals kinderen wel vaker doen. Waarom is ons geloof zo bloederig? Waarom zetten we dat letterlijk zo uitdrukkelijk in de verf. Waarom is ons kernsymbool een gekruisigde Jezus? Waarom hebben we het beeld van de vis niet gehouden: de 'ichthus'?

Doop

Paulus levert ons het antwoord. Het is vanaf het begin een centraal gegeven in ons geloof omdat het zo essentieel is in de Boodschap zelf. Hij schrijft aan de Romeinen: “Weet u niet dat wij die gedoopt zijn in Christus Jezus, zijn gedoopt in zijn dood?” (Romeinen 6, 3)  Verwonderd om hun onwetendheid beklemtoont Paulus de band tussen Jezus’ dood en het christelijk geloof. Hij gebruikt daarbij een duidelijke vraag: ‘Agnojeite?’, Grieks voor ‘Weet u niet?’ De term 'agnosticisme' is hier uiteraard mee verwant.

Christenen, mensen die gedoopt zijn in Christus, zijn niet enkel ‘in zijn Naam’ gedoopt. Het doopsel betekent opgenomen worden in zijn ‘mystiek lichaam’, of wat minder hoogdravend: een intieme en onlosmakelijke verbinding hebben met Christus. Langs het doopsel ga je binnen in het kindschap van God (Galaten 3, 27), in navolging van Christus. Het veronderstelt een 'metanoia', een bekering: geloven is compleet anders gaan denken dan het menselijk verstand en instinct je ingeeft. (Handelingen 2, 38)

Cruciaal

Christenen hebben een bijzondere relatie met Christus en bijgevolg ook een bijzondere relatie met zijn dood, die zo 'cruciaal' is in zijn verkondiging. Deze verbondenheid met Jezus’ dood is op zich niet macaber of zwartgallig, en is eigenlijk ethisch van aard. Paulus vernoemt de band tussen het doopsel en Jezus’ dood dan ook in een context van zonde. (Handelingen 2, 38) De 'metanoia' is in het ethisch discours samen te vatten als de afkering van alles wat kwaad is. Het is de bevrijding uit een leven zonder zin en betekenis, een leven in vaagheid en duisternis, een algehele stuurloosheid.

Het is een fenomeen dat tegenwoordig hoogtij viert. Veel mensen zijn op zoek naar zin, maar hebben ze nog niet gevonden of kunnen zich nog niet verbinden met een denksysteem. Er is spiritueel een groeiend agnosticisme in onze contreien. Dat toont ook meteen aan dat 'metanoia' geen oppervlakkige keuze is, maar gepaard gaat met een fundamentele beslissing, een allesomvattend engagement.

Zonde

Aan de Korintiërs schrijft Paulus dat we 'schoongewassen zijn van de zonde' (1 Korintiërs 6, 11) Zonde is een beladen woord dat alom tegenwoordig is in de brieven, en ook vaak aan bod komt in de evangelies. De Tridentijnse mis (en de katholieke spiritualiteit in deze periode) was doorweekt met zondebesef: de priester deed bij aanvang van de mis een schuldbelijdenis, daarna zijn bedienaar(s), en dan het volk. Zij waren bij de hoogmis al besprenkeld met wijwater als eerste wassing. Vóór het evangelie bad de voorganger om zijn lippen te zuiveren van alle smet en bij de offerande waste hij zijn handen. Tijdens de Canon en het Agnus Dei werd de zondige natuur van de mens nogmaals vernoemd. Vóór de communie beklemtonen de priester en volk nogmaals hun onwaardigheid. Zondebesef was alom tegenwoordig. Daar is in de liturgie sinds Vaticanum II voorzichtig in gesnoeid, zodat God minder ver weg voelt en minder streng en kwaad…

Het overbeklemtonen van zonde en kwaad zorgt voor een gevoel van onwaardigheid. Dan neemt men zichzelf ook niet ernstig. Men is het 'slachtoffer' van de menselijke natuur. Het neemt de verantwoordelijkheid weg bij de mensen. Ze kunnen er niets aan doen, het is sterker dan henzelf. Dat is niet wat Paulus beoogt met zijn pleidooi. Christen zijn, is je verantwoordelijkheid opnemen en je richten op het goede. Jezus heeft langs het kruis alle mensen een nieuw begin toegezegd. Langs zijn dood reikt Jezus zijn volgelingen een hemels kleed van vergiffenis, vrede, gerechtigheid en genade aan. Ze hebben de Boodschap ontvangen en leven van dan af in de verwachting van het Rijk.

