Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Bouwsteen (22-23 augustus 2026).
Posts tonen met het label tempel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label tempel. Alle posts tonen

03 maart 2026

Eten en drinken en zoveel meer (7-8 maart 2026)

Johannes schildert in het verhaal over de Samaritaanse vrouw een markant drieluik in woorden. Wat er in beelden uitgeschreven staat, is zoveel meer dan een dialoog over soorten water en soorten tempels. Er zit een dieptelaag in die vooruitwijst naar Pasen. Het is vooral een grafisch manifest over oprechtheid van geloof. Wat verlangt God van ons? En wat is niet relevant?

  • Voor de lezingen van de derde zondag in de Veertigdagentijd A: klik hier.

Eerste luik: dorst

Jezus is met zijn leerlingen onderweg van Judea naar Galilea. In Sichar gaat Jezus uitgeput bij een bron zitten terwijl de leerlingen in de stad eten halen. Het is middag en de zon staat hoog. Niets menselijks is Jezus vreemd, zo maakt Johannes ons duidelijk. De Mensenzoon is moe van de voettocht en Hij heeft dorst. (Johannes 4, 5-6)

Er komt een Samaritaanse vrouw water putten uit de bron. Jezus vraagt haar wat te drinken. De vrouw is verbouwereerd: waarom zou een Jood om water vragen aan een Samaritaanse? Hij zou onrein worden door haar. Niets is hier wat het lijkt. Ja, Jezus heeft vast en zeker dorst op die warme middag. Maar Hij grijpt dit gevoel aan om de vrouw te wijzen op een veel diepere dorst, die spiritueel is van aard. Langs een omweg komt Hij bij het verlangen van de Samaritaanse vrouw om door God geliefd te worden. Ze hongert en dorst naar geloof. En die dag breekt al aan! (Johannes 4, 9-11)

Is Jezus dan méér dan Jakob, die de bron daar in Sichar heeft geschonken en er zelf uit heeft gedronken? Dat is Hij zeker en dat lezen we hier al tussen de regels door. Op zijn weg naar Golgota zal Hij uitgeput zijn kruis dragen. Aan het kruis zal Hij om drinken vragen. (Johannes 19, 16-17 en 28-30) Jezus zal uit de wereld terugkeren naar zijn Vader en uit Liefde voor wie Hem volgt, zal Hij tot het uiterste gaan. (Johannes 13, 1) Met de instelling van het nieuwe Verbond zal Hij het levende water worden, door op te staan uit de dood. (Johannes 20, 1-18)

Zal de Samaritaanse vrouw tot zijn volgelingen behoren? Voorlopig begrijpt ze niet wat Hij bedoelt. Hij heeft het over water die alle dorst verzadigt, maar waar gaat het over? (Johannes 4, 13-15) Zij denkt nog steeds aan het water uit de put waar ze bij staan, al zal dat vlug veranderen. Ze vraagt Hem wel al om water: de rollen lijken plots omgedraaid. Wat Hij in symbolen aanbrengt, spreekt haar alleszins aan.

Tweede luik: verwarring

De Samaritaanse - haar naam zullen we nooit kennen - herkent in Jezus een profeet: Hij spreekt duidelijk in Gods Naam. Maar zijn de woorden die Hij spreekt ook voor haar bestemd? Ze hebben alvast dezelfde voorouders. Niet toevallig vindt dit gesprek plaats aan Jakobs bron. 

Echter, Samaria wordt door de Joden als een onrein volk bestemd. In de Assyrische ballingschap zijn kolonisten uit Mesopotamië in de streek gehuisvest en niet-gedeporteerde Joden hebben gaandeweg huwelijken aangegaan met kolonisten. Op religieus vlak is er een vermenging ontstaan van de Thora met andere gebruiken. Er is op de berg Gerizim zelfs een eigen tempel gebouwd. De Samaritanen worden in Jezus' tijd om godsdienstige en raciale redenen als onrein beschouwd. Het omgaan met Samaritanen en het aanraken van hun voorwerpen maakt Joden onrein. Dat taboe doorbreekt Jezus radicaal.

Jezus is een profeet, dat erkent de vrouw, maar wat kan zij doen? Moet ze bidden tot God op de Gerizim of in Jeruzalem? Het antwoord is eigenlijk al gegeven twee hoofdstukken eerder. Kwaad heeft Jezus de kooplieden van het tempelplein in Jeruzalem weggejaagd. De echte onreinheid schuilt in het geld dat van de tafels op de grond valt. (Johannes 2, 13-22) 'Breek de tempel maar af,' zegt Jezus, 'en Ik zal hem heropbouwen in drie dagen.' (Johannes 2, 19) Een straffe uitspraak, over een tempel die nog niet eens helemaal af is.

Het antwoord geeft Jezus trouwens evenzeer tijdens het gesprek met de Samaritaanse: de bron waaraan ze elkaar spreken, ligt namelijk aan de voet van de Gerizim. Dat is niet toevallig. Jezus heeft de tempel in Jeruzalem bezocht en staat nu nabij de tempel van de Gerizim. Vanaf het begin van zijn verkondiging wordt duidelijk dat zijn Boodschap de kneuterige, enggeestige devotie rond die gebouwen ver overstijgt. Ze zijn slechts tijdelijke constructies.

Derde luik: overgave

De verwarring die leeft bij de Samaritaanse vrouw is niet nodig. De eigenlijke vraag gaat niet over welke tempel de juiste is. God woont niet in stenen. Hij woont in het geloof van mensen. Wie zich toevertrouwt aan de Heer en put uit de bron van het levend water, zal gered worden. Wie is 'echt' in de ogen van God? Zij die Hem aanbidden, vervuld van Geest en waarheid. (Johannes 4, 23-24) Jezus zegt dit heel uitdrukkelijk, tot twee keer toe.

De Samaritaanse vrouw belijdt spontaan dat ze de Messias verwacht. Hier zegt Jezus heel uitdrukkelijk: 'Ik ben het.' (Johannes 4, 25-26) En vol van de Geest trekt ze naar het dorp om te vertellen dat ze Iemand heeft ontmoet die zegt de Messias te zijn. (Johannes 4, 28-30) Ze twijfelt aanvankelijk nog: 'Zou dat niet de Messias zijn?' (Johannes 4, 29) Ze heeft Hem zelf pas ontmoet en ze wil deze ervaring al delen. Dat is de tweede overgave aan God: je geloof, - in verwondering, twijfel en onzekerheid - met anderen delen. 

Het doel van het getuigen van je geloof is niet dat mensen jou zouden bewonderen of verheerlijken. (Johannes 4, 40-42) Dat is wat de meeste Schriftgeleerden en farizeeën zouden doen: de eer opstrijken. Het gaat over Jezus, over Hem alleen. Hem mogen ze ontmoeten en leren kennen. Dat gebeurt ook in Sichar: ze geloven in de Heer omdat Hij hun Redder is. Dank zij de Samaritaanse weliswaar. Dat we haar naam niet kennen, beklemtoont nog eens dat het verhaal uiteindelijk over de Messias gaat.

Ook over voedsel wordt gesproken. En zoals Jezus uiteindelijk wellicht niet heeft gedronken uit de Jakobsbron, zal Hij ook niet eten van wat men wil voorschotelen. De voeding wordt opnieuw als symbool aangewend, parallel met het water. Jezus zegt: 'Mijn voedsel is: de wil doen van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk voltooien.' (Johannes 4, 34) De Vader staat centraal: God in de hemel. Niet het aardse water of voedsel.

Het drieluik en wij

Wat doen wij met ons geloof? Herleiden we het tot minutieuze regeltjes die we nauwgezet opvolgen, omdat geloven zo tastbaar en beheersbaar blijft? Durven we de kern van ons christenzijn benaderen: dat Jezus Christus de Zoon van God is en dat Hij verrezen is op de derde dag? Laten wij de Geest toe in onze overtuiging: stellen wij ons geloof open voor de frisse Wind van Godwege? Of bewaren we het liever achter slot en grendel? 

Laat ons gebruik maken van deze Veertigdagentijd om onze liefde voor God te verdiepen. We kunnen daartoe de afzondering opzoeken, zoals Jezus de eerste zondag in de dorheid van de woestijn verbleef. Of zoals Jezus met enkele leerlingen de berg beklom, vorige zondag in het evangelie, kunnen we stappen doorheen de pracht van de natuur, in een bijna hemelse omgeving. We kunnen ook met mensen in gesprek gaan, zittend bij een bron of op een bankje, of na een viering samen aan de kerkdeur staand, en daarin de kracht van samen geloven ervaren.

We mogen ons geroepen weten om ons te vervullen met Geest en waarheid, op zoek naar een intense en inspirerende verbintenis met God.

