Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- 'Geen tijd voor je feestje' (10-11 oktober 2026).

28 juli 2021

Marta en Maria: tijd voor God (29 juli 2021)

Marta, Marta… Wat een bijzonder verhaal. We worden binnengehaald midden in een huiselijk tafereel. De personages zijn herkenbaar. De dialoog echter is wat kort van stof. Er klinken enkele onbenoemde zaken op de achtergrond mee. Op 29 juli vieren we de heilige Marta.

Het beste deel

Laten we even inzoomen op twee verzen die vaak voor misverstanden en onbegrip zorgen. De Heer gaf haar ten antwoord: "Marta, Marta, wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen. Slechts een ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen, en het zal haar niet ontnomen worden." (Lucas 10, 41-42)

Er staat niet dat Maria de mooiste rol heeft verkozen en daarom niet hoeft  te helpen met Marta. Jezus zegt niet tegen Marta: “Doe jij maar het zware werk, want dat werk is te min voor Maria”. Zo wordt het echter wel vaak geïnterpreteerd.

Belangrijk en bijkomstig

In onze huidige samenleving voelt dit verhaal spontaan als onrecht aan. In vroegere tijden werd de minderwaardige positie van de vrouw en de ongelijkheid tussen de adellijke elite en het werkende voetvolk maatschappelijk vrij algemeen aanvaard en ondersteund. Maria is de chique dame en Marta  de arme sloor die het werk voor twee mag doen.

Marta is in het verhaal niet blij met de toestand. Maria zit daar maar neer en Jezus zegt er niets over. Jezus zou haar kunnen opdragen om te gaan helpen. Marta neemt haar rol als gastvrouw ernstig terwijl Maria zich momenteel niets van al dat materiële aantrekt. Daar zit inderdaad een conflict.

De interpretatie loopt fout bij de uitdrukking: “Maria heeft het beste deel gekozen”. Het kan gezien worden alsof Jezus vindt dat Maria nu eenmaal heeft gekozen voor de minst lastige bezigheid, namelijk aan Jezus’ voeten neerzitten en luisteren naar zijn vertellingen. Marta moet dan maar “het slechtste deel” doen: zwoegen en zweten. Dat staat er dus niet.

Wat Jezus eigenlijk bedoelt, is dat Maria op dat ogenblik bezig is met iets veel belangrijkers dan zich zorgen te maken over de goede bediening. Gastvrijheid is inderdaad belangrijk, maar komt op de tweede plaats op het ogenblik dat er over de Blijde Boodschap wordt gesproken. Het is een kwestie van de juiste prioriteiten te stellen. Jezus bedoelt dus: “Marta, je zou ook beter even komen zitten en meeluisteren in plaats van je druk te maken over die alledaagse dingen die straks ook nog kunnen gebeuren.” Voor Jezus is niet wat je doet het allerbelangrijkste, maar wie je bent. “Ben jij een volgeling van de Mensenzoon? Luister dan naar zijn Woord.”

Iedereen gelijkwaardig

Onze vroegere interpretatie van het verhaal, dat Marta bevestigd zou worden in haar rol als dienstmeid, is onjuist. Sterker nog: Jezus bedoelt precies het tegenovergestelde. De brave, gedienstige Marta die het zwaarste werk op zich neemt, zou beter alles even aan de kant leggen en komen luisteren. De Blijde Boodschap is net zo goed voor Marta bedoeld als voor de apostelen. De Blijde Boodschap is geen mannenzaak. Jezus’ volgelingen zijn allen gelijkwaardig.

Marta bedoelt het goed en het wordt haar ook niet kwalijk genomen. Misschien werd haar teveel geleerd om gedienstig en naarstig te zijn en geen beslissingen te nemen maar gehoorzaam te zijn. De keuze is aan Marta. Jezus opent een totaal nieuw perspectief.

Ora et labora

Jezus beweert ook niet dat gastvrijheid onbelangrijk zou zijn. Sterker nog: Jezus stilt de honger van de toehoorders, een honger die veel fundamenteler is dan het geknor van de maag. Jezus voedt het geloof van de gasten. Deze dienstbaarheid is het ultieme teken van gelovige gastvrijheid. Daar geeft Maria op dat ogenblik terecht de voorkeur aan.

