Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- 'Geen tijd voor je feestje' (10-11 oktober 2026).

23 oktober 2021

Bartimeüs: zien en op weg gaan (23-24 oktober 2021)

Jezus trekt met zijn leerlingen weg uit Jericho, richting Jeruzalem. Het Laatste Avondmaal nadert met rasse schreden. Maar er wordt nog even onderbroken voor een noemenswaardige gebeurtenis. 

Geloofsbelijdenis

Lucas en Matteüs volgen dezelfde chronologie, met een zelfde onderbreking (Marcus 10, 46-52 en Matteüs 20, 29-34). Langs de weg zit de blinde bedelaar Bartimeüs neer. In tegenstelling tot Matteüs is het bij Marcus geen vaag verhaal over twee blinde bedelaars. Het is ook maar één blinde bedelaar, met name de zoon van Timeüs.

Bartimeüs roept Jezus, noemt Hem de Zoon van David, en smeekt Hem om ontferming. De aanroeping is op zich al een geloofsbelijdenis. Als Jezus de Zoon van David is, dan is Hij de Messias, de Mensenzoon die op aarde is gekomen om de Blijde Boodschap te verkondigen. Bartimeüs zegt heel veel in weinig woorden.

Verkeerd geïnterpreteerd

Ondanks zijn gelovige uitroep wordt Bartimeüs door velen afgesnauwd. Hij verstoort het gebeuren en kan maar beter zwijgen. Het geloof van de jonge man wordt niet in dank afgenomen, maar blijft niettemin letterlijk heel uitgesproken. De man roept nog luider om genade. Hij doet wat wij allen vaak doen: we vragen vanuit ons geloof om de aandacht van de Heer. Ontferm U over mij in uw barmhartigheid (Psalm 51, 1). “Eleèson me!”, klinkt het in het Grieks, zoals in de Latijnse liturgie de Griekse wortels aan bod komen in het “Kyrie eleison”. Heer, ontferm U over ons.

Jezus blijft staan. Het verhaal komt op het kantelpunt. Jezus hoort de roep van Bartimeüs en legt hem niet het zwijgen op. Wij, mensen, hebben de slechte gewoonte om totaal verkeerd te reageren vanuit ons spontaan handelen. We denken en handelen oppervlakkig en vergeten de dieptedimensie van het geloof. Dat wordt hier nog maar eens duidelijk. Jezus vraagt zijn leerlingen om de man tot bij zich te roepen. Ze sporen Bartimeüs meteen aan: “Verheug je, sta op, Hij roept je.” Het enthousiasme van de leerlingen is bewonderenswaardig. Ze gaan niet in discussie met de Heer, ze voegen zich niet bij de menigte die het geroep storend vond.

Volle overgave

Spontaan gooit Bartimeüs zijn mantel af en daarmee de ballast die hij meedraagt, maar ook het bezit dat hij heeft en de bescherming tegen de buitenwereld. Hij komt zuiver en vrij tot bij Jezus. Voor een blinde is dit een nog grotere uitdaging dan voor de anderen. Zijn spontaan enthousiasme is een uiting van geloof: Hij voegt de daad bij het woord.

Jezus stelt een ogenschijnlijk vreemde vraag: “Wat wil je dat Ik doe?” Is dat niet vanzelfsprekend? Het is vooral een plechtig moment dat vraagt om duidelijkheid. Zoals het “ja” dat je mag veronderstellen bij een paar dat huwt. Toch moet het uitgedrukt worden. Aangezien het over een belangrijke gebeurtenis gaat, moet alles klaar en duidelijk zijn. Bartimeüs antwoordt: “Maak dat ik weer kan zien!”

Jezus doet hierna… helemaal niets! Hij zegt dan ook niet: “Zo, Ik heb je geloof gezien, nu heb Ik je gered. Je kan weer zien.” Integendeel: de blinde redt zichzélf. “Je geloof heeft je gered.” Onmiddellijk kan Bartimeüs weer zien.

De daad bij het woord

Nu komt er echter geen varkentje met een lange snuit. Het verhaal is helemaal nog niet afgelopen. In tegendeel, het belangrijkste moet nog komen. De ziende Bartimeüs volgt Jezus hierna terstond. Zijn weerbaar geloof evolueert tot een volwaardige roeping. Bartimeüs krijgt niet alleen zijn zicht, hij verwerft ook inzicht. De man laat alles achter en gaat Jezus achterna, richting Jeruzalem. Een prachtig verhaal.

Laten wij niet verblind zijn. Wanneer we merken dat we zijn verblind, laat ons dan tot de Heer gaan, bevrijd van overbodigheden, laat ons teruggaan tot de Essentie die God is, en vragen om zijn ontferming. Want bij de Heer is vergeving, en daarvan leven wij (Psalm 130, 4).

16 oktober 2021

Jezus: God werd mens zoals wij (16-17 oktober 2021)

God heeft ons veel gegund doorheen de tijd. Niet alleen heeft Hij de wereld geschapen en aan ons toevertrouwd. Hij heeft ook het menszijn zelf met ons gedeeld. God is niet alleen de afstandelijke Schepper, Hij is onder ons komen wonen. Dik twee maanden voor Kerstmis worden we door Paulus al even gewezen op de genade die we hebben ontvangen en de invloed ervan op ons geloof.

