Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- De polemiek van de Passie (28-29 maart 2026).

26 februari 2026

Het ultieme voorteken (28 februari-1 maart 2026)

Het beklimmen van een berg is een indrukwekkende belevenis. Het vraagt veel kracht en doorzetting en een avontuurlijke ingesteldheid. Het vraagt ook een bewuste keuze om op de veilige, welomlijnde weg van een heuvelachtig landschap toch een afslag te nemen en dat ongemakkelijke bergpad te kiezen. Wie niet goed is voorbereid en niet aandachtig is onderweg, kan zwaar ten val komen. De Veertigdagentijd is de uitgelezen tijd om het bergpad naar binnen heel bewust te kiezen, een avontuurlijk traject dat juist omwille van de uitdaging ook een verrijking kan zijn voor je spiritualiteit en je identiteit.

  • Voor de lezingen van de tweede zondag van de Veertigdagentijd A: klik hier.

Verhaalvorm

De gedaanteverandering van de Heer is een bijzonder complex verhaal. Het kan zeker niet gelezen worden als een feitenrapport. Dit verhaal vertelt een theologische waarheid, het brengt een ons overstijgende werkelijkheid onder woorden. We mogen deze verhaalvorm niet verwarren met fantasie. Er wordt wat verderop geen zwerkbal gespeeld en er klinken geen optaterspreuken begeleid door wild gezwaai met een toverstaf. 

De gedaanteverandering is niet van magische aard. Het vertelt een verhaal omdat een theologisch traktaat nog een stuk ingewikkelder zou zijn. We doen dit verhaal het meest onrecht aan wanneer we haar diepste intentie niet respecteren: dit is christologie in beeldtaal. Het wezenlijke van Christus, zijn Boodschap en zijn aardse verblijf komt hier aan bod.

Hoog

Het verhaal valt meteen met de deur in huis. Jezus beklimt een berg, samen met Petrus, Jakobus en Johannes. Verder is er niemand: het betreft een klein gezelschap. Het is niet zomaar een heuvelrug, nee: ze beklimmen een hoge berg. (Matteüs 17, 1) Hoogte is van belang hier. Jezus en de drie leerlingen komen dichter bij de hemel, en worden verder weg van de vlakke wereld verwijderd. 

Ze kunnen het gewemel overschouwen en maken er geen deel meer van uit. Het landschap is ruiger, de klim is ongetwijfeld een uitdaging. Er is geen drukte, geen rumoer, geen afleiding hoog op de berg. In het majestueuze landschap ervaren ze hoe klein een mens eigenlijk is en hoe prachtig de schepping. Het staat in schril contrast met de onbeduidendheid en het banale waarin mensen zich verliezen in de vlakke wereld van elke dag. 

Berg zonder Naam

Merkwaardig detail: de berg heeft geen naam, terwijl vaak heel specifieke plaatsbeschrijvingen in evangelieverhalen staan vermeld. De plaats doet er immers niet toe. De locatie blijft een mysterie omdat de betekenis van de berg ligt in wat erop staat te gebeuren. Het zal tijd en ruimte overstijgen. We hebben tot nu toe één Bijbelvers gelezen. Verhalen zijn heel effectief om veel te zeggen in weinig woorden.

Het volgende vers is minstens even verhelderend. Het uitzicht op hoge hoogte is wellicht adembenemend, maar vooral een inzicht zal hun keel dicht hebben geknepen. Er gebeurt een metamorfose (in het Grieks: 'metemorfootè', Hij veranderde van gedaante) voor hun ogen. Zijn gelaat wordt stralend als de zon en zijn gewaad witter dan het licht. (Matteüs 17, 2) Het Licht brengt God in beeld. Zoals het vuur van de brandende braamstruik. (Exodus, 3, 1-6) God verschijnt aan Mozes in een onbenaderbaar vuur. Zowel het heldere licht als het vuur scheppen een afstand tussen mens en God. Wij hebben niet zomaar toegang tot God. Er is geen magie in het spel. Dit gaat over symboliek. Over sacramentaliteit.