10 november 2025

De kunst van de standvastigheid (15-16 november 2025)

Op het vlak van geloof zitten we in woelig water. De Kerk is niet meer de evidentie die ze is geweest. Er klinkt kritiek, en neerbuigende spot soms. Jezus wijst ons in de tempel op de essentie. De gebouwen en gewoonten hebben een plaats in ons geloof, maar dat zou niet de kern mogen zijn. De toehoorders waren wellicht geschokt. Ook wij mogen ons verstand op laten schrikken door de Heer.

Schoonheid

De mensen bewonderen de mooie stenen van de tempel en de prachtige geschonken versierselen, uit dankbaarheid door rijken gegeven. (Lucas 21, 5) Al die schoonheid voor God: het maakt gelovigen blij. Wie zelf weinig geld en bezittingen heeft, voelt zich ergens rijk door deelachtig te mogen zijn aan de schoonheid van de tempel. Het geeft een gevoel van fierheid.

De grondige renovatie van de tempel zelf is intussen een veertigtal jaar afgewerkt. Alles oogt dus nieuw. Aan de uitbreiding van het plein door nieuwe gebouwen toe te voegen, is men nog volop bezig. Alles zal pas echt af zijn een goeie dertig jaar later. Lang zal het eindresultaat er niet staan: een jaar of zes, na 86 jaren van verbouwen en bijbouwen. Dan zal de tweede tempel vernield worden. Al die moeite, waarvoor? 

Alles gaat voorbij

Jezus voorzegt het al: "Wat jullie hier zien: er zullen dagen komen waarop geen steen op de andere zal blijven. Alles zal worden afgebroken." (Lucas 21, 6) Deze woorden moeten hard zijn aangekomen. Jezus spreekt over de tempel: de trots van iedere gelovige. Zijn indrukwekkende architectuur maakt deze tempel tot één van de mooiste gebouwen van het Romeinse rijk! En dat alles zal verdwijnen?

Al die schoonheid stoort Jezus op zich niet, maar Hij beklemtoont dat ons geloof niet uit de bewondering van sierlijke gebouwen mag bestaan. Geloven, dat doe je in je hart. Gebouwen zijn tijdelijk, de trouw aan God moet in ons hart wonen, blijvend. De hemelse Vader verlangt geen uiterlijke sier maar oprecht geloof. 

Dat komt niet terug

Niettemin zijn we gehecht aan de gebouwen waarin ons geloof tot uitdrukking komt: de stenen, de beelden, de glasramen, de geur... Onlangs nog zei iemand me: "Ons kerkje is voorgoed gesloten. Het is verkocht. Zo'n mooi gebouw, ik ben er zo vaak geweest. Een mooie tijd was het. Dat komt niet meer terug." Het is een fenomeen van deze tijd. Er zijn in de vorige eeuw heel wat kerkgebouwen bijgebouwd. Het leek evident dat die extra gebouwen altijd noodzakelijk zouden blijven. Vlaanderen zou altijd katholiek blijven, dat volk dat in de Boerenkrijg streed 'voor outer en heerd' (altaar en haard, of: kerk en gezin). Het leek wel in ons DNA te zitten.

In de laatste zestig jaar is er enorm veel veranderd. Heel gestaag, heel traag, maar onstuitbaar. Parochiegemeenschappen werden kleiner en grijzer. Het aantal priesters nam af. Een rijk aanbod aan andere bezigheden nam de zondag over. En wanneer veel mensen toch nog eens de kerk binnengingen, zomaar of voor een feest, dan voelden ze zich er minder en minder thuis, in tegenstelling tot de generaties voor hen. De rituelen waren hen vreemd geworden. "Moeten we nu rechtstaan? Wat moet ik nu zeggen?" En: "Waar heeft die priester het toch over?" En de krimpende kudde ziet het met lede ogen aan.

Anders

Jezus zegt tegen ons dat we ons niet moeten vastklampen aan gebouwen en structuren, maar dat ons geloof in de eerste plaats in ons hart woont. We worden uitgedaagd om ons geloofsvuur brandend te houden, iedere dag. Dat wil niet zeggen dat vieringen in de kerk bijwonen bijkomstig zou zijn. Je geloof lovend en dankend delen met anderen versterkt je geloof. Wel zou het weinig betekenen als je geloof alleen dàn een plaats in je leven krijgt.

Je geloof gaat niet op slot wanneer je de kerkdeur achter je dichttrekt en de wereld in stapt. Dan begint het pas! Je spirituele batterijen zijn opgeladen, nu kan je aan de slag gaan. Leef je geloof voor, zeg God dank voor wat je ontvangt, vraag Hem om raad als het moeilijk gaat. Laat je niet van de wijs brengen wanneer men je geloof bespot. De Heer zal altijd met je zijn: "Ik zal jullie woorden van wijsheid schenken." (Lucas 21, 15)

Voorbij heimwee

Er wordt vaak met gemengde gevoelens teruggekeken op de rijke Roomse tijden. Er was veel plicht en niet altijd veel persoonlijke overtuiging. Er werd doorgedramd. En er was macht, overal. Dat die structuren ook kwaad hebben verricht, blijft een chronische wonde. Vroeger was het anders, maar of het ontegensprekelijk beter was, dat blijft toch maar de vraag. Het was eenvoudiger: het was zo, het moest zo en het bleef zo. Maar de tijd is niet stil blijven staan. Heimwee heeft doorgaans de romantiserende neiging om alleen de mooie aspecten te onthouden.

Net zoals de val van de tempel ooit moést gebeuren, zo is ook de huidige evolutie rond de Kerk en kerkgebouwen onvermijdelijk. We gaan terug naar de essentie: een persoonlijke overtuiging, een gekoesterd geloof, de eigen trouw aan God. Niet omdat het hoort, niet omdat het is opgelegd, maar omdat je dat engagement belangrijk vindt in je leven, zinvol en verdiepend. Soms zullen angst, onzekerheid en heimwee lonken, maar ze hoeven absoluut niet het laatste woord te hebben. Luister naar je hart. Put kracht uit de geloofsgemeenschap.

Standvastig

God zal altijd met ons zijn als wij Hem trouw blijven: "Geen haar van je hoofd zal verloren gaan." (Lucas 21, 18) En ja, we mogen heus aarzelen en twijfelen van tijd tot tijd, zolang we maar de weg vinden naar Hem als het er op aan komt: "Red je leven door standvastigheid." (Lucas 21, 19) Laten we ons geen illusies maken: standvastig als God zelf zullen we nooit zijn. Maar dat weet Hij wel: Hij heeft ons immers geschapen. Standvastigheid is een kunst, een gave waarin je steeds verder mag groeien.

Het kerkelijk jaar loopt op zijn einde. Over twee weken begint de advent. We ontvangen in dit evangelie heel belangrijke raad, die we mee kunnen nemen in ons gebed de komende tijd.

29 juli 2025

Dwaasheden over God en rijkdom (2-3 augustus 2025)

Een man wil eindelijk het erfdeel ontvangen dat zijn broer voor hem achterhoudt. Ten einde raad vraagt hij hulp aan Jezus. Hij predikt rechtvaardigheid, dus misschien kan Hij uitsluitsel geven. De man krijgt geen financieel advies, maar wordt spiritueel de oren gewassen door Jezus. Bezit zal Hem niet dichter bij God brengen.

Mensen hebben in grotere of kleinere mate zowat allemaal de drang om iets te bereiken, om iets te betekenen in het leven. In een samenleving waarin geld een cruciale rol speelt, wordt die betekenis niet zelden financieel ingevuld. Welvarend en succesvol beschouwt men als synoniemen. Het zijn begrippen die hoog aangeschreven staan. Uiteraard kunnen we ons de vraag stellen of we daarvan ons levensdoel zouden moeten maken. Stellen we dan de juiste prioriteiten, gebaseerd op goede, opbouwende en zinvolle idealen?

Prediker

In de eerste lezing van deze zondag worden we met de neus op de feiten van het leven gedrukt. Wat we ons ook in het hoofd halen van grote gedachten en indrukwekkende projecten: de vruchten worden uiteindelijk aan een ander doorgegeven. Als het er op aankomt, zijn al onze grootse dromen slechts lucht en leegte. (Prediker 1, 2) Eens haal je voor het laatst adem hier op aarde en ligt alles wat je hebt opgebouwd in andermans handen. Heeft het dan zin om te zwoegen, alles nauwgezet bij te houden en na te tellen wat je hebt verworven? Wat levert het op om er je nachtrust voor te laten? (Prediker 2, 21-23) Een terechte bedenking.

Prediker pleit niet voor plat fatalisme en goedkoop hedonisme. Wel klinkt er een pleidooi om je leven zinvol in te richten, en niet op te bouwen louter rond rijkdom en ego en macht. Want dat zijn holle idealen. 

Geld van God

Er zijn tegenwoordig verkondigers van het welvaartsevangelie’. Dat is een heel merkwaardige beleving van het evangelie, vertrekkend vanuit de 'American dream' gecombineerd met een heel eenzijdige en selectieve lezing van de Schrift.

