Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- As is wat overblijft (18 februari 2026).

28 oktober 2025

Bewondering en verdriet (1-2 november)

Met Allerheiligen herdenken we alle heiligen: alle mensen die hun leven op een bijzondere  en opmerkelijke wijze in teken van God hebben gesteld. Ze mogen ons geloof versterken. Allerzielen, de dag erna, is een ankerpunt in het jaar dat rouw en verlies een plaats in de jaarkalender geeft. Bewondering en verdriet komen samen op deze liturgische tweedaagse.

  • Voor de lezingen van Allerheiligen: klik hier.
  • Voor een suggestie van lezingen voor Allerzielen: klik hier.

Omdat Allerzielen vastgesteld is in die transformerende periode van het vallen van het blad en het verdorren van de natuur, blijft dit moment ook in een seculariserende cultuur relevant. Er groeien stilaan nieuwe rituelen en gebruiken buiten het kerkgebouw, maar een christelijke gedachtenisviering rond Allerzielen blijft eveneens overeind in onze samenleving. Rouw en verlies horen bij het leven, bij ieders bestaan.

Ongrijpbaar

Wanneer iemand overleden is die je heel dierbaar is, dan ervaar je een mengelmoes van gedachten en emoties: verdriet, woede, onbegrip, eenzaamheid… Het gevoel van afgesneden te zijn van die persoon, doet pijn. Het vraagt tijd eer dat gevoel wat minder allesbepalend wordt. Hoe ondraaglijk de pijn is, hoe lang die pijn tot op de voorgrond doordringt en in hoeverre ze ooit vermindert, is heel persoonlijk. Er staat geen maat op pijn en verdriet. Niemand rouwt volgens een schema of planning. 

Stappenplannen kunnen een hulpmiddel zijn, maar ze bepalen de individuele rouw niet. Rouw heeft zoveel facetten, en een model vertrekt steeds vanuit een bepaald perspectief. De fasen in rouw, die Elisabeth Kübler-Ross uitwerkte, en de dualiteit in rouw, die Margaret Stroebe en Henk Schut onder de aandacht hebben gebracht, kunnen ons vast en zeker inzicht geven in rouw in het algemeen. En Uus Knops wijst ons op de kracht van het aanvaarden en het delen van verdriet in woorden en symbolen.

Toch wordt rouw vooral ervaren als iets in je: niet vast te grijpen, niet te beheersen, niet te bedwingen. ‘Het rouwt’ in je, zegt Christine Vandenhole terecht. Die rouw valt niet samen met jou als persoon. Het lijkt wel een deel van je te zijn geworden. Je kunt die rouw ook niet zomaar vergelijken met de rouw van anderen. Intense rouw is iets dat op zichzelf verandert en dat jou daarbij ook transformeert: er is een ‘voor’ en een ‘vanaf’. Over een ‘na’ kunnen we niet echt spreken. Wanneer heb je een verlies volledig verwerkt en ligt het compleet achter je?

Voorbij de sterkte

Rouw hoéft geen taboe te zijn. We leven in een samenleving die de klemtoon legt op perfectie, op prestatie, op welvaart. Rouw kan in die context als een teken van zwakte worden beschouwd. Helaas, want het is een absurditeit te veronderstellen dat je altijd sterk moet en zult zijn. Al te vaak worden lege boutades op mensen in rouw afgevuurd: “straks wordt het beter”, “je moet er even doorheen”, “kop op”… Ze getuigen van een onvermogen om verdriet te beluisteren en onmacht te accepteren. 

“Wat moet ik zeggen?”, denkt men vaak onzeker en gejaagd wanneer men bij iemand langsgaat die rouwt. Het antwoord luidt: heel weinig. Luister naar het verhaal van de ander, maak tijd, laat de stilte toe en de emoties. Er hoeft niet op alles een antwoord te zijn. Schuif een bezoekje vooral niet voor je uit omdat jij je ongemakkelijk voelt. De ander voelt zich in veel gevallen een stuk beroerder. Het is juist heel betekenisvol om het verlies en de gevoelens die het opwekt op de voorgrond toe te laten, kort na het verlies, maar ook daarna. Wat is het toch met ons, Westerlingen, dat we ons ongemakkelijk voelen bij emoties? En vanwaar die veronderstelling dat wij altijd iets moeten doén om het verdriet op te lossen? Op de meeste diepe zaken in het leven hebben we amper vat.

