Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- As is wat overblijft (18 februari 2026).

26 december 2025

Heilige Familie op de vlucht! (27-28 december 2025)

De geboorte van Jezus is niet zomaar een blij verhaal. De Zoon van God is geboren in een stal. Zijn moeder legde Hem te slapen in een voederbak. Geen koninklijk verblijf dus, en geen weelderige ontvangst hier op aarde. En het wordt nog erger: het kersverse gezin blijkt niet eens veilig te zijn waar ze schuilen. Jozef en Maria hebben heel wat zorgen. De geboorte van een kindje hoort een ontroerende en innemende gebeurtenis te zijn, een tijdlang mogen zweven op een wonderlijke wolk. De realiteit is best hard.

Politieke vluchtelingen

Herders zijn het Kindje komen eren. (Lucas 2, 15-16) Er brengen zelfs Wijzen een bezoek: ze willen de Messias ontmoeten nadat hun een ster is verschenen. (Matteüs 2, 1-2)  Koning Herodes wil hen inschakelen om meer informatie in te winnen en een eventuele inbreuk op zijn gezag meteen in de kiem te kunnen smoren. De Wijzen doorzien zijn snode plan dankzij een boodschap in hun droom en laten de vorst in het ongewisse. (Matteüs 2, 3-12)

Eveneens in een droom wordt Jozef gewaarschuwd door een engel van de Heer: hij moet met zijn gezin zo snel mogelijk vluchten omdat Herodes het Kindje kwaad wil doen. (Matteüs 2, 13) Ze vluchten naar Egypte, weg uit het gebied waar Herodes macht over heeft, opdat Jezus, een klein en weerloos Kindje, niet vermoord zou worden. Vreselijk is dat. Weg uit hun land, weg van hun familie en kennissen, met een pasgeboren Kind.

Asiel in Egypte

Aldus zijn Jozef, Maria en Jezus politieke vluchtelingen die in Egypte een veilig onderkomen vinden. Zolang het niet veilig voor hen is, moeten ze uit hun eigen streek wegblijven. (Matteüs 2, 14-15) Al vanaf het begin hangt er een gevoel van onveiligheid, van onrecht in Jezus' aardse bestaan. Koning Herodes is een hardvochtige vorst. Wanneer hij verneemt dat de Wijzen hem zijn ontlopen, laat hij alle jongetjes van 2 jaar en jonger in de ruimte omgeving van Betlehem ombrengen. (Matteüs 2, 16) Als illustratie van een terreurbeleid kan dat tellen.

Ze zijn dus op het nippertje kunnen vluchten. In Egypte zijn ze veilig. Ze mogen er verblijven en worden niet weggejaagd of slecht behandeld. Er is geen protestcomité opgericht om hen terug te sturen. Er is geen politiek lobbywerk gebeurd om hen weg te krijgen. Was dat wel het geval geweest, dan zou het ook zeker uitgebreid beschreven zijn bij Matteüs. Het zou immers relevante informatie geweest zijn.

Verhaal op maat

Het blijft een merkwaardige kronkel te denken dat je overtuigd christen kan zijn en principieel onverdraagzaam tegelijk. Jezus' Boodschap puilt zowat uit van de verwijten tegen farizeeën die neerkijken op anderen en iedereen zelfgemaakte regels opleggen. (Johannes 8, 3-11 en 15 - Johannes 9, 1-23 - Matteüs 23, 1-33 - Lucas 6, 1-11) Jezus is evenmin mals voor wie welstellend is en al te veel gehecht is aan bezit en geld. (Lucas 16, 19-30 - Lucas 18, 25 - Matteüs 19, 16-24 - Marcus 10, 17-25)

Wanneer we als christenen voluit voor economische motieven gaan bij het beslissen of vluchtelingen welkom zijn in ons midden of niet, dan is dat niet te rijmen met de blijde Boodschap. Jezus, de Zoon van God, heeft zijn tocht naar Jeruzalem kunnen volbrengen juist omdat men Hem in Egypte heeft onthaald als vluchteling. 

Wanneer mensen hun land verlaten omdat het gezag hen naar het leven staat, wanneer mensen met hun kroost en hooguit enkele bezittingen een weg naar het onbekende aanvatten, dan zijn ze kwetsbaar en radeloos. Laten we dat in deze dagen indachtig zijn.

20 december 2025

Kerstmis in beeld (24-25 december 2025)

Hoewel de kerststal niet helemaal op Bijbelverzen steunt, vertelt ze het wonder van Jezus’ geboorte op bijzondere wijze en mag ze ons geloof ieder jaar weer inspireren. Hiermee brengen we Kerstmis terug naar haar essentie: geen flikkerende kerstbomen, geen vreemd lachende kerstmannen, geen dure geschenken, maar de geboorte van Jezus in al haar eenvoud.

Zien en niet zien

Om te begrijpen wat je ziet, is het zinvol om een stap achteruit te zetten en na te gaan wat je niet ziet. Wie blijft er buiten beeld van onze kerststal? De herbergier alleszins, die Jozef en de hoogzwangere Maria logement weigert. Hij heeft geen plaats, zegt hij. Mensen kunnen teleurstellen. 

De herders maken wel deel uit van het tafereel: eenvoudige lieden die de nacht doorbrengen bij hun kudde, in de velden. Maar hun geloof is bijzonder groot, zo blijkt. Ze schrikken wel van het nieuws dat hun wordt verkondigd, maar ze laten zich verwonderen. Wat hun wordt toevertrouwd, dat geloven ze.

Plichtsbewust en ontvankelijk

Jozef zien we hier, de man die bezorgd is over zijn vrouw, die plichtbewust in het leven staat en een oplossing zoekt wanneer tegenslag hun pad kruist. De stal is geen luxueus verblijf, maar biedt wel bescherming. En er komt nog onheil: Jozef zal met Maria en Jezus naar Egypte moeten vluchten omdat Herodes hun kwaad wil doen. Jozef beschermt Jezus en zal Hem opvoeden en het vak van timmerman leren. Hij aanvaardt vanaf het begin dat dit Kind een heel bijzondere zending heeft.

We zien ook Maria, de gelovige vrouw die de Zoon van God baart en die dit wonder op zich laat afkomen. Zoals God het wil, zo zal het gebeuren. Haar vertrouwen is groot, haar ontvankelijkheid ook. Maria had vriendelijk kunnen bedanken wanneer de Engel haar bezocht, maar dat heeft ze niet gedaan. En dat is geen uiting van nederige gehoorzaamheid, maar een heel bewuste keuze. En ook in die moedige keuze zal ze niet gespaard blijven van leed.

Eenvoud en wijsheid

Achteraan liggen de os en de ezel. Het zijn eerder volkse, ludieke figuren die het eigene van de stal beklemtonen. In het geboorteverhaal staat de os nergens vermeld. De ezel komt na de geboorte van Jezus ook niet meer in beeld. Maar de profeet Jesaja klinkt langs deze dieren op de achtergrond mee: “Een os herkent zijn meester, een ezel kent zijn voederbak, maar het Volk van God mist elk inzicht, het leeft in onwetendheid.” Hier klinkt al meteen een eerste afwijzing van Jezus als Gods Zoon. Goede Vrijdag is nooit ver weg in het verhaal van Jezus. We herkennen in de os en de ezel misschien het noeste werken en in het gareel moeten lopen. En de hardheid die we in ons bestaan ontmoeten. Maar net als de ezel kunnen we een gezonde koppigheid kennen, en toch de Heer ten volle willen ontmoeten.

Op de drie wijzen uit het Oosten wachten we nog even. Zij zullen in hun wijsheid in Christus de Redder herkennen. 

Christus en wij

Centraal in de stal vinden we vanavond uiteraard de Messias zelf. Jezus Christus, de Zoon van God, de Heer die hier op aarde verschijnt in een teer en kwetsbaar Mensenkind, God in Mens onder ons: door profeten voorzegd en lang verwacht.

Wijzelf maken ook deel uit van het tafereel: we aanschouwen het, we nemen het beeld in ons op. Mogen wij de verwondering van de herders meedragen, de aanvaarding van de os en de ezel, de zorgzaamheid van Jozef en de ontvankelijkheid van Maria. Mogen wij Jezus warm onthalen in ons gebed en in heel ons leven, dankbaar en vol feestvreugde omdat God in Jezus is geboren in Betlehem en te slapen gelegd in een kribbe in een schamele stal.

De Kerstnacht verwelkomt alle wonderen in een oogopslag, de eeuwigheid in één enkel moment: zomer in kille winter, dag in donkere nacht, hemel in aarde, God in mens. Zo groots is het Kindje, wiens geboorte alles bijeenbrengt. Kerstmis verheft de aarde tot in de hemel, en buigt de hemel tot aan de aarde.  (Richard Crashaw)    

Een zalig Kerstfeest!

18 december 2025

God met ons (20-21 december 2025)

Op het einde van de advent horen we hoe God op onze aarde geboren zal worden als Immanuel: God-met-ons. Deze expliciete verbinding die de Heer met ons wil maken, is een belangrijke tegemoetkoming om de afstand veroorzaakt door onze twijfels en onzekerheden te overbruggen. Hij is immers nooit ver weg. En Hij weet wat er omgaat in ons hart. Wat doen wij?

  • Voor de lezingen van de vierde zondag van de advent A: klik hier.

Paniek

Achaz is koning van Juda, het zuidelijke rijk, en hij zit in een benarde positie wanneer Jesaja hem toespreekt. Het noordelijke rijk Israël wil trachten om hem met hulp van buitenaf van de troon te stoten. Volgens Jesaja hoeft Achaz echter niet te vrezen: God is met hem, de koning moet enkel vertrouwen hebben in de Heer. De koning twijfelt echter en raakt in paniek. Uiteindelijk zoekt hij zijn heil bij Assyrië. 

De gevolgen zijn desastreus: Juda wordt een vazalstaat van dat Assyrische rijk. Het Twaalfstammenrijk uit de tijd van koning David was al opgesplitst, maar nu verliest dit zuidelijke koninkrijk daarenboven ook de zelfstandigheid. In plaats van steun te zoeken bij God verkoopt Achaz de vrijheid van zijn volk. Zo brokkelt het ooit zo sterke rijk nog verder af. Mensen hebben de neiging om zichzelf en God teleur te stellen. Dat is een motief dat doorheen het Eerste (Oude) én het Tweede (Nieuwe) Testament steeds terugkeert.