God onder ons

Jezus was Mens onder de mensen. Uiteraard was Hij ook de Zoon van God, dat valt op geen enkel ogenblik te ontkennen. Maar de Zoon is geboren als klein en kwetsbaar wezen, net zoals wij allemaal. Hij is ook als mens gestorven, even kwetsbaar en menselijk opnieuw. God moet ons wel mateloos liefhebben om zo'n inspanningen te leveren om ons te leren hoe we Hem trouw kunnen zijn in geloof en in daden (Johannes 3, 16).  De Mensenzoon heeft het ons voorgedaan. Langs de Zoon komen wij tot de Vader (Johannes 15, 1-15).

Paulus wijst ons er op dat Jezus ons bestaan heeft gedeeld. Hij heeft onze zwakheden van heel dichtbij ervaren. Hij kwam in contact met de verlokkingen, de zijwegen, de omwegen en de aarzelingen van ons bestaan. Hij heeft er weliswaar niet aan toegegeven. Integendeel, we kregen van Hem belangrijke instructies, wijsheden en verhalen mee, die werden opgetekend door de evangelisten.

Dichtbij én een mysterie

In Jezus is God in de geschiedenis tastbaar aanwezig gekomen. Hij is geen afstandelijke magische kracht die ergens ongrijpbaar aan het begin aanwezig was en daarna op de achtergrond bleef. Hij is Mens geworden, heeft zijn Boodschap aan concrete mensen verkondigd en kreeg meer en meer volgelingen die in Hem de Messias zagen, de Beloofde. Er groeide ook argwaan en tegenstand, wat uiteindelijk tot zijn dood zouden leiden. God heeft verregaande middelen aangewend om ons te roepen om in Hem te geloven en er ook naar te leven.

Wij mogen in ons menszijn tot bij God komen, zonder aarzeling, zonder angst dat we niet begrepen zullen worden. Dat is een voorrecht. Jezus is onze hogepriester, die bij de Vader voor ons kan pleiten, vanuit zijn ervaringen. 

Deze symbolische Goddelijke dialoog zien we best niet té plastisch. De heilige Drievuldigheid blijft voor ons tot op zekere hoogte een mysterie. We hoeven ook niet alles wetenschappelijk te analyseren. We zijn niet Gods gelijke, onze wijsheid is beperkt. Er is dan ook een groot verschil tussen interesse en hoogmoed.

De wijsheid die Paulus ons meegeeft is deze: laten we zonder schroom naderen tot Gods troon, laten we onophoudelijk tot God bidden en Hem om raad en kracht vragen. God kent ons, zijn Zoon heeft immers onder ons gewoond. Goddank!

10 oktober 2021

Waar ziel en geest elkaar ontmoeten (9-10 oktober 2021)

We hebben het vandaag over één Bijbelvers, niet meer en niet minder. Soms volstaat één vers. Een omhaal van woorden is immers vaak een veeg teken dat ijdelheid en zelfgenoegzaamheid op de loer liggen (Matteüs 6, 7).

Het Woord is levend en het is krachtig. Het is geen dode letter en geen lauwe soep. Levend staat inhoudelijk voor "vlug", krachtig betekent "actief". Het Woord van God is scherper dan een tweesnijdend zwaard. Het Woord zet Gods Boodschap op het scherpst van de snee, om in de beeldspraak te blijven. 

Helder en klaar

Inderdaad, Jezus heeft ons geen vage, onduidelijke uitspraken nagelaten op zijn weg naar Jeruzalem. Het was niet onbegrijpelijk moeilijk, maar helder en klaar, toegepast op ons leven.

Dat is een dankbare gave van God aan ons allen. Jezus heeft de essentie van het geloof haarfijn aan ons uitgelegd. In alles wat we denken, doen en laten, horen we God lief te hebben en onze naasten zoals onszelf (Marcus 12, 30,31). Keer op keer komt Jezus' boodschap terug op deze kernachtige boodschap. De profeet Jesaja bereidt de verkondiging van de Heer al voor, met even scherpe taal (Jesaja 49, 2).

Er staat een belangrijke nuance eerder in de Hebreeënbrief. Hoe scherp en penetrant het Woord van God ook moge zijn: zonder geloof komt het de mens niet binnen (Hebreeën 4, 2). De mens is vrij om in te gaan op het aanbod of (nog) niet. God wil geen plicht en evidentie zijn, maar een bewuste, weloverwogen keuze. 

Ziel en geest

Wanneer de mens het toelaat, dringt het Woord door tot het raakpunt van ziel (psychè) en geest (pneuma). De ziel is verbonden met het lichaam: het denkt over onze ervaringen en gevoelens vanuit ons lichaam. De ziel is verbonden met de aarde, met onze belichaamde ervaring van het veranderlijke. De geest daarentegen is verbonden met het spirituele en heeft voeling met de heilige Geest, met onze geestelijke ervaring van het eeuwige.

Vervloekte vrijheid?

De mens is drager van de vrijheid en blijft diep vanbinnen als een eeuwige twijfelaar door het leven gaan, beïnvloed door het lichaam waarin hij of zij leeft en de moeilijk vertaalbare gewaarwording van het eeuwige. De vrijheid, ons door God gegeven, wordt wel eens een giftig geschenk genoemd, een veroordeling. 