Tabernakel

Plots blijken ze in vers 3 niet met zijn vieren te zijn op de berg. Uit het niets worden Mozes en Elia vernoemd, die in gesprek zijn met Jezus. Zij spreken met Jezus, niet met de leerlingen. Een Goddelijke dialoog grijpt plaats: Jezus, de Zoon van God, spreekt met Mozes, die de Wet vertegenwoordigt, en met Elia, die staat voor de Profeten. Samen bekleden deze beide verschijningen de Traditie van de Heer die op weg is gegaan met zijn Volk, vanaf het eerste begin tot dat moment. En Jezus staat op gelijke hoogte met hen. (Matteüs 17, 3) Hij wist Wet en Profeten niet uit, maar is organisch met hen verweven. Jezus ís de Wet en Profeten, meer bepaald: de vervulling  van Gods Belofte langs een Nieuw Verbond dat weldra wordt gesloten.

Petrus spreekt de Heer aan, midden in dit mystiek gebeuren. Hij stelt voor om drie tenten te bouwen: drie tabernakels, drie beschermende heiligdommen waarin het Goddelijke kan verwijlen, weg van de elementen, (Matteüs 17, 4) zoals eertijds de tent van het Verbond. (Exodus 25) Jezus zal weldra de nieuwe Ark belichamen, wanneer in Hem het Verbond tussen God en zijn Volk wordt vernieuwd. 

Christologie

Een Goddelijk spreken onderbreekt Petrus' voorstel: de hemelse Vader weerklinkt vanuit een wolk. Ook de wolk is vervuld van helder licht. Mozes, Elia, de Zoon en de Vader: ze zijn verenigd in Licht, in goddelijkheid. (Matteüs 17, 5) De Vader herhaalt zijn woorden van bij Jezus' doopsel door Johannes de Doper: "Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind ik vreugde." (Matteüs 3, 17) Dit keer wordt er nog een duidelijk directief aan toegevoegd: "Luister naar Hem." Gehoorzaam Hem. De tijd is immers rijp.

In de volgende hoofdstukken wordt vooral nog gesproken over de hemel en het Rijk Gods. (Matteüs 18-20) Daarna doet Jezus zijn intocht in Jeruzalem en richt Hij zich streng tot de Schriftgeleerden, terwijl Hij voorspelt wat er zal gebeuren wanneer de Mensenzoon terugkomt. (Matteüs 21-25) Het lijden en sterven van de Heer is niet meer ver weg. En dat klinkt ook in hoofdstuk 16, dat aan de gedaanteverandering voorafgaat: "Wie achter Mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en Mij volgen. Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het behouden." (Matteüs 16, 24-25) 

Wellicht de meest veelzeggende aanwijzing om de gedaanteverandering van de Heer te plaatsen, is Jezus' vraag aan zijn leerlingen, eveneens in het vorige hoofdstuk: "En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben? " (Matteüs 16, 15) Wat is het wezen van Christus? Wie is Hij? Het is eveneens Petrus die dan begeesterd spreekt: "U bent de Messias, de Zoon van de levende God." (Matteüs 16, 16) Er klinkt heel veel christologie in de gedaanteverandering. Het is geen luchtige thematiek. Maar dat mag in de Veertigdagentijd, op weg naar Pasen.

Zelfde symbolen

Dichter bij Pasen zal Petrus vloekend en zwerend uitroepen: "Ik ken die man niet!" (Matteüs 26, 74) En daarmee komen we bij het Christusmysterie waar de gedaanteverandering een voorteken van is, een vooruitwijzing: het lijden, sterven en opstaan van de Heer. Daarin komen veel symbolen terug. 

Zijn ondergewaad zal niet worden gescheurd, boven op de heuvel van Golgota. (Matteüs 27, 35 en Johannes 19, 23) Op een minder imposante verhoging dan de hoge berg zal het kruis worden opgericht. Het licht zal doven: duisternis zal de aarde bedekken. (Matteüs 27, 45) Het voorhangsel van de tempel zal scheuren. Het tentdoek wordt door toedoen van mensen vernield. (Matteüs 27, 51)   

De rijkdom van het verhaal van de gedaanteverandering is onuitputtelijk en heel inspirerend in voorbereiding op Goede Vrijdag en Pasen. Laat ons, in navolging van Jezus en de drie leerlingen, de naamloze berg beklimmen en dichter bij de betekenis van het lijden en sterven van de Mensenzoon komen: de betekenis binnen ons geloof en bijgevolg ook voor onze eigen diepste spiritualiteit.