Net als Achaz worden ook wij soms overspoeld door een golf van twijfels in precaire situaties. Het vertrouwen op God kan soms zo ontastbaar aanvoelen. God kan onbereikbaar ver van ons weg lijken. Bovendien is het een hele opgave om de controle uit handen te geven., vooral wanneer de omstandigheden ruw en onbeheersbaar zijn. 

Twijfelachtig

In ons gebrekkige geloof projecteren we onze eigen zwakte op God: wanneer het niet lukt om ons persoonlijk ten volle open te stellen voor God, dan vragen wij Hém om zich aan ons te tonen. En wanneer wij Hem in de steek hebben gelaten, dan willen we bevestiging dat Hij wel degelijk om óns geeft. Onzekerheid wordt vaak doorgeschoven naar de ander. Wie een ander bedriegt bijvoorbeeld, die zal zelf vlugger jaloers zijn. Een vreemd mechanisme.

Omwille van ons menselijke balanceren tussen hoop en vertrouwen aan de ene kant en twijfel, zwakte en onzekerheid daartegenover, is de verhouding lang niet altijd in balans met God. Het gaat soms teveel over onszelf en te weinig over God. Dat wordt in onze tijden van ego en vrijheid terecht opgemerkt, maar het is eigenlijk van alle tijden. In God geloven, is je kwetsbaar opstellen. Het houdt in dat je je vertrouwen stelt in Hem. 

Niet weten

Daar is Achaz over gestruikeld, en in onze tijd is het evenzeer een uitdaging. Geloven is immers fundamenteel niet-weten. Het is voor een groot deel niet (helemaal) begrijpen en toch geloven. Achaz nam het zekere voor het onzekere, maar het zekere bracht onzekerheid, terwijl het Onzekere –  onzeker in zijn rationele of angstige ogen althans – hem juist wel had gered.

God is ons, mensen, nochtans ontzettend veel tegemoetgekomen. Hij heeft ons een ontegensprekelijk teken van Leven gegeven. Hij is Mens geworden, aan ons gelijk, en heeft onder ons gewoond. (Johannes 1, 14) Ons heeft Hij niet in de steek gelaten, hoewel het Volk van God Hem wél al te vaak heeft beschaamd. 

Vervulling

Jesaja mocht deze belofte al doen in moeilijke tijden: “De jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuel noemen.” (Jesaja 7, 14) We naderen nu in het liturgisch jaar de vervulling van deze belofte: met Kerstmis, over enkele dagen al, gedenken we de geboorte van Jezus Christus. Zo is het door de Engel herhaald aan Jozef in een droom: “Ze zal een Zoon baren. Geef Hem de naam Jezus, want Hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden.” Dit alles is gebeurd omdat in vervulling moest gaan wat bij monde van de profeet Jesaja door de Heer is gezegd. (Matteüs 1, 21-22)

Welnu, de geboorte is heel dichtbij. God is heel dichtbij. Hemel en aarde raken elkaar bijna. Het verwachten van de advent wordt weldra vervuld. Stellen wij ons open voor zijn komst? Stellen wij ons vertrouwen op Hem als onze Messias? Of aarzelen we en blijven we paniekerig in de twijfel hangen, zoals Achaz? Rekenen we liever op aardse, tastbare redmiddelen die ons de schijn van geluk en voorspoed voorhouden?

Geloven gaat heel diep en krijgt elke dag opnieuw vorm in ons leven. Zijn we er klaar voor? Hebben we ons goed voorbereid? God wil met ons zijn, maar zijn wij klaar om Hém te ontvangen?

08 december 2025

Heb geduld, houd moed (13-14 december 2025)

We leven in een wereld van verlokking. Onze mobiele telefoon pingelt en tingelt opdat we er geregeld naar zouden kijken: niet eens wanneer iemand ons iets toestuurt, maar om een nieuwtje te melden, of het weerbericht. We worden gelokt. Ook in de winkelstraten en op het internet worden we verleid met flitsende beelden, kleine prijzen en grote beloften. We hebben alles graag groots, met veel toeters en bellen. Onze honger wordt opgewekt en meteen verzadigd. We verwennen onszelf graag. Maar is dat wel goed voor ons? Is het wel gezond? Zouden we af en toe niet beter even op de rem staan? Is een gezonde dosis geduld niet verstandiger en gezonder?

  • Voor de lezingen van de derde adventszondag A: klik hier.

Niet hebberig

Volgens de liturgie beslist wél. Er klinkt een bescheiden vreugde op deze derde zondag van de advent: Gaudetezondag. We verheugen ons stilaan op Kerstmis, op het Geboortefeest, maar die blijdschap blijft ingetogen en wordt niet uitbundig. Verlangen is niet te herleiden tot een lineair stijgende lijn: het is een emotie met hoogten en laagten, waarbij we soms ongeduldiger worden dan op andere momenten. 

Ongeduld heeft iets egocentrisch in zich, iets hebberigs. We willen alles onmiddellijk en helemaal, maar zo werkt de werkelijkheid niet. Dat menselijk euvel is eigenlijk van alle tijden. Daarom worden we in de advent ook uitdrukkelijk aangespoord om door te zetten in het geduld. We mogen het wachten niet op te geven enkel omdat ons verlangen niet voorbarig wordt ingewilligd

Hetzelfde geldt voor het Rijk Gods. Af en toe hoor je mensen schreeuwen dat de tekenen van de wereld duidelijk zijn en dat de eindtijd op handen is. De drijfveer is menselijk ongeduld. Zo werkt God niet. Hij zal komen wanneer wij dat het minst verwachten. (1 Tessalonicenzen 5, 2) Dat hoeft helemaal niet in ons aardse bestaan te zijn. Maar het kan wel natuurlijk.

Leven met hoop

“Het dorre land zal zich verheugen en jubelen, de woestijn zal bloeien als een bloem”, verkondigt Jesaja veelbelovend. (Jesaja 35, 1) “Zeg tegen hen die bang zijn van hart: houd moed, vrees niet!” (Jesaja 35, 3) Jesaja ziet een hoopvolle toekomst, de tegenslag blijft niet duren.

Het Hebreeuwse woord ‘leev’ wordt hier vertaald als ‘hart’, al doet het eigenlijk tekort aan wat er bedoeld wordt. ‘Leev’ omhelst eigenlijk ons mensenbestaan, ons zelfbewustzijn, onze beleving. Daarom is er wellicht ook een etymologische band tussen het Hebreeuwse ‘leev’ en ons woord ‘leven’ (en het Engelse ‘live’ en het Duitse ‘leben’). Het hart is inderdaad bron van leven, maar het leven omhelst meer dan enkel een hartslag. Zo is het ook met dit Hebreeuwse woord. 

We worden door Jesaja opgeroepen om niet angstig te blijven in ons bestaan maar onze moed te bewaren en te koesteren. Want alles komt goed. Zelfs wie de toekomst somber inziet, als een barre woestijn, zal verbaasd staan. Dit saaie en dorre landschap zal opbloeien: er komt redding, nieuw Leven!

Toekomst

De redding komt er echter niet meteen nadat Jesaja zijn woorden heeft uitgesproken. Er wordt geduld gevraagd: de woestijn zal weliswaar bloeien, maar niet over enkele tellen. Wanneer de tijd rijp is, dan zal het gebeuren. In de dichte toekomst verwijst Jesaja hier letterlijk naar de terugkomst van de bannelingen uit Babylon. Verder weg verwijst Jesaja abstracter naar de redding wanneer de Messias komt. 

De twee betekenissen van Jesaja's visioen van hoop zijn met mekaar verbonden. Door de terugkomst van de bannelingen is het Volk van God herenigd om de Messias te ontvangen. Dat ideaalbeeld zal in de werkelijkheid heel anders verlopen, zo weten we.

Wij bevinden ons in een volgende tijdsspanne: tussen de komst van Jezus de Messias en zijn belofte van de wederkomst in heerlijkheid. Ook voor ons draagt Jesaja’s belofte dus een verlangen in zich naar een toekomst die we ons moeilijk kunnen inbeelden omdat die abstract en mysterieus blijft.

Met mildheid

Toch mogen we blij zijn en in de komende dagen blijven uitkijken naar het feest waarop we Gods komst als een Mensenkind op aarde mogen vieren. God is niet ver weg gebleven doorheen de tijd, Hij heeft ons bestaan aangenomen om ons de blijde Boodschap te verkondigen en om ons duidelijk te maken wat God van ons verlangt.

Gaudetezondag verwijst naar de intredezang van de vroegere Latijnse mis op de derde adventszondag, een fragment uit de Filippenzenbrief: ‘Blijf vreugdevol in de Heer. Ik zal het jullie nogmaals zeggen: blijf vreugdevol. Laat iedereen u kennen als milde mensen. De Heer is nabij.’ (Filippenzen 4, 4-5) We worden door Paulus opgeroepen om te allen tijde verheugd te blijven in de Heer en uit te blinken in mildheid (‘epi-eikès’ in het Grieks: mild, gematigd, doordacht). Daaraan moeten de mensen ons herkennen: dat we mild zijn. Het tegengestelde van mild is hier gulzig of overdadig of onbeteugeld. 

In de muziek heet dit ‘allegro moderato’: opgewekt en vlug, maar dan met mate. Zo mag ons verlangen zijn naar Kerstmis, en evenzeer naar de eindtijd: oprecht maar ingehouden, van harte maar geduldig. 

De advent kan ons iets leren in het leven: geduld dat in haar mildheid niets afdoet van de oprechtheid van de emotie. Wat niet voluit wordt beleefd, wordt algauw als flets afgedaan. Ten onrechte: het wachten wordt sterker door het in te perken en zuiver te houden.

02 december 2025

Wegenwerken (6-7 december 2025)

Johannes is de zoon van Maria’s nicht Elisabet. Zijn meest bijzondere band met Jezus is ongetwijfeld van spirituele aard, bijna mystiek zelfs: niet onder woorden te brengen maar onpeilbaar diep. Hij roept de mensen op om de weg klaar te maken voor de Heer, die weldra komt. Johannes inspireert ons ook vandaag om aan de weg te werken. Christen zijn is werken aan de weg: een zware taak, een werk dat nooit af is.