De Franse filosoof Jean-Paul Sartre (1905-1980) was hier sterk van overtuigd. De mens wil sterk en onveranderlijk zijn (être en soi) zoals een steen onveranderlijk steen is. Een steen is niet "een beetje steen", een steen "neigt niet naar het steen-zijn". Een mens blijft in alles wel altijd "een beetje" (être pour soi): een beetje consequent, een beetje vilein, een beetje liefdevol, een beetje wispelturig, een beetje doordacht, een beetje eerlijk. Bij de mens blijft het altijd bij streven naar perfectie en idealen, we worden ze nooit ten volle. Dat is eigen aan het mens-zijn.

Geweten

Nu raakt het Woord van God het samenkomen van ziel en geest. Waar tijd en eeuwigheid elkaar raken in ons binnenste, daar raakt God ons aan. Mogen we dit punt ons geweten noemen? Wellicht wel. Ons geweten is immers onze innerlijke kracht ten goede, het beste van ziel én geest. Net zoals merg en been sàmen ons skelet vorm en kracht geven.

In onze vrijheid mogen we ons aangestuurd weten door God, die onze verwarring kent en doorziet. Daar is het Woord ook precies op gericht: de mens begrijpt waar het over gaat omdat God op "didactische" wijze heeft gesproken in de tijd vóór de komst van de Mensenzoon én in de verkondiging van Jezus zelf. 

Wanneer wij naar het Woord luisteren en ons geweten er door laten voeden, dan komen we dichter bij God en zijn Woord. Daartoe hoeven we ons menselijk bestaan niet te ontkennen. Evenmin mogen we achter onze zwakheden schuilen als makkelijk excuus.

Dit alles is ons meegegeven in één vers. Klaar en duidelijk, maar bijzonder bondig. Een korte processie van veelzeggende woorden gaat langs ons voorbij. Het is aan ons om goed op te letten en "bij de les te blijven". In één vers ontvangen we een wijze levensles, levend en krachtig als Gods Woord zelf.

02 oktober 2021

Genesis: God schept, de mens geeft namen (2-3 oktober 2021)

We lezen zondag uit Genesis over de schepping. Genesis 1 en 2 zijn prachtige verhalen. Echter: de scheppingsverhalen lezen we niet als een wetenschappelijk essay. De wereld is niet precies zo ontstaan zoals het daar staat. 

Twee scheppingsverhalen

Doordat er twee opeenvolgende scheppingsverhalen neergeschreven zijn, wordt eigenlijk al bevestigd dat het over impressies gaat, over basisgedachten. Het christendom heeft er lang over gedaan om tot deze conclusie te komen. Kritische bedenkingen werden lang verboden door een voortdurende angst dat de Schrift zo sterk gerelativeerd zou worden dat er niets meer van overbleef. Dat is hoegenaamd niet het geval. Het tegendeel is waar. Het is juist door niet kritisch en verstandig naar de Schrift en haar rijke waaier aan vertelvormen te kijken, dat de Boodschap ongeloofwaardig wordt.

Verhalen doorverteld

De ontstaansgeschiedenis van de Bijbel uit de doeken doen, is geen onderwerp voor een blog. Wel kan ik enkele (weliswaar digitale) krijtlijnen weergeven. Genesis is niet het eerste boek dat als geheel werd neergeschreven. Dat is op zich al veelzeggend. Ook de verhalen zijn niet de oudste. Heel wat religieuze verhalen zijn generaties lang vertellend doorgegeven vooraleer het schrift ontstond en ze stilaan werden neergeschreven. Vooral de angst dat de verhalen verloren zouden gaan, speelt daarin een belangrijke rol. Het rijk was al gescheurd in een noordelijk en een zuidelijk deel toen het neerschrijven van losse verhalen begon, wellicht rond 900 voor Christus. De Thora als reeks boekrollen, met de tekst zoals wij die nu kennen, heeft pas omstreeks 400 voor Christus vorm gekregen. Er werden dus verhalen neergeschreven en veel later samengesmolten tot een boek(-rol) in een lange periode van redactiewerk. Je kan de scheppingsverhalen onmogelijk begrijpen zonder hier rekening mee te houden.

Ontstaan

Een tweede belangrijk gegeven is de oorsprong van de verhalen. Het eerste scheppingsverhaal, dat van de zeven dagen, ontstond tijdens de Babylonische ballingschap. Koning Nebukadnessar viel Judea binnen, verwoestte steden en dorpen en nam de toplaag van de samenleving weg naar elders in het rijk. Er bleef leegte en verwarring achter, zeventig jaar lang. De Babyloniërs aanbaden Mardoek, een sterke god. Zij hadden ook een verhaal over het ontstaan van de aarde. Het was voor het Joodse volk stuitend dat zij zelf geen scheppingsverhaal hadden. De schepping van de wereld door God in zeven dagen, was het antwoord van de priesters tijdens de ballingschap op die vreemde godsdienst en op de verleiding om er in mee te gaan. Het vormde een niet verkeerd te verstaan Joods credo dat verhaalde hoe de wereld en de mens zijn ontstaan uit Jahwe en uit geen ander.

