Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Een brandend hart (19 april 2026).

07 april 2026

Beloken Pasen: Hoop tegen de rede in (11-12 april 2026)

De luiken van de Paasweek gaan weer dicht: beloken Pasen. Deze week van feestdagen eindigt met de apostel Tomas die weigert om zomaar aan te nemen dat Jezus aan de andere leerlingen is verschenen. Jezus is in het graf gelegd, punt. Alle hoop is verloren in de ogen van Tomas. Er is enkel nog verdriet en pijn. Tomas wordt 'de ongelovige' genoemd, omdat hij de wonden van de Heer wil voelen vooraleer hij kan geloven dat Jezus leeft en verschijnt aan hen. Geloven gaat voorbij het tastbare. Dat maakt het tot een uitdaging voor iedere mens. We kunnen veel leren van Tomas...

  • Voor de lezingen van Beloken Pasen A: klik hier.

Gerustgesteld

Op de avond die Paasdag afsluit, wordt een klein verhaal verteld bij Johannes. Het is heel intiem van opzet en emotioneel geladen. Dit is wat er gebeurt. De leerlingen hebben de ramen en deuren gesloten. Ze zijn bang voor de Joden. Jezus verschijnt plots onder hen en Hij zegt: 'Vrede zij met jullie!' (Johannes 20, 19) Hij toont hun de wonden op zijn handen en zijn zijde. (Johannes 20, 20a) Er is geen twijfel: dit is Jezus. Hij herhaalt zijn vredesboodschap en zendt de leerlingen, zoals de Vader Hem heeft gezonden. Daarna blaast Hij de heilige Geest over hen. (Johannes 20, 21-22)

Wanneer Jezus weer weg is, blijft er een blijheid achter bij de leerlingen. (Johannes 20, 20b) Ze voelen zich gerustgesteld en bevestigd. Ze zijn dankbaar dat ze de Heer mogen zien. De blijheid wint het van de angst, onzekerheid en droefheid. Ze hoeven niet meer te huilen: alles komt goed. Dat is de boodschap die Jezus hun brengt. Eén leerling is niet aanwezig op dat moment: Tomas.

Sombere tweeling

We leren Tomas kennen als een apostel die in het Grieks 'tweeling' wordt genoemd: Didymus. Misschien is hij de tweelingsbroer van de apostel Matteüs, de tollenaar: ze worden in de evangeliën immers telkens samen vernoemd. (Matteüs 10, 2-4 - Marcus 3, 16-19 en Lucas 6, 13-16) 

Tomas lijkt eerder somber van gedachten te zijn. Wanneer Jezus naar Lazarus toe wil gaan, brengen de leerlingen in dat het gevaarlijk is: misschien wordt Hij wel gestenigd. (Johannes 11, 7-8) Tomas zegt tegen de leerlingen: 'Laten wij gaan om met Hem te sterven.' (Johannes 11, 16) Dit kan als dapperheid gezien worden, maar wellicht is het eerder een uiting van angst en radeloosheid. Wat als Jezus inderdaad wordt gestenigd, daar in Betanië? Dan is alles verloren!

Enkele hoofdstukken verder bemoedigt Jezus zijn leerlingen: ze moeten hun vertrouwen stellen in de Vader en in Hemzelf. Hij gaat weldra terug naar zijn Vader maar Hij zal een plaats voor hen gereedmaken en zal terugkomen om hen mee te nemen. Ze kennen immers de weg. (Johannes 14, 1-4) Bij Tomas slaat de opnieuw de angst toe: 'We weten niet waar U heen gaat, Heer. Hoe zouden we dan de weg daarheen kennen?' (Johannes 14, 5) Er klinkt wanhoop in de opmerking van Tomas.

Twijfelaar

Tomas lijkt erg bang te zijn om Jezus te verliezen uit hun midden. De Heer brengt zekerheid en vertrouwen in het leven van de apostel. Zonder Hem is hij verloren. En Jezus sterft inderdaad aan het kruis en wordt in het graf gelegd. Dat graf blijkt met Pasen leeg te zijn. Nu leren we Tomas kennen als een twijfelaar, een kritische zoeker. Waar hij voor heeft gevreesd, dat is gebeurd. 