  • Voor de lezingen van deze tweede zondag in de advent A: klik hier.

Potsierlijk

Johannes is in een ruwe kameelharen mantel gekleed en voedt zich met wilde honing en sprinkhanen. (Matteüs 3, 4) Johannes loopt beslist niet rond in eerbiedwaardige klederdracht. In de ogen van de mensen is hij schamel gekleed. Zijn voedsel bestaat uit schenkingen van de schepping: wat er voorhanden is. Het contrast tussen deze verwilderde profeet en de 'gestelde lichamen' van het geloof met hun potsierlijke houding kan niet groter zijn. 

De farizeeën en sadduceeën worden bijzonder hard toegesproken: 'addergebroed' noemt Johannes hen. (Matteüs 3, 7) Ze moeten absoluut niet denken dat ze veilig zijn omdat Abraham hun voorvader was. (Matteüs 3, 9) Nee, ze zullen zélf moeten bewijzen dat ze het hemelrijk waard zijn, langs hun daden. En laten wij vooral niet op de zijlijn gaan staan en ons de rol van (licht geamuseerde) toehoorders toeëigenen. Johannes de Doper richt zich evenzeer tot ons: het is hoogtijd om aan de slag te gaan!

Nieuw begin

Johannes trekt de woestijn in om te prediken dat het koninkrijk van de hemel nabij is. Hij is een profeet, een man die door Jesaja al werd aangekondigd: 'een stem die roept in de woestijn'. (Matteüs 3, 3 en Jesaja 40, 3) In voorbereiding op Jezus’ komst doopt hij mensen, opdat ze tot inkeer komen. (Matteüs 3, 11) Want de bijl ligt aan de wortel van de boom: wie geen goede vruchten draagt, heeft geen goede vooruitzichten. (Matteüs 3, 10)

"Maak de weg van de Heer gereed", zegt Johannes de Doper. Jesaja klinkt hier meteen op de achtergrond mee: "Laat elke vallei verhoogd worden en elke berg en heuvel geëffend, laat ruig land vlak worden en rotsige hellingen rustige dalen." (Matteüs 3, 3 en Jesaja 40, 4) Wat bedoelt hij daarmee? 

Oneffenheden

We zouden de ruwe woestenij bijvoorbeeld kunnen vertalen als: bergen van rijkdom en roem, dalen van onrecht en verdriet, ruig land van oorlog en geweld, en valleien van gemak en verstrooiing. Wanneer die oneffenheden verdwenen zijn, dan zullen we niet meer struikelen, niet meer verdwalen, dan zijn er geen belemmeringen meer, geen beperkingen. Een wereld zo idyllisch en puur als het aards paradijs, zeg maar. Weg met de willekeur en de onberekenbaarheid: de weg moet rechttoe rechtaan zijn, geijkt op Gods Wet. Een Rijk van goedheid, rechtvaardigheid en liefde. 

In de woestijn, omringd door dorre en ruige natuurelementen spreekt Johannes dit visioen uit. In die woestijn heeft hij de soberheid en stilte gevonden, ver weg van de drukte van dorpen en steden. Zijn woorden klinken authentiek, juist door wie Johannes is en waar hij verblijft. Ook wij worden uitgenodigd om tot inkeer te komen en stil te staan bij ons leven, op ons doen en laten. Daar is de advent de uitgelezen tijd voor: tot inzicht komen, ontdekken wat er werkelijk toe doet in het leven. Tot de kern komen: het is een hele opdracht in een wereld vol kitscherige rendieren, irritant lachende kerstmannen en hyperkinetisch knipperende LED-lampjes. 

Aan het werk!

Toch volstaat het niet om ons terug te trekken uit het leven en ons te bezinnen. We moeten aan de slag in deze wereld, in de schepping die God ons te leen heeft gegeven. Niet in een veilige fantasiewereld van goede voornemens, maar in ons dagelijkse bestaan: daar horen we ons voor te bereiden op zijn komst en goede vruchten te dragen. Deze boodschap mag ons inspireren in de advent.

Wanneer we bouwen aan de weg – onze persoonlijke weg, maar evenzeer de gezamenlijke christelijke weg van eeuwen , dan werken we mee aan de komst van het Rijk Gods. De samenleving is niet dezelfde als ten tijde van Jezus, maar de gelijkenissen blijven niettemin stuitend: ook nu is er een grote kloof tussen arm en rijk, ook nu is er oorlog en onrecht, ook nu worden mensen uitgesloten. Daarom blijft de boodschap van Johannes brandend actueel. Helaas. Er is nog veel werk aan de weg! We hebben geen enkel excuus om onze bijdrage uit te stellen. 

We verlangen naar Kerstmis. Laten we bouwen aan de weg door tot inkeer te komen en aan het werk te gaan, geïnspireerd door Johannes de Doper. Laten we ons in deze advent bewust voorbereiden om de Komst van Gods Zoon op aarde, God onder ons. Hij komt weldra!

25 november 2025

Waken en niet indommelen (29-30 november 2025)

Aan het begin van de advent horen we een scherpe waarschuwing van Jezus. We moeten wakker blijven. Hemel en aarde zullen verdwijnen, maar het Woord van God blijft bestaan. Daarin weerklinkt de belofte dat Hij ooit terug zal komen. Daar mogen wij op hopen, dat mogen wij geloven. Wanneer Hij komt, dat weten we niet. De advent is een tijd van hopen en wachten, van geloven en waken. En vooral niet indutten in het leven van alledag.

Hoop

Geloven is een actieve levenskeuze: niet één keer, maar telkens opnieuw. Dommel dus niet in. (Matteüs 24, 42a-44) Laat je niet meeslepen in een roes van surrogaat en leegte, van gewoonte en gemak. (Matteüs 24, 37) Blijf zoeken naar zin, blijf hoopvol vooruitzien. De Heer komt weldra. Dat is waar de advent rond is opgebouwd: op een warmhartig verlangen, op de verwachting van iets nieuws.

Daarom is het ook uiterst belangrijk om niet in de val van het cynisme te trappen. God is niet gediend van zuurpruimen die overal tegenaan schoppen, die snauwend en blaffend op alles en iedereen neerkijken. Dat neerkijken veronderstelt immers dat men zichzelf zoveel beter vindt dan de rest. Of het komt voort uit een minderwaardigheidscomplex. Deze houdingen teren op ergernis en nijd. Onze God is een God van Liefde. Hou je verlangen puur. Kijk niet weg van je medemens.

Zuiver

Hou je des te meer bezig met je eigen hart. Ben jij wel gereed voor wat er komt? Ben je goed voorbereid? De Heer komt tot ons heel onverwacht in kleine dingen van elke dag, in kleine hemelse zegeningen. Wees dus dankbaar, telkens opnieuw. Wees niet misnoegd.

De zuiverheid van Gods antwoord op het menselijk zoeken is zijn komst op aarde, die wij weldra opnieuw gedenken: de Heer komt terug in ons midden als Mens, aan ons gelijk. Hij wordt opnieuw geboren als Kind onder ons. Maar de Zoon zal tegelijk ook God zijn.

Laten wij dus verlangend uitzien. De nacht loopt ten einde, de dag nadert al. (Romeinen 13, 12a) Ons aardse bestaan is een nacht in vergelijking met Gods Rijk, dat steeds dichterbij komt. Er blijft veel verscholen in de schaduw en de stilte hier in onze wereld, zaken die het licht niet verdragen.

Niet beïnvloedbaar

Even onverwacht als de Heer in onze dagelijkse zegeningen verschijnt, komt ooit de dag dat God terugkomt. Dat ogenblik blijft zelfs voor de Mensenzoon geheim. (Matteüs 24, 36) We kunnen het dus niet regelen en niet bepalen, wat bijzonder moeilijk is voor ons, mensen. (Matteüs 24, 42b) Wij hebben graag een invloed op de zaken, zeker wanneer ze belangrijk en bepalend zijn. De komst is dus niet door mensen af te roepen. (Matteüs 24, 23) Geloof niemand die een moment heeft berekend of in de tekenen heeft gelezen. Het is de vrucht van hovaardigheid of kletspraat. 

Wanneer God het wil, dan zal het gebeuren. Zoals Jezus als Kind werd geboren, en zo - aangekondigd maar evenzeer onverwacht - op deze wereld kwam. 

We hebben veel om naar uit te kijken. Mooie dingen, en dingen die ons misschien wel angst inboezemen. Verlangen is openstaan voor wat komt en aanvaarden dat de komst een verrassend geschenk zal zijn. Laat ons samen waken en niet indommelen!

17 november 2025

Christus Koning: de verhevenheid van de vergeving (22-23 november 2025)

Christus Koning sluit het kerkelijk jaar af. Volgende week begint met de advent een nieuw liturgisch jaar. We eindigen met een orgelpunt: Christus wordt gevierd als de Koning van hemel en aarde, van al wat is. Hij is door de Vader naar de aarde gezonden om het Volk van God weer in de armen te sluiten in een Nieuw Verbond.

Verbinding verbroken

Jezus Christus is de Allerhoogste: “Oorsprong is Hij, eerstgeborene uit de dood, om in alles de hoogste te zijn: in Hem heeft heel de volheid willen wonen.” (Kolossenzen 1, 18bcd-19) Hij is ons ideaalbeeld, ons Goddelijk voorbeeld, door de Vader naar de aarde gezonden om het Volk met Zich te verzoenen. Duidelijker kan God niet meer worden, met zijn Volk onderweg. Want het oude Verbond is verwaterd

We krijgen een nieuwe kans van God. De Schrift is een lange historiek van God die verbinding zoekt met zijn Schepping enerzijds en de mensen die telkens weer zijn gulheid met de beste bedoelingen beantwoorden, maar later toch weer verzanden in eigenbelang anderzijds. De trouw van Gods Volk is de achilleshiel. Keer op keer stellen de mensen zich gaandeweg andere prioriteiten. Ze ontdekken snel geluk en ze zien de illusie ervan niet in. Ze willen zichzelf op de eerste plaats zetten en beseffen niet dat hun kracht slechts sporadisch zal volstaan. 