Men vertrekt vanuit ambitie en persoonlijke groei en komt uit bij slogans als: ‘Met God is alles mogelijk.’ Aangezien je krijgt van God wanneer je biddend vraagt, kan je met God alles bereiken wat je maar wil. God maakt je rijk en succesvol. Kleine en grote mirakels zijn in die uiterst tastbare beleving nooit ver weg. En wie niet beloond wordt, die gelooft kennelijk nog niet voldoende. Die moet nog meer in zichzelf of in God geloven. Er gaat veel geld om in dergelijke kerkgemeenschappen. 

Motiverende taal, eenvoudige denk- en leefschema's en een God die de ware gelovigen in harde valuta beloont: er bestaat zeker een publiek voor. Toch is er geen evidente fusie mogelijk tussen monetarisme en theologie. Van op een afstandje beschouwd, voelt het allemaal heel commercieel en fake aan. Hoe staat Jezus eigenlijk tegenover geld en bezit?

Investeren
De gedachte dat je investeert in je leven, dat je je doelen vooropstelt, is hoegenaamd niet dwaas. Een leven zonder doelen is even leeg als bij het nastreven van oppervlakkige dromen. Je hebt als mens een reden nodig om uit je bed te stappen, om de dag door te komen en 's avonds weer tot rust te komen. Het is dus zeker de moeite waard om aan de slag te gaan en iets te maken van de dag. 

Je drijfveren zijn belangrijk in het leven. Natuurlijk is het belangrijk om in je behoeften te voorzien en geld te verdienen zodat je kan eten en een dak boven je hoofd hebt. Maar er is zoveel meer om naar te streven. De parabel van de talenten leert ons dat het belangrijk is om als mens mee te bouwen aan Gods Rijk op aarde. De parabel is hoegenaamd geen Jezuaanse beginnerscursus in succesvol investeren. (Matteüs 25, 14-30)

Wat doe je voor anderen? Wat heb je over voor je naasten, voor je omgeving, en bij uitbreiding voor de samenleving? Wat doe je voor God? Maak je voldoende tijd om je Schepper te loven en te danken? (Kolossenzen 3, 1-2) Wie enkel in zichzelf investeert, die investeert in een dwaasheid. Een mens is immers niets op zich alleen. Een christen is niets zonder God.

Muntjes

Jezus spreekt zich niet principieel uit tegen geld. Het is een maatschappelijk gegeven. Zo prijst Hij de arme weduwe die twee muntjes in de offerkist van de tempel steekt. Zij schenkt van haar armoede. Die opoffering zegt veel over haar geloof in God. (Lucas 21, 1-4) Wanneer de inners van de tempelbelasting aan Petrus vragen of zijn Meester al heeft bijgedragen, dan antwoordt die meteen van wel. (Matteüs 17, 24-25)

Anderzijds wijst Jezus de rijke jongeman die bereid is om Jezus te volgen erop dat hij afstand moet doen van zijn rijkdom en bezittingen. (Matteüs 19, 16-22) Zijn bezorgdheid om zijn bezit zal hem immers in de weg staan om Gods Rijk te verwerven. De jongeman zal steeds halvelings bezig zijn met het behoud van zijn rijkdom. Het zal hem afleiden van de essentie: God. Daarna oppert Jezus tot tweemaal toe tegen zijn leerlingen dat het veel moeilijker is voor een rijke om het Rijk Gods binnen te gaan. (Matteüs 19, 23-24) De leerlingen schrikken daarvan. 

Hebben en houden

Jezus drukt zich scherp uit: een mens moet heel zijn hebben en houden kunnen loslaten voor God. (Matteüs 19, 29-30) Het gaat niet zozeer over het hebben, maar over het vastklampen. Dat verstoort het engagement met God. Het is God of de mammon. (Matteüs 6, 24 en Lucas 16, 9-13) Bezit vervormt ons denken en ons engagement. Onze prioriteiten verschuiven naarmate we meer economisch en minder spiritueel denken.

We kennen van Jezus slechts één volwaardige woede-uitbarsting die bij drie evangelisten beschreven wordt, en die gaat wel degelijk over geld. We botsen dus op een belangrijk thema. Wanneer Jezus de handeldrijvende geldwisselaars en verkopers aantreft op het tempelplein, jaagt Hij ze kwaad weg. De tempel moet een plaats van gebed zijn en geen rovershol. (Johannes 2, 14-20) We merken eigenlijk dezelfde denkoefening: wanneer geld in de weg staat voor het gebed tot God, de naastenliefde en het leven volgens de geboden, dan moet het weg. God gaat voor alles. De allerbelangrijkste rijkdom in je leven is spiritueel. (Kolossenzen 3, 1)

Wanneer er dus een man bij Jezus komt met een vraag over een erfdeel, antwoordt Hij kordaat: Pas op, hoed je voor iedere vorm van hebzucht. Want ook al heeft een mens nog zoveel, zijn leven bezit hij niet.’ (Lucas 12, 13-15) Klaar en duidelijk, toch?

In onze Kerk is geld een moeilijk thema. Mag er dan geen koper en goud blinken in een kerkgebouw om God te eren? Jezus verfoeit de ornamenten in de tempel niet, Hij klaagt wel het gesjacher en winstbejag aan. Ook in ons leven kunnen we niet om geld heen. Iedereen wil wat zekerheid. De vraag is wellicht hoeveel belang je eraan hecht en wat je tegenover dat bezit plaatst aan spirituele en sociale engagementen.

08 april 2025

Palmzondag: van uitwuiven tot uitjouwen (12-13 april 2025)

Palmzondag is een bijzonder moment in het liturgisch jaar. We vieren feest, maar de vreugde is gedempt. Er klinkt voortdurend een ondertoon van droefheid doorheen de lofprijzing. Het verhaal van de intocht in Jeruzalem wordt in de liturgie gelezen, maar niet op de gebruikelijke plaats. Dit vreugdevol evangeliefragment is een inleiding, een binnenkomer. Het lijdensverhaal is niet voor niets het eigenlijke evangelie van deze zondag. Palmzondag is meteen ook Passiezondag. 

  • Voor de lezingen van Palmzondag (C-cyclus): klik hier.

Waar ze vroeger op twee opeenvolgende zondagen werden gevierd, resoneren de intrede van Jezus en het lijdensverhaal nu samen, zoals het hoort. Ze zijn immers niet van elkaar los te zien. Het palmzondagverhaal is helemaal verkleefd met wat volgt.

Klein tafereel

De blije intrede in Jeruzalem staat in alle vier de evangeliën beschreven. (Matteüs 21, 1-11, Marcus 11, 1-11, Lucas 19, 28-44 en Johannes 12, 12-19) Wat opvalt bij Lucas is de milde vreugde. Het feestelijk karakter is veel minder expliciet aanwezig dan bij de andere evangelisten: geen wuivende palmtakken, geen hosanna-geroep door de menigte. Alleen de leerlingen omringen Jezus, die gezeten is op een ezeltje. Hij wordt niet geëscorteerd door een schare van volgelingen. Bij Lucas is de intrede geen grote manifestatie, maar een klein, symbolisch tafereel dat deel uitmaakt van de aankondiging van het grote breekpunt in het evangelie. Er groeit iets, er is een duidelijk crescendo in de verhaaldynamiek, dat zachtjes begint. De scherpe, pijnlijke klanken zullen steeds sterker worden. Jezus gaat niet enkel de tempelstad binnen, het zal weldra ook de plaats van zijn veroordeling zijn.

Jezus rijdt op een ezeltje de stad binnen. Wanneer de leerlingen een ezelsveulen losmaken op de plek die Jezus heeft aangeduid, sputtert de eigenaar helemaal niet tegen. God wil het zo: wat is voorspeld, dat zal geschieden. Zacharia heeft in een profetie immers voorzegd: “Je koning is in aantocht, bekleed met gerechtigheid en zege. Nederig komt hij aanrijden op een ezel, op een hengstveulen, het jong van een ezelin.” (Zacharia 9, 9c) Geen draagstoel, geen koets, maar een vrij klein dier: een ezelsveulen. (Lucas 19, 32) Jezus steekt amper uit boven de anderen, gezeten op een weinig elegant en soms erg koppig lastdier in de ogen van de mensen. 

Het culminatiepunt van de grootsheid van Christus ligt niet in zijn menswording, maar in zijn verrijzenis. Jezus gedraagt zich op aarde dus niet als een koning, maar als Mensenzoon onder de mensen. Hij zal lijden als een Dienaar. Paulus vat het op sublieme, quasi poëtische wijze samen: “Hij, die de gestalte van God had, heeft zich niet vastgeklampt aan de gelijkheid met God, maar heeft zichzelf leeggemaakt en nam de gestalte aan van de mensen. Aan de mens gelijk geworden, heeft Hij zich vernederd, door gehoorzaam te zijn tot in de dood: de dood aan het kruis.” (Filippenzen 2, 6-8) Daarom is Palmzondag ook Passiezondag. De aankomst in Jeruzalem is de intrede naar de kruisweg.