Herinneren

Verlies vraagt om tekens, symbolen, woorden. Door stil te staan bij herinneringen onder de vorm van tastbare dingen en mooie gedachten, geef je jezelf de kans om actief te rouwen. Er kunnen bijzondere momenten uitgekozen worden om persoonlijk bij de overledene stil te staan of om herinneren te delen door samen te komen. Dat wil niet zeggen dat rouwen steeds een droeve gebeurtenis hoeft te zijn. 

Het wil ook niet zeggen dat je jezelf moet dwingen om te rouwen. Er zullen meer actieve rouwperiodes voorkomen en eerder kalme periodes, waar er meer ruimte is voor de buitenwereld en voor andere gedachten. Mensen lopen soms onterecht met een schuldgevoel rond, omdat ze vrezen dat ze dan niet genoeg respect opbrengen voor de overledene door aangename momenten te beleven los van de rouw. Terwijl die momenten je juist adem geven om verder te gaan in je rouw. 

Geen oplossingen

We denken graag oplossingsgericht. Maar verlies is nooit ‘af’. Het beeld dat het een wonde zou zijn die door de tijd kan worden genezen, draagt evenmin bij aan een rouwverwerking. De tijd op zich heelt helemaal niets. Rouw zou nooit ervaren mogen worden als een ‘last’ die verborgen moet worden voor jezelf en voor anderen. Hoe harder we onze emoties onderdrukken, hoe sterker ze zullen opborrelen. We hoeven niet te baden in verdriet. Wel is het belangrijk om in contact te blijven met onze gevoelens en gedachten. 

Door het herinneren van mooie kwaliteiten van de overledene  passies, sterke gedachten en uitspraken, typische eigenheden  kan rouw soms met een glimlach gepaard gaan. Door herinneringen te koesteren – niet op een dwangmatige manier, maar vooral dankbaar ontvangend – leeft die ander verder in jouw gedachten, in je bestaan. Het delen van dat gevoel kan heel bijzonder zijn. Sommige herinneringen zullen vervagen. Dat betekent niet dat je niet erkentelijk bent voor de overledene. De essentie hou je bij: dat wat die persoon voor jou heeft betekent, hoe bijzonder zij of hij wel was. Ook de kleine kantjes van die persoon mogen een plek krijgen in onze herinnering. We herinneren een mens, geen heiligenbeeld.

Bewondering

Heiligen herdenken we daags voor Allerzielen. Dat het feest van Allerheiligen voorafgaat aan Allerzielen is geen toeval. Veel mensen zijn ons voorgegaan naar de eeuwigheid. Heel wat overleden mensen hebben een bijzondere plaats in onze gedachten. Naast mensen in onze persoonlijke kring mogen we ook geïnspireerd worden door bijzondere mensen met een publieke betekenis in de Kerk. Het zijn voorbeeldfiguren die ons geloof mogen voeden omwille van hun bijzondere levensloop; inspirerende gelovigen die ons kracht schenken te midden van de twijfel en onmacht in ons aardse bestaan.

Heiligen zijn ijkpunten in de eeuwenlange traditie, die ons leren dat geloven een menselijk gebeuren is met soms bovenmenselijke – zeg maar gerust: Goddelijke – verheffende durf, en doorzetting, ondanks tegenslagen, onmacht, pijn en verdriet. We kunnen hier gerust onze eigen voorbeeldfiguren aan toevoegen: mensen die ons zijn ontvallen, die een onuitwisbare indruk op ons geloof hebben gemaakt door wie ze waren en wat ze deden. Onze bewondering voor hen is een mooi geschenk, net als het toepassen van hun wijsheid in ons eigen leven.

Dankbaar

Allerheiligen en Allerzielen zijn een liturgische tweespan die het najaar in het kerkelijk jaar markeren. Ze leren ons hoe verdriet en bewondering bij elkaar horen. Het leven hier op aarde ken een begin en een einde. Dat is een tragiek die we moeten accepteren, of we nu willen of niet. We mogen ons gezegend weten door mensen die ons leven verdiepen en mooier maken. 

Als gelovigen mogen we ons laten inspireren door heiligen die aspecten van ons geloof door hun woorden en daden hebben gevormd. De bij wijlen magische proporties die heiligendevotie soms heeft aangenomen, hoeft ons niet tegen te houden. In andere tijden ging men anders om met het christelijk geloof. Ook in onze tijd zullen we uit onmacht en onwetendheid fouten maken waar later wat meewarig op zal worden teruggekeken. Enige nederigheid in onze kritische kijk vanuit het heden misstaat dus nooit.