Het Verbond dat ooit in de woestijn werd gesloten, is teniet gedaan. Bij monde van profeten als Jesaja en Jeremia heeft de Heer zijn Volk kwaad toegesproken, maar ook een nieuw begin aangekondigd. Dat komt in Jezus, zijn eniggeboren Zoon: “door Hem en voor Hem (heeft Hij) alles met zich willen verzoenen, alles op aarde en alles in de hemel.” (Kolossenzen 1, 20ab) God blinkt werkelijk uit in vergevingsgezindheid, meer dan een mens ooit zal kunnen opbrengen.

Kruis

De ultieme verzoening is gekomen: langs het Lam dat geslacht is om het kwaad van de wereld te dragen. Verheven aan het kruis strekt Hij zijn armen uit over alle mensen. Een Nieuw Verbond wordt gesloten. Boven Hem wordt een opschrift aangebracht: ‘Dit is de koning van de Joden’. (Lucas 23, 38) Waar komt die titel toch vandaan? Waarom wordt Hij als koning gekruisigd? 

Slechts één van de twee misdadigers die met Hem zijn gekruisigd, erkent Hem als zijn Redder. Hij zegt tegen de gekruisigde Heer: “Jezus, denk aan mij wanneer U in uw koninkrijk komt.” En Jezus antwoordt: “Ik verzeker je: nog vandaag zul je met Mij in het paradijs zijn.” (Lucas 23, 42-43) De misdadiger, die in de schuld staat bij de hemelse Vader, ontvangt vergiffenis, omwille van zijn berouw en zijn geloof. Vandaag nog, niet in een verre toekomst.

Koninkrijk

Pilatus vraagt aan Jezus: “Bent U de koning van de Joden?” Jezus antwoordt: “Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Mijn koninkrijk is niet van hier.” (Johannes 18, 36ad) Het spottende opschrift wordt een heilige titel, de vernederende straf wordt een Overwinning, want Jezus Christus ís de Koning van het Heelal.

Hij bezit absoluut geen koningschap zoals een aardse vorst: zijn koningschap is er niet mee te vergelijken. Wat het betekent is voor ons, mensen, amper voor te stellen. Dit is geen  politieke maar spirituele opdracht: Hij vult zijn Rijk met liefde en gerechtigheid en dat Rijk is al komende. Een Rijk dat gefundeerd is op vergeving en genade, op gulheid en hartelijkheid. Op God zelf. Dit koningschap is hemels van oorsprong en haar taak bestaat uit genade.

Eeuwfeest

100 jaar geleden is het hoogfeest van Christus Koning ingesteld door paus Pius XI, in 1925. Het benadrukt de allesomvattende betekenis van het koningschap van Christus over mens en wereld. Het concept is dus vrij recent, al heeft het uiteraard veel wortels in de traditie en in de Schrift. ‘De Allerhoogste’, zo bezingen we Christus in het ‘Eer aan God’. 

In het boek Openbaring krijgt Hij de naam ‘hoogste Heer en koning’. (Apokalyps 19, 16b) “Jezus Christus (is) de betrouwbare getuige, de eerstgeborene uit de dood, de heerser over de vorsten van de aarde.” (Apokalyps 1, 5a) Het koningschap van Christus is onlosmakelijk verbonden met zijn belofte van het Rijk Gods waar wij hartelijk toe worden uitgenodigd: Christus heeft “een koninkrijk uit ons gevormd en ons gemaakt tot priesters voor God, zijn Vader. Aan Hem komt de eer toe en de macht, tot in eeuwigheid.” (Apokalyps 1, 6)

Uitnodiging

Als de Koning ons met vergeving tegemoet komt, als zijn Troon gebouwd is op Liefde, dan kunnen wij haast niet anders dan deelnemen aan deze Goddelijke goedheid, die ons hier op aarde verheft tot mensen van God. 

Vergeving is wellicht één van de moeilijkste opdrachten doorheen ons mensenleven. De verhevenheid bestaat erin dat we de moeite doen om ons tot Hem te richten en niet voor het oppervlakkig gemak en zelfzuchtige gewoonte te kiezen. Daartoe nodigt de Koning ons uit: God en elkaar lief te hebben. Vergiffenis is de sleutel daartoe.

Graag wens ik ieder van jullie een zalig liturgisch eindejaar toe, en een hoopvolle en liefdevolle advent.

10 november 2025

De kunst van de standvastigheid (15-16 november 2025)

Op het vlak van geloof zitten we in woelig water. De Kerk is niet meer de evidentie die ze is geweest. Er klinkt kritiek, en neerbuigende spot soms. Jezus wijst ons in de tempel op de essentie. De gebouwen en gewoonten hebben een plaats in ons geloof, maar dat zou niet de kern mogen zijn. De toehoorders waren wellicht geschokt. Ook wij mogen ons verstand op laten schrikken door de Heer.

Schoonheid

De mensen bewonderen de mooie stenen van de tempel en de prachtige geschonken versierselen, uit dankbaarheid door rijken gegeven. (Lucas 21, 5) Al die schoonheid voor God: het maakt gelovigen blij. Wie zelf weinig geld en bezittingen heeft, voelt zich ergens rijk door deelachtig te mogen zijn aan de schoonheid van de tempel. Het geeft een gevoel van fierheid.

De grondige renovatie van de tempel zelf is intussen een veertigtal jaar afgewerkt. Alles oogt dus nieuw. Aan de uitbreiding van het plein door nieuwe gebouwen toe te voegen, is men nog volop bezig. Alles zal pas echt af zijn een goeie dertig jaar later. Lang zal het eindresultaat er niet staan: een jaar of zes, na 86 jaren van verbouwen en bijbouwen. Dan zal de tweede tempel vernield worden. Al die moeite, waarvoor? 

Alles gaat voorbij

Jezus voorzegt het al: "Wat jullie hier zien: er zullen dagen komen waarop geen steen op de andere zal blijven. Alles zal worden afgebroken." (Lucas 21, 6) Deze woorden moeten hard zijn aangekomen. Jezus spreekt over de tempel: de trots van iedere gelovige. Zijn indrukwekkende architectuur maakt deze tempel tot één van de mooiste gebouwen van het Romeinse rijk! En dat alles zal verdwijnen?

Al die schoonheid stoort Jezus op zich niet, maar Hij beklemtoont dat ons geloof niet uit de bewondering van sierlijke gebouwen mag bestaan. Geloven, dat doe je in je hart. Gebouwen zijn tijdelijk, de trouw aan God moet in ons hart wonen, blijvend. De hemelse Vader verlangt geen uiterlijke sier maar oprecht geloof. 

Dat komt niet terug

Niettemin zijn we gehecht aan de gebouwen waarin ons geloof tot uitdrukking komt: de stenen, de beelden, de glasramen, de geur... Onlangs nog zei iemand me: "Ons kerkje is voorgoed gesloten. Het is verkocht. Zo'n mooi gebouw, ik ben er zo vaak geweest. Een mooie tijd was het. Dat komt niet meer terug." Het is een fenomeen van deze tijd. Er zijn in de vorige eeuw heel wat kerkgebouwen bijgebouwd. Het leek evident dat die extra gebouwen altijd noodzakelijk zouden blijven. Vlaanderen zou altijd katholiek blijven, dat volk dat in de Boerenkrijg streed 'voor outer en heerd' (altaar en haard, of: kerk en gezin). Het leek wel in ons DNA te zitten.

In de laatste zestig jaar is er enorm veel veranderd. Heel gestaag, heel traag, maar onstuitbaar. Parochiegemeenschappen werden kleiner en grijzer. Het aantal priesters nam af. Een rijk aanbod aan andere bezigheden nam de zondag over. En wanneer veel mensen toch nog eens de kerk binnengingen, zomaar of voor een feest, dan voelden ze zich er minder en minder thuis, in tegenstelling tot de generaties voor hen. De rituelen waren hen vreemd geworden. "Moeten we nu rechtstaan? Wat moet ik nu zeggen?" En: "Waar heeft die priester het toch over?" En de krimpende kudde ziet het met lede ogen aan.

Anders

Jezus zegt tegen ons dat we ons niet moeten vastklampen aan gebouwen en structuren, maar dat ons geloof in de eerste plaats in ons hart woont. We worden uitgedaagd om ons geloofsvuur brandend te houden, iedere dag. Dat wil niet zeggen dat vieringen in de kerk bijwonen bijkomstig zou zijn. Je geloof lovend en dankend delen met anderen versterkt je geloof. Wel zou het weinig betekenen als je geloof alleen dàn een plaats in je leven krijgt.

Je geloof gaat niet op slot wanneer je de kerkdeur achter je dichttrekt en de wereld in stapt. Dan begint het pas! Je spirituele batterijen zijn opgeladen, nu kan je aan de slag gaan. Leef je geloof voor, zeg God dank voor wat je ontvangt, vraag Hem om raad als het moeilijk gaat. Laat je niet van de wijs brengen wanneer men je geloof bespot. De Heer zal altijd met je zijn: "Ik zal jullie woorden van wijsheid schenken." (Lucas 21, 15)

Voorbij heimwee

Er wordt vaak met gemengde gevoelens teruggekeken op de rijke Roomse tijden. Er was veel plicht en niet altijd veel persoonlijke overtuiging. Er werd doorgedramd. En er was macht, overal. Dat die structuren ook kwaad hebben verricht, blijft een chronische wonde. Vroeger was het anders, maar of het ontegensprekelijk beter was, dat blijft toch maar de vraag. Het was eenvoudiger: het was zo, het moest zo en het bleef zo. Maar de tijd is niet stil blijven staan. Heimwee heeft doorgaans de romantiserende neiging om alleen de mooie aspecten te onthouden.

Net zoals de val van de tempel ooit moést gebeuren, zo is ook de huidige evolutie rond de Kerk en kerkgebouwen onvermijdelijk. We gaan terug naar de essentie: een persoonlijke overtuiging, een gekoesterd geloof, de eigen trouw aan God. Niet omdat het hoort, niet omdat het is opgelegd, maar omdat je dat engagement belangrijk vindt in je leven, zinvol en verdiepend. Soms zullen angst, onzekerheid en heimwee lonken, maar ze hoeven absoluut niet het laatste woord te hebben. Luister naar je hart. Put kracht uit de geloofsgemeenschap.

