Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- 'Het ultieme voorteken' (28 februari-1 maart 2026).

18 februari 2026

'Had ik niet gezegd: blijf eraf?' (21-22 februari 2026)

'Had ik niet gezegd: blijf eraf?', hoor ik een moeder kijven met opgestoken wijsvinger. De supermarkt staat vol kleurrijke lokmiddeltjes, vooral in het gangpad. Mama heeft goede afspraken gemaakt met haar dochter voordat ze de winkel zijn binnengegaan. Daar wijst ze haar dochter trouwens nog eens duidelijk op, met gefronste wenkbrauwen. Het meisje staat half bedremmeld, half kwaad te kijken, met de bijhorende pruillip en gekruiste armen. 'Maar ik vind het zo mooi', tracht dochterlief nog in te brengen, tevergeefs. 'Nee is nee!', breekt mama de discussie abrupt af. Dit is het scheppingsverhaal in een notendop, denk ik spontaan, terwijl ik tracht te kiezen tussen appelmoes met of zonder stukjes. Eva en de appel... Laat ik voor de veiligheid toch maar gaan voor halve peren.

  • Voor de lezingen van de eerste zondag in de Veertigdagentijd A: klik hier.

Paradijs 

Adam en Eva hebben een rustig leventje in het aards paradijs, sprookjesachtig en zorgeloos. Totdat een slang de complete harmonie verstoort. Het mythische gesprek in de paradijselijke tuin begint met een leugen van een slang. Voor de duidelijkheid: ook dit sluwe dier is door God geschapen. De slang spreekt Eva aan: ‘Heeft God werkelijk gezegd dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’ (Genesis 3, 1) Het is slim gevonden natuurlijk. Links slaan om rechts te vangen, noemen we dit in Vlaanderen. 

Eva weerlegt in haar goedheid zijn uitspraak resoluut: ‘We mogen de vruchten van alle bomen eten, behalve die van de boom in het midden van de tuin. God heeft ons verboden van de vruchten van die boom te eten of ze zelfs maar aan te raken. Doen we dat toch, dan zullen we sterven.’ (Genesis 3, 2-3) Er klinken trouw, eerbied en gehoorzaamheid in deze woorden.

De slang - hij had toen waarschijnlijk nog pootjes (Genesis 3, 14) - is in zijn opzet geslaagd. Het interesseert hem niet of de mensen mogen eten van andere bomen. Met zijn listige omweg is de aandacht nu helemaal gevestigd op de boom van de kennis van goed en kwaad, en meer bepaald op de verboden vruchten die eraan bengelen. Zijn vruchten zien er heerlijk uit, ze zijn een lust voor het oog. Eva vindt het plots heel aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid kan schenken. (Genesis 3, 6a) Gretigheid neemt bezit van de mens.

Twijfel

De slang relativeert de strenge woorden van God: ‘Jullie zullen helemaal niet sterven. Integendeel, God weet dat jullie ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, en dat jullie dan als God zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad.’ (Genesis 3, 4-5) Daarmee gaat de autoriteit van God aan het wankelen. Hier eindigt de paradijselijke toestand eigenlijk al. De twijfel is gezaaid, de wandaad wordt weldra geoogst.

De slang werkt in op het verlangen van mensen om nieuwe dingen te ontdekken en vooral op de drang om te doen wat niet mag. Het betreft hier niet het negeren van een vage aanwijzing: God heeft het hun heel uitdrukkelijk verboden. Het is bovendien het enige wat Hij hun verboden heeft. Zelfs die ene richtlijn opvolgen, zal Adam en Eva niet lukken. Eva plukt een paar vruchten en eet ervan. Ze geeft ook wat aan Adam, die bij haar is, en ook hij eet ervan. (Genesis 3, 6a) Eva verplicht hem niet, ook hij eet van de vruchten uit vrije wil. We ontmoeten hier de keerzijde van vrijheid: het begaan van misstappen.

Nieuwe normaal

Ze zijn in de val getrapt. De slang lijkt overigens gelijk te krijgen: ze sterven helemaal niet bij het eten van de vruchten. Er gebeurt daarentegen iets heel merkwaardigs: Adam en Eva merken plots dat ze naakt zijn. Daarom rijgen ze vijgenbladeren aan elkaar en maken er lendenschorten van. (Genesis 3, 7) Het kwaad is geschied: Adam en Eva zijn voorgoed hun onschuld kwijt

Na het eten van de vruchten krijgen ze besef van schaamte. Het ideaal moet plaats ruimen voor de realiteit, het hemelse wordt vervangen door het aardse. In de idylle van het ongeschonden paradijs was schaamte niet nodig. Nu naderen ze de aardse realiteit die gekenmerkt wordt door de vrije keuze tussen goed en kwaad, en de gewaarwording van schuld en schaamte.