Opstanding

Daarom schrijft Paulus aan de Romeinen: “Als wij delen in zijn dood, zullen wij ook delen in zijn opstanding.” (Romeinen 6, 5) Dit vloeit voort uit het mysterie van ons geloof: Jezus is gestorven en verrezen. De dood is het einde niet. Er klinkt ook een ethische gelaagdheid: het kwaad heeft niet het laatste woord. “Wanneer wij met Christus zijn gestorven, geloven we dat we ook met Hem zullen leven.” (Romeinen 6, 8) Dit 'geschenk' (Romeinen 5, 15-16) noemt Paulus 'genade'. (Romeinen 5, 16-17) Maar het vraagt ook een blijvende inspanning. Jezus zegt: “Wie zijn leven probeert te behouden zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, die zal het behouden.” (Matteüs 10, 39)

Beide

Het kruisbeeld is geen vreemde keuze als kernsymbool voor het Christendom. Toch heeft de jongen in de kerk niet helemaal ongelijk. In het verleden is men wel eens te kwistig geweest met dramatiek en met bloederigheid. Sentiment spreekt aan, wellicht legde men die nadruk daarom ook zo gretig bij momenten. Het zet echter de diepte van de boodschap in de schaduw.

Een oude, wijze zuster zei me onlangs: “Ik voel me steeds meer verbonden met het verrijzeniskruis, steeds minder met het lijdenskruis.” Er bestaan inderdaad uitbeeldingen van de verrijzenis in combinatie met het kruis. Het kruis draagt dan géén lijdende Jezus, of er is een verrezen Christus afgebeeld in de plaats. Soms is er enkel een verrezen Christus met uitgespreide armen, zonder kruis, alsof Hij ten hemel zal opvaren.

Het is een veel grotere uitdaging om een Paaschristen te worden dan om een Goede Vrijdagchristen te blijven. De verrijzenis is een mysterie: het is met de rede niet te vatten. Toch heeft de verrijzenis even onlosmakelijk met het christenzijn te maken als de dood van de Heer. De jongen deed mij weer even beseffen dat het kruisbeeld een ‘gewelddadig’ beeld is met een heftige emotionele lading, net als de lijdensverhalen zelf. Dat lijkt ons soms te ontgaan.

En toch krijgt dit grimmige beeld enkel betekenis in de hoopvolle boodschap die erop volgt. Het Christusdom draagt een boodschap van liefde en van hoop uit, een nieuw begin, een weg naar vreugde en genade.


De volgende bijdrage volgt over 14 dagen...

21 april 2023

Emmaüs en de eerste christenen: getuigen van een geloofstriptiek (22-23 april 2023)

De Emmaüsgangers (Lucas 24, 13-35): een verhaal dat tot de belangrijkste evangeliepassages behoort, en niet toevallig. Het was zondag, ongeveer op de middag. Jezus was twee dagen geleden gestorven en begraven. Het bleef stil. Twee leerlingen waren onderweg naar Emmaüs en spraken onder elkaar over wat er was gebeurd. De teneur was somber en moedeloos. Dat zou echter niet zo blijven. Het verhaal krijgt een dynamiek. De drie kerntaken van ons geloof komen in dit verhaal aan bod. Dit is een verhaal over groeien in geloof en vreugde vinden bij de Heer. 

Aha!

Jezus vergezelde hen en nam deel in het gesprek. De leerlingen herkenden hun Messias vreemd genoeg niet. Waarom niet? Hun ogen waren verhinderd, hun blik was vertroebeld om Hem te herkennen. (Lucas 24, 16) De Zoon van God, met wie ze zo lang op weg waren gegaan, naar wie ze zo hadden opgekeken, herkenden ze niet, hoewel Hij vlak naast hen stond. Wat weerhield hen dan om Jezus te herkennen? Verdriet (Lucas 24, 20), teleurstelling (Lucas 24, 21), twijfel (Lucas 24, 22-23) en heimwee (Lucas 24, 24). Doorheen die verzen klinkt ook telkens een ondertoon van ontreddering en verontwaardiging. Toch zouden hun ogen open gaan. Ze zouden een buitenproportionele ‘Aha-Erlebnis’ ondergaan. Die Godsrevelatie, de ontdekking van God in hun midden, is onlosmakelijk verbonden met een essentieel geloofsdrieluik. 

Bij de eerste christenen is deze triptiek in alle eenvoud heel goed te herkennen. Het zou ook ons geloof moeten typeren, twintig eeuwen later. laten we hiervoor teruggaan we naar de Handelingen van de apostelen. In de eerste lezingen van de zondagen na Pasen komen dit – niet toevallig – aan bod. De drie geloofsopdrachten zijn ook voorgeleefd door Jezus en aan ons opgedragen door Hemzelf.

Vieren

Een eerste luik bestaat in het breken van het brood. (Handelingen 2, 42-47: 2e Paaszondag) In nagedachtenis van het Laatste Avondmaal, komen de leerlingen en gelovigen bijeen om brood te breken en te delen. (Matteüs 25, 20-30 – Marcus 14, 17-25 – Lucas 19, 14-20) Dat is doorgaans in een huis van één van de gelovigen, omwille van haat en vervolging. In onze tijden is de eucharistie hiervan de voortzetting, tot zijn gedachtenis.