Standvastig

God zal altijd met ons zijn als wij Hem trouw blijven: "Geen haar van je hoofd zal verloren gaan." (Lucas 21, 18) En ja, we mogen heus aarzelen en twijfelen van tijd tot tijd, zolang we maar de weg vinden naar Hem als het er op aan komt: "Red je leven door standvastigheid." (Lucas 21, 19) Laten we ons geen illusies maken: standvastig als God zelf zullen we nooit zijn. Maar dat weet Hij wel: Hij heeft ons immers geschapen. Standvastigheid is een kunst, een gave waarin je steeds verder mag groeien.

Het kerkelijk jaar loopt op zijn einde. Over twee weken begint de advent. We ontvangen in dit evangelie heel belangrijke raad, die we mee kunnen nemen in ons gebed de komende tijd.

03 november 2025

Het mysterie van de herrezen tempel (8-9 november 2025)

Jezus maakt zich heel kwaad in het evangelie van de feestdag van de inwijding van de Lateraanse basiliek. Dat zijn we niet gewend van Hem. Op de dag dat we de oudste bestaande christelijke plaats van eredienst vieren, worden we meteen gewezen op de relativiteit van mooie gebouwen. We vieren deze zondag dat er plaatsen zijn om God in het bijzonder te loven, te eren en te danken: kerken, kapellen, basilieken en kathedralen. Maar de essentie van deze feestdag ligt niet in de gebouwen zelf.

  • Voor de lezingen van het feest van de kerkwijding van de Lateraanse basiliek: klik hier.

Woede

Jezus jaagt de geldwisselaars en de handelaars hardhandig van het tempelplein weg met een zweep van touw. Het geld smijt hij tegen de grond en de tafels van de verkopers gooit hij omver. (Johannes 2, 14-15) Zo'n rauwe uitbarsting van woede bij Jezus vinden we enkel hier in de evangeliën terug: bij de tempelreiniging. 

Dat komt omdat Jezus wordt geconfronteerd met de meest flagrante misvorming van godsdienst: de tempel wordt als winkel uitgebaat. Het huis van God wordt een zaak die pretendeert God manipuleerbaar te kunnen maken via een investeringskans om zonden uit te wissen. "Weg ermee!", roept Jezus. "Jullie maken een markt van het huis van mijn Vader!"

Uiterlijk vertoon

De tempel hoort geen winkel te zijn waarin je je van je schuld kunt ontdoen door een artikel te kopen en te offeren. En winst halen uit God is al helemaal niet aan de orde. Of het nu een schaap betreft of een duif (Johannes 2, 14), of een noveenkaars of een misviering. Met geld alleen koop je jezelf niet vrij. Nooit. Je wordt niet reiner door meer geld te betalen. God schenkt ons een nieuwe kans wanneer we berouw tonen en verdriet hebben: een gebroken en verbrijzeld hart hoort onze offerande te zijn. (Psalm 51, 19) 

Uiterlijk vertoon maakt weinig indruk op God. De intentie erachter is immers al te vaak hol en leeg. Het wordt een oppervlakkige gewoonte, een gebruik zonder diepere betekenis, een makkelijke oplossing die niet te veel inspanning vraagt. Telkens weer slagen mensen erin om God te vervormen tot spirituele zelfbediening. Van het Gouden Kalf in de woestijn tot de aanbidding van Baäl voor een goede oogst (Exodus 32, 8 en Jeremia 2, 8), van plengoffers (Jesaja 65, 11) tot aflaten om de hemel te verdienen. Terwijl God helemaal niet zoveel vraagt van ons: een oprecht hart dat gelooft in Hem. Een vastberaden geest die Hem trouw blijft. Meer niet.

De herrezen tempel

De tempel heeft geen betekenis als hij niet gerespecteerd wordt als Gods woning. Deze tweede tempel zal kort na Jezus' dood en verrijzenis vernield worden. Daarmee wordt God niet geschaad. Integendeel: de tempel schaadt God wanneer die een winkel wordt, een geldzaak. Profetische woorden spreekt Jezus wanneer de Joden Hem vragen waar Hij het gezag vandaan denkt te halen om zo hardhandig op te treden: "Breek deze tempel maar af, en Ik zal hem in drie dagen weer opbouwen." (Johannes 2, 19) Ze staan verstomd: de bouw ervan heeft 46 jaar geduurd!

Maar Jezus heeft gelijk: in drie dagen zal Hij de tempel doen herrijzen. Het mysterie zal geschieden in zijn dood en verrijzenis. Geen hoop stenen verbindt ons met God, maar Jezus Christus zélf, de Zoon van God. (Johannes 2, 21) Het mag merkwaardig genoemd worden dat deze lezing is gekozen voor het feest van de kerkwijding van de oudste katholieke basiliek: deze van Lateranen. Het oudste gebouw op deze plek werd ingewijd in 324. Haar stenen worden op deze feestdag echter niet geprezen of vereerd. Het gebouw, hoe oud en hoe mooi ook, verwijst in haar geheel naar Jezus Christus, naar de Verlosser. 

En wij dan?

Het Lichaam van Jezus zal verrijzen en dus ook de allerheiligste Tempel. De derde dag zal ze herrijzen uit de ruïnes van de dood. Die 'spoiler' geeft Johannes ons al mee helemaal aan het begin van zijn evangelie. (Johannes 2, 19-22) De evangelist komt tot de essentie van ons geloof, dat niet hoort te verstenen. Het blijft helemaal niet bij de lentevreugde om de verrijzenis.

Het diepste mysterie is misschien wel dat die tempel is heilig en dat wij die tempel zijn: wij, volgelingen van de Verrezen Heer! (1 Korintiërs 3, 17b) Jij en ik, en allen die in de Heer hun vertrouwen stellen. De Geest van God woont in ons en verheft ons. (1 Korintiërs 3, 16b) Op niemand anders kunnen wij deze tempel bouwen: op het fundament dat Christus zelf is, daarop bouwen wij. (1 Korintiërs 3, 11) Doen we dat niet, dan bouwen we op drijfzand.

Welnu, is onze tempel voldoende sterk gebouwd? (zie ook Matteüs 7, 24-27 en Lucas 6, 47-49) Maken we nauwgezet werk van dit gebouw en gebruiken we onze meest kostbare materialen? Het gaat hier niet over geld, maar over trouw en Liefde, dankbaarheid en oprechtheid. En hoe richten wij onze tempel in? Tot eer van God? Hebben we Hem voor ogen? Beheren we de tempel van ons geloof als een goede huisvader: nauwgezet en verantwoordelijk? 

Ik wens je graag een inspirerende feestdag toe van de kerkwijding van Sint-Jan van Lateranen, die verwijst naar Johannes de evangelist, die we vandaag beluisteren, en naar Johannes de Doper, die ons volgende maand, in de advent, oproept tot bekering en verwachting. En bovenal verwijst de basiliek naar Jezus Christus zelf!

28 oktober 2025

Bewondering en verdriet (1-2 november)

Met Allerheiligen herdenken we alle heiligen: alle mensen die hun leven op een bijzondere  en opmerkelijke wijze in teken van God hebben gesteld. Ze mogen ons geloof versterken. Allerzielen, de dag erna, is een ankerpunt in het jaar dat rouw en verlies een plaats in de jaarkalender geeft. Bewondering en verdriet komen samen op deze liturgische tweedaagse.

  • Voor de lezingen van Allerheiligen: klik hier.
  • Voor een suggestie van lezingen voor Allerzielen: klik hier.

Omdat Allerzielen vastgesteld is in die transformerende periode van het vallen van het blad en het verdorren van de natuur, blijft dit moment ook in een seculariserende cultuur relevant. Er groeien stilaan nieuwe rituelen en gebruiken buiten het kerkgebouw, maar een christelijke gedachtenisviering rond Allerzielen blijft eveneens overeind in onze samenleving. Rouw en verlies horen bij het leven, bij ieders bestaan.

Ongrijpbaar

Wanneer iemand overleden is die je heel dierbaar is, dan ervaar je een mengelmoes van gedachten en emoties: verdriet, woede, onbegrip, eenzaamheid… Het gevoel van afgesneden te zijn van die persoon, doet pijn. Het vraagt tijd eer dat gevoel wat minder allesbepalend wordt. Hoe ondraaglijk de pijn is, hoe lang die pijn tot op de voorgrond doordringt en in hoeverre ze ooit vermindert, is heel persoonlijk. Er staat geen maat op pijn en verdriet. Niemand rouwt volgens een schema of planning. 

Stappenplannen kunnen een hulpmiddel zijn, maar ze bepalen de individuele rouw niet. Rouw heeft zoveel facetten, en een model vertrekt steeds vanuit een bepaald perspectief. De fasen in rouw, die Elisabeth Kübler-Ross uitwerkte, en de dualiteit in rouw, die Margaret Stroebe en Henk Schut onder de aandacht hebben gebracht, kunnen ons vast en zeker inzicht geven in rouw in het algemeen. En Uus Knops wijst ons op de kracht van het aanvaarden en het delen van verdriet in woorden en symbolen.

Toch wordt rouw vooral ervaren als iets in je: niet vast te grijpen, niet te beheersen, niet te bedwingen. ‘Het rouwt’ in je, zegt Christine Vandenhole terecht. Die rouw valt niet samen met jou als persoon. Het lijkt wel een deel van je te zijn geworden. Je kunt die rouw ook niet zomaar vergelijken met de rouw van anderen. Intense rouw is iets dat op zichzelf verandert en dat jou daarbij ook transformeert: er is een ‘voor’ en een ‘vanaf’. Over een ‘na’ kunnen we niet echt spreken. Wanneer heb je een verlies volledig verwerkt en ligt het compleet achter je?

Voorbij de sterkte

Rouw hoéft geen taboe te zijn. We leven in een samenleving die de klemtoon legt op perfectie, op prestatie, op welvaart. Rouw kan in die context als een teken van zwakte worden beschouwd. Helaas, want het is een absurditeit te veronderstellen dat je altijd sterk moet en zult zijn. Al te vaak worden lege boutades op mensen in rouw afgevuurd: “straks wordt het beter”, “je moet er even doorheen”, “kop op”… Ze getuigen van een onvermogen om verdriet te beluisteren en onmacht te accepteren. 