Vreugde

Niettemin is er vreugde en blijdschap in het fragment uit het Lucasevangelie te lezen. Dankbaar om de wonderdaden die ze hebben gezien, prijzen de leerlingen vol vreugde de Heer, met luide stem. (Lucas 19, 37) Het lof en de dankzegging van de leerlingen zijn puur en oprecht. Het is een blijheid waarin wij elke dag mogen delen. Geloof ontdaan van diepe vreugde, is niets meer dan een dor en levenloos fossiel, een geheel van doffe en matte restanten zonder kern. De leerlingen zien nog niet in wat er komt. Hun vreugde is naïef maar oprecht. Wij weten waar de Goede Week naar opbouwt: langs het lijden van God zelf naar het hoogtepunt van het Nieuwe Verbond. Tegelijk blijft ook voor ons zoveel van de Boodschap niet te vatten. Ook ons geloof blijft altijd onderweg in de tijd.

De leerlingen roepen uit: “Gezegend Hij die komt als koning in de naam van de Heer!” (Lucas 19, 38a) We kunnen er meteen een psalmvers in herkennen: “Gezegend wie komt in de naam van de Heer” (Psalm 118, 26a) De lofprijzing van de leerlingen gaat verder: “Vrede in de hemel, en eer aan de Allerhoogste!”, of “... eer aan de hoogste hemel! (Lucas 19, 38b) Ook hier is Psalm 118 niet ver weg: “U bent mijn God, U zal ik loven, hoog zal ik U prijzen, mijn God!” (Psalm 118, 28) 

De woorden die Paulus in zijn Filippenzenbrief schrijft, trillen hier mee: “God heeft Hem hoog verheven en Hem de naam geschonken die elke naam overstijgt: Jezus Christus is de Heer.” (Filippenzen 2, 9 en 11) Jezus op een ezelsveulen gezeten, beeldt deze verheffing uiteraard niet uit. Nee, deze nederige intrede geeft eerder het grote contrast vorm, de anticipatie op Goede Vrijdag en Pasen. Want op het kruis zal Jezus verheven worden, letterlijk. En met Pasen zal Hij de dood voor eens en altijd overstijgen: de ultieme verheffing. Zo komt andermaal de verkleving tussen het intochtverhaal en het lijdensverhaal aan het licht.

Gesloten accolade

De vreugdevolle uitroep van de leerlingen verwijst heel duidelijk naar wat de engelen uitzongen bij de herders, toen Jezus werd geboren: “Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor de mensen die Hij liefheeft.” (Lucas 2, 14) Wat zo vreugdevol geopend werd bij de aanvang van Gods menswording, wordt nu plechtig en onomkeerbaar dichtgetrokken bij het naderen van het lijden. Een accolade wordt voor eens en voor altijd dichtgemaakt. We staan op een breekpunt. Jezus is op onze aarde gekomen in onze tijd, en die kent geen teruggang, ze gaat enkel vooruit.

De spanning groeit. We bemerken in de verontwaardigde reactie van de Farizeeën hoe de ergernis verder toeneemt: “Meester, berisp uw leerlingen.” (Lucas 19, 39) De listige vragen en valse opmerkingen maken plaats voor meer drastische middelen. In het volgende hoofdstuk horen we dat Jezus zijn leerlingen toespreekt terwijl de menigte meeluistert: “Pas op voor de Schriftgeleerden die zo graag in dure gewaden rondlopen en op het marktplein eerbiedig begroet willen worden, en een ereplaats verlangen in de synagogen en bij feestmaaltijden: ze verslinden de huizen van de weduwen en zeggen voor de schijn lange gebeden op.” (Lucas 20, 45-47a) Het conflict kan niet meer worden opgelost. Jezus weigert zich te schikken naar hun regeltjes en hun hovaardigheid. En dat is meteen een directe aanleiding tot de veroordeling die weldra volgt.

De Farizeeën vragen Jezus om zijn leerlingen te doen zwijgen, maar Hij antwoordt: “Ik zeg u: als zij zouden zwijgen, dan zouden de stenen het uitschreeuwen.” (Lucas 19, 40) De hele schepping wil het uitroepen. De vreugde om Gods Boodschap is niet meer te dempen. Alleen zal Jeruzalem de ultieme heilsboodschap van Godswege uiteindelijk toch afwijzen. Jezus weent over Jeruzalem, dat geen vrede zal kennen en dat met de grond gelijk gemaakt zal worden. (Lucas 19, 41-44) De vrede die de engelen en de leerlingen hebben uitgeroepen, zal de stad niet ten deel vallen. Jeruzalem: de tempelstad, die de stad van vrede genoemd wordt, zal 35 jaar later vallen. Het Romeinse beleg, op een joods paasfeest, zal duizenden en duizenden mensenlevens kosten...

Sacraal

Terug naar Lucas. Op de intrede volgt een sacrale passage. De tempel wordt de plaats waar Jezus het joodse paasfeest en zijn eigen Pasen tegemoet treedt: de ultieme plek die naar God verwijst. Na de intocht volgt de tempelreiniging, maar dan heel beknopt verteld, in welgeteld twee verzen. (Lucas 19, 45-46) Hij noemt de tempel zijn huis: “Mijn huis moet een huis van gebed zijn, maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!” (Lucas 19, 46) Dagelijks spreekt Hij er daarna de mensen toe. (Lucas 19, 47a) De hogepriesters, Schriftgeleerden en leiders van het volk voelen zich geschoffeerd en willen Hem uit de weg ruimen. (Lucas 19, 47b) 

Maar ze kunnen weinig doen: het hele volk hangt aan zijn lippen. (Lucas 19, 48) Voorlopig althans. Niet alleen de leerlingen, maar het hele volk is nu naar Hem gericht. Alle registers staan open. Alles wat is opgebouwd in het Lucasevangelie, vanaf het prille begin, wanneer Maria verneemt dat ze Gods Zoon zal baren, komt nu samen in een luid en denderend akkoord, veel te oorverdovend en te wijds om het te kunnen bevatten. 

Dat mensen vlug van mening kunnen veranderen en zomaar verachten wie ze gisteren nog hebben aanbeden, wordt andermaal bevestigd op Goede Vrijdag. Met Palmzondag wuift men Jezus toe. Wie Hem gehoord heeft in de tempel, wuift Hem enthousiast uit wanneer Hij zijn onderricht afgerond heeft. En onder druk van de Farizeeën en oudsten, wordt Jezus door diezelfde mensen plots luidkeels uitgejouwd, onverbiddelijk en gevoelloos hard. Na de vreugde van Palmzondag volgt er onrecht, leed en droefheid. Voorlopig althans. 

04 februari 2025

God en mens, ideaal en realiteit (8-9 februari 2025)

Jesaja is een profeet. Hij heeft een diepe mystieke band met de Heer. Jesaja ziet met lede ogen aan hoe het volk zich afkeert van de Heer en tracht hen te waarschuwen voor de gevolgen van hun zelfgenoegzaamheid. Ze drinken en feesten, ze zoeken hun heil in rijkdom en bezit. Ze kiezen zelfs hun goden, die ze plezieren wanneer het hen uitkomt. Het is duidelijk voor Jesaja: dit kan niet blijven duren. Het volk is allang vergeten wat God voor hen heeft gedaan. In een visioen ziet de profeet wat er komen zal, en dat deelt hij met de mensen, of ze het horen willen of niet. Dat is wat een profeet doet: als geroepene door de Heer de mensen in wijsheid toespreken en waarschuwen.

Visioen

In een visioen ziet hij de Heer, die een mantel draagt, waarvan de zoom de hele tempel vult. (Jesaja 6, 1) Dit gebeurt op het ogenblik dat koning Uzzia is gestorven, voegt Jesaja er aan toe. De troon is leeg. Deze tijdsaanduiding wil niet louter historische geloofwaardigheid toevoegen, maar is ook inhoudelijk relevant: na grote weelde onder Uzzia dreigt aan de horizon een angstige tijd, met oorlog en geweld. 

Hoewel Uzzia over het algemeen geboekstaafd staat als een goede vorst, die tijdens zijn 52 jaar op de troon het leger versterkte en verschillende steden van betere omwalling voorzag, stierf hij van een huidziekte. Hij had zelf wierook geofferd in de tempel, een gebruik dat enkel aan de priesters toekomt. (2 Kronieken 26) Hij wou zijn macht uitbreiden en ook het sacrale beheersen. Er verschijnen inderdaad onweerswolken aan de horizon. De welvaart heeft de mensen verwaand gemaakt, terwijl de macht koning Uzzia had verblind. Het noordrijk Israël zal weldra vallen en later ook het zuidrijk Juda.