Het tweede scheppingsverhaal, met Adam en Eva, vertoont grote gelijkenissen met het epos van Gilgamesj. Daar kwam het inzicht niet door een appel maar door brood en wijn. De slang bracht de vrouw niet in verleiding, de vrouw was zelf de verleiding. Het gaat in beide verhalen over een strijd tussen goed en kwaad en de wil om meer inzicht te verwerven.

Mens en mensin

Er zijn dus twee scheppingsverhalen: het verhaal van de zeven dagen en dat van Adam en Eva in het paradijs. De scheppingsdaad wordt in de beide verhalen vernoemd en uitgelegd. In het eerste verhaal lijkt God de mensen in één beweging te scheppen, in het tweede verhaal wordt eerst de mannelijke mens geschapen, daarna de vrouwelijke.

Het Nederlands heeft een belangrijk voordeel op bijvoorbeeld het Frans en het Engels. Wij hebben een apart woord voor “man” en voor “mens”. Het Franse “homme” en het Engelse “man” moeten in het enkelvoud de beide vertegenwoordigen. Dat schept verwarring die wij niet kennen. In beide verhalen schept God “de mens”, in het Hebreeuws “ha’adam”. God schept niet “de man”, “ha’isj” in het Hebreeuws.

In het eerste scheppingsverhaal schept God de mens meteen mannelijk én vrouwelijk (Genesis 1, 27). Beide geslachten zijn in één scheppingsbeweging ontstaan. In het tweede verhaal schept God de mens uit stof. Die mens is algauw eenzaam en daarom schept God uit een rib van de mens een vrouwelijke mens, een mensin. Er wordt vaak gezegd dat God “man” (ha’isj) en het afgeleide “mannin” (ha’isjah) heeft geschapen, waarbij de vrouw de afgeleide is van de man. Dat laatste komt inderdaad in het verhaal voor, maar “man” en “mannin” zijn namen die Adam geeft aan zichzelf en aan Eva (Genesis 2, 23). Hij mocht van God ook de dieren en planten en andere schepsels een naam geven (Genesis 2, 19-20). Man en vrouw zijn dus een cultureel gegeven, door Adam benoemd en bepaald. God heeft geschapen, de mensen hebben er namen aan gegeven.

Rib en stof

De gedachte dat de vrouw is geschapen uit een rib van de man, ligt voor ons cultureel moeilijk. Eerst en vooral: in primitieve culturen werden belangrijke werktuigen vaak gemaakt uit steen of hout of botten. Het is in de context geen vreemde keuze. Dat de vrouw uit een rib is gemaakt in het verhaal, mag in geen geval aanleiding zijn tot vernedering. Laten we niet vergeten dat de mannelijke variant uit wat stof van de grond is gemaakt (Genesis 2, 7). 

God kon geen vrouw apart scheppen, Hij had immers de mens al geschapen. Het onderscheid tussen de beide was niet belangrijk voor God, wel voor de mens, die eenzaam was. Daarom nam God een levende rib van de mens, een deel van het harnas dat hart en longen beschermt. Hartslag en adem waren toen al de gekende tekenen van leven. God wou geen aparte, nieuwe “soort” scheppen, maar enkel een variatie binnen de menselijke soort creëren. De gelijkenissen tussen mannen en vrouwen zijn in aantal talrijker en in belang groter dan hun verschillen. Beiden zijn ze in de eerste plaats mens. De symboliek is heel sterk.

25 september 2021

Iedereen begeesterd (25-26 september 2021)

We ontmoeten Mozes vandaag in een heel extatische geloofsuitdrukking, midden in de woestijn. We mogen het zien als een voorloper en een vooruitwijzing naar Pinksteren.

In een wolk

Het volk is onderweg uit Egypte naar het Beloofde Land. Ze hebben al honger en dorst geleden, maar de Heer heeft hun manna geschonken. Een wonderlijk geschenk! Het volk blijft echter niet tevreden: ze willen ander voedsel. De Heer is kwaad om het geklaag, maar belooft aan Mozes om aan hun wensen tegemoet te komen. Dan moeten ze echter wel op Hem vertrouwen. Mozes vindt het een zware verantwoordelijkheid om telkens weer de voorspreker te zijn van het volk, helemaal alleen. Ook daar heeft de Heer begrip voor.

Er gebeurt iets bijzonders. De Heer daalt af in een wolk en laat de Geest op Mozes rusten, maar ook op de zeventig oudsten die Mozes heeft bijeengebracht. Onmiddellijk beginnen ze allen te profeteren. Ze zijn “begeesterd”.

De Geest, vrouwelijk

Opmerkelijk detail: in het Hebreeuws is de Geest (ha’ruach) een vrouwelijk woord. De Geest uit het Oude (Eerste) Testament is niet mannelijk. Langs het Griekse “pneuma”, dat onzijdig is, evolueert het begrip naar het Latijnse “spiritus”, dat een mannelijk woord is. Er valt iets te zeggen voor een vrouwelijke heilige Geest. De Kerk, de geloofsgemeenschap in het tijdperk van de heilige Geest, is immers ook een vrouwelijk woord. Vooral in het teken van de heilige Drievuldigheid is de Geest mannelijk ingekleurd, niet enkel grammaticaal, maar ook conceptueel, om verwarring te vermijden. Maar hier bij Mozes is de Geest dus vrouwelijk, en staat inhoudelijk in voor God die spreekt met zijn volk.