Verkondigen

Het Woord verkondigen, de blijde Boodschap delen met wie het horen wil, is een tweede luik. (Handelingen 2, 22-32: 3e en 4e Paaszondag). De belijdenis en het getuigenis van ons geloof is een centrale taak. Jezus is voor ons en voor alle mensen gekruisigd, gestorven en verrezen. Dat mysterie belijden we in het eucharistisch gebed, maar kan ook ter sprake komen in gesprekken met anderen. Dit is een moeilijke taak, omdat je ook geconfronteerd wordt met weerwoord en soms met afkeer of spot. Ook hiertoe heeft Jezus zijn volgelingen en dus ook ons uitgezonden. Jezus geeft zijn apostelen de zending om zijn werk verder te zetten, maar Hij stuurt een nog ruimere groep op pad. We kunnen deze moeilijke opdracht dus niet gemakkelijkheidshalve wegschuiven naar priesters en bisschoppen. (zending van de twaalf: Lucas 9, 1-6 – Matteüs 9, 35-38 en 10, 5-14 – Marcus 6, 7-13; van de tweeënzeventig: Lucas 10, 1-11)

Tijdens de verkondiging worden ook genezingen gedaan. Ten tijde van Jezus is dat een belangrijk teken: wonderen doen overtuigen. De medische wetenschap staat nu uiteraard veel verder dan toen. Misschien moeten wij de wonderen zoeken waar ze te vinden zijn in onze tijd. Is iemand die tot geloof komt op zich al geen wonder? Is iemand die zich optrekt aan het geloof en zich staande weet te houden, ondanks tegenslag en ellende, geen wonder? Ik pleit niet om genezingswonderen uit te sluiten, maar wel om onze focus sterk te verruimen.

Naastenliefde

Het derde luik betreft de naastenliefde, de zorg voor de naasten in nood (Handelingen 6, 1-7: 5e Paaszondag) Hiertoe geeft Jezus in het Johannesevangelie een essentiële aanzet met de voetwassing. (Johannes 13, 4-17) Geloven als werkwoord, is in de kern een kwestie van leven naar je geloof. Het is de liefde voorrang geven op de regels, zoals de barmhartige Samaritaan bijvoorbeeld deed. (Lucas 10, 25-35) Het is voorleven wat je gelooft.

Emmaüs

Terug naar Emmaüs. Ook daar is het geloofsdrieluik duidelijk aanwezig in het verhaal. Het hoogtepunt van het verhaal bestaat in het vieren van de maaltijd en het breken van het brood in Emmaüs. (Lucas 24, 30) Dan herkennen ze de man als Jezus, hun Redder, die niet in de dood is blijven wonen, maar inderdaad verrezen is. 

Voorafgaand spreken de leerlingen onder elkaar, en daarna met  de niet-herkende Jezus  over hun vertrouwen en hun twijfels bij wat Jezus had verkondigd. Daar vinden we het tweede luik van de geloofsbeleving. Ondanks hun twijfel, verkondigen ze wat ze tot dan toe weten. Jezus omschrijven ze als "een machtig profeet in woord en daad in de ogen van God en van het volk". Hij is veroordeeld en gekruisigd. In de ochtend ontstond er na een lange stilte ineens grote verwarring: het graf bleek leeg te zijn en de vrouwen hadden een engel gezien die vertelde dat Hij leeft (Lucas 24, 19-24).

Het derde luik van de geloofstriptiek, de naastenliefde, komt in beeld wanneer de leerlingen in Emmaüs aankomen. Jezus, die ze dan nog niet herkennen, wil verder stappen, maar de twee leerlingen insisteren dat Hij hen vergezelt naar binnen. (Lucas 24, 29) Hun gastvrijheid is een veruitwendiging van hun geloof: ze nemen een vreemde in huis op en bieden hem bescherming.

De vroege Kerk

Deze drie basisprincipes van ons geloof typeren de eerste christenen. Hun geloof wordt bedreigd door de wetgever. Ze komen samen in het verborgene. Er is nog geen uitgebreide hiërarchie en geen gebouwenpatrimonium. In haar eenvoud steunt de Kerk op dit drieluik: de verkondiging, het geloof vieren en het beoefenen van de naastenliefde.

Emmaüs bevindt zich nog vóór deze vroege Kerk. Het vertrekt uit het Stille Zaterdaggeloof, nog vóór de verschijningen van de Heer, zijn Hemelvaart en de zending van de heilige Geest. Het is een pril geloof dat door onzekerheid wordt vertroebeld. Net als de ongelovige Tomas leven de twee leerlingen op weg naar Emmaüs in de twijfel, in een waas van verontwaardiging, teleurstelling en onbegrip. Dat de vrouwen een engel hebben gezien die vertelt dat Jezus is verrezen, kunnen ze niet aannemen. Maar zelfs dan verkondigen de leerlingen wat ze weten, en zijn ze gastvrij, en Jezus maakt het mogelijk om hun geloof te vieren.

En wij?

Er leeft soms een verlangen om terug te gaan naar de eenvoud van de eerste christenen. Dat is op zich mooi, maar uiteindelijk niet realiseerbaar. Er bestaat geen teletijdmachine. Op heimwee bouw je misschien dromen, maar geen toekomst. 

Wel kan de kracht van die tijd ons hier en nu inspireren. Hoe geven wij de geloofstriptiek vorm in ons leven? Verdeelt ons leven zich voldoende over deze drie opdrachten? Waar zouden we meer in moeten investeren? Vinden we de drie opdrachten ook voldoende terug in onze plaatselijke geloofsgemeenschap?