18 februari 2026

'Had ik niet gezegd: blijf eraf?' (21-22 februari 2026)

'Had ik niet gezegd: blijf eraf?', hoor ik een moeder kijven met opgestoken wijsvinger. De supermarkt staat vol kleurrijke lokmiddeltjes, vooral in het gangpad. Mama heeft goede afspraken gemaakt met haar dochter voordat ze de winkel zijn binnengegaan. Daar wijst ze haar dochter trouwens nog eens duidelijk op, met gefronste wenkbrauwen. Het meisje staat half bedremmeld, half kwaad te kijken, met de bijhorende pruillip en gekruiste armen. 'Maar ik vind het zo mooi', tracht dochterlief nog in te brengen, tevergeefs. 'Nee is nee!', breekt mama de discussie abrupt af. Dit is het scheppingsverhaal in een notendop, denk ik spontaan, terwijl ik tracht te kiezen tussen appelmoes met of zonder stukjes. Eva en de appel... Laat ik voor de veiligheid toch maar gaan voor halve peren.

  • Voor de lezingen van de eerste zondag in de Veertigdagentijd A: klik hier.

Paradijs 

Adam en Eva hebben een rustig leventje in het aards paradijs, sprookjesachtig en zorgeloos. Totdat een slang de complete harmonie verstoort. Het mythische gesprek in de paradijselijke tuin begint met een leugen van een slang. Voor de duidelijkheid: ook dit sluwe dier is door God geschapen. De slang spreekt Eva aan: ‘Heeft God werkelijk gezegd dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’ (Genesis 3, 1) Het is slim gevonden natuurlijk. Links slaan om rechts te vangen, noemen we dit in Vlaanderen. 

Eva weerlegt in haar goedheid zijn uitspraak resoluut: ‘We mogen de vruchten van alle bomen eten, behalve die van de boom in het midden van de tuin. God heeft ons verboden van de vruchten van die boom te eten of ze zelfs maar aan te raken. Doen we dat toch, dan zullen we sterven.’ (Genesis 3, 2-3) Er klinken trouw, eerbied en gehoorzaamheid in deze woorden.

De slang - hij had toen waarschijnlijk nog pootjes (Genesis 3, 14) - is in zijn opzet geslaagd. Het interesseert hem niet of de mensen mogen eten van andere bomen. Met zijn listige omweg is de aandacht nu helemaal gevestigd op de boom van de kennis van goed en kwaad, en meer bepaald op de verboden vruchten die eraan bengelen. Zijn vruchten zien er heerlijk uit, ze zijn een lust voor het oog. Eva vindt het plots heel aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid kan schenken. (Genesis 3, 6a) Gretigheid neemt bezit van de mens.

Twijfel

De slang relativeert de strenge woorden van God: ‘Jullie zullen helemaal niet sterven. Integendeel, God weet dat jullie ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, en dat jullie dan als God zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad.’ (Genesis 3, 4-5) Daarmee gaat de autoriteit van God aan het wankelen. Hier eindigt de paradijselijke toestand eigenlijk al. De twijfel is gezaaid, de wandaad wordt weldra geoogst.

De slang werkt in op het verlangen van mensen om nieuwe dingen te ontdekken en vooral op de drang om te doen wat niet mag. Het betreft hier niet het negeren van een vage aanwijzing: God heeft het hun heel uitdrukkelijk verboden. Het is bovendien het enige wat Hij hun verboden heeft. Zelfs die ene richtlijn opvolgen, zal Adam en Eva niet lukken. Eva plukt een paar vruchten en eet ervan. Ze geeft ook wat aan Adam, die bij haar is, en ook hij eet ervan. (Genesis 3, 6a) Eva verplicht hem niet, ook hij eet van de vruchten uit vrije wil. We ontmoeten hier de keerzijde van vrijheid: het begaan van misstappen.