Een vertaling heel dicht bij de Griekse moedertekst kan dit bevestigen: “En de Heer antwoordde en zei: Marta, Marta, je bent druk bezig en je bent afgeleid door veel dingen, maar één ding slechts is belangrijk en Maria heeft het juiste gekozen en dat zal haar niet afgenomen worden.”

Maria heeft voor het belangrijkste gekozen en Marta zou dat beter ook doen. Zoals in “ora et labora”, “bidden en werken”. Als het tijd is voor God, dan gaat God voor. En jij? Ben jij een Marta? Of een Maria?

22 juli 2021

Voedsel genoeg voor iedereen (24-25 juli 2021)

Twee teksten van deze zondag ontmoeten elkaar in deze bezinningstekst: Johannes 6, 1-15 en Efeziërs 4, 1-6. Johannes vertelt over het broodwonder, in de volksmond broodvermenigvuldiging genoemd. Er is met vijf broden en twee vissen genoeg om een grote menigte te eten te geven. Achteraf haalt men twaalf volle korven aan broodbrokken op. 

Paulus spoort de Efeziërs met een erg poëtische tekst aan om bescheiden te zijn en te handelen uit liefde, met vrede. 

De menigte wil Jezus tot hun koning kronen, maar Jezus weigert. Zijn Woord staat centraal, eer en faam zijn Hem vreemd. 

Zoals altijd zit Johannes' evangelieverhaal vol symboliek. De broden verwijzen naar het Laatste Avondmaal. De ware honger is de honger naar het Woord en naar het Nieuwe Verbond. De vissen (ichthus in het Grieks) verwijzen naar het geloof. De twaalf volle manden zijn een vooruitwijzing naar de taak van de apostelen... 

Deze zondag: "Johannes featuring Paulus".


Een menigte volgt Jezus

om zijn Woord te beluisteren,

en zijn wonderen te zien.

Jezus ziet hun honger. (Johannes 6, 1-5)

 

               Blijf altijd bescheiden,

 zachtmoedig en geduldig,

 geïnspireerd door de liefde. (Efeziërs 4, 2)

 

Filippus heeft geen geld genoeg.

Andreas heeft wat brood en vis:

veel te weinig, niet genoeg.

Jezus weet wel beter. (Johannes 6, 6-9)

 

               Vrede is de ware kracht die bindt,

               geschonken door de Geest. (Efeziërs 4,4)

 

De mensen zijn gaan zitten,

ze eten van het brood

en van de vis, zoveel men wil.

Er zijn twaalf manden over. (Johannes 6, 10-13)

 

               Eén Heer, één geloof, één doop.

Eén doop, één geloof, een Heer. (Efeziërs 4, 5)

 

De mensen noemen Hem profeet

en willen Hem tot koning kronen.

Jezus trekt zich vlug terug: (Johannes 6, 14-15)

zijn koningschap is niet van hier. (Johannes 18, 36a)

 

               Eén God die van allen is

en boven allen,

               door allen en in allen is.  (Efeziërs 4, 6)

 

16 juli 2021

Jezus en zelfzorg (17-18 juli 2021)

Jezus verwelkomt de leerlingen die terugkomen van hun zending. Ze hebben de mensen onderwezen over de Blijde Boodschap en tekenen gesteld. Het zijn de eerste pastorale taken in Jezus’ naam. Wat er vandaag allemaal bestaat aan pastoraal, kent daar zijn oorsprong.

Op verhaal komen

De leerlingen kunnen meteen bij Jezus terecht. Hij luistert aandachtig naar hun verslag. Ze moeten bij Hem op verhaal komen. Ook dat is tot op vandaag essentieel: dat men na het pastorale werk bij Jezus terecht kan om zijn of haar verhaal te doen en Hem toe te vertrouwen wat er blijft nazinderen aan zorgen, vragen en frustraties, maar ook aan verwondering, vreugde en blijdschap. Vrijwilligers, pastores, leerkrachten, priesters en diakens, paters en broeders, zusters: al wie een pastorale taak opneemt, mag tot bij Jezus komen met zijn of haar verhaal.

Jezus doet twee zaken en beiden zijn ze belangrijk omdat ze de draagkracht in de pastoraal garanderen. Eerst en vooral luistert Jezus naar hun verhaal. De leerlingen weten vanzelf dat ze Hem kunnen toevertrouwen wat ze hebben meegemaakt. Ze staan er niet alleen voor. Dat is het privilege van elke pastoraal werker, vrijwillig of aangesteld: de Heer is altijd bereikbaar en helpt de last te dragen.