Een ander verhaal

In 1961 zijn twee kleitabletten uit Oegarit ontdekt. Tien jaar geleden kunnen twee Nederlandse wetenschappers – oudtestamentica Marjo Korpel en taaldeskundige Johannes de Moor – een oerversie van het scheppingsverhaal in de tuin van Eden reconstrueren: een mythe die gedateerd wordt rond de 14e eeuw voor Christus. De auteurs van Genesis moeten deze tekst zeker hebben gekend: de Kanaänitische Baälcultus is in de Schrift en in het Beloofde Land nooit ver weg. Er wordt algemeen aangenomen dat Genesis is geschreven na de Babylonische ballingschap, in de 5e eeuw voor Christus, op basis van verhaalbronnen uit de 9e of 10e eeuw voor Christus. De joodse verhaalbronnen zijn dus aanmerkelijk jonger.

Een korte samenvatting van de mythe over het ontstaan van de sterfelijke mens. De god Horan wil de hoogste plaats in de godenwereld innemen, boven op de berg Ararat. (De Kanaänieten belijden een polytheïstische godsdienst.) De hoogste god El straft Horan door hem van de hemelse berg te werpen. Woedend transformeert Horan de boom van het leven in de goddelijke wijngaard - de boom die de goden de eeuwigheid schenkt - in een boom van de dood. Dat doet hij door zich er als giftige slang in nestelen: niemand kan nog eten van de levensvruchten. De god Adam wordt door El aangewezen om de boom te bevrijden. Het loopt verkeerd af: de slang bijt hem. Adam is god af en moet daarna als mens verder. Bijgevolg wordt hij ook sterfelijk. Hij krijgt een vrouw als gezellin. Zo zal het voortbestaan van de mensen toch verzekerd worden: zelf zullen ze sterven, maar hun nageslacht zal het leven verderzetten. Horan heeft zich intussen bekeerd en verwekt geboortegodinnen die de mensen helpen om de zwangerschap en geboorte gunstig te laten verlopen.

Zelfde levensles

De gelijkenissen zijn treffend. In Genesis heet God ook ‘El’. Het verhaal speelt zich ook in de paradijselijke tuin af, die eveneens gelegen is tussen de Tigris en de Eufraat. (Genesis 2, 14) Ook in Genesis wordt Adam door de Goddelijke boom sterfelijk (Genesis 3, 22-24) en zal Eva kinderen moeten baren om het leven van de mensheid verder te zetten (Genesis 3,  16)

Belangrijkste verschilpunten: Adam is in Genesis nooit een god geweest. Dat kan ook niet: het jodendom is een monotheïstische godsdienst. In Genesis neemt het paradijselijke paar de vrucht zelf tot zich, uit eigen keuze, uit eigen vrije wil. Het wordt Adam niet opgelegd, zoals in de Kanaänitische mythe. Een ethische laag wordt in Genesis binnengebracht door aan de vruchten de kennis over goed en kwaad te verbinden. Het verlies van het eeuwig leven is de straf die God de mensen daarna oplegt: ze zijn immers aan God gelijk geworden. (Genesis 3, 22-24)

Blijf eraf!

In de beide scheppingsverhalen komt een zelfde thema terug. El zegt het tegen Horan, de Heer zegt het tegen Adam en Eva: blijf weg van de boom die Goddelijk is. Het is in beide verhalen heel helder: de superioriteit van God (van El) staat op het spel. Wie dus God wil evenaren, begaat een enorme fout. Dat is een belangrijke boodschap in dit verhaal. Het staat nog nét niet vermeld in de tekst: Had ik niet gezegd: blijf eraf?

Doorheen de beide verhalen zweeft een kernthema, dat echter nergens uitdrukkelijk wordt benoemd: de vrijheid. Een bandeloze vrijheid is niet leefbaar. God stelt één grens aan de paradijselijke vrijheid: de vruchten van de boom van de kennis van goed en kwaad mogen ze niet eten. En toch eten Adem en Eva er van. Uiteraard is God kwaad. Ze zijn ondankbaar, ongehoorzaam en bovenal gretig naar de kennis en macht die alleen Hém toekomt. Ze willen zijn plaats innemen.

Tragiek

Het tweede scheppingsverhaal in Genesis (Genesis 2,4 - 3, 24) kent heel wat gelaagdheden. In het fragment dat deze zondag wordt voorgelezen, ontdekken we hoe vrijheid, gehoorzaamheid, geweten en sterfelijkheid eigen zijn aan ons leven, maar dat ze het leven meteen ook complex en tragisch maken. Dat herkennen we al te vaak in ons eigen bestaan. De twee scheppingsverhalen trachten een zinvol en betekenisvol geloofsantwoord te bieden op de oorsprong van ons leven en de vrijheden en beperkingen die ermee verbonden zijn. We mogen troost en kracht putten uit deze eeuwenoude wijsheid.

Op de vraag of het waar is wat in het tweede scheppingsverhaal staat geschreven, luidt het antwoord dus volmondig: ja! Of het allemaal precies zo is gegaan als in de verzen is geschreven, daarop lijkt me het antwoord even duidelijk. Uiteraard niet. Het betreft een mythologische tekst: een veelzeggend en diepgravend verhaal dat belangrijke facetten van ons geloof en ons leven tracht te omschrijven. Genesis is geen documentaire. We worden uitgenodigd om de Schrift te waarderen als bron van ons Leven, als Goddelijke leidraad in ons bestaan. Welkom in de Veertigdagentijd!