Nieuwe normaal

Ze zijn in de val getrapt. De slang lijkt overigens gelijk te krijgen: ze sterven helemaal niet bij het eten van de vruchten. Er gebeurt daarentegen iets heel merkwaardigs: Adam en Eva merken plots dat ze naakt zijn. Daarom rijgen ze vijgenbladeren aan elkaar en maken er lendenschorten van. (Genesis 3, 7) Het kwaad is geschied: Adam en Eva zijn voorgoed hun onschuld kwijt

Na het eten van de vruchten krijgen ze besef van schaamte. Het ideaal moet plaats ruimen voor de realiteit, het hemelse wordt vervangen door het aardse. In de idylle van het ongeschonden paradijs was schaamte niet nodig. Nu naderen ze de aardse realiteit die gekenmerkt wordt door de vrije keuze tussen goed en kwaad, en de gewaarwording van schuld en schaamte.

Een ander verhaal

In 1961 zijn twee kleitabletten uit Oegarit ontdekt. Tien jaar geleden kunnen twee Nederlandse wetenschappers – oudtestamentica Marjo Korpel en taaldeskundige Johannes de Moor – een oerversie van het scheppingsverhaal in de tuin van Eden reconstrueren: een mythe die gedateerd wordt rond de 14e eeuw voor Christus. De auteurs van Genesis moeten deze tekst zeker hebben gekend: de Kanaänitische Baälcultus is in de Schrift en in het Beloofde Land nooit ver weg. Er wordt algemeen aangenomen dat Genesis is geschreven na de Babylonische ballingschap, in de 5e eeuw voor Christus, op basis van verhaalbronnen uit de 9e of 10e eeuw voor Christus. De joodse verhaalbronnen zijn dus aanmerkelijk jonger.

Een korte samenvatting van de mythe over het ontstaan van de sterfelijke mens. De god Horan wil de hoogste plaats in de godenwereld innemen, boven op de berg Ararat. (De Kanaänieten belijden een polytheïstische godsdienst.) De hoogste god El straft Horan door hem van de hemelse berg te werpen. Woedend transformeert Horan de boom van het leven in de goddelijke wijngaard - de boom die de goden de eeuwigheid schenkt - in een boom van de dood. Dat doet hij door zich er als giftige slang in nestelen: niemand kan nog eten van de levensvruchten. De god Adam wordt door El aangewezen om de boom te bevrijden. Het loopt verkeerd af: de slang bijt hem. Adam is god af en moet daarna als mens verder. Bijgevolg wordt hij ook sterfelijk. Hij krijgt een vrouw als gezellin. Zo zal het voortbestaan van de mensen toch verzekerd worden: zelf zullen ze sterven, maar hun nageslacht zal het leven verderzetten. Horan heeft zich intussen bekeerd en verwekt geboortegodinnen die de mensen helpen om de zwangerschap en geboorte gunstig te laten verlopen.

Zelfde levensles

De gelijkenissen zijn treffend. In Genesis heet God ook ‘El’. Het verhaal speelt zich ook in de paradijselijke tuin af, die eveneens gelegen is tussen de Tigris en de Eufraat. (Genesis 2, 14) Ook in Genesis wordt Adam door de Goddelijke boom sterfelijk (Genesis 3, 22-24) en zal Eva kinderen moeten baren om het leven van de mensheid verder te zetten (Genesis 3,  16)

Belangrijkste verschilpunten: Adam is in Genesis nooit een god geweest. Dat kan ook niet: het jodendom is een monotheïstische godsdienst. In Genesis neemt het paradijselijke paar de vrucht zelf tot zich, uit eigen keuze, uit eigen vrije wil. Het wordt Adam niet opgelegd, zoals in de Kanaänitische mythe. Een ethische laag wordt in Genesis binnengebracht door aan de vruchten de kennis over goed en kwaad te verbinden. Het verlies van het eeuwig leven is de straf die God de mensen daarna oplegt: ze zijn immers aan God gelijk geworden. (Genesis 3, 22-24)

Blijf eraf!

In de beide scheppingsverhalen komt een zelfde thema terug. El zegt het tegen Horan, de Heer zegt het tegen Adam en Eva: blijf weg van de boom die Goddelijk is. Het is in beide verhalen heel helder: de superioriteit van God (van El) staat op het spel. Wie dus God wil evenaren, begaat een enorme fout. Dat is een belangrijke boodschap in dit verhaal. Het staat nog nét niet vermeld in de tekst: Had ik niet gezegd: blijf eraf?