Gezien en ook weer niet

Jesaja zag de Heer, zo meldt hij. We mogen niet te vlug over dit vers van Jesaja heen lezen. Hij spreekt namelijk het onmogelijke uit: “Ik zag de Heer.” Het verlangen van zoveel gelovigen lijkt in Jesaja te zijn vervuld. Maar hij spreekt over een beeld in extase, niet over een ontmoeting. De profeet ziet het Goddelijke, het meest zuivere. Hij ziet immers slechts de zoom, de buitenrand. (Jesaja 6, 1) Die zoom alleen al vult de héle tempel. Het mag duidelijk zijn dat onze menselijke bouwsels God nooit kunnen omvatten. Hier wordt de grootheid van God beklemtoond. Dat is net wat het volk lijkt te zijn vergeten, en koning Uzzia ook. De Heer mag niet herleid worden: dat komt ons hoegenaamd niet toe. Niet tot een instrument en evenmin tot een handig hulpmiddel.

Jesaja ziet de troon en de zoom van de mantel van de Heer. Het zijn koninklijke beelden. De koningen in de beide rijken - noord en zuid - zijn nog slechts een schaduw van Davids koningschap. En ook David kreeg de koninklijke macht van God, en van God alleen. (2 Samuel 5 en 24) God is de ultieme Koning, Hij die geen fouten maakt, die smetteloos is, maar die door mensen in hun falende trouw wordt bedrogen. God is de Allerhoogste, door een mens nooit te evenaren. 

Allerheiligst

Bij de Heer staan in het visioen twee serafs die elkaar toeroepen: “Heilig, heilig, heilig is de Heer van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.” (Jesaja 6, 2-4) Deze zin kennen we uit de eucharistie. Het is de enige keer dat serafs (of serafijnen) worden vernoemd in de Schrift. Het zijn engelachtige figuren die dicht bij God staan, maar zelfs zij worden verblind door Gods helderheid: met twee van hun vleugels bedekken ze hun gezicht. (Jesaja 6, 2)

Ze zingen ‘Kadoosj-kadoosj-kadoosj’: tot drie keer toe wordt God heilig genoemd. Dit wijst op een overtreffende trap of superlatief: God is Allerheiligst. Deze aanroeping wordt herhaald in Openbaring (Openbaring 4, 8). De drievoudige herhaling dient ook als benadrukking: er is niet naast te kijken, het staat er drie keer. Er is tevens een morele connotatie: een duidelijk contrast met de onreinheid van mensen. Het drievoud kan ook als tijdsperspectief geïnterpreteerd worden. In alle tijden: verleden, heden en toekomst. Vanuit christelijk perspectief kan de triniteit erin gezien worden. 

De Heer die door de serafs wordt bezongen, heeft zich niet teruggetrokken in de hemel maar vervult de aarde, de hele Schepping. Zijn majesteit is niet gereserveerd voor Kanaän: de héle aarde is vervuld van zijn glorie. Hiermee wordt het allesomvattende karakter van het geloof onder woorden gebracht: niets is groter, niets weegt op tegen de Heer. Er is maar één Heer, één God. Tegelijk brengt dit perspectief een openheid mee voor die hele schepping: iedereen mag in Hem geloven. 

Kleine ik

In contrast met de Allerhoogste beziet Jesaja zichzelf en klaagt: “Wee mij, ik ben verloren, want ik ben een mens met onreine lippen te midden van een volk met onreine lippen!” (Jesaja 6, 5) Er klinkt ontzag, en zelfs angst en fatalisme: Wie ben ik: kleine, nietige ik? Uzzia had zich beter die vraag gesteld: hij liep met zijn lompe voeten de tempel zomaar binnen, denkend dat hij alles kon en mocht. En bij het volk, dat enkel aan zichzelf denkt, horen we helaas evenmin deze kritische zelfreflectie.

Bij zijn eerste ontmoeting zegt Simon tegen Jezus: “Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens.” (Lucas 5, 8b) En de honderdman, die Jezus om een gunst vraagt, zegt heel nederig: “Heer, ik ben het niet waard dat U onder mijn dak komt.” (Lucas 7, 6d) Ook Johannes de Doper verkondigt: “Ik ben het zelfs niet waard om de riemen van zijn sandalen los te maken.” (Lucas 3, 16b) In het bijzijn van God en zijn wonderlijke kracht en grootheid, voelt een mens zich klein. Geloven, dat is ontzag hebben voor God. En de eigen beperkingen onder ogen zien.

Reinheid

Er gebeurt iets opmerkelijks in het visioen van Jesaja. Zijn menselijke gebrekkigheid blijft niet onveranderd bestaan. Eén van de serafs neemt met een tang een gloeiende kool en reinigt daarmee Jesaja’s lippen. Zijn zonden zijn tenietgedaan. (Jesaja 6, 6-7) De menselijke tekortkomingen zijn niet gebrandmerkt, de reiniging wel. En zo zijn er nog vormen van reiniging in de Schrift: met hysop of marjoraan bijvoorbeeld (Psalm 51, 9), door een offer van vogels, of met cederhout of karmozijn (Leviticus 14, 49). Het offer kan ook geestelijk van aard zijn en bestaan uit een een gebroken geest en een verbrijzeld hart (Psalm 51, 19), of uit het belijden van zonden (1 Johannes 1, 9). Door het bloed van Christus is het eigenlijke offer volgens Johannes al geschied. (1 Johannes 1, 7)

Het contrast is duidelijk: reinheid is Goddelijk, en de mens is God niet. Er is altijd onreinheid of zondigheid aanwezig, al van bij de geboorte. (Psalm 51, 7) Deze woorden zijn loodzwaar geworden doorheen de tijd, in die mate zelfs dat in de christelijke geschiedenis sprake is van een toenemend schuldcomplex. Dit kan leiden tot ziekelijk fanatisme: een staat van onvrijheid, waarin men voortdurend angstig is om te falen of teleur te stellen, bang voor de duivel en bang voor de hel. Een andere reactie is doemdenken: wat baat het om je best te doen, als je toch altijd en overal zonden begaat?

Van alle tijden

Er wordt terecht wel eens gespot met de kerkelijke wijsvinger, immer waarschuwend opgestoken, speurend naar zonde en verderf. “Wat hebben ze ons wijsgemaakt?”, hoor ik soms van mensen, of: “Ik mocht werkelijk niets toen ik jong was.” Echter: ook nu kennen we bekende en onbekende mensen een voorbeeldfunctie toe. In de verschillende vormen van seculiere moraal – van links over centrum tot rechts – is evenzeer een ideaalbeeld ontwikkeld en wordt waarschuwend gewezen naar alle mogelijke afwijkingen. De sociale media puilen er zowat van uit: verwijten, veroordelingen en dreigementen over en weer.

Dit markeert het tijdloze menselijke conflict tussen ideaal en realiteit, tussen zuiverheid en menselijk falen. Het zal nooit verdwijnen. Wanneer Jesaja echter over zijn visioen spreekt, dan viseert hij geen kleine foutjes. Hij heeft het over iets vreselijks in Gods ogen. Voorafgaand heeft de Heer bij monde van Jesaja immers gefoeterd op het volk dat huizen bouwt, eigendom verzamelt en feest viert, maar dat God vergeet. (Jesaja 5, 8-12) Die eerste zaken zijn voor God nog niet eens het probleem. Maar dat ze Baäl vereren in plaats van God en dat ze vergeten wie hun Schepper en Bevrijder is, dat ze vol van zichzelf van God wegkijken: daar is God kwaad over. (Jesaja 1) Woest zelfs: de edelen zullen in ballingschap verhongeren en het volk zal omkomen van de dorst, zegt Jesaja dreigend. (Jesaja 5, 13) Jesaja is geen waarzegger of wichelaar, hij ziet wat er aan het gebeuren is. Interessante randbemerking: de voorzegging is al vervuld wanneer de teksten van Jesaja en aanvullende profetische teksten in de laatste redactie worden samengebracht tot één boek.

Essentie

We zijn mensen. We doen vaak ons best, en we falen soms. Bij momenten gaan we zelfs bewust in de fout. En spijt komt altijd te laat. Dat is de onreinheid waar het over gaat. Onrein betekent immers: niet smetteloos, niet perfect. En dat zijn wij inderdaad niet, hoe hard we ook ons best doen. We zullen het ook nooit worden. 

Wat de Heer van ons verlangt, is geen regelneverij of kwezelarij. Wat Hij vraagt, is dat we Hem loven, eren en danken, dat we Hem trouw blijven in de geboden. Kort maar krachtig: dat we God niet vergeten of negeren. Daarom vat Jezus God Wet terecht samen in het dubbelgebod van de Liefde. (Matteüs 22, 36-40) We hoeven niet bevreesd te zijn, zoals Jezus ook zegt tegen Simon. (Lucas 5, 10) Ons geloof zal ons op de weg van de Heer brengen.

Met de serafs, en met Jesaja die het visioen heeft verkondigd, mogen wij trots uitroepen: “Heilig, heilig, heilig is de Heer, de God van de hemel, die de aarde vervult!” Het zal God verheugen, en ook ons blij maken.