Allerheiligen is bovenal een feest van dankbaarheid om Gods genadegave van eeuwig leven voor wie Hem eren en wie in Hem hun vertrouwen stellen. Vol bewondering mogen we ons spiegelen aan de heiligen die ons zijn voorgegaan. Met Allerzielen vertrouwen we de overledenen in ons gebed toe aan God, bedroefd om hun heengaan uit ons midden. We vragen God om hen deelachtig te maken aan zijn hemelse Rijk. Door Christus onze Heer, die de Verrijzenis is en het Leven.

22 oktober 2025

Het is moeilijk bescheiden te blijven (25-26 oktober 2025)

In een wereld van veelheid en verwachtingen, maar ook van verandering en voorbij, zoeken we allemaal een plekje. We willen iets betekenen. Ons leven moet het leven waard zijn. Maar wat geeft ons leven zin? Onze eigen prestaties? Of vinden we zin en betekenis bij God? Wie dienen we als christen vooral: God, of onszelf? Jezus trakteert ons op een inspirerende en confronterende gelijkenis.

Eigen lof stinkt

Een christen die enkel lof heeft voor zichzelf, dient zichzelf en niet God. Dat is duidelijk. Een louter zelfbevestigend christendom gaat niet over Christus maar over zichzelf. Het uitgangspunt van je geloof mag gerust het aardse bestaan zijn, maar daarbij mag Gods heerlijkheid niet uitgewist worden ten bate van een glimmend ego.

Wij, mensen, gaan door het leven met een diepe onzekerheid, die soms overgecompenseerd wordt. Soms, niet altijd. De nood aan bevestiging kan verslavend werken. Dan dreigt men in al die inhaligheid geen oog meer te hebben voor de overzijde, zeker wanneer men zich aan de welvarende kant bevindt. God kent heel andere maatstaven, die niet aards zijn. (Sirach 35, 12 - Lucas 18, 14a)

Het maken

In onze tijd wordt het als een grote verdienste beschouwd wanneer je in je eigen kracht staat en daar trots mee schittert voor anderen. 'Shinen' heet dat. Dan ben je het in je leven aan het maken - wat 'het maken' ook moge betekenen in die merkwaardige uitdrukking. Dan word je gezien in al je pracht: op straat, in je vriendenkring, op sociale media. Het fenomeen is hoegenaamd niet nieuw. Praal is van alle tijden.

"Doe maar normaal, dat is al gek genoeg," hoor ik aanmatigend weerklinken in mijn gedachten. Maar 'normaal' is niet meer van tel: er is geen maatschappelijke norm meer. Akkoord, we laten een tijd achter ons waarin teveel werd genormaliseerd. Nu blijkt mijn norm plots dé norm. Een samenleving kan blijkbaar geen maat houden... 

Shinen: het is een kwestie van durven en doen en er niet teveel bij na te denken, zo laat ik me vertellen door enkele online communicatiedeskundigen in een 'pitch talk', een korte, overtuigende voorstelling. (We hebben het juk van de Franse taaloverheersing afgeworpen en persen onszelf nu vrolijk en onbedachtzaam onder een Engelse dominantie. Dit terzijde.) We moeten dus shinen om ons te onderscheiden van de anderen. Alleen dan krijgen we écht het gevoel dat we betekenisvol bezig zijn. Heel even dan toch, want de tijd is ongenadig.

God gebiedend danken

Ook in het Joodschristelijke geloof bestaat deze tendens om belangrijk te zijn. De wereld beïnvloedt ons geloof altijd, minstens op subtiele wijze. Zich onderscheiden van de anderen kan zich veruitwendigen in het neerkijken in Gods Naam: de rest is dan slecht. God, die staat dus aan mijn kant, want ik ben goed.  (Lucas 18, 11a) Zo eigent het ego zich Gods bevestiging toe, en tegelijk ook Gods gerechtigheid. Het ego beslist in Gods plaats. 