Doorheen de beide verhalen zweeft een kernthema, dat echter nergens uitdrukkelijk wordt benoemd: de vrijheid. Een bandeloze vrijheid is niet leefbaar. God stelt één grens aan de paradijselijke vrijheid: de vruchten van de boom van de kennis van goed en kwaad mogen ze niet eten. En toch eten Adem en Eva er van. Uiteraard is God kwaad. Ze zijn ondankbaar, ongehoorzaam en bovenal gretig naar de kennis en macht die alleen Hém toekomt. Ze willen zijn plaats innemen.

Tragiek

Het tweede scheppingsverhaal in Genesis (Genesis 2,4 - 3, 24) kent heel wat gelaagdheden. In het fragment dat deze zondag wordt voorgelezen, ontdekken we hoe vrijheid, gehoorzaamheid, geweten en sterfelijkheid eigen zijn aan ons leven, maar dat ze het leven meteen ook complex en tragisch maken. Dat herkennen we al te vaak in ons eigen bestaan. De twee scheppingsverhalen trachten een zinvol en betekenisvol geloofsantwoord te bieden op de oorsprong van ons leven en de vrijheden en beperkingen die ermee verbonden zijn. We mogen troost en kracht putten uit deze eeuwenoude wijsheid.

Op de vraag of het waar is wat in het tweede scheppingsverhaal staat geschreven, luidt het antwoord dus volmondig: ja! Of het allemaal precies zo is gegaan als in de verzen is geschreven, daarop lijkt me het antwoord even duidelijk. Uiteraard niet. Het betreft een mythologische tekst: een veelzeggend en diepgravend verhaal dat belangrijke facetten van ons geloof en ons leven tracht te omschrijven. Genesis is geen documentaire. We worden uitgenodigd om de Schrift te waarderen als bron van ons Leven, als Goddelijke leidraad in ons bestaan. Welkom in de Veertigdagentijd!

15 februari 2026

Aswoensdag: As is wat blijft (18 februari 2026)

as is wat blijft
wat rest van wat was
goedheid die faalde
schaduw en kilte

as van nijd
van verdriet
as van woede
en van wrevel

as van vlucht
van verzet
as van stugheid
en ontwijken

as van leed
van misdaan
as van schaamte
en gepieker

as is wat blijft
wat rest van wat was
kans tot verzoening
opnieuw beginnen

as van inkeer
en bereidheid
as van nieuwheid
en bekering

as van delen,
zich ontzeggen
as van stilstaan
en van bidden

as is wat blijft
wat rest van wat was
voeding voor toekomst
in Gods genade

as van hoop:
Nieuw Verbond
as van Leven
uit de dood


Voor een tekstmeditatie bij Aswoensdag: klik hier en klik hier.
Voor de lezingen bij Aswoensdag: klik hier.

10 februari 2026

In denken, spreken en handelen (14-15 februari 2026)

Authenticiteit heeft niets te maken met dwangmatig overdrijven of breed etaleren. Het gaat over een harmonie tussen wat je denkt en wat je doet. Dat is wat Jezus voorleeft in alle eenvoud. Het tekort aan authenticiteit is wat Hij de Schriftgeleerden en farizeeën het meeste verwijt. Ze beschadigen de godsdienst in haar kern. Geloof moet oprecht zijn, het moet van binnenuit komen. Het heeft niets van doen met regeltjes uiterst nauwgezet volgen of anderen erop aanspreken als ze een fout maken. Wie de blijde Boodschap toelaat in het hart, kan groeien in geloof.

We voelen ons spontaan aangesproken door mensen die echt en authentiek overkomen. Hun woorden passen bij wat ze doen. Ze verliezen zich niet in nuanceringen en verklaringen. Het gebeurt instinctmatig: we voelen aan dat het klopt, dat ze eerlijk zijn. Wie wil er bedonderd worden? Niemand toch? Puurheid werkt inspirerend. Ook God wil niet bedot worden. Alle lange uiteenzettingen om scheef weer rechter te doen lijken ten spijt, God weet of we oprecht zijn of niet. Authenticiteit: een belangrijke opdracht die Jezus komt verkondigen.  

