Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- De wonderlijke vooruitblik (21-22 maart 2026).

09 maart 2026

'Maar dat mag niet!' (14-15 maart 2026)

Wanneer mensen hard drukken op het feit dat iets 'de enige echte waarheid' is, dan betreft het vaak iets waarvan ze vooral wíllen dat het waar is. Dat is van alle tijden. Jezus wandelt langs een man die blindgeboren is. Prompt wordt de man genezen en hij ziet voor het eerst. Dit is een bijzonder verhaal, dat echter pas werkelijk begint wanneer de man genezen is.

  • Voor de lezingen van de vierde zondag in de Veertigdagentijd C: klik hier.

Argumenten en visie

Er bestaat een verhaal over een missiepater die in een parochie langsging voor een stevige donderpreek. Angst scheen de goede zeden te bevorderen. Hij had - in het Frans - enkele aanwijzingen in de kantlijn toegevoegd met als bedoeling de opbouw van zijn preek kracht bij te zetten. Er stond bij een bepaalde passage de regieaanwijzing: 'argument faible, crier très fort', oftewel: 'zwak argument, heel luid roepen'. Zo zou het argument waarachtiger overkomen en toch wezenlijk kunnen bijdragen aan het geheel. Wordt een zwak argument daar sterker door?

Filosofe Wytske Versteeg analyseert het als volgt: 'De grens tussen waar en onwaar is lang niet altijd helder: iets is zelden "gewoon waar" maar veeleer een kwestie van perspectief'. Feiten spreken voor zich, maar de selectie van de feiten en het onderlinge verband tussen die feiten is al een kwestie van mening. Het is een fenomeen in onze maatschappij vol polemiek: 'mijn waarheid staat boven jouw waarheid'. Eigenlijk is het van alle tijden: in de verzuilde samenleving was er een socialistische waarheid, een katholieke en een liberale. Er kwam nog een Vlaamsgezinde waarheid bij. In Nederland waren er meerdere christelijke zuilen, die zich ook niet lieten vermengen met elkaar. Ook ten tijde van Jezus bestonden er visies en interpretaties. Soms werden (en worden nog steeds) in die interpretaties de feiten passend gemaakt om 'in het straatje te passen'. Een beetje bijknippen, omdat feiten niet in de weg mogen staan van een goed verhaal. Zoiets kan pijnlijke proporties aannemen.

Weten en niet weten

De waarheid, waar vaak gul mee wordt gestrooid in debatten en conflicten, doet de werkelijkheid lang niet altijd eer aan. Socrates zou gezegd hebben: 'Ik weet dat ik niet weet.' (of 'dat ik bijna niets weet', bij monde van Plato in zijn Apologie). Deze paradox van waarheid en niet-weten is ons nog altijd eigen. En in het lijdensverhaal zullen we Pontius Pilatus weldra opnieuw filosofisch horen mijmeren: 'Wat is waarheid?' (Johannes 18, 38) In het Romeinse rijk leefden veel waarheden naast elkaar samen. Ze moesten elkaar verdragen, willens nillens soms. Zowel Socrates als Pilatus realiseren zich dat we altijd slechts een beeld van de werkelijkheid hebben.

Toch is er de werkelijkheid zoals ze zich aan ons presenteert. Los van onze interpretatie, ligt daarin de ultieme waarheid. In het postmodernisme spreken we over het einde van de grote verhalen. Dat betekent niet het einde van de werkelijkheid. Het luidt wel een versnippering in van visies op die realiteit: ieder zijn gedacht, en nog veel meer 'waarheden' dus. Winston Churchill zei ooit: 'De waarheid is onweerlegbaar. Kwaadwilligheid mag haar aanvallen, onwetendheid mag haar bespotten, maar uiteindelijk blijft ze bestaan.' Hij heeft het niet over een visie, maar over de diepe zoektocht naar de ultieme Waarheid die aansluit bij het Schone en het Goede. Bij de klassieke samenhang van deze drie 'transcendentalia' of allesoverstijgende bestaansidealen maakt Kant enkele kanttekeningen (met mijn welgemeende verontschuldigingen voor dit flauwe wijsgerige grapje). We dwalen af.

Wonder

Waarom ben je hier getrakteerd op een filosofische uiteenzetting? Welnu, omdat we op deze Laetarezondag midden in de Veertigdagentijd het verhaal van de genezing van de blindgeborene mogen lezen. Op halfvasten lezen we over een blindgeboren man die Jezus opmerkt onderweg. Een naam krijgt hij niet in het verhaal, ook geen omschrijving. Het verhaal gaat niet over zijn persoon: hij staat symbool. In de traditie krijgt hij de naam Celidonius toebedeeld, maar dat is eerder de vrucht van religieuze creativiteit. Hij is alleszins niet Bartimeus, die andere blindgeborene die wordt genezen. (Marcus 10:46-52)

'Rabbi, wie heeft er gezondigd: hij of zijn ouders?', vraagt een leerling geïnteresseerd. Jezus antwoordt dat geen van hen heeft gezondigd. De man is niet blind door schuld, wat in Jezus' tijd vaak wordt verondersteld, maar omdat er langs hem een wonder moet gebeuren. We horen de man overigens niet vragen aan Jezus om genezen te worden: een unicum in de genezingsverhalen. Jezus mengt aarde met speeksel, bestrijkt de ogen van de man ermee en draagt hem vervolgens op om zich in de rivier van Siloam te wassen. Siloam betekent: gezondene. Dat is geen toeval. De man kan zien, voor het eerst in zijn hele leven. En nu zal hopelijk duidelijk worden waarom er zo uitgebreid is ingegaan op waarheid en werkelijkheid daarnet.