“Wat moet ik zeggen?”, denkt men vaak onzeker en gejaagd wanneer men bij iemand langsgaat die rouwt. Het antwoord luidt: heel weinig. Luister naar het verhaal van de ander, maak tijd, laat de stilte toe en de emoties. Er hoeft niet op alles een antwoord te zijn. Schuif een bezoekje vooral niet voor je uit omdat jij je ongemakkelijk voelt. De ander voelt zich in veel gevallen een stuk beroerder. Het is juist heel betekenisvol om het verlies en de gevoelens die het opwekt op de voorgrond toe te laten, kort na het verlies, maar ook daarna. Wat is het toch met ons, Westerlingen, dat we ons ongemakkelijk voelen bij emoties? En vanwaar die veronderstelling dat wij altijd iets moeten doén om het verdriet op te lossen? Op de meeste diepe zaken in het leven hebben we amper vat.

Herinneren

Verlies vraagt om tekens, symbolen, woorden. Door stil te staan bij herinneringen onder de vorm van tastbare dingen en mooie gedachten, geef je jezelf de kans om actief te rouwen. Er kunnen bijzondere momenten uitgekozen worden om persoonlijk bij de overledene stil te staan of om herinneren te delen door samen te komen. Dat wil niet zeggen dat rouwen steeds een droeve gebeurtenis hoeft te zijn. 

Het wil ook niet zeggen dat je jezelf moet dwingen om te rouwen. Er zullen meer actieve rouwperiodes voorkomen en eerder kalme periodes, waar er meer ruimte is voor de buitenwereld en voor andere gedachten. Mensen lopen soms onterecht met een schuldgevoel rond, omdat ze vrezen dat ze dan niet genoeg respect opbrengen voor de overledene door aangename momenten te beleven los van de rouw. Terwijl die momenten je juist adem geven om verder te gaan in je rouw. 

Geen oplossingen

We denken graag oplossingsgericht. Maar verlies is nooit ‘af’. Het beeld dat het een wonde zou zijn die door de tijd kan worden genezen, draagt evenmin bij aan een rouwverwerking. De tijd op zich heelt helemaal niets. Rouw zou nooit ervaren mogen worden als een ‘last’ die verborgen moet worden voor jezelf en voor anderen. Hoe harder we onze emoties onderdrukken, hoe sterker ze zullen opborrelen. We hoeven niet te baden in verdriet. Wel is het belangrijk om in contact te blijven met onze gevoelens en gedachten. 

Door het herinneren van mooie kwaliteiten van de overledene  passies, sterke gedachten en uitspraken, typische eigenheden  kan rouw soms met een glimlach gepaard gaan. Door herinneringen te koesteren – niet op een dwangmatige manier, maar vooral dankbaar ontvangend – leeft die ander verder in jouw gedachten, in je bestaan. Het delen van dat gevoel kan heel bijzonder zijn. Sommige herinneringen zullen vervagen. Dat betekent niet dat je niet erkentelijk bent voor de overledene. De essentie hou je bij: dat wat die persoon voor jou heeft betekent, hoe bijzonder zij of hij wel was. Ook de kleine kantjes van die persoon mogen een plek krijgen in onze herinnering. We herinneren een mens, geen heiligenbeeld.

Bewondering

Heiligen herdenken we daags voor Allerzielen. Dat het feest van Allerheiligen voorafgaat aan Allerzielen is geen toeval. Veel mensen zijn ons voorgegaan naar de eeuwigheid. Heel wat overleden mensen hebben een bijzondere plaats in onze gedachten. Naast mensen in onze persoonlijke kring mogen we ook geïnspireerd worden door bijzondere mensen met een publieke betekenis in de Kerk. Het zijn voorbeeldfiguren die ons geloof mogen voeden omwille van hun bijzondere levensloop; inspirerende gelovigen die ons kracht schenken te midden van de twijfel en onmacht in ons aardse bestaan.

Heiligen zijn ijkpunten in de eeuwenlange traditie, die ons leren dat geloven een menselijk gebeuren is met soms bovenmenselijke – zeg maar gerust: Goddelijke – verheffende durf, en doorzetting, ondanks tegenslagen, onmacht, pijn en verdriet. We kunnen hier gerust onze eigen voorbeeldfiguren aan toevoegen: mensen die ons zijn ontvallen, die een onuitwisbare indruk op ons geloof hebben gemaakt door wie ze waren en wat ze deden. Onze bewondering voor hen is een mooi geschenk, net als het toepassen van hun wijsheid in ons eigen leven.

Dankbaar

Allerheiligen en Allerzielen zijn een liturgische tweespan die het najaar in het kerkelijk jaar markeren. Ze leren ons hoe verdriet en bewondering bij elkaar horen. Het leven hier op aarde ken een begin en een einde. Dat is een tragiek die we moeten accepteren, of we nu willen of niet. We mogen ons gezegend weten door mensen die ons leven verdiepen en mooier maken. 

Als gelovigen mogen we ons laten inspireren door heiligen die aspecten van ons geloof door hun woorden en daden hebben gevormd. De bij wijlen magische proporties die heiligendevotie soms heeft aangenomen, hoeft ons niet tegen te houden. In andere tijden ging men anders om met het christelijk geloof. Ook in onze tijd zullen we uit onmacht en onwetendheid fouten maken waar later wat meewarig op zal worden teruggekeken. Enige nederigheid in onze kritische kijk vanuit het heden misstaat dus nooit.

Allerheiligen is bovenal een feest van dankbaarheid om Gods genadegave van eeuwig leven voor wie Hem eren en wie in Hem hun vertrouwen stellen. Vol bewondering mogen we ons spiegelen aan de heiligen die ons zijn voorgegaan. Met Allerzielen vertrouwen we de overledenen in ons gebed toe aan God, bedroefd om hun heengaan uit ons midden. We vragen God om hen deelachtig te maken aan zijn hemelse Rijk. Door Christus onze Heer, die de Verrijzenis is en het Leven.

22 oktober 2025

Het is moeilijk bescheiden te blijven (25-26 oktober 2025)

In een wereld van veelheid en verwachtingen, maar ook van verandering en voorbij, zoeken we allemaal een plekje. We willen iets betekenen. Ons leven moet het leven waard zijn. Maar wat geeft ons leven zin? Onze eigen prestaties? Of vinden we zin en betekenis bij God? Wie dienen we als christen vooral: God, of onszelf? Jezus trakteert ons op een inspirerende en confronterende gelijkenis.

Eigen lof stinkt

Een christen die enkel lof heeft voor zichzelf, dient zichzelf en niet God. Dat is duidelijk. Een louter zelfbevestigend christendom gaat niet over Christus maar over zichzelf. Het uitgangspunt van je geloof mag gerust het aardse bestaan zijn, maar daarbij mag Gods heerlijkheid niet uitgewist worden ten bate van een glimmend ego.

Wij, mensen, gaan door het leven met een diepe onzekerheid, die soms overgecompenseerd wordt. Soms, niet altijd. De nood aan bevestiging kan verslavend werken. Dan dreigt men in al die inhaligheid geen oog meer te hebben voor de overzijde, zeker wanneer men zich aan de welvarende kant bevindt. God kent heel andere maatstaven, die niet aards zijn. (Sirach 35, 12 - Lucas 18, 14a)

Het maken

In onze tijd wordt het als een grote verdienste beschouwd wanneer je in je eigen kracht staat en daar trots mee schittert voor anderen. 'Shinen' heet dat. Dan ben je het in je leven aan het maken - wat 'het maken' ook moge betekenen in die merkwaardige uitdrukking. Dan word je gezien in al je pracht: op straat, in je vriendenkring, op sociale media. Het fenomeen is hoegenaamd niet nieuw. Praal is van alle tijden.

"Doe maar normaal, dat is al gek genoeg," hoor ik aanmatigend weerklinken in mijn gedachten. Maar 'normaal' is niet meer van tel: er is geen maatschappelijke norm meer. Akkoord, we laten een tijd achter ons waarin teveel werd genormaliseerd. Nu blijkt mijn norm plots dé norm. Een samenleving kan blijkbaar geen maat houden... 

Shinen: het is een kwestie van durven en doen en er niet teveel bij na te denken, zo laat ik me vertellen door enkele online communicatiedeskundigen in een 'pitch talk', een korte, overtuigende voorstelling. (We hebben het juk van de Franse taaloverheersing afgeworpen en persen onszelf nu vrolijk en onbedachtzaam onder een Engelse dominantie. Dit terzijde.) We moeten dus shinen om ons te onderscheiden van de anderen. Alleen dan krijgen we écht het gevoel dat we betekenisvol bezig zijn. Heel even dan toch, want de tijd is ongenadig.

God gebiedend danken

Ook in het Joodschristelijke geloof bestaat deze tendens om belangrijk te zijn. De wereld beïnvloedt ons geloof altijd, minstens op subtiele wijze. Zich onderscheiden van de anderen kan zich veruitwendigen in het neerkijken in Gods Naam: de rest is dan slecht. God, die staat dus aan mijn kant, want ik ben goed.  (Lucas 18, 11a) Zo eigent het ego zich Gods bevestiging toe, en tegelijk ook Gods gerechtigheid. Het ego beslist in Gods plaats. 

Uit de Verenigde Staten komen tegenwoordig best wat zorgwekkende geluiden uit die hoek. De Schrift hoeft een goede 'pitch' niet in de weg te staan. Rijkdom en Jezus: waarom niet? Rassenongelijkheid, vreemdelingenhaat en Jezus: het lijkt allemaal te kunnen wanneer de slogans voldoende herhaald en gedeeld worden. Wanneer standpunten in de samenleving botsen met (een versie van) de christelijke visie, dan wordt er moord en brand geschreeuwd, gevolgd door enkele Schriftverzen. Maatschappelijk onrecht in het eigen voordeel moet dan weer wél kunnen. En dat klopt niet. Dan blijft er geen Gods-dienst over, maar een systeem van zichzelf de hemel in te prijzen. God wordt herleid tot een middel en is niet langer het ultieme doel. Dan zitten we goed fout.

Jezus uit kritiek op al dat ijdel en zelfgenoegzaam vertoon. Lucas situeert de parabel al meteen in een inleidende zin. Deze gelijkenis gaat over mensen die zichzelf vanzelfsprekend-rechtvaardig vinden en anderen minachten. (Lucas 18, 9) Het gaat dan algauw over de eigen verdiensten waarop men roemt: "ik doe, ik geef." (Lucas 18, 12) De meest essentiële vraag wordt daarbij echter niet benaderd: "Wie bén ik voor God?" Hoe verhoud ik mij tot God? Wie is God? Waar liggen mijn grenzen?