Pijn

Kunstenares Frida Kahlo  (1907-1954) spreekt tegenwoordig veel mensen aan. Ze kreeg op 6-jarige leeftijd polio. Haar rechterbeen zou zichtbaar dunner blijven en zwakker, waardoor ze haar hele leven mank bleef lopen. Ze hield er ook een complex aan over. Ondertussen was de Mexicaanse revolutie volop bezig: een woelige tijd waarin Mexico zich losrukte uit een regime van grote ongelijkheid die zich uitte in armoede en onvrije arbeid. Er zijn naar schatting 1 miljoen Mexicanen gedood gedurende dit conflict. 

Frida studeerde goed, haar vader hoopte dat ze geneeskunde zou studeren. 18 jaar oud was Frida toen ze zwaargewond raakte toen de bus waar zij in zat aangereden werd door een tram. Een stalen leuning boorde zich doorheen haar heup. Naast een verbrijzelde voet, gebroken ribben en een heupfractuur, was ook haar ruggengraat op verschillende plaatsen gebroken en haar slechte been op maar liefst elf plaatsen. Na maar liefst 30 ingrepen, zou ze maandenlang in bed blijven om te herstellen. Ze vocht tegen de pijn en besloot om te gaan schilderen. Haar moeder liet spiegels rond het bed monteren, zodat ze zichzelf kon schilderen.



Zelfexpressie

Dat heeft Frida Kahlo hoofdzakelijk gedaan: ze vertrok vanuit zichzelf, niet door egocentrisme, maar om naar het concrete bestaan terug te keren. Ze bracht realisme in de schilderkunst en vermengde dit met haar verbeelding. Een vrouw schilderde ze - de vrouw die ze het allerbeste kende - met veel Mexicaanse invloeden, passend bij de overgangstijd waarin ze leefde. Er kwamen dus rijke kleuren voor in haar werken en typisch Mexicaanse patronen.

Haar gezondheid zou zwak blijven. In 1929 huwde ze met Diego Rivera, eveneens kunstenaar. Het was zijn derde huwelijk. Ze deelden het communistische ideaal, dat na de revolutie een aanzienlijke invloed kreeg. Hun huwelijk kende veel hoogten en laagten, ze waren allebei heel temperamentvol. Bovendien had Rivera tal van affaires. Frida Kahlo vroeg zelfs de echtscheiding aan, maar het koppel hertrouwde kort daarna. Door haar misvormde heup zou ze nooit een volgroeide baby kunnen baren en had ze verschillende miskramen. Terugkijkend zou ze het busongeluk en haar man de twee grote tragedies uit haar leven noemen. 

Tragiek

Er was wel een sterke wederzijdse artistieke invloed binnen het koppel. Toch voelde ze zich vaak overschaduwd door de populariteit van haar man, die bekend was om zijn politiek gekleurde muurschilderingen. Frida zocht haar eigen identiteit als kunstenares en vond die in het uitbeelden van de tragiek van pijn en weerbaarheid, eigenschappen die ze heel goed kende en het Mexicaanse volk evenzeer. Haar werk is authentiek: het vertelde wat ze vanbinnen beleefde. In haar kunst drukte ze haar eigenheid uit. Zo komen we bij haar werk 'Roots' (1943) terecht. 


Frida Kahlo - Roots (1943)

Het leven maakt deel uit van één stroom. Uit haar lichaam groeien wijnranken die gevoed worden door haar levenssap. De sterke ranken verrijken op hun beurt de dorre aarde. In die aarde, waarop ze ligt, groeit een kloof. Het is een betekenisvol werk met diepe symboliek: moederschap, groei, eenheid met de aarde, tragiek... 

Een jaar voordat Frida overleed, werd haar rechterbeen geamputeerd. Ze leed aan een depressie en had angststoornissen. In 1954 overleed ze aan de gevolgen van een pneumonie. Frida Kahlo werd 47 jaar...

Van binnenuit

Waarom komt Frida Kahlo hier eigenlijk ter sprake? Welnu, omwille van de authenticiteit van haar werken. De kunstenares resoneert met wat ze op een doek tot leven brengt. Het is doorleefd en echt.