09 juli 2024

Dank U wel (13-14 juli 2024)

Amos is geen broodprofeet, die geld verdient met lauwe religieuze praatjes die passen in het kraam van de koning. Een eenvoudige schapenfokker en vijgenteler uit Tekoa in het Zuidrijk Juda wordt door de Heer naar Betel gezonden, het religieuze centrum in het Noordrijk Israël op dat ogenblik, om de wantoestanden daar aan te klagen. Hij treft er huichelarij aan, oneerlijkheid, en een grenzeloze ondankbaarheid naar God. Later zal Jezus op aarde verkondigen in soortgelijke omstandigheden. Mensen vergeten het verleden gauw. Een samenleving heeft weinig aanleg tot het behouden van een wijze en verstandige levensstijl. Dat is van alle tijden. Helaas.

Pijnlijke val

In zijn klaaglied over het volk spreekt Amos vlijmscherp: ‘Ze is gevallen, vrouwe Israël, ze zal niet meer opstaan’ (Amos 5, 2a) De teerling lijkt al geworpen, het is al te laat. Of toch niet? ‘Zoek de Heer en leef!’, roept Amos het volk als laatste waarschuwing toe. De gerechtigheid, die zo belangrijk is in Gods ogen, wordt met de voeten getreden, verafschuwd zelfs. (Amos 5, 7) ‘Jullie haten hen die in de poort het recht verdedigen, jullie verafschuwen hen die de waarheid spreken. Jullie vertrappelen de zwakken en eisen een deel van hun graan op.’ (Amos 5, 10-11) De Heer is bij monde van Amos niet mals voor de machtsdragers van Israël. En terecht, zo blijkt.

‘Jullie liggen maar op je ivoren bedden, hangen op je divans, eten lammeren uit de kudde en kalveren uit de stal. Luidkeels zingen jullie bij de harp, en jullie denken te spelen als David zelf.’ (Amos 6, 4-5) Daarmee wordt een gevoelige spreekwoordelijke snaar geraakt. Ze wanen zich David, de grote koning. Verblind door hoogheidswaanzin, rotverwend en vol van gemakzucht, modderen ze maar wat aan en kijken ze zelfvoldaan weg van de problemen. ‘Uit grote schalen drinken jullie wijn en met de beste olie wrijven jullie je in, maar dat Jozefs volk ten onder gaat, dat deert jullie niet.’ Het klinkt allemaal erg zorgelijk.

Bescherming

Het contrast met Davids uiting van dankbaarheid is inderdaad groot (Psalm 139): ‘U hebt mij geschapen en U blijft mij steeds nabij. Alles  wat U doet, is wonderlijk.’ David ervaart God bij zich, naast zich, vóór en achter zich, boven zich. Hij leeft onder Gods bescherming en is zich daar heel bewust bij het zingen van deze psalm.

Welnu, die bescherming van de Heer zal wegvallen, zo kondigt Amos aan. Het Volk zal weldra ondergeschikt worden aan andere heersers. Weg vrijheid, weg vrede, weg zelfbeschikking. Wel luxe en profitariaat ook. Wanneer alles goed gaat, wanneer er welvaart en vrede heerst, dan wordt er door velen geleefd alsof dat allemaal vanzelfsprekend is. Veel mensen lijken hun dankbaarheid maar terug te vinden wanneer ze in onzekerheid terechtkomen. Dan beseft men hoe goed men het heeft gehad. Het is één van onze kleine kantjes, ook nu.

Hebberigheid

Het gaat niet goed met vrouwe Israël, zo blijkt. ‘Huizen van steen hebben jullie gebouwd, maar je zult er niet in wonen’, waarschuwt Amos veelzeggend. (Amos 5, 11b) De huizen zijn immers met steekpenningen en onrechtvaardigheid betaald. Het is een kwade tijd en dat blijft niet onbestraft. (Amos 9, 12-14)

Toch komt de dag dat God het vervallen huis van David zal herbouwen (Amos 9, 11) Maar ook dan zullen de politieke en religieuze heersers God niet herkennen en erkennen, zo weten wij van aan de overzijde van Jezus' komst op aarde. Het blijkt een rode draad te zijn doorheen de heilsgeschiedenis. ‘Dankbaarheid is een bloemke dat in weinig hoven bloeit’, schreef Guido Gezelle. God wordt meer dan eens geconfronteerd met de ondankbaarheid van zijn Volk.

Dankbaarheid

Dankbaarheid is ten diepste een blijk van erkentelijkheid. Naar God toe houdt dat in dat Hij als Ander, als Meerdere erkend wordt en dat zijn eindeloze genade met dankbaarheid beantwoord wordt. Daar faalt het Volk van God grandioos in. God lijkt niet meer te bestaan in de gedachten van de mensen ten tijde van Amos. Sterker nog: Amasja, de priester van Betel, ergert zich aan Amos en stuurt hem weg, terwijl Amos door God is gezonden! Zijn woorden overtuigen de mensen en de koning zou in een slecht daglicht kunnen komen. Waar liggen de prioriteiten van Amasja dan? De straf voor dit alles zal de altaren van Betel treffen. (Amos 3, 14b) De verstrengeling van wereldlijke en spirituele macht zal wel vaker voor wantoestanden zorgen.

Genade valt in dorre aarde bij sommigen, maar niet bij iedereen. ‘In liefde heeft Hij ons voorbestemd om door Jezus Christus zijn kinderen te worden.’ (Efeziërs 1, 5) Geen land is voorbestemd in dit nieuwe tijdperk, geen domein, maar een innige familieband: kinderen van de Vader worden we, waar ook ter wereld, in verbondenheid langs zijn heilige Geest. (Efeziërs 1, 13)

Geen grond

Jezus predikt onderweg. Hij heeft geen eigen synagoge of tempel. De sedentaire invulling van godsdienst blijkt voor wantoestanden te zorgen. Het Volk kan er niet mee overweg. Jezus heeft het Woord als tempel. Zijn leerlingen zendt Hij twee aan twee. Onderweg hebben ze geen reiszak mee, geen geld, geen brood, geen extra kleren, enkel sandalen aan hun voeten en een stok om te wandelen. (Marcus 6, 7) Wanneer iemand hen niet wil ontvangen en niet naar hen wil luisteren, dan moeten ze gewoon verder gaan. “Schud het stof van je voeten als getuigenis tegen hen.” (Marcus 6, 11) 

Niet de aarde, niet het terrein moet herwonnen worden, maar wel de mensen van goede wil. De stoffige aarde in hun sandalen is immers niets waard. Wie niet open staat voor de Boodschap mag het stof houden. Het Nieuwe Verbond is een geestelijke verzoening. Het geloof zet een belangrijke stap vooruit: we zijn verbonden met God langs de heilige Geest. Dit is een spiritueel verbond dat het materiële verbond van in steen gegrifte geboden overstijgt. Het Volk Gods is voor altijd op weg. Met Hem. En vóór alles dankbaar om zijn genade. Het Nieuwe Verbond is ‘neo-nomadisch’ van aard, zouden we kunnen stellen. Terug naar het begin, naar een Volk onderweg. Maar zijn wij daar al aan toe inmiddels?

Zo komen we tot een belangrijk beginsel van ons geloof. In essentie is geloven in God een ingesteldheid, een grondhouding. Gebouwen zijn bijkomstig. God woont niet in stenen. Wel woont hij in de harten van de mensen die tussen die stenen samenkomen om te bidden, de danken, te vieren. 

29 februari 2024

"Weg ermee!" (2-3 maart 2024)

Het Joodse paasfeest is op handen en dan trekken duizenden mensen naar Jeruzalem op bedevaart. Voor de geldwisselaars en koopmannen is het een uitgelezen kans om handel te drijven en inkomsten te halen uit deze grote menigte. Het rovershol dat Jezus aantreft, is dus geen wekelijkse aangelegenheid: het is uitzonderlijk. Zijn verontwaardiging is groot. Hij vindt dat de tempel, die aan zijn Vader toegewijd hoort te zijn, ontheiligd wordt door de geldzuchtige handelaars en Hij jaagt hen er uit. Weg ermee!

El Greco

Eind zestiende en begin zeventiende eeuw wordt de tempelreiniging wel vaker in schilderwerken uitgebeeld: denken we maar aan Stradanus, Jacob Jordaens, Francesco Boneri en Rembrandt. Er is een zekere analogie qua thematiek met de religieuze realiteit van de protestantse reformatie en de daaruit voortkomende katholieke contrareformatie.

El Greco, Spaans voor ‘de Griek’, is geboren in 1541 op Kreta. Hij overlijdt in het Spaanse Todedo in 1614. Zijn echte naam is Domenikos Theotokopoulos. De meeste van zijn werken zijn religieuze taferelen. Hij schildert lange tijd in Venetië en trekt uiteindelijk in 1570 naar Spanje, waar hij gaandeweg zijn eigen stijl ontwikkelt, die gekenmerkt wordt door sterke contrasten, ongebruikelijke kleurencombinaties en rijzige figuren. Hij neemt steeds meer afstand van realistische verhoudingen, waardoor hij in het impressionisme en expressionisme opnieuw onder de aandacht komt.