Eldad en Medad

Nu blijken er twee mannen te zijn die niet onder de zeventig oudsten zijn, en die spontaan ook beginnen te profeteren: Eldad en Medad. Hun naam is niet toevallig gekozen omdat ze mooi samen klinken. Eldad betekent “God is liefde”, Medad wil zeggen: “de beminde”. Deze twee mannen symboliseren het geloof, dat een dialoog van liefde is. God heeft ons lief, en wij mogen ons dankbaar geliefd weten.

Een jongeman rent naar Mozes om het nieuws te melden van Eldad en Medad. Hij is geen objectieve berichtgever, maar dringt er op aan dat Mozes hen tegenhoudt. “Dit kan toch niet?” Ze staan immers niet op de lijst van zeventig oudsten. “Waar gaat dat heen, als iedereen plots in een trance gaat profeteren?”, zal de kerel wel gedacht hebben, goedbedoeld.

Iedereen begeesterd

Mozes is duidelijk: “Was iedereen maar begeesterd!” Wat zou het toch prachtig zijn: iedereen geraakt door de Geest, in een heilig gesprek met de Heer. Niemand die nog hoeft te twijfelen of God er wel is voor hem of haar, of Hij wel gehoor geeft aan ons gebed, aan ons vragen en smeken. De wijze Mozes vindt het alvast een fijne gedachte. De jongeman vol ruwe principes en idealen moet er nog aan wennen. Maar de Geest waait waar Hij wil (Johannes 3, 8). Wij sturen de Geest niet aan, de Geest is van God.

De oudsten zijn overigens ook niet dagelijks verlicht door de heilige Geest. De Geest voedt de sensatiezucht niet maar maakt deel uit van Gods heilsplan. Het overkomt hen slechts één keer: daar bij Mozes rond de tent. Daarna niet meer. Maar het moet een geweldige ervaring zijn geweest: een klein Pinksterfeest, midden in de verzengende en desolate woestijn. 

14 september 2021

Een bijzondere verering: de zeven smarten van Maria (15 september 2021)

Een kort woord bij de zeven smarten van Maria. Maria komt af en toe op de voorgrond in de evangelies. Sommige van die verhalen omschrijven haar verdriet om wat er met haar Zoon gebeurt. 

Het ontstaan

Uit de devotie voor Maria zijn 7 momenten van verdriet samengebracht. Onze-Lieve-Vrouw van Smarten is doorheen de eeuwen gegroeid als Mariafeest in de Rooms-katholieke Kerk. Het getal zeven heeft een bijzondere symboliek en bepaalt de opsomming van smarten of weeën van Maria. In de responsories van het nachtofficie van het getijdengebed zijn ze voor het eerst als zevental gepresenteerd.

Het gebruik om in lange litanieën het lijden van Christus' Moeder te bezingen, stamt uit de Oosterse Kerk. In de Middeleeuwen begint men ook in de Westerse Kerk de smarten van Maria te vereren. Een speciale dag ter gedachtenis aan haar lijden wordt lokaal voor het eerst vastgesteld in Keulen in 1413: op de vierde vrijdag na Pasen. De devotie tot de zeven smarten van Maria ontstaat gelijktijdig met de opkomst van het rozenkransgebed. In 1814 voert paus Pius VII het feest in voor de Rooms-katholieke Kerk.

Spiritualiteit

Dit zijn de zeven smarten van Maria:

1. De profetie van Simeon in de tempel bij het opdragen van Jezus (Lucas 2, 25-35)

2. De vlucht naar Egypte (Matteüs 2, 13-14)

3. Het zoekraken van Jezus in de Tempel (Lucas 2, 42-51)

4. Maria ontmoet Jezus op weg naar de Calvarieberg (Lucas 23, 25)

5. Maria staat onder Jezus' kruis (Johannes 19, 25-27)

6. Maria ontvangt haar gestorven Zoon na de kruisafneming (Matteüs 27, 57-59 - Marcus 15, 43-47)

7. Jezus wordt begraven (Matteüs 27, 57-66 - Marcus 15, 42-47 - Lucas 23, 50-56 - Johannes 19, 38-42)

Met het gedenken van deze smarten, van de pijn, het lijden en het verdriet die Maria heeft doorgemaakt, komt ook haar trouw als Moeder van de Verlosser onder de aandacht. Dit kan voor ons een steun zijn in ons eigen lijden. Net als haar Zoon Jezus is ook Maria het lijden niet bespaard gebleven. In haar smart kunnen wij ons eigen verdriet herkennen. Wanneer we in onze gebeden onze toevlucht nemen tot Maria, weten we dat Zij ons begrijpt omdat Ze ook verdriet heeft gekend. We kunnen ons door Maria laten inspireren om door het lijden heen te groeien in liefde en geloof. 

Er wordt soms neerbuigend gedaan over Mariale spiritualiteit, vaak ten onrechte. Uiteindelijk verwijzen deze smarten telkens opnieuw naar de Schrift en naar Jezus. Het blijft natuurlijk wel belangrijk dat deze verbindingen niet verloren gaan. 