Daarmee komen we terug bij wat Jezus verlangt van zijn volgelingen. Daden die niet resoneren met wat je denkt en voelt, kunnen nooit geloofwaardig zijn. Geloven doe je dus als mens in je geheel: in je gedachten, woorden en daden. Daarom breidt Jezus ook regels en geboden uit. Hij verstrengt ze niet, maar verbindt ze met je intenties. Een daad op zich is slechts een uiterlijk gegeven. Dat volstaat niet om morele grenzen te trekken. Juist dat hebben de farizeeën zo vreselijk slecht begrepen. Zij herleiden geloven tot correct handelen, of nog juister: handelingen correct uitvoeren.

Jezus bevestigt wat destijds tegen het volk is gezegd: 'Pleeg geen moord.' (Matteüs 5, 21a) Daarna gaat Hij een stevige stap verder: 'Ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden.' (Matteüs 5, 22a) Het volstaat niet om je handelen op orde te houden, ook je intenties en gedachten, die aan de grondslag liggen van je daden, moeten de Wet eer aandoen. Een daad is op zich niet juist of fout: er hangt een bedoeling aan vast, en die is mee bepalend.

Uitvegen

Ga dus weg van het altaar wanneer je met iemand een conflict hebt, en leg het geschil bij. Het zou verloren moeite zijn om God eer te brengen en om gunsten te vragen als je niet in vrede leeft met je naasten. (Matteüs 5, 24-25) Je zult God het meest eren door de minsten van de zijnen lief te hebben, door zijn Boodschap van Liefde voor te leven.

Laat je 'ja' een ja zijn en je 'nee' een nee. Zorg dat je recht in je schoenen staat. Hier vraagt Jezus veel van ons, misschien wel het allermoeilijkste van ons geloof: zijn wat je doet. De zuiverheid, die God eigen is, zelf verwezenlijken. Elke dag. Voordat we onze naasten dus haastig en geestdriftig beschimpen of beoordelen op fouten - zoals de farizeeën van toen en van nu zo kwistig doen - kunnen we maar beter voor onze eigen deur vegen, of misschien nog juister: onze eigen woning vanbinnen uitvegen. De lat ligt hoog. Gelukkig beseft Jezus ook dat we mensen zijn...

02 februari 2026

Het licht belemmeren (7-8 februari 2026)

We zijn door veel comfort omringd. Wanneer het donker wordt, dan volstaat een simpele druk op een schakelaar om de kamer te vullen met licht. Vroeger was dat anders. Een kaars of olielamp bracht licht, maar dat was niet te vergelijken met onze LED-spots. Men moest een goede plek kiezen voor de lichtbron, anders was de ruimte amper verlicht. Dat beeld gebruikt Jezus. Waar zet je je lamp als het over Gods Licht gaat?

Een lamp aansteken om haar vervolgens te verbergen, dat is onverstandig. Dan blijft het donker gewoon donker omdat het licht niet de kans krijgt om het te verhelderen. (Matteüs 5, 15) Toch doen we deze beeldspraak vaak meer eer aan dan het gezond verstand zou wensen. Voor zover er eer te vinden is in het verbergen van licht uiteraard…

Opsluiten

Wij, mensen, zorgen soms voor schaduw die het Licht van het geloof belemmert, net zoals de korenmaat een schaduw kan werpen die het Licht verbergt. Het hanteren en opleggen van allerlei regels en gewoonten, door mensen gemaakt, kan het Licht doven in ons Gods Woord. Onze godsdienstige gestrengheid naar anderen toe kan het Licht overschaduwen. We eigenen ons dan evidenties toe die het Licht in de weg staan. 

Eigenlijk gaan we dan zelf voor God en voor het Licht staan, zonder zelfs te beseffen dat we het donker erdoor vergroten. We overschaduwen het Licht vanuit overdreven zelfliefde of machtszucht. Meestal gebeurt dit niet eens goed doordacht. En als het al doordacht is, dan vertrekt het vaak uit goede bedoelingen, maar met de verkeerde prioriteiten voor ogen. 

Eigen schaduw

Ook met woorden en daden die de blijde Boodschap pijn doen, verdeemsteren wij het Licht. Wanneer we anderen kwetsen, dan kwetsen we God. Wanneer we als geloofsgemeenschap wegkijken van leed en onrecht, dan richten we onze blik naar de duisternis. Het misbruik in de Kerk is daarvan een pijnlijk voorbeeld. Het had nooit mogen gebeuren, en het verbergen ervan al evenmin, of het nu uit plaatsvervangende schaamte gebeurde of uit strategische overwegingen.