We bespreken hier El Greco’s Tempelreiniging van omstreeks 1600, geschilderd in tijden van volle godsdienstoorlog. Het werk hangt heden ten dage in de National Gallery in Londen. El Greco heeft doorheen zijn leven vier versies geschilderd.


Het kwaad

Er is in dit werk een figuratieve scheiding gemaakt tussen goed en kwaad. Jezus vormt de formele grens: Hij waakt over het goede en jaagt het kwaad weg. Onder de kooplieden, links afgebeeld in het werk, heerst chaos en verwarring. Ze nemen drukke houdingen aan en kijken van elkaar weg, vooral bekommerd om hun eigen situatie en hun eigen materiaal. Enkelen deinzen angstig terug voor Jezus, in een afwerende houding. Anderen dreigen dan weer te vallen. Vooraan zien we een omvergegooide tafel.



De leerlingen

Aan de rechterzijde krijgen twee leerlingen een rustige, standvastige pose toebedeeld, vooraan. Ze neigen zich naar elkaar toe en kijken aandachtig en met verbazing naar wat zich voor hun ogen afspeelt, alsof ze het analyseren en trachten te begrijpen. De twee apostelen zijn ouder en hebben een baard, wat hun wijsheid wil beklemtonen. Vooral de apostel vooraan heeft er alle vertrouwen in: hij is op één knie neer gaan zitten en laat zijn hoofd op zijn hand steunen. Hij lijkt absoluut niet bang te zijn om omvergeduwd of -gelopen te worden.

Achter hen staan nog eens vier leerlingen te overleggen. Eén leerling springt er uit: de beminde leerling, die veel jonger is dan de anderen. De traditie linkt de evangelist Johannes met de beminde leerling. Hij legt uit wat er gebeurt. Niet toevallig voegt de evangelist Johannes als enige immers toe in het verhaal: “Zijn leerlingen dachten aan wat er geschreven staat: ‘De hartstocht voor uw huis zal mij verteren.’” (Johannes 2, 17) Het Goddelijke mysterie krijgt alle ruimte aan deze zijde van het schilderij. 

Uiterst rechts komt een handelaar nietsvermoedend aan met koopwaar in een mand op het hoofd. Het contrast met de ontredderde man met de mand links kan niet groter zijn. Wanneer de handelaar straks ziet wat er gebeurt, zal deze de fout van de concullega's hopelijk niet meer begaan. Na Jezus’ lijden en dood zullen zijn volgelingen ook een juister inzicht verwerven.

Jezus centraal

Opdat Jezus meteen in het werk zou opvallen, staat Hij centraal en heeft Hij als enige een rood kleed aan. Hij staat bovendien centraal onder de boog van de tempelpoort, een verwijzing naar zijn uitspraak: “Ik ben de deur.” (Johannes 10, 7) Doorheen die poort zien we de buitenwereld. Er lijkt regen aan te komen, wat in het vrij droge klimaat van Israël (en van Spanje) een teken van hoop en nieuwheid is. Zo zal ook Jezus’ dood een nieuw begin inluiden. We zien dus een beloftevolle hemel: donkere wolken die uiteindelijk groei zullen brengen. 

Jezus’ pose is niet krachtig of agressief, maar opvallend sereen. We zien ook geen zweepslag in uitvoering. Het schilderij verbeeldt de enige keer dat Jezus daadwerkelijk zijn kwaadheid uit in krachtdadig handelen. We kennen Jezus als ontroerd of verontwaardigd, maar dat uit Jezus doorgaans hooguit in cassante verbale antwoorden. Vandaar dat de schilder ook hier de figuur van Jezus een zeker rust en standvastigheid wil laten uitstralen.

Op de achtergrond zijn op de muur van de tempel twee reliëfs zichtbaar. Links is de zondeval afgebeeld, die de menselijke aantrekking tot het kwaad binnenbrengt. Net als Adam en Eva uit het Paradijs, worden de kooplieden weggejaagd uit de tempel omdat ze de heiligheid niet respecteren. Rechts zien we Abraham, die bereid is om zijn zoon Isaak te offeren op Gods vraag. Net als Isaak, nadert ook Jezus het zelfoffer: weldra wordt Hij immers gekruisigd. Isaak zal niet gedood worden.

En nu wij

Net als aan het einde van de woelige zestiende eeuw, worden ook wij aan het denken gezet, hier en nu. De keuze van het verhaal en de uitbeelding ervan mogen ons in deze Veertigdagentijd uitdagen om dichter tot God en tot de blijde Boodschap te naderen

Ons lichaam is de tempel, onze geest is de tempel. Zijn wij ons bewust van het kwaad dat er aanwezig is? Neigen we onze aandacht naar de wijsheid en staan we onbevangen open voor het mysterie? Laten we Jezus te allen tijde toe? Trachten we soms ons geweten goedgunstig te stemmen of te sussen met koopwaar? Marchanderen we soms met de inhoud van de Boodschap, zodat die minder uitdagend wordt en beter past bij onze gewoonten? Zijn we zelfbewust genoeg om dat in te zien?

Durven we als Kerkgemeenschap, andermaal in bijzonder woelige tijden, kritisch te kijken naar de mistoestanden die zoveel leed hebben veroorzaakt? Zijn we bereid om met een open blik te betrachten dat de Kerk zich in de toekomst van dergelijk onheil kan vrijwaren en haar zo precieuze openheid en geloofwaardigheid kan bestendigen? Zijn we bereid om daar mee aan te bouwen? 

El Greco vertelde aan de mensen toen een belangrijk verhaal. Ook voor ons mag hij een inspiratiebron zijn. Dat is de kracht van kunst: hoe tijdsgebonden ook, ze is uiteindelijk van alle tijden.

11 maart 2021

Een wijze schriftgeleerde (12 maart 2021)

Jezus had Jeruzalem voor de nacht verlaten, maar gaat de tempel opnieuw binnen, waar Hij het algauw opnieuw aan de stok krijgt met enkele hogepriesters en oudsten die zijn optreden van de dag ervoor afkeuren. Toen had Jezus alle mensen die er iets kochten of verkochten weggejaagd en de tafels van geldwisselaars omgegooid. Een nieuwe dag, een nieuw verhaal. Vandaag wordt een cliché aan diggelen geslagen: niet alle schriftgeleerden worden over dezelfde kam geschoren.

  • Voor de lezingen van de derde vrijdag in de Veertigdagentijd: klik hier. (Marcus 12, 29-35)

Ze willen Hem eigenlijk gevangennemen maar zijn bang voor de reactie van het volk, dat sympathie heeft voor Jezus en zijn verkondiging. Meer en meer mensen willen Hem volgen. Zelf slagen ze er niet in om Hem het zwijgen op te leggen. Daarom sturen de hogepriesters enkele farizeeën en sadduceeën op Hem af, in de hoop dat zij Hem op een godslasterlijke uitspraak kunnen betrappen. Alle middelen zijn goed genoeg om het volk ervan te overtuigen dat Hij gevaarlijk en ongeloofwaardig zou zijn. Maar ook zij slagen er niet in. De spanning neemt toe. Jezus komt met het Woord van Leven, maar zijn woorden worden niet aanvaard door de religieuze oversten, integendeel: de woorden komen over als een bedreiging van hun volledige denkkader.

De schriftgeleerde stemt in met Jezus.

Het verhaal neemt een opmerkelijke wending. Eén schriftgeleerde komt naderbij omdat hij Jezus’ antwoord beluisterd heeft in een discussie met enkele sadduceeën. Hij stemt in met Jezus en stelt een vraag: “Wat is van alle geboden het belangrijkste gebod?” Marcus houdt de omschrijving bijzonder sober. We weten niet of er een dubbele agenda schuilt achter zijn vraag. Misschien is hij geïntrigeerd geraakt na het tumult van gisteren. Het is ook mogelijk dat hij Jezus wil aftoetsen op zijn kennis van de Wet en de Profeten. De schriftgeleerde wordt alvast niet afgeschilderd als vals of gemeen.

Zoals wel vaker gebeurt, antwoordt Jezus kort maar krachtig. Het belangrijkste gebod begint volgens Jezus met: “Luister Israël”. In twee woorden koppelt Hij zijn antwoord aan de joodse traditie door het joodse gebed “Shema Israël” in zijn antwoord te laten klinken (Deuteronomium 6, 4-5).

Jezus zal niet kiezen voor één gebod dat het belangrijkste is van de tien geboden. Met zijn citaat uit Deuteronomium bundelt Hij alvast de eerste drie geboden: “Er is één God, die je moet liefhebben met heel je hart, heel je ziel, al je gedachten en al je krachten.” Meteen voegt Hij er aan toe dat er een tweede gebod is dat even belangrijk (of bijna even belangrijk) is als het vorige: “Je moet je naaste liefhebben als jezelf.” Daarmee zijn de overige zeven geboden samengevat.