Een moderne afbeelding

Er bestaan doorheen de geschiedenis veel soorten afbeeldingen van Maria. Een piëta verbeeldt Maria met in haar armen de gestorven Jezus en sluit aan bij de zesde smart. Een Dolorosa toont een droevige Maria met zeven zwaarden die haar hart doorboren. Een heel bijzondere afbeelding van Maria van Smarten is echter de “Viernes de Dolores” van María Izquierdo (1902-1955).

Zij was een Mexicaanse schilderes die langs de schilderkunst op zoek ging naar “mexicanidad”: de Mexicaanse identiteit. María Izquierdo bracht graag verschillende onderwerpen samen op het canvas: identiteit, traditie, gender, religie, hedendaagse cultuur, eeuwigheid… Ze werd bekend voor haar moderne thema’s en dito vormgeving en het gebruik van een helder en contrastrijk kleurenpallet.


Het optuigen van altaren voor de doden maar ook voor heiligen behoort tot de Mexicaanse traditie. Dat gebeurt vaak met eetbare offergaven, een gewoonte die ons eerder vreemd is. In dit werk dat op een speelse wijze omgaat met perspectief wordt een altaar in beeld gebracht waarmee men Maria om haar smarten vereert. Het werk is niet bepaald devoot of vererend opgevat. María Izquierdo is gefascineerd door de esthetische schoonheid van religieuze altaren. Ze beeldt hier vooral de spirituele atmosfeer van devotie uit vanuit een modernistisch oogpunt.

Vaak bestaan altaren voor de Virgen de los Dolores uit paarse en gouden tinten. In dit werk zijn de altaren echter heel bont gekleurd. Inhoudelijk leunt het altaar wel aan bij de traditie: men offert tarwe in keramische potten, zure sinaasappelen die verwijzen naar het verdriet van Maria, met vlaggetjes van puurheid opgeprikt, en groene opstaande planten die de verrijzenis uitbeelden. Het rood van de watermeloen verwijst naar het bloed van Christus. Het altaar is versierd met kaarslicht en bloemen. De gelovigen worden niet afgebeeld, ze zijn vertegenwoordigd in de offers. Maria kijkt in de vorm van een portret neer op de offergaven. Ze "verschijnt" niet in het werk, maar is enkel afgebeeld. Maria is zichtbaar als een afbeelding binnen de afbeelding, een diepere dimensie.

Het gordijn is niet alleen het kader van het altaar maar ook van het schilderij. Je kijkt binnen in een tafereel. Het nodigt je uit om de diepte van het werk te ontdekken en in een persoonlijke, intieme dialoog met het werk op zoek te gaan naar de kracht van traditie en religiositeit.

11 september 2021

Petrus en Jezus: een moeilijk gesprek (11-12 september 2021)

Jezus vraagt aan zijn leerlingen wie Hij is. Ze worden uitgedaagd om de identiteit van Jezus Christus te omschrijven, die ze vol bewondering volgen. Er ontpopt zich een diepgaand maar tegelijk heel confronterende dialoog.

Wie is Jezus?

Petrus neemt het woord in naam van de apostelen en antwoordt kort en duidelijk, gedreven en zelfverzekerd zoals alleen Petrus dat kan: “U bent de Christus.” (Marcus 8, 29: Su ei ho Christos, in het Grieks.) Bij Matteüs voegt Petrus daar nog aan toe: “de Zoon van de levende God” (Matteüs 16, 16).

Deze korte zin is een sterk staaltje van theologie, vrij letterlijk zelfs. Er wordt kennis uitgesproken (logos) over God (theos). Petrus heeft duidelijk aandachtig geluisterd naar de leer van de Meester. 

Messiasverwachting

Het Griekse begrip “christos”, waarvan de titel Christus is afgeleid, betekent: de Gezalfde. Gelijklopend is Messias afgeleid van het Hebreeuwse “masjiach”, met zalfolie gewijd. Ten tijde van Jezus bestaat een diepgewortelde Messiasverwachting. De profeten spreken over de komst van een telg van het huis van David, die de vredevolle hoogtijd van het koninkrijk komt herstellen, door de stammen terug samen te brengen onder gezag van de nieuwe gezalfde koning en van God. Sommigen verwachten een heerser die met geweld het rijk in eer herstelt, anderen verwachten een ethisch-religieus réveil. Dit wordt door sommigen verwacht in de eindtijd en door anderen in de geschiedenis. Jezus bevestigt dat deze titel Hem toekomt en dat in Hem de verwachting tot vervulling komt. De apostelen bevestigen bij monde van Petrus dat Hij de langverwachte Messias is, de Christus.