Tomas lijkt een manier te zoeken om met dit enorme verlies om te gaan. Hij heeft Jezus vol overgave gevolgd, en nu is hij zijn Meester kwijt. Alles lijkt verloren nu. Tomas zoekt misschien de zekerheid en het vertrouwen waar hij zo'n heimwee naar heeft. Waar is de tijd dat hij alles achterliet om Jezus te volgen en vol bewondering naar Hem te luisteren.

Ongeloof

De leerlingen vertellen hem dat ze Jezus hebben gezien. Plots verscheen de Heer onder hen, toen Tomas weg was. (Johannes 20, 25a) Hij zegt resoluut: 'Alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie en met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zijde kan leggen, zal ik het geloven.' (Johannes 20, 25b)

Tomas stelt zich duidelijk kritisch op. Misschien was de verschijning een zinsbegoocheling, een spiritueel fata morgana. Ze wilden Hem zo graag nog even zien: dàt is het misschien geweest. Maar Hij is gestorven en begraven: de feiten spreken voor zich. Dat het graf leeg blijkt te zijn, komt in Tomas' denken wellicht doordat de Joden het lichaam hebben weggenomen. Een laatste daad van wraak. Dat dacht Maria van Magdala trouwens ook, toen ze het lege graf zag. (Johannes 20, 1-2) En daarmee is alles weg, werkelijk àlles.

Al wat nodig is

Is Tomas werkelijk ongelovig, zoals de traditie hem zo streng labelt? De somberheid en de rede weerhouden hem ervan te geloven en te vertrouwen. Wellicht is hij diep gekwetst. Is Tomas daarin niet gewoon menselijk? Hij lijkt zichzelf te willen beschermen. Daarom wil hij Jezus kunnen zien en voelen vooraleer hij er zelfs maar aan wil denken om de leerlingen te geloven. Hij wil niet nog eens teleurgesteld worden. Jezus is niet kwaad op Tomas. Een week later krijgt de apostel de gelegenheid om Jezus te ontmoeten en zijn wonden te voelen en eindelijk gelooft hij wat de andere apostelen hem hebben verteld.

Eigenlijk brengt Jezus vooral met zijn vredewens wat Tomas nodig heeft, veel meer dan met het voelen van de wonden. Vrede heeft Tomas van doen: vrede in zijn hart om zich opnieuw open te kunnen stellen voor het liefdevolle mysterie dat God is. Waar vrede is, daar is hoop. 

En wij?

Tomas herkent Jezus en roept uit: 'Mijn Heer en mijn God!' (Johannes 20, 29a) Wat moet hij zich schamen voor zijn twijfel en zijn uitval tegen de anderen. Wat moet hij zich schamen tegenover Jezus. Tomas krijgt geen uitbrander van Jezus. Wel merkt Jezus op: 'Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.' (Johannes 20, 29b) Want dat is christen zijn vanaf dan: niet zien en toch geloven. Hopen tegen de kille rede in, niet vluchten voor wat ons denken overstijgt en ons menszijn verheft.

Daarmee eindigt het Johannesevangelie. De evangelist sluit af met de hoop uit te drukken dat we geloven dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en dat we door te geloven leven ontvangen in zijn Naam. (Johannes 20, 31) Niet langer door Hem te ontmoeten als mens en Hem te volgen zoals de leerlingen destijds. Die wonderlijke tijd is voorbij en sluiten we liturgisch af met Pasen. Nu gaan we op weg naar Pinksteren, naar een nieuwe manier van volgeling zijn: in de Geest, die de leerlingen bij Johannes ontvangen bij de eerste verschijning, op de avond na Pasen. 

Langs Tomas leren we dat we zoekend zijn. We zoeken soms een schuilplaats in weten en zien en voelen. Maar geloven betekent ten diepste dat je je vertrouwen stelt in de Heer, die je niét zomaar zien kan, niet proefondervindelijk bewijzen kan. De Geest is onze Steun en onze Kracht daarin: God, werkzaam in ons.