Uit de Verenigde Staten komen tegenwoordig best wat zorgwekkende geluiden uit die hoek. De Schrift hoeft een goede 'pitch' niet in de weg te staan. Rijkdom en Jezus: waarom niet? Rassenongelijkheid, vreemdelingenhaat en Jezus: het lijkt allemaal te kunnen wanneer de slogans voldoende herhaald en gedeeld worden. Wanneer standpunten in de samenleving botsen met (een versie van) de christelijke visie, dan wordt er moord en brand geschreeuwd, gevolgd door enkele Schriftverzen. Maatschappelijk onrecht in het eigen voordeel moet dan weer wél kunnen. En dat klopt niet. Dan blijft er geen Gods-dienst over, maar een systeem van zichzelf de hemel in te prijzen. God wordt herleid tot een middel en is niet langer het ultieme doel. Dan zitten we goed fout.

Jezus uit kritiek op al dat ijdel en zelfgenoegzaam vertoon. Lucas situeert de parabel al meteen in een inleidende zin. Deze gelijkenis gaat over mensen die zichzelf vanzelfsprekend-rechtvaardig vinden en anderen minachten. (Lucas 18, 9) Het gaat dan algauw over de eigen verdiensten waarop men roemt: "ik doe, ik geef." (Lucas 18, 12) De meest essentiële vraag wordt daarbij echter niet benaderd: "Wie bén ik voor God?" Hoe verhoud ik mij tot God? Wie is God? Waar liggen mijn grenzen?

Inzicht

Wie zichzelf looft en prijst, komt niet tot bij die vragen omdat de zelf vooropgestelde antwoorden het uitgangspunt vormen. "Natuurlijk doe ik het prima, uiteraard voldoe ik aan Gods Wet", klinkt het axioma van de zelfvoldaanheid. Zo wordt God in een egocentrisch, oneerlijk en onrechtvaardig keurslijf gewrongen. "'t  Is moeilijk bescheiden te blijven wanneer je zo goed bent als ik", om het met een lied van Peter Blanker te zeggen. 

Niet iedereen begaat deze fout uiteraard, maar alertheid is geboden: het gebeurt vaker en vlugger dan we vermoeden. IJdelheid werkt geniepig. Soms sluipt dit ego-denken ongezien in ons gebed en in onze geloofsvisie. En soms wordt het gewoon ongegeneerd en uitdrukkelijk gedaan, ten koste van anderen. (Lucas 18, 11b) Narcisme kent geen grenzen. Je kunt er in verdrinken.

Jezus houdt ons geen spiegel voor opdat we onszelf zouden kunnen bewonderen zoals Narcissus in het weerspiegelende water. Hij vertelt deze gelijkenis om ons wakker te schudden. God komt alle eer toe. God alleen: zonder een vlugge verwijzing naar ik, mij en mezelf. De gelijkenis confronteert ons meteen met onze menselijke imperfectie. Het is helemaal geen schande: we zijn niet perfect, want we zijn God niet. De gelijkenis is juist een oproep om dichter bij God en het goede te komen.

Vernedering en verheffing

Om dichter bij God te komen, moeten we onze eigen onvolmaaktheid kunnen aanvaarden. Dat wil helemaal niet zeggen dat we zuchtend en klagend horen te strompelen door het aardse tranendal totdat niets nog zinvol lijkt, alsof het leven niets waard zou zijn. Het is eerder een waarschuwing dat we ons het tegendeel niet mogen toeëigenen, namelijk: zelfgenoegzaamheid. Wanneer Jezus het heeft over 'zichzelf vernederen', dan bedoelt Hij dat we onze kleinheid moeten aanvaarden en Gods grootheid erkennen.

Bescheidenheid siert. Het maakt ons tot betere mensen. Zelfverheerlijking gaat ten koste van anderen en uiteindelijk ook ten koste van onszelf. Wie enkel op zichzelf bouwt, die heeft een illusie als fundament. Je zult niet altijd sterk staan. De heerlijkheid komt toe aan de Heer, zo schrijft Timoteüs terecht. (Timoteüs 4, 18) Op Hem kunnen we bouwen.

Bescheidenheid siert, maar het is vaak moeilijker in de dagelijkse praktijk dan we soms vermoeden en veronderstellen. 't Is moeilijk bescheiden te blijven. Peter Blanker heeft gelijk (wat de titel van zijn lied betreft). Toch is bescheidenheid eigen aan het volgen van Christus. Het is een kwestie van bewust in ons geloof te staan en daar niet zelfvoldaan over te doen. Soms kan dat moeilijk zijn, maar "moeilijk gaat ook".