We zijn mensen en hebben de keuze om te handelen naar ons geweten, of juist niet. Antwoorden zijn in ons brein niet altijd even helder. Het is waar: de juiste keuze maken is niet altijd eenvoudig. Het is soms afwegen zonder alle feiten in handen te hebben. We hebben onze beperkingen. Dat is logisch: we zijn immers God niet. Toch wanen mensen zich soms willens nillens  'plaatsvervangend Onze-Lieve-Heer' en wordt een mening opgelegd, diep vanbinnen goed wetend dat ze niet juist is, dat ze niet op het goede is gebouwd en kwaad zal berokkenen.

Om al die redenen spreekt Jezus ons hierop aan. En het zal niet bij iedereen in goede aarde vallen. Toen niet, en ook nu niet. We hebben vaak de neiging om de fouten bij een ander te zoeken en ons eigen aandeel te minimaliseren of zelfs te ontkennen. Mensen kunnen vreemde, koppige kronkels maken wanneer hun eer op het spel staat. Maar wat dan eigenlijk op het spel staat, is het Licht. Het Licht van de Heer stralen wij uit in wat we zeggen en doen, of juist niet. (Matteüs 5, 14)

Bevrijden

Jezus dringt erop aan om het Licht vrijelijk te laten schijnen en dat Licht te delen door er zelf deel van uit te maken. (Matteüs 5, 16a) Meteen daarna waarschuwt Hij ons ‘dat ons de maat genomen zal worden met de maat waarmee wij anderen meten’. Waarom staan deze beeldspraken vlak bij elkaar? 

Welnu, wanneer wij streng oordelen over anderen, dan mogen we diezelfde strengheid verwachten van God. Eerlijk is eerlijk. Wie uitblinkt in strengheid, kan dus maar beter uiterst nederig en oprecht en foutloos geloven. Eigenlijk is de uitspraak een waarschuwing en een geruststelling tegelijk. Gelukkig maar. 

Beleven

Wie mild is voor de ander, zal Gods mildheid ook ontmoeten. Wie vrijgevig is en zich bekommert over de ander, zal gulheid en genade ontvangen van God. Gods Boodschap is niet gemaakt om door de mens als wapen gebruikt te worden. Dan wordt het Licht gedoofd. Het Woord dient niet om te veroordelen maar juist om uit te nodigen. Dat past niet altijd in ons eigen plan.

Die uitnodiging bestaat uit heel concrete daden, zoals daar zijn: dienstbare bewondering en hartelijke liefde voor God onze Heer, grenzeloze naastenliefde die inspireert, en mee bouwen aan de vrede en gerechtigheid van Gods Rijk. Waaraan is een christen herkenbaar? Welnu, Jezus is heel duidelijk: aan zijn of haar goede daden. (Matteüs 5, 16bc) Een christen is een Licht voor de wereld, in de wereld. Dat is Gods plan.

Ik aarzel hier even. Dit beeld mogen we absoluut niet herleiden tot ethiek. Christen zijn is zoveel meer dan 'het goede doen'. Juist handelen maakt er zeker deel van uit, maar een Licht zijn voor de anderen gaat veel dieper. Het is je tot in je spirituele diepte helemaal laten raken door het Licht van God. Geloven, dat doe je tot in je vezels. Het mag nooit louter uiterlijk vertoon zijn. De juiste ingesteldheid en goede intenties leveren meer kansen op goede daden, dat is duidelijk. Maar het begint uiteraard bij die grondhouding. Daarmee zullen we in de naderende Veertigdagentijd opnieuw geconfronteerd worden. (Matteüs 6, 1-6) 

Koesteren

Laten wij daarom het Licht dankbaar koesteren, dat ons van Godswege wordt geschonken, zonder het te belemmeren. Laten we als christenen verlichtend samen zijn en elkaar bemoedigen, en verlichtend in de wereld staan. Dan brengen wij God aanwezig: wanneer we in het Licht wonen en dat Licht kwistig delen met de mensen rondom ons.

Laten wij ons ten diepste verlichten door God en belichamen we dat Licht vervolgens zelf voor andere mensen. Mogen wij enthousiaste verkondigers zijn van het Licht!