Inzicht

Wie zichzelf looft en prijst, komt niet tot bij die vragen omdat de zelf vooropgestelde antwoorden het uitgangspunt vormen. "Natuurlijk doe ik het prima, uiteraard voldoe ik aan Gods Wet", klinkt het axioma van de zelfvoldaanheid. Zo wordt God in een egocentrisch, oneerlijk en onrechtvaardig keurslijf gewrongen. "'t  Is moeilijk bescheiden te blijven wanneer je zo goed bent als ik", om het met een lied van Peter Blanker te zeggen. 

Niet iedereen begaat deze fout uiteraard, maar alertheid is geboden: het gebeurt vaker en vlugger dan we vermoeden. IJdelheid werkt geniepig. Soms sluipt dit ego-denken ongezien in ons gebed en in onze geloofsvisie. En soms wordt het gewoon ongegeneerd en uitdrukkelijk gedaan, ten koste van anderen. (Lucas 18, 11b) Narcisme kent geen grenzen. Je kunt er in verdrinken.

Jezus houdt ons geen spiegel voor opdat we onszelf zouden kunnen bewonderen zoals Narcissus in het weerspiegelende water. Hij vertelt deze gelijkenis om ons wakker te schudden. God komt alle eer toe. God alleen: zonder een vlugge verwijzing naar ik, mij en mezelf. De gelijkenis confronteert ons meteen met onze menselijke imperfectie. Het is helemaal geen schande: we zijn niet perfect, want we zijn God niet. De gelijkenis is juist een oproep om dichter bij God en het goede te komen.

Vernedering en verheffing

Om dichter bij God te komen, moeten we onze eigen onvolmaaktheid kunnen aanvaarden. Dat wil helemaal niet zeggen dat we zuchtend en klagend horen te strompelen door het aardse tranendal totdat niets nog zinvol lijkt, alsof het leven niets waard zou zijn. Het is eerder een waarschuwing dat we ons het tegendeel niet mogen toeëigenen, namelijk: zelfgenoegzaamheid. Wanneer Jezus het heeft over 'zichzelf vernederen', dan bedoelt Hij dat we onze kleinheid moeten aanvaarden en Gods grootheid erkennen.

Bescheidenheid siert. Het maakt ons tot betere mensen. Zelfverheerlijking gaat ten koste van anderen en uiteindelijk ook ten koste van onszelf. Wie enkel op zichzelf bouwt, die heeft een illusie als fundament. Je zult niet altijd sterk staan. De heerlijkheid komt toe aan de Heer, zo schrijft Timoteüs terecht. (Timoteüs 4, 18) Op Hem kunnen we bouwen.

Bescheidenheid siert, maar het is vaak moeilijker in de dagelijkse praktijk dan we soms vermoeden en veronderstellen. 't Is moeilijk bescheiden te blijven. Peter Blanker heeft gelijk (wat de titel van zijn lied betreft). Toch is bescheidenheid eigen aan het volgen van Christus. Het is een kwestie van bewust in ons geloof te staan en daar niet zelfvoldaan over te doen. Soms kan dat moeilijk zijn, maar "moeilijk gaat ook".

16 oktober 2025

De rechtvaardige rechter (18-19 oktober 2025)

Recht en gerechtigheid zijn hoegenaamd geen synoniem van elkaar. Recht staat voor een geheel van regels die een samenleving vooropstelt om het gedrag te reguleren. Gerechtigheid is de eerlijke en redelijke toepassing van dat recht. Rechtspraak is dus soms kromspraak. Ook rechtvaardigheid valt niet samen met recht, maar is een beginsel van morele aard dat gelijkwaardigheid in behandeling volgens het recht vooropstelt. God is rechtvaardig, mensen streven naar dit ideaal, of juist niet. 

Er zijn veel redenen om recht niét te laten zegevieren en het is ontzettend moeilijk om ontsporingen tegen te gaan. Dat zien we elke dag in het journaal. Het is van alle tijden. Het kwaad is machtig. Laten we zes eeuwen eeuwen teruggaan, naar de gebroeders van Eyck. Het feit dat het uiterste luik linksonder van Het Lam Gods de veelzeggende naam De rechtvaardige rechters draagt, verraadt al dat er ook toen klaarblijkelijk onrechtvaardige rechters bestonden.

Bewogen geschiedenis

Ooit stond het prachtige veelluik Het Lam Gods van de gebroeders van Eyck in al zijn glorie in de Gentse Sint-Baafskathedraal te stralen. Hubert Van Eyck vatte het werk in 1424 aan, maar overleed al na 2 jaar. Zijn broer Jan heeft de taak voltooid. Er ontbreekt al bijna 90 jaar een paneel uit het kunstwerk. In de lange geschiedenis sinds 1432 doorstaat het werk overigens heel wat kommer en kwel: het wordt uit elkaar gehaald, weg gesmokkeld, gecensureerd, verborgen, gedeeltelijk overlangs doorgezaagd, gered door dubbelagenten en in het totaal dertien keer gestolen. 

Tijdens de beeldenstorm van 1566 kan men het werk net op tijd in veiligheid brengen. Onder Napoleon echter wordt het centrale deel in 1794 naar Parijs overgebracht en blijven de zijluiken wezenloos achter. Ze worden opzij gezet, zodat vooral de houtworm van het werk kan genieten. Wanneer het centrale paneel dan terugkomt uit Frankrijk blijken de zijpanelen te zijn verkocht door enkele kanunniken en komen de werken uiteindelijk in de handen van de koning van Pruisen. Het middendeel wordt beschadigd door lood en as in de kathedraalbrand van 1816 en barst door uitzonderlijke hitte in 1822. Pas in 1920 zijn alle delen weer herenigd in de kathedraal, als onderdeel van het Verdrag van Versailles. Eind goed, al goed? Denk dat maar niet...

Weg!

De hereniging is van bijzonder korte duur. Amper veertien jaar later, in 1934, worden twee panelen gestolen. Het luik met Sint-Jan de Doper wordt teruggevonden, maar van De rechtvaardige rechters is tot op vandaag geen enkel spoor. De overige panelen worden tijdens de Tweede Wereldoorlog in 1940 toegevoegd aan de kunstverzameling van Hitler. Sinds 1945 is het werk, op het gestolen paneel van De rechtvaardige rechters na, weer te bewonderen in de Sint-Baafskathedraal. In een beveiligde staal- en glasconstructie weliswaar, en aangevuld met een kopie van De rechtvaardige rechters, die merkwaardig genoeg vlugger verouderd dan de originele panelen.

Ziehier een vraag waar ik mee blijf zitten: waarom worden deze panelen gestolen in die vermaledijde nacht van 10 op 11 april 1934? Wat is het motief: losgeld innen, een statement maken? Er zijn uiteraard veel theorieën, maar er komt geen duidelijkheid. Het paneel van Sint-Jan de Doper wordt in een kluis in het station van Brussel-Noord teruggevonden. De anonieme afperser, die zich ‘D.U.A.’ noemt, wil daarmee bewijzen dat hij de echte dief is.

Waarom?

Maar gaat het werkelijk over geld? En waarom zijn juist die twee panelen gestolen? Gaat het misschien over rechtvaardigheid? De figuren op die twee panelen leggen namelijk het onrecht bloot. Voor hen die zich achter macht of wettigheid kunnen verschuilen, zal dat bijzonder intimiderend overkomen. 

De jaren ‘30 zijn een woelige tijd, met de opkomst van het nationaalsocialisme, de opmars van de Vlaams-nationalistische beweging, en aan linkse zijde niet verkeerd te verstane communistische en anarchistische geluiden. Er is veel reuring en de oorlog komt naderbij. Onderlinge twist (polarisatie noemen we dat tegenwoordig) en toenemende agressie (verharding heet dat nu) tekenen de angstige en onrustige samenleving na de beurscrash en de daarop volgende financiële crisis van 1929. Speelt deze sociale achtergrond mee in de motieven voor deze ongeziene kunstroof? Wordt het leven als oneerlijk en onrechtvaardig ervaren door de dader? We weten het werkelijk niet.



Gebroeders van Eyck, Het Lam Gods (1432)

Kijken

Wat beeldt dit gestolen paneel uit? We zien tien middeleeuwse mannen te paard. Op de rotsen achter hen zijn enkele bloemen toe bloei gekomen: een teken van volharding. De torens in de verte doen aan Gent denken, maar exacte weergaven zijn het zeker niet. De heren vooraan in beeld zijn onbetwistbaar welstellend: hun kledij is kleurrijk en deftig, de stoffen variëren van bont tot fluweel. Het zijn gezagdragers. Hun paarden zijn keurig geborsteld en getooid met blinkende ornamenten. Zijn de mannen wel zo rechtvaardig als de titel van het paneel belooft? Of zijn ze eigenlijk malafide, zoals in de parabel die Jezus deze zondag vertelt? Sommigen van hen kijken ernstig en streng. De rechter helemaal vooraan lijkt een meer vriendelijk en zacht gelaat te hebben. Ze kijken allen naar het Lam. De wereldlijke gezagsdragers hebben hun ogen op God gericht. 

Op één na, wel te verstaan. Eén rechter of gezagsdrager, in het zwart gekleed, kijkt ons recht in de ogen aan. Wat is daar aan de hand? Waarom kijkt hij niet naar het Lam? Misschien tracht hij ons te zeggen: “Wat kijk je naar ons? Het Lam, daar moet je naar kijken!” Of is hij onwetend, en begrijpt hij zélf niet waarheen hij kijken moet? Herkent hij in het Lam de Redder niet? Of erkent hij Gods heerlijkheid bewust niet en gaat hij prat op menselijke heerschappij? Misschien kàn hij het Lam niet aankijken omdat hij corrupt is. Laten we niet vergeten dat Jezus tot de kruisdood is veroordeeld: de Verlossing stoelt op een onrechtvaardig menselijk oordeel. Op dubieus gesjacher, zoals die rechter van Jezus’ gelijkenis. Al doet die rechter van de parabel toch iets goeds, zullen we merken.