16 oktober 2025

De rechtvaardige rechter (18-19 oktober 2025)

Recht en gerechtigheid zijn hoegenaamd geen synoniem van elkaar. Recht staat voor een geheel van regels die een samenleving vooropstelt om het gedrag te reguleren. Gerechtigheid is de eerlijke en redelijke toepassing van dat recht. Rechtspraak is dus soms kromspraak. Ook rechtvaardigheid valt niet samen met recht, maar is een beginsel van morele aard dat gelijkwaardigheid in behandeling volgens het recht vooropstelt. God is rechtvaardig, mensen streven naar dit ideaal, of juist niet. 

Er zijn veel redenen om recht niét te laten zegevieren en het is ontzettend moeilijk om ontsporingen tegen te gaan. Dat zien we elke dag in het journaal. Het is van alle tijden. Het kwaad is machtig. Laten we zes eeuwen eeuwen teruggaan, naar de gebroeders van Eyck. Het feit dat het uiterste luik linksonder van Het Lam Gods de veelzeggende naam De rechtvaardige rechters draagt, verraadt al dat er ook toen klaarblijkelijk onrechtvaardige rechters bestonden.

Bewogen geschiedenis

Ooit stond het prachtige veelluik Het Lam Gods van de gebroeders van Eyck in al zijn glorie in de Gentse Sint-Baafskathedraal te stralen. Hubert Van Eyck vatte het werk in 1424 aan, maar overleed al na 2 jaar. Zijn broer Jan heeft de taak voltooid. Er ontbreekt al bijna 90 jaar een paneel uit het kunstwerk. In de lange geschiedenis sinds 1432 doorstaat het werk overigens heel wat kommer en kwel: het wordt uit elkaar gehaald, weg gesmokkeld, gecensureerd, verborgen, gedeeltelijk overlangs doorgezaagd, gered door dubbelagenten en in het totaal dertien keer gestolen. 

Tijdens de beeldenstorm van 1566 kan men het werk net op tijd in veiligheid brengen. Onder Napoleon echter wordt het centrale deel in 1794 naar Parijs overgebracht en blijven de zijluiken wezenloos achter. Ze worden opzij gezet, zodat vooral de houtworm van het werk kan genieten. Wanneer het centrale paneel dan terugkomt uit Frankrijk blijken de zijpanelen te zijn verkocht door enkele kanunniken en komen de werken uiteindelijk in de handen van de koning van Pruisen. Het middendeel wordt beschadigd door lood en as in de kathedraalbrand van 1816 en barst door uitzonderlijke hitte in 1822. Pas in 1920 zijn alle delen weer herenigd in de kathedraal, als onderdeel van het Verdrag van Versailles. Eind goed, al goed? Denk dat maar niet...

Weg!

De hereniging is van bijzonder korte duur. Amper veertien jaar later, in 1934, worden twee panelen gestolen. Het luik met Sint-Jan de Doper wordt teruggevonden, maar van De rechtvaardige rechters is tot op vandaag geen enkel spoor. De overige panelen worden tijdens de Tweede Wereldoorlog in 1940 toegevoegd aan de kunstverzameling van Hitler. Sinds 1945 is het werk, op het gestolen paneel van De rechtvaardige rechters na, weer te bewonderen in de Sint-Baafskathedraal. In een beveiligde staal- en glasconstructie weliswaar, en aangevuld met een kopie van De rechtvaardige rechters, die merkwaardig genoeg vlugger verouderd dan de originele panelen.

Ziehier een vraag waar ik mee blijf zitten: waarom worden deze panelen gestolen in die vermaledijde nacht van 10 op 11 april 1934? Wat is het motief: losgeld innen, een statement maken? Er zijn uiteraard veel theorieën, maar er komt geen duidelijkheid. Het paneel van Sint-Jan de Doper wordt in een kluis in het station van Brussel-Noord teruggevonden. De anonieme afperser, die zich ‘D.U.A.’ noemt, wil daarmee bewijzen dat hij de echte dief is.

Waarom?

Maar gaat het werkelijk over geld? En waarom zijn juist die twee panelen gestolen? Gaat het misschien over rechtvaardigheid? De figuren op die twee panelen leggen namelijk het onrecht bloot. Voor hen die zich achter macht of wettigheid kunnen verschuilen, zal dat bijzonder intimiderend overkomen. 