Er staat niet: “Als je naarstig werkt, zal je veel bezit verzamelen en aanzien verwerven in je omgeving.” Dat is niet de belangrijkste drijfveer, bestemd voor alle mensen. Niet het “hebben” staat centraal, maar het “zijn”, meer bepaald het bestaan in de liefde voor God. Sterker nog: er is één God en tot Hem moet je je richten met je gebed, met je vragen en twijfels, je hoop en je liefde. Er is geen ruimte voor afgoden en surrogaat-goden.

Jezus vat de tien geboden samen tot twee positief uitgedrukte geboden.

De oorspronkelijke geboden zijn een mengvorm van geboden en verboden. Jezus vat ze samen tot twee positief uitgedrukte geboden, zonder “niet” in de omschrijving: één over de houding tot God, één over de houding tot je naasten. Je hoort je naasten lief te hebben zoals jezelf. Dat komt over als een wat vreemde formulering. Jezus wil ons hiermee niet aanzetten tot grenzeloze zelfliefde zonder meer. Wel gaat Hij er van uit dat we dankbare liefde en respect hebben voor onszelf omdat we door God geschapen zijn, naar zijn beeld en gelijkenis. Jezus ontwikkelt hier geen nieuwe gedachte. Dezelfde zin vind je letterlijk terug in het Eerste (Oude) Testament (Leviticus 19, 18b). Naastenliefde is heel belangrijk in Jezus’ boodschap. Het koninkrijk wordt al werkelijkheid hier op aarde door God en je naasten lief te hebben.

De schriftgeleerde stemt opnieuw in met wat Jezus zegt. Sterker nog: hij herhaalt Jezus’ uitspraak, met een verrassende toevoeging over brandoffers. Het is de liefde voor God die centraal hoort te staan in je geloof, niet het slaafs volgen van rituelen en gewoontes die de eigenlijke Boodschap uithollen. Hiermee stemt de man ook heel nadrukkelijk in met Jezus’ afkeer voor de verkoop en het offeren van dieren in de tempel. Je verantwoordelijkheid mag je niet afwentelen door een offer. Hiermee heeft de schriftgeleerde Jezus’ denken en handelen voor de derde keer bevestigd. Schuilt hier een waarschuwende knipoog naar Petrus, die Jezus tot driemaal toe verloochent?

Vooralsnog gelooft de schriftgeleerde alleen met zijn verstand.

De schriftgeleerde is niet ver van het koninkrijk van God, maar hij bevindt zich er nog niet in. Hij is nog niet gekomen tot de volle overgave. Vooralsnog gelooft hij met zijn verstand maar de bekering ontbreekt. Opmerkelijk aan deze passage is het feit dat de schriftgeleerde hier niet over dezelfde kam wordt geschoren als de andere. Ze zijn niet allen slecht. Jezus houdt niet van vooroordelen. Iedereen verdient kansen. Nu is het aan de schriftgeleerde om de volgende stap te zetten.

Het verhaal heeft een open einde. Die opening biedt ons de uitgelezen kans om in het verhaal te stappen, om onszelf en God er in te ontmoeten.


Volgende post: zondag 14 maart. Thema: "God heeft de wereld lief".

06 maart 2021

De tempelreiniging (7 maart 2021)

Het verhaal van de tempelreiniging kent zowat iedereen. Het heeft alle eigenschappen van een goede actiescène: goeden en slechteriken, woede, spanning en geweld. Dergelijke animositeit is weinig terug te vinden in de evangeliën. We volgen de versie van Johannes. 

  • Om de Schriftlezingen van de derde zondag in de Veertigdagentijd te lezen: klik hier.

Het decor is een tempel, het huis van de Heer, dat echter ontsierd wordt door offerdieren en door geldwisselaars. Er is keuze genoeg wat offerdieren betreft: duiven, schapen, runderen. De geldwisselaars en verkopers hebben een prima verdienste. En dat in het huis van de Heer. De spanning neemt toe. Jezus ergert zich, sterker nog: Hij wordt woedend. Volgens Johannes knoopt Hij koorden aan elkaar tot een zweep, waarmee Hij de dieren de tempel uit jaagt. Hij gooit de tafels met muntstukken met veel lawaai tegen de vlakte. Het moet een ravage zijn geweest. Jezus schreeuwt dat ze van het huis van de Heer een markt hebben gemaakt: een stevig verwijt. Verbijstering alom. Wie denkt Hij wel dat Hij is, om zo’n vernieling aan te richten? “Breek deze tempel af en Ik zal hem in drie dagen weer oprichten,” zegt Jezus. Een tempel waar 46 jaar aan is gebouwd? Onmogelijk! Einde van de scène. “Cut!”, hoor je een regisseur haast roepen. Veel drama in dit verhaal, op het eerste zicht. Maar eigenlijk is er vooral veel dubbele bodem. Er staat niet wat er staat. Daar is Johannes heel sterk in.

De tempelreiniging is bij Johannes een flash-forward naar de verrijzenis.

De tempelreiniging komt bij de vier evangelisten voor: Matteüs 21, 10-13, Marcus 11, 15-18, Lucas 19, 45-48 en Johannes 2, 13-28. Aan de hoofdstukken merk je al een bijzonder verschil tussen Johannes en de andere evangelisten. Bij hem staat het verhaal helemaal aan het begin, terwijl de anderen het verhaal naar het einde toe plaatsen. Dat is geen toeval. De tempelreiniging is bij Johannes enkel een vooruitwijzing naar de verrijzenis. Hij illustreert dat meteen door de oppervlakkige verstaanders aan het woord te laten en daarna vooruit te wijzen naar de leerlingen, die de dieptesymboliek pas na Jezus’ verrijzenis begrijpen: een korte, maar belangrijke flash-forward. Al vanaf het begin van het evangelie van Johannes is de uitkomst duidelijk. Het evangelie is opgebouwd naar de realisatie van dit geloofsmysterie toe.

Jezus' optreden in de tempel is bij Johannes niet de directe aanleiding tot zijn lijden en dood, maar het begin van een spanning tussen Jezus en de gevestigde waarden. De symboliek van de tempel blijft daardoor zuiver op de verrijzenis van de Heer gericht. Bij de andere evangelisten komt de tempelreiniging aan het einde van Jezus’ optreden en is het een aanleiding tot zijn arrestatie. Niet bij Johannes.

Johannes schrijft zijn evangelietekst geruime tijd na de verwoesting van de tempel.

In tegenstelling tot de andere evangelisten, zegt Jezus in het Johannesevangelie ook: “Laten jullie deze tempel afbreken en Ik zal hem in drie dagen weer oprichten.” Johannes schrijft zijn evangelietekst als laatste van de vier, omstreeks 90 na Christus, geruime tijd na de verwoesting van de tempel. Dat wordt ook geïllustreerd wanneer Jezus tot de Samaritaanse zegt: “Er komt een ogenblik dat je niet meer naar de tempel zal kunnen gaan.” (Johannes 4, 21).

De tempel is niet door Christus vernield, maar door de Romeinen tijdens de Joodse opstand, 70 na Christus. Merkwaardig detail: op het ogenblik van de tempelreiniging is er al 46 jaar gebouwd aan het nieuwe tempelcomplex. Het tempelgebouw zelf is zo goed als af. Dat staat in het antwoord te lezen van de Joden in vers 20. Het gebouw met de voorhoven is pas volledig afgewerkt rond 64 na Christus.

Al die minutieuze regeltjes weerhouden je ervan om je geloof te verdiepen.

Jezus reinigt de tempel. Eigenlijk reinigt Hij het geloof van alle betekenisloze regeltjes en gewoontes. Dat doet Hij voortdurend. De oprechtheid van je geloof wordt niet bepaald door plichtsgetrouw regels op te volgen. Sterker nog: al die minutieuze regels weerhouden je ervan om je geloof te verdiepen en een liefdevolle band met de Vader te ontwikkelen. Voor Jezus is de tempel eigenlijk overbodig. Hij reinigt de tempel niet alleen, Hij heft de functie van de tempel op. Waartoe dient de tempel nog als er geen offers meer gebracht worden?

Jezus heft de functie van de tempel op.

De ware spirituele ruimte wordt het geloof in Christus, de Verrezene, of nog preciezer: Christus zelf. Wanneer Jezus zegt dat Hij de tempel zal oprichten, wordt het Griekse werkwoord “egeirein” gebruikt. Dit werkwoord wordt in koinè-Grieks ook aangewend voor de verrijzenis. Hetzelfde werkwoord komt bij Johannes terug in het verhaal over Lazarus (Johannes 12, 1.8.17), ook daar in de context van een vooruitwijzing naar zijn eigen verrijzenis.  

In die mysterieuze spirituele ruimte mogen we verwijlen, biddend in de Veertigdagentijd: “Heer Jezus, wij verkondigen uw dood en wij belijden tot Gij wederkeert, dat Gij verrezen zijt.” (1 Korintiërs 11, 26 en 1 Petrus 1, 3)


Volgende post: dinsdag 9 maart. Thema: "De dooppericopen van Johannes".