Dat kan niet

Vrijwel meteen na de genezing wordt er in het verhaal namelijk twijfel gezaaid. Buren en kennissen zijn verwonderd. Iemand vraagt zich af: 'Is dat diezelfde man die blindgeboren is?' Een ander antwoordt meteen: 'Nee, hij lijkt er alleen maar op.' (Johannes 9, 9) Dat kan toch niet: een blindgeborene die plots kan zien. En waar de Man is die hem heeft genezen, dat weet hij niet eens. De argwaan is groot. 

Genezen, en dan nog wel op een sabbat? Dat lijkt geen zuivere koffie. Ze brengen hem bij de farizeeën. Misschien kunnen zij klaarheid scheppen, of hun achterdocht bevestigen: het is maar hoe je het ziet. (Johannes 9, 10-14) Zo mooi en idyllisch als dit wonderverhaal begon, zo twijfelachtig is alles geworden enkele verzen verderop. De man die pas kan zien heeft het wonder zelf meteen aanvaard, terwijl alle andere zienden vastzitten in een mist van twijfels en wantrouwen.

In de genezen man lijkt niemand zich te interesseren, merkwaardig genoeg. Niemand vindt het fijn voor hem dat zijn ogen zijn genezen. Het is eerder storend in de ogen van de mensen. De farizeeën en hun aanhangers denken vanuit systemen; mensen zijn bijkomstig. Zij hebben het vooral op Jezus' waarachtigheid gemunt, op zijn identiteit: 'Die Man komt niet van God, want Hij onderhoudt de sabbat niet.' (Johannes 9, 16) Met het wonder zitten ze vooral verveeld. Er ontstaat verwarring. Wat de genezene vertelt, kan niet waar zijn.

Dat mag niet

Er worden twee denkpistes begaan. Misschien is er helemaal geen wonder gebeurd. De farizeeën spelen met de gedachte dat hij helemaal niet blind is geweest en ze spreken de ouders aan: 'Is dit jullie zoon? Hoe komt het dat hij blind was en nu kan zien?' De ouders zijn vooral bang: wie Jezus volgt, wordt uit de synagoge gebannen. Een open en vrij gesprek is het duidelijk niet. Ze willen enkel antwoorden dat de man inderdaad hun zoon is en dat hij blindgeboren is. (Johannes 9, 17-23) 

De farizeeën richten daarna hun pijlen op de 'zogezegde' Aanstichter van het wonder: 'Die Man is een zondaar, dat weten wij.' (Johannes 9, 24) Merk op: ze denken het niet, ze wéten het. Er weerklinkt veel pretentie en weinig waarheid. Volgens de farizeeën moet God de eer krijgen, en bij uitbreiding dus zijzelf, maar zeker Jezus niet. De genezen man reageert verbouwereerd. Jezus moét wel godvrezend zijn, hoe zou God anders tekenen kunnen stellen langs Hem? (Johannes 9, 30-33)

De farizeeën weigeren het te aanvaarden. Ze luisteren helemaal niet. (Johannes 9, 27) Hun laatste argument lijkt wat op de aantekening van de missiepater: ze roepen tegen de man. Macht is altijd een argument. 'Wie denk je wel dat je bent?', schreeuwen ze hem toe. Hij was blindgeboren, dus zondig. En hij leest hen de les? Kwaad werpen ze hem buiten. (Johannes 9, 34) Het mag niet waar zijn.

Inzicht

Dit wonderverhaal vertelt in de eerste plaats hoe mensen blind zijn voor Jezus en zijn Boodschap. Langs de blindgeborene wil Jezus ons duidelijk maken dat Hij ons de ogen wil openen voor de Boodschap van God. De blindgeborene kan nu Jezus zien en komt daardoor tot geloof. (Johannes 9, 36-38) Maar dit beeld wordt meteen omhooggetild, want Jezus zal niet zichtbaar en tastbaar blijven voor de mensen. Ook dan worden ze uitgenodigd om te geloven in de Mensenzoon. (Johannes 9, 39) 

Een gelijkaardig gesprek heeft Jezus verderop in het Johannesevangelie met Tomas, die maar niet kan geloven dat Jezus verschenen is aan de andere leerlingen. Pas wanneer Hij Jezus zelf kan zien, komt hij tot geloof. (Johannes 20, 24-29) We moeten leren te geloven zonder te zien. Dat doen we door in te zien wie de Mensenzoon is.

De farizeeën beweren hooghartig dat zij zien - met andere woorden: dat ze inzicht hebben - en juist dat maakt het nog erger voor hen. (Johannes 9, 41) Hun blik op de waarheid is vertroebeld door allerlei regels en door hun sociale positie. Waarheid is vaak wat men wil geloven en aannemen. De farizeeën zitten vast in hun eigen, bekrompen waarheid. Helaas, want dat is niet de waarheid van Godswege.

Wat geloof jij? Lukt het je om voorbij regels en eigen ideeën tot bij God te komen in je geloof? Wie is God voor jou? Laat je toe dat God zich openbaart als gans Andere? En wie wij jij graag zijn voor de Heer?