De jaren ‘30 zijn een woelige tijd, met de opkomst van het nationaalsocialisme, de opmars van de Vlaams-nationalistische beweging, en aan linkse zijde niet verkeerd te verstane communistische en anarchistische geluiden. Er is veel reuring en de oorlog komt naderbij. Onderlinge twist (polarisatie noemen we dat tegenwoordig) en toenemende agressie (verharding heet dat nu) tekenen de angstige en onrustige samenleving na de beurscrash en de daarop volgende financiële crisis van 1929. Speelt deze sociale achtergrond mee in de motieven voor deze ongeziene kunstroof? Wordt het leven als oneerlijk en onrechtvaardig ervaren door de dader? We weten het werkelijk niet.



Gebroeders van Eyck, Het Lam Gods (1432)

Kijken

Wat beeldt dit gestolen paneel uit? We zien tien middeleeuwse mannen te paard. Op de rotsen achter hen zijn enkele bloemen toe bloei gekomen: een teken van volharding. De torens in de verte doen aan Gent denken, maar exacte weergaven zijn het zeker niet. De heren vooraan in beeld zijn onbetwistbaar welstellend: hun kledij is kleurrijk en deftig, de stoffen variëren van bont tot fluweel. Het zijn gezagdragers. Hun paarden zijn keurig geborsteld en getooid met blinkende ornamenten. Zijn de mannen wel zo rechtvaardig als de titel van het paneel belooft? Of zijn ze eigenlijk malafide, zoals in de parabel die Jezus deze zondag vertelt? Sommigen van hen kijken ernstig en streng. De rechter helemaal vooraan lijkt een meer vriendelijk en zacht gelaat te hebben. Ze kijken allen naar het Lam. De wereldlijke gezagsdragers hebben hun ogen op God gericht. 

Op één na, wel te verstaan. Eén rechter of gezagsdrager, in het zwart gekleed, kijkt ons recht in de ogen aan. Wat is daar aan de hand? Waarom kijkt hij niet naar het Lam? Misschien tracht hij ons te zeggen: “Wat kijk je naar ons? Het Lam, daar moet je naar kijken!” Of is hij onwetend, en begrijpt hij zélf niet waarheen hij kijken moet? Herkent hij in het Lam de Redder niet? Of erkent hij Gods heerlijkheid bewust niet en gaat hij prat op menselijke heerschappij? Misschien kàn hij het Lam niet aankijken omdat hij corrupt is. Laten we niet vergeten dat Jezus tot de kruisdood is veroordeeld: de Verlossing stoelt op een onrechtvaardig menselijk oordeel. Op dubieus gesjacher, zoals die rechter van Jezus’ gelijkenis. Al doet die rechter van de parabel toch iets goeds, zullen we merken.


Gebroeders van Eyck, Het Lam Gods - paneel 'De rechtvaardige rechters' 
(kopie van Josephus Van der Veken, 1934)

Gelijkenis van Jezus

Zo komen we bij de onrechtvaardige rechter waar Jezus over vertelt. Onrecht, machtsmisbruik en sjoemelarij zijn van alle tijden. Het voorbeeld is dus zeker herkenbaar, vanuit een persoonlijke ervaring of eventueel vanuit de typische maatschappelijke clichés dat alle politici leugenaars zouden zijn en alle rechters krom. In dit voorbeeld van Jezus spreekt een doorgaans kromme rechter toch recht. (Lucas 18, 5) Al was het maar om van haar oeverloos gezaag af te zijn.

Is het zo'n rechter die de gebroeders van Eyck hebben uitgebeeld? Zou dat de rechter zijn die niet naar het Lam kijkt, omdat hij zich van God noch gebod aantrekt? Waarom kijkt hij ons dan aan? Hij trekt zich toch van niemand aan? (Lucas 18, 4) Toch is zijn blik naar ons gericht. Zal hij God ooit herkennen in ons, in zijn naaste? Wellicht zoek ik het te ver...

Recht

God is uiteraard géén onrechtvaardige rechter. Hij werkt volgens de wet van de Liefde en wijkt daar niet van af. Wat Hij van ons vraagt, dat leeft Hij voor. Wij trachten, met vallen en opstaan, om dat beginsel zelf in daden om te zetten. Wanneer wij oordelen over anderen, geïnspireerd door die Liefde, dan bereiken we vaak bij lange na niet de rechtvaardigheid die God eigen is. Maar ons trachten is alvast een begin. Dat is waarom we idealen koesteren: om ze na te streven. Daarin is God aanwezig en komt het Koninkrijk van God dichterbij: in geloof dat leeft.