Petrus ziet wellicht een leven voor zich van vrede en geluk, een tijd waarin Hij van Jezus zelf mag horen wat God van elk van ons verwacht. De hemel op aarde, als het ware. De profeten reiken immers een resem hoopvolle en inspirerende beelden aan over de komst van de Messias. De hele wereld zal God aanbidden (Jesaja 2, 11-17). De geest van de Heer zal op Hem rusten (Jesaja 11, 2). Hij zal opkomen voor armen (Jesaja 11, 4) en zal gerechtigheid brengen voor iedereen (Jesaja 11, 5). Hij zal zijn volk weer bijeenbrengen (Jesaja 11, 12) en de onderlinge vijandschap tussen de stammen zal verdwijnen (Jesaja 11, 13). Er zal geen honger of ziekte meer zijn en de dood zal niet meer bestaan (Jesaja 25, 8). De doden zullen opstaan (Jesaja 26, 19). Het volk zal vreugde ervaren en bevrijd zijn van verdriet (Jesaja 51, 11). Hij zal vrede aankondigen en goed nieuws brengen (Jesaja 52, 7).  Voor geestelijke leiding zal de wereld zich tot het Joodse volk wenden (Zacharia 8, 23). De verwoeste steden van Israël zullen hersteld worden (Ezechiël 16, 55) en oorlogswapens zullen vernietigd worden (Ezechiël 39, 9). Het volk zal door Hem de wijsheid van de Schrift begrijpen (Jeremia 31, 33). Wat een veelbelovende vooruitzichten!

Messiasgeheim

De vreugde wordt echter meteen al gedempt. Dat mogen we zelfs heel letterlijk zien: Jezus draagt zijn leerlingen op hier met niemand over te spreken. Ze mogen deze vreugde niet delen met de wereld. Het Messiasgeheim ontstaat hier. Denkt Jezus hierbij aan het risico dat zijn titel verkeerde verwachtingen zou kunnen opwekken bij het volk? Wil Hij dat de leerlingen eerst beter bekend raken met de diepgang van zijn leer voordat ze zijn Boodschap beginnen te verkondigen? Of vertrouwt Hij op de volkswijsheid dat wat door mensen verzwegen moet worden juist het best verspreid wordt?

Algauw wordt duidelijk dat Petrus de dramatische zijde van de komst van Jezus op aarde nog niet heeft begrepen. De Mensenzoon zal moeten lijden, Hij zal door de wetgeleerden verworpen worden, Hij zal sterven en verrijzen op de derde dag. Hier vinden we opnieuw een sterk staaltje van summiere theologie. In weinig woorden wordt door Christus een belangrijk deel van onze geloofsbelijdenis uitgesproken. Wat gezegd wordt, zal voor de apostelen heel choquerend zijn geweest.

Petrus en de Mensenzoon

Petrus neemt opnieuw het woord en tracht op Jezus in te praten. Hij verzet zich wellicht tegen de gedachte dat Jezus moet lijden en sterven. Petrus had een ander vooruitzicht in gedachten. Het warm, vredig, harmonisch gevoel wordt in gruzelementen geslagen door de komende realiteit. Petrus kijkt op naar Jezus maar wil Hem als vriend niet verliezen. Petrus gaat midden in zijn menselijke gedachten en gevoelens staan en negeert zijn gehoorzaamheid als apostel. 

Dit is de enige keer dat Petrus zo streng wordt berispt. Het gaat dan ook over de kern van Christus Boodschap, die Petrus moet accepteren. Er valt niet te onderhandelen over het lijden en de dood van de Mensenzoon, hoe jammer het vooruitzicht ook is. Zelfs Jezus onderhandelt niet wanneer het zo ver is: Gods wil geschiedt. Natuurlijk zou Jezus liever niet hoeven te lijden, maar Gods wil moet geschieden (Matteüs 25, 39).

Petrus leert de dualiteit kennen die elke christen ervaart. Jezus Christus is God en mens, afstand en nabijheid, ver weg en dichtbij. Hij ziet zijn volgelingen als zijn vrienden (Johannes 15, 15), maar blijft tegelijk toch Boodschapper van de Vader.

Geloven: een groeiproces

Hoe herkenbaar is Petrus. Hij bedoelt het goed, maar moet met vallen en opstaan leren dat Christus is gekomen om Gods Wil te laten geschieden en Gods Boodschap aan zijn volk te verkondigen. De rots op wie de Kerk zal worden gebouwd, door Jezus persoonlijk uitgekozen, is een man die soms ook de mist in gaat. Dat mag alvast een troostende gedachte zijn voor elk van ons.

En jij... wie zeg jij dat Hij is?

04 september 2021

"Rijk" en "arm" betekenen iets anders in Gods ogen

De Jakobusbrief is eerder een geschrift dat bedoeld is als een samenvoeging van algemene richtlijnen aan de christenen. De brief is niet gericht aan een bepaalde gemeenschap, zoals bij de Paulusbrieven. Jakobus raakt een belangrijk thema aan in de lezing van deze zondag (Jakobus 2, 1-5). In de Kerk is geen ruimte voor partijdigheid of vleierij. Ofwel is iedereen gelijkwaardig, ofwel belijd je Christus’ Boodschap niet.

Jakobus beschrijft een herkenbaar tafereel. Straks begint de gebedsdienst en er komt een man binnen, keurig gekleed, met ringen aan zijn vingers. Het is meteen duidelijk dat het een voornaam en welstellend persoon is. Hij krijgt een ereplaats toegewezen. Tegelijk komt een arme man in schamele kleren binnen. Hij wordt verwezen naar een voetbankje of moet op de grond gaan zitten. Dit is een duidelijk voorbeeld van discriminatie.

Toch is het heel menselijk. De koning wordt niet op dezelfde manier behandeld als een arme schooier. Het lijkt zo evident. Deze Schrifttekst is doorheen de christelijke geschiedenis ook vaak onder het stof geraakt.  