Tot rust komen

De Heer luistert niet alleen. Hij neemt zijn leerlingen vervolgens mee om wat uit te rusten (in het Grieks: “anapausasthe”, rusten om op krachten te komen: je herkent het woord pauze erin). Hij zendt ze niet meteen naar een volgende opdracht. Jezus neemt de leerlingen mee naar een plaats waar ze alleen kunnen zijn. Dit is de plechtige instelling van de zelfzorg. Hoewel zelfzorg al gauw een nare bijklank krijgt van zelfzucht of zelfgenoegzaamheid en niet past binnen een cultuur van zelfopoffering, komt deze bezorgdheid van Jezus zelf: een pastoraal werker hoort voor zichzelf te zorgen door tot rust te komen. Niemand heeft baat bij iemand die afgevlakt, bitsig en moe gewerkt aan pastoraal doet. Wellicht is Jezus’ diepste bezorgdheid dat de leerlingen niet in dezelfde val trappen als Schriftgeleerden en farizeeën: wie zich – met de beste bedoelingen – enkel concentreert op uiterlijkheden en op prestaties en aantallen, hecht te weinig waarde aan spiritueel ontwikkelen, aan bidden en herbronnen.

Pastoraal werk is vaak deugddoend en aangenaam, maar soms ook heel confronterend, moeilijk, met pijnlijke verhalen. Wie aan pastoraal doet, voelt soms onmacht of een knagend gevoel. Deed ik voldoende? Kon ik nog meer doen? Waarom kon ik zo weinig betekenen? Hoe kan ik het anders aanpakken? Ook met deze vragen kunnen we bij Jezus terecht.

Hij leidt de leerlingen over het meer van Tiberias (ook het meer van Galilea genoemd) naar een rustige plaats. Niet toevallig varen ze over het meer waarlangs Jezus hen heeft geroepen om Hem te volgen (Marcus 1, 16-20). Hij herinnert hen aan hun roeping wanneer ze bekomen van een drukke zendingservaring. De Jordaan stroomt uit dit meer verder: het doopwater van Christus. Iedere christen heeft een roeping en een zending. Iedere vrijwilliger of vrijgestelde in de pastoraal wordt door Jezus uitgenodigd om naar de oorsprong van zijn roeping terug te keren om op krachten te komen.

Ideaal versus realiteit

De goede bedoelingen van Jezus worden echter meteen uitgedaagd. Er ontstaat een conflict tussen de realiteit en het ideaal. Hoewel Jezus het goede voornemen heeft om voor zijn leerlingen te zorgen na een indrukwekkende eerste zendingservaring, kan Hij de grote menigte stuurloze mensen die hopen op zijn verkondiging niet zomaar in de steek laten. Hij krijgt medelijden en geeft hen onderricht, uitvoerig zelfs (in het Grieks: “polla”, veel). Spirituele honger wordt van Godswege altijd in overvloed gestild. Ook hier maakt Jezus zich er niet van af met een summier woordje. Het feit dat het conflict al in het evangelie voorkomt, mag echter ook een geruststelling zijn. Het is niet altijd evident om pastoraal werk af te lijnen. Toch is ook zelfzorg een essentieel component in de zending. Een verdroogde bron kan niet getuigen van het Leven.

Daarom is deze boodschap van de Heer in deze zomermaanden zo verkwikkend. Bid tot de Heer, deel je ervaringen met Hem, leg de verhalen in zijn handen. Dan hoef je ze niet alleen te dragen. Neem bovendien de tijd om te bezinnen en ga daarna weer op weg met nieuwe moed. Een prettige vakantietijd voor elkeen! 

10 juli 2021

Gezonden, twee aan twee (10-11 juli 2021)

Jezus zendt zijn leerlingen in het evangelie van deze zondag. Roeping en zending (“apostellein”, in het Grieks) vormen een tweespan, zo blijkt. De leerlingen zijn geroepen door Jezus, heel persoonlijk. Gezonden worden ze nu twee aan twee (“duo duo”, in het Grieks).

  • Voor  de lezingen van deze zondag: klik hier.