Over God zelf zegt Christus ons krachtig: “Ik zeg jullie dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen.” Het klinkt geruststellend, maar is dat wel de bedoeling? Christus spreekt brandend actuele woorden tot ons: “Als de Mensenzoon komt, zal Hij dan geloof vinden op aarde?” (Lucas 18, 8) Wat denk jij?

06 oktober 2025

De dankbare Samaritaan (11-12 oktober 2025)

Tien mensen worden door Jezus genezen. Ze hoefden het alleen maar te vragen. De gulheid van Godswege is groot. Je zou verwachten dat zij Jezus alle tien oneindig dankbaar zijn en Hem uitgebreid komen bedanken. Niets is minder waar: negen van hen gaan verder en kijken niet eens meer om. Wat een ondankbaarheid... Hun genezing wordt niet ongedaan gemaakt door Jezus, maar ze mislopen helaas wel een andere genade.

Grens

In het grensgebied van Samaria en Galilea, op de grens tussen de ‘uitverkorenen’ en de ‘uitgestotenen’, gaat Jezus een dorp binnen. (Lucas 17, 11) De plaatsnaam vernemen we niet. Dat is bijkomstig en wordt dus niet vermeld. (Lucas 17, 12a) We bevinden ons in een grensstreek, een marge. Dat is geen detail, zeker omdat Samaria één van de twee gebieden is.

Samaria was ooit het politieke centrum van het Tienstammenrijk. In die hoogdagen werd echter ook de Baälcultus geïntroduceerd, onder koning Achab, op aandringen van zijn vrouw Izebel. Veel mensen offerden ook aan Baäl, en dat was afgoderij. Na de val van dat rijk werd de streek Samaria een provincie van het Assyrische rijk en er kwamen Macedoniërs wonen. De bevolking vermengde zich en werd dus niet langer als rein beschouwd.

Ziekte

Enkele mensen komen Jezus tegemoet. Ze hebben een huidziekte, melaatsheid in de brede zin van het woord. Doorgaans kan de kwaal niet worden genezen en daarom worden de getroffen mensen geïsoleerd. Ze blijven op een afstand van Jezus. (Lucas 17, 12c)

De reinheidswetten zijn zoals onze Covid- en andere isolatiemaatregelen: het is een kwestie van bescherming van wie nog niet is besmet. Naast de sociale isolatie hangt er ook een religieus stigma aan hun ziek zijn vast: het wordt vaak beschouwd als een straf van God. Dat wakkert op zijn beurt de angst verder aan uiteraard.

Bedevaart

“Jezus, meester, heb medelijden met ons!”, roepen ze luid. (Lucas 17, 13) Ze vragen om medelijden, ze vragen of Hij wil omzien naar hen (in het Grieks: ‘eleèson hèmas’). Deze vraag maakt nog steeds deel uit van onze liturgie: “Heer, ontferm U over ons.” Misschien is dat een iets te zachte vertaling geworden. De tien vragen het niet zomaar, ze roepen Hem luid toe (in het Grieks: èran foonèn, met verheven stem). Er zit een radeloosheid in hun smeekbede.

Hun bede wordt verhoord – tot hun grote verbazing – en Jezus stuurt hen naar de priesters. Merk op dat ze onderweg daarheen worden genezen. (Lucas 17, 14b) Jezus raakt hen niet aan en heelt hen niet met een andere daad of performant woord. Hun weg naar de priesters is een helende bedevaart, die in opvallend weinig woorden wordt omschreven. Er is een sacrale dimensie aan deze passage: ze worden niet zomaar medisch genezen. Waarderen ze dat aspect van de genezing? Tegelijk maakt Jezus verbinding met de joodse traditie door hen naar de priesters te sturen die hen genezen kunnen verklaren.

Vertrekken

De tien vertrekken (in het Grieks: ‘hupagein’). Het is een weg van bevrijding, van de ziekte achter zich laten. Het mag geen toeval zijn dat Johannes hetzelfde werkwoord gebruikt bij Lazarus, die uit de dood wordt opgewekt uit het graf: “Maak de doeken los en laat hem gaan.” (Johannes 11, 44) Lazarus laat de kluisters van de eindigheid achter zich.

Waarom worden ze door Jezus genezen? Waar hebben ze het aan te danken? Welnu, ze hebben geloof in Hem, ze vertrouwen in hun nood op Hem. En daar is niets verkeerds aan. Toch is de wonderlijke genezing, hoe sensationeel ook, absoluut niet de kern van dit verhaal. Lucas houdt de boodschap voor het eind.