Gebroeders van Eyck, Het Lam Gods - paneel 'De rechtvaardige rechters' 
(kopie van Josephus Van der Veken, 1934)

Gelijkenis van Jezus

Zo komen we bij de onrechtvaardige rechter waar Jezus over vertelt. Onrecht, machtsmisbruik en sjoemelarij zijn van alle tijden. Het voorbeeld is dus zeker herkenbaar, vanuit een persoonlijke ervaring of eventueel vanuit de typische maatschappelijke clichés dat alle politici leugenaars zouden zijn en alle rechters krom. In dit voorbeeld van Jezus spreekt een doorgaans kromme rechter toch recht. (Lucas 18, 5) Al was het maar om van haar oeverloos gezaag af te zijn.

Is het zo'n rechter die de gebroeders van Eyck hebben uitgebeeld? Zou dat de rechter zijn die niet naar het Lam kijkt, omdat hij zich van God noch gebod aantrekt? Waarom kijkt hij ons dan aan? Hij trekt zich toch van niemand aan? (Lucas 18, 4) Toch is zijn blik naar ons gericht. Zal hij God ooit herkennen in ons, in zijn naaste? Wellicht zoek ik het te ver...

Recht

God is uiteraard géén onrechtvaardige rechter. Hij werkt volgens de wet van de Liefde en wijkt daar niet van af. Wat Hij van ons vraagt, dat leeft Hij voor. Wij trachten, met vallen en opstaan, om dat beginsel zelf in daden om te zetten. Wanneer wij oordelen over anderen, geïnspireerd door die Liefde, dan bereiken we vaak bij lange na niet de rechtvaardigheid die God eigen is. Maar ons trachten is alvast een begin. Dat is waarom we idealen koesteren: om ze na te streven. Daarin is God aanwezig en komt het Koninkrijk van God dichterbij: in geloof dat leeft.

Over God zelf zegt Christus ons krachtig: “Ik zeg jullie dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen.” Het klinkt geruststellend, maar is dat wel de bedoeling? Christus spreekt brandend actuele woorden tot ons: “Als de Mensenzoon komt, zal Hij dan geloof vinden op aarde?” (Lucas 18, 8) Wat denk jij?

06 oktober 2025

De dankbare Samaritaan (11-12 oktober 2025)

Tien mensen worden door Jezus genezen. Ze hoefden het alleen maar te vragen. De gulheid van Godswege is groot. Je zou verwachten dat zij Jezus alle tien oneindig dankbaar zijn en Hem uitgebreid komen bedanken. Niets is minder waar: negen van hen gaan verder en kijken niet eens meer om. Wat een ondankbaarheid... Hun genezing wordt niet ongedaan gemaakt door Jezus, maar ze mislopen helaas wel een andere genade.

Grens

In het grensgebied van Samaria en Galilea, op de grens tussen de ‘uitverkorenen’ en de ‘uitgestotenen’, gaat Jezus een dorp binnen. (Lucas 17, 11) De plaatsnaam vernemen we niet. Dat is bijkomstig en wordt dus niet vermeld. (Lucas 17, 12a) We bevinden ons in een grensstreek, een marge. Dat is geen detail, zeker omdat Samaria één van de twee gebieden is.

Samaria was ooit het politieke centrum van het Tienstammenrijk. In die hoogdagen werd echter ook de Baälcultus geïntroduceerd, onder koning Achab, op aandringen van zijn vrouw Izebel. Veel mensen offerden ook aan Baäl, en dat was afgoderij. Na de val van dat rijk werd de streek Samaria een provincie van het Assyrische rijk en er kwamen Macedoniërs wonen. De bevolking vermengde zich en werd dus niet langer als rein beschouwd.

Ziekte

Enkele mensen komen Jezus tegemoet. Ze hebben een huidziekte, melaatsheid in de brede zin van het woord. Doorgaans kan de kwaal niet worden genezen en daarom worden de getroffen mensen geïsoleerd. Ze blijven op een afstand van Jezus. (Lucas 17, 12c)

De reinheidswetten zijn zoals onze Covid- en andere isolatiemaatregelen: het is een kwestie van bescherming van wie nog niet is besmet. Naast de sociale isolatie hangt er ook een religieus stigma aan hun ziek zijn vast: het wordt vaak beschouwd als een straf van God. Dat wakkert op zijn beurt de angst verder aan uiteraard.

Bedevaart

“Jezus, meester, heb medelijden met ons!”, roepen ze luid. (Lucas 17, 13) Ze vragen om medelijden, ze vragen of Hij wil omzien naar hen (in het Grieks: ‘eleèson hèmas’). Deze vraag maakt nog steeds deel uit van onze liturgie: “Heer, ontferm U over ons.” Misschien is dat een iets te zachte vertaling geworden. De tien vragen het niet zomaar, ze roepen Hem luid toe (in het Grieks: èran foonèn, met verheven stem). Er zit een radeloosheid in hun smeekbede.

Hun bede wordt verhoord – tot hun grote verbazing – en Jezus stuurt hen naar de priesters. Merk op dat ze onderweg daarheen worden genezen. (Lucas 17, 14b) Jezus raakt hen niet aan en heelt hen niet met een andere daad of performant woord. Hun weg naar de priesters is een helende bedevaart, die in opvallend weinig woorden wordt omschreven. Er is een sacrale dimensie aan deze passage: ze worden niet zomaar medisch genezen. Waarderen ze dat aspect van de genezing? Tegelijk maakt Jezus verbinding met de joodse traditie door hen naar de priesters te sturen die hen genezen kunnen verklaren.

Vertrekken

De tien vertrekken (in het Grieks: ‘hupagein’). Het is een weg van bevrijding, van de ziekte achter zich laten. Het mag geen toeval zijn dat Johannes hetzelfde werkwoord gebruikt bij Lazarus, die uit de dood wordt opgewekt uit het graf: “Maak de doeken los en laat hem gaan.” (Johannes 11, 44) Lazarus laat de kluisters van de eindigheid achter zich.

Waarom worden ze door Jezus genezen? Waar hebben ze het aan te danken? Welnu, ze hebben geloof in Hem, ze vertrouwen in hun nood op Hem. En daar is niets verkeerds aan. Toch is de wonderlijke genezing, hoe sensationeel ook, absoluut niet de kern van dit verhaal. Lucas houdt de boodschap voor het eind.

Terugkomst

De statistieken vallen zwaar tegen: slechts één van de tien genezen mensen komt terug. Een Samaritaan dan nog wel: niet eens een volwaardige gelovige in de ogen van velen! Erg dankbaar is het alleszins niet van de negen anderen. Jezus brengt het uitdrukkelijk onder de aandacht: “Zijn ze niet alle tien gereinigd? Waar zijn dan de negen anderen?” (Lucas 17, 17) 

Inderdaad, waar zijn ze gebleven? Dit is één van de keren dat Jezus oprecht verontwaardigd is. “Is er niemand teruggekeerd om aan God eer te brengen?” (Lucas 17, 18) Nee, zo blijkt, op één na. Zijn hemelse Vader verdient beter. ‘Dankbaarheid is een bloemke dat in weinig hoven bloeit’, schreef Guido Gezelle ooit… Jezus legt de klemtoon nogmaals op de marge waarin Hij werkt: ‘deze vreemdeling’ is wel teruggekomen, de rest niet. (Lucas 17, 18) Andermaal wordt Jezus geconfronteerd met een overvloed aan opportunisme en oppervlakkigheid.

Opstaan

Die éne man, een Samaritaan, is wel teruggekomen. “Sta op en ga,”, besluit Jezus. (Lucas 17, 19a) Opstaan doet hier veel snaren tegelijk trillen. Opstaan is een oproep tot morele actie: verhef jezelf, maak iets van je leven, opdat God fier op je mag zijn. Maar het Griekse werkwoord ‘anastas’ wordt ook gebruikt om Christus’ opstanding uit de dood te benoemen. (Marcus 16, 9) Dit detail is niet toegevoegd ter verfraaiing. Er schuilt een grote toegevoegde waarde in het begrip ‘opstaan’? Het is een welgekozen detail, een sacrale opening om te kaderen wat straks nog volgt. Je voelt dat de ontknoping nadert: de cirkel is bijna rond.

“Je geloof heeft je gered.” (Lucas 17, 19b) Gered zijn, is iets compleet anders dan gereinigd zijn. En hier klinkt de ultieme boodschap van Lucas: niet de genezing van de huidziekte is de essentie, maar wel de redding. In het volgende vers gaat Lucas naadloos verder in op het Koninkrijk van God. Want daar heeft Jezus het over wanneer Hij zegt dat de dankbare Samaritaan gered is.

De dankbare Samaritaan leert ons, samen met de barmhartige Samaritaan (Lucas 10, 30-37), dat geloven een grondhouding is, en geen verzameling van uiterlijkheden. Een houding tot God van waaruit men mag hopen op redding van Godswege.

Verwachtingen

In het hoofdstuk voorafgaand aan de parabel van de barmhartige Samaritaan is te lezen hoe een Samaritaans dorp Hem en zijn leerlingen niet ontvangt omdat zij op weg zijn naar Jeruzalem. De Samaritanen hebben immers hun eigen tempel op de Gerizim. “Wilt U dat we vuur uit de hemel afroepen dat hen zal verteren?”, vragen de leerlingen dramatisch aan Jezus. (Lucas 9, 54b) Hij wijst hen streng terecht. (Lucas 9, 55) Als het er op aan komt, is de Mensenzoon immers nergens welkom. (Lucas 9, 58) Ook niet in de tempel van Jeruzalem.

De dankbare Samaritaan is net als de barmhartige Samaritaan de onverwachte gelovige vol liefde en goedheid. Ziehier een niet verkeerd te verstane waarschuwing tegen zelfgenoegzaamheid bij het Volk Gods. Wie genezen wordt door God, maar niet eens de moeite doet om te danken, is dat eigenlijk wel een gelovige? Wie een kwetsbare naaste halfdood laat liggen maar anderen de levieten leest of met Schriftverzen zwaait, is dat een gelovige?

Het zijn lessen voor ons vandaag. De oprechte gelovigen zijn zij die God eren door hun kwetsbare naasten bij te staan en God te danken voor de gunsten die hun worden verleend. En dan heeft een schamele Samaritaan oneindig veel meer kansen om het Koninkrijk van God binnen te gaan dan een zelfverklaarde diepgelovige wiens daden het tegendeel aantonen.