Rechters met verkeerde ideeën

Jakobus is echter heel duidelijk. Dicht bij de Griekse woorden klinkt de vertaling als volgt: “Heb je dan geen ongelijkheid onder elkaar geschapen en zijn jullie dan geen rechters geworden op basis van verkeerde ideeën?” (Jakobus 2, 4) Hij heeft daar een punt natuurlijk.

Jakobus verwijst naar Jezus zelf wanneer hij stelt dat de armen in de wereld uitverkoren zijn om rijk te zijn in geloof. Jezus zegt tot tweemaal toe dat het voor een rijke moeilijker is om in het Rijk Gods te komen. (Matteüs 19, 23-24). Hij herhaalt het omdat Hij merkt dat de leerlingen er eerst niet op reageren. Na de tweede uitspraak zijn de leerlingen ontzet: als de rijken al niet in het Koninkrijk van God komen, wie dan wel?

Hemel te koop

Jezus veroordeelt de rijkdom op zich niet. Hij ziet er vooral een belangrijke struikelsteen in. De rijke zou kunnen veronderstellen dat hij zijn plekje in het Rijk Gods kan afkopen. Zoveel privileges zijn te koop. Welnu, God is niet te koop. De mens redt zichzelf niet, God redt. Geld brengt macht en aanzien op aarde, maar niet in Gods ogen.

De geschiedenis is een goede leermeester. In de late Middeleeuwen groeit de praktijk dat mensen hun hemel door het kopen van aflaten kunnen verdienen. Wat begint als een betaling als onderdeel van penitentie na de biecht, groeit uit tot rijken die hun hemel afkopen of die arme mensen er tegen betaling voor laten bidden. Grote kerken worden gebouwd of gerenoveerd met hulp van aflaten: denk aan de Dom van Utrecht en de Sint-Pietersbasiliek in Rome. Ook dijkreparaties gebeuren met schenkingen in ruil voor aflaten. Er zijn vileine ronselaars die met beloften ver buiten de christelijke boodschap aflaten weten te slijten aan de adel maar ook aan mensen die hun centen hard nodig hebben. Het Rijk Gods wordt in de ogen van de gewone mensen een privilege voor de rijken. Dat zijn gelukkig praktijken die in onze tijd niet meer bestaan. Luther heeft er hard tegen gereageerd en heeft het ongenoegen van veel gelovigen onder woorden gebracht. De onvrede zit ten tijde van Luther diep, precies omdat het gaat over fouten tegen de geloofsboodschap van Jezus. 

Iedereen gelijkwaardig

Het is deze spiritualiteit die Jakobus aanhaalt in zijn brief. Om gered te worden, is geloof het belangrijkste criterium: God liefhebben als je enige Heer en je naaste beminnen als jezelf. “Je kan niet God dienen en de mammon.” (Lucas 16, 13) Net daarom beweert Jezus dat het voor een rijke zoveel moeilijker is om tot het Rijk Gods te komen. Rijkdom schept onvrijheid: je kan niet zomaar alles achterlaten om de Heer te volgen op zijn wegen.  

Bezit staat het geloof in de weg. Een christen wordt opgeroepen om uit te blinken in een overvloed aan liefde, niet in een overvloed aan geld. Rijkdom staat immers voor hebben en houden, liefde is ontvangen en vooral geven. Rijkdom creëert ongelijkheid, terwijl in de liefde iedereen elkaars gelijke is. In de armen en noodlijdenden zien we het gelaat van Christus. (Matteüs 25, 34-40) Christus heeft zichzelf immers ontledigd, zich vrij gemaakt van aardse rijkdom, van bezit en aanzien. (Filippenzen 2, 7)

Armoede niet verheerlijken

Armoede verheerlijken, heeft ook een keerzijde, helaas. Rond de eeuwwisseling van 1900 heerst er schrijnende armoede in onze geïndustrialiseerde streken. De ongelijkheid tussen rijke adel en de goegemeente is extreem groot. De Kerk grijpt niet in, ze is financieel afhankelijk van de adel en als de Kerk een sociale revolutie zou ontketenen tegen de gevestigde orde en de politiek, dan kan dat wel eens het einde van haar plaats binnen de samenleving betekenen. Men troost de armen, dat ze uit mogen kijken naar hun beloning na dit aardse tranendal van honger en miserie: de hemel, waar alles goed zal zijn, rijstpap voor iedereen. Het socialisme groeit en geeft de armen een stem. Er wordt de Kerk verweten dat ze de mensen in slaap wiegt en hun situatie niet ernstig neemt. In Vlaanderen heeft priester Daens een belangrijke aanzet gegeven om vanuit kerkelijke hoek de armen bij te staan, al wordt hem dat aanvankelijk niet in dank afgenomen.

De geschiedenis wijst uit hoe moeilijk het is om Jezus’ Boodschap in het dagelijks leven waar te maken. Niettemin is wat Jakobus schrijft, ook voor elk van ons een wijze boodschap. Bezit mag ons geloof nooit in de weg staan. Ook dweperij met rijkdom en rijke mensen ligt niet in de lijn van Jezus’ Boodschap van liefde voor God en voor onze naasten.