Terugkomst

De statistieken vallen zwaar tegen: slechts één van de tien genezen mensen komt terug. Een Samaritaan dan nog wel: niet eens een volwaardige gelovige in de ogen van velen! Erg dankbaar is het alleszins niet van de negen anderen. Jezus brengt het uitdrukkelijk onder de aandacht: “Zijn ze niet alle tien gereinigd? Waar zijn dan de negen anderen?” (Lucas 17, 17) 

Inderdaad, waar zijn ze gebleven? Dit is één van de keren dat Jezus oprecht verontwaardigd is. “Is er niemand teruggekeerd om aan God eer te brengen?” (Lucas 17, 18) Nee, zo blijkt, op één na. Zijn hemelse Vader verdient beter. ‘Dankbaarheid is een bloemke dat in weinig hoven bloeit’, schreef Guido Gezelle ooit… Jezus legt de klemtoon nogmaals op de marge waarin Hij werkt: ‘deze vreemdeling’ is wel teruggekomen, de rest niet. (Lucas 17, 18) Andermaal wordt Jezus geconfronteerd met een overvloed aan opportunisme en oppervlakkigheid.

Opstaan

Die éne man, een Samaritaan, is wel teruggekomen. “Sta op en ga,”, besluit Jezus. (Lucas 17, 19a) Opstaan doet hier veel snaren tegelijk trillen. Opstaan is een oproep tot morele actie: verhef jezelf, maak iets van je leven, opdat God fier op je mag zijn. Maar het Griekse werkwoord ‘anastas’ wordt ook gebruikt om Christus’ opstanding uit de dood te benoemen. (Marcus 16, 9) Dit detail is niet toegevoegd ter verfraaiing. Er schuilt een grote toegevoegde waarde in het begrip ‘opstaan’? Het is een welgekozen detail, een sacrale opening om te kaderen wat straks nog volgt. Je voelt dat de ontknoping nadert: de cirkel is bijna rond.

“Je geloof heeft je gered.” (Lucas 17, 19b) Gered zijn, is iets compleet anders dan gereinigd zijn. En hier klinkt de ultieme boodschap van Lucas: niet de genezing van de huidziekte is de essentie, maar wel de redding. In het volgende vers gaat Lucas naadloos verder in op het Koninkrijk van God. Want daar heeft Jezus het over wanneer Hij zegt dat de dankbare Samaritaan gered is.

De dankbare Samaritaan leert ons, samen met de barmhartige Samaritaan (Lucas 10, 30-37), dat geloven een grondhouding is, en geen verzameling van uiterlijkheden. Een houding tot God van waaruit men mag hopen op redding van Godswege.

Verwachtingen

In het hoofdstuk voorafgaand aan de parabel van de barmhartige Samaritaan is te lezen hoe een Samaritaans dorp Hem en zijn leerlingen niet ontvangt omdat zij op weg zijn naar Jeruzalem. De Samaritanen hebben immers hun eigen tempel op de Gerizim. “Wilt U dat we vuur uit de hemel afroepen dat hen zal verteren?”, vragen de leerlingen dramatisch aan Jezus. (Lucas 9, 54b) Hij wijst hen streng terecht. (Lucas 9, 55) Als het er op aan komt, is de Mensenzoon immers nergens welkom. (Lucas 9, 58) Ook niet in de tempel van Jeruzalem.

De dankbare Samaritaan is net als de barmhartige Samaritaan de onverwachte gelovige vol liefde en goedheid. Ziehier een niet verkeerd te verstane waarschuwing tegen zelfgenoegzaamheid bij het Volk Gods. Wie genezen wordt door God, maar niet eens de moeite doet om te danken, is dat eigenlijk wel een gelovige? Wie een kwetsbare naaste halfdood laat liggen maar anderen de levieten leest of met Schriftverzen zwaait, is dat een gelovige?

Het zijn lessen voor ons vandaag. De oprechte gelovigen zijn zij die God eren door hun kwetsbare naasten bij te staan en God te danken voor de gunsten die hun worden verleend. En dan heeft een schamele Samaritaan oneindig veel meer kansen om het Koninkrijk van God binnen te gaan dan een zelfverklaarde diepgelovige wiens daden het tegendeel aantonen.