Ver weg van ego en bezit

Ze worden niet individueel gezonden. Een zending is geen individueel gebeuren, geen persoonlijke missie. De leerlingen ontvangen geen verheffend privilege, maar een opdracht van Godswege. Niet het individu staat centraal, maar de boodschap. Door ze twee aan twee te zenden, beklemtoont Jezus het gedeelde karakter van een zending. Waarom per twee? Er kan een dynamiek ontstaan van wederzijdse ondersteuning en bemoediging. Ze kunnen elkaar aanvullen in de verkondiging. Soms wordt ook gesuggereerd dat het een soort proefzending is en dat ze daarom beter per twee op weg kunnen gaan. Toch mogen we de gedeelde zending niet zomaar naast ons neerleggen.

Ze krijgen ook weinig mee: enkel een stok en hun kledij. Geen reservekledij, geen voedsel, geen geld, geen zekerheid. Ze moeten rekenen op de gastvrijheid van de mensen die ze ontmoeten en aan wie ze hun geloof mogen verkondigen. Zijn ze niet welkom en worden ze niet beluisterd, dan dienen de leerlingen verder trekken en het stof van hun voeten schudden. Zelfs het stof mogen ze dan houden daar.

De zending is een oefening in soberheid, zowel inhoudelijk als vormelijk. Het is een heel radicale opdracht die Jezus zijn leerlingen oplegt. Ze worden gezonden naar het onbekende met lege handen. Jezus vraagt echter niet van zijn leerlingen wat Hij zelf niet heeft voorgeleefd. Ofschoon Hij de Zoon van God is, heeft Hij zich geen koningsmantel toegeëigend, geen rijkdom verzameld en geen royale vaste uitvalsbasis uitgebouwd. Dat had Hij immers gekund. Neen, Hij trekt zelf van dorp naar stad met zijn volgelingen, en rekent op de gastvrijheid van mensen van goede wil. De boodschap is duidelijk. Hebben wij goed geluisterd, nu en doorheen de tijden?

Onze luistervaardigheid

Het blijft merkwaardig hoe de wereldwijde kerkgemeenschappen worstelen met Jezus’ boodschap van materiële soberheid. Wij bouwen en restaureren kerken en zorgen voor alle gemakken in die gebouwen: warmte, licht, geluidsinstallatie, moderne technieken… We willen op die manier eer brengen aan God en zijn huis, maar doen we dat op de juiste manier?

De hunker naar zekerheid en standvastigheid is ons, mensen, eigen. Die hunker wil Jezus in de zending van de leerlingen nu juist dempen. Laten we ruimte maken in ons geloofsdenken voor deze duidelijke boodschap. Laten we ons ver houden van egocentrisme en egoïsme. Ook wij zijn allemaal gezonden op onze eigen manier. Laten we er werk van maken, dag aan dag: niet alleen, maar samen! 

01 juli 2021

Eigen haard is voor een profeet weinig waard (3-4 juli 2021)

De streekgenoten van Jezus staan te konkelfoezen. “Is dat niet de timmerman, de zoon van Maria en de broeder van Jakobus en Jozef en Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet hier bij ons?” In Jezus’ tijd worden broeder en zuster gebruikt voor familieleden, en niet louter binnen een gezin. Ze kennen die Jezus. Waarom doet Hij zo vreemd? Hij is toch maar een gewone timmermanszoon? Het is “van de roddelroddel en de kletsklets”.

  • Voor  de lezingen van deze zondag: klik hier.

Gezien worden

Jezus wordt in een vakje gestopt en heeft er geen vat op. Hij wordt geobjectiveerd: herleid tot ‘iets’ wat makkelijk weggezet kan worden. De Franse filosoof Jean Paul Sartre noemt dit fenomeen ‘le regard des autres’ (de blik van de anderen). Een mens is niet langer ‘iemand’ in de ogen van de ander, maar ‘iets”: de reductie tot wat past in het denkkader van die ander. Sartre is bekend om zijn slagzin: “L’enfer, c’est les autres” (de hel, dat zijn de anderen). Die uitspraak hoort bij deze context: een mens heeft geen controle over hoe hij door anderen wordt beschouwd. Het is geen toeval dat Sartre deze boutade gedurende de Tweede Wereldoorlog schrijft: een periode waarin mensen door het naziregime een stempel krijgen op basis van hun ras of overtuiging. Concentratiekampen zijn bij de allerpijnlijkste voorbeelden van hoe mensen tot objecten kunnen worden herleid.

Ludwig Wittgenstein, een andere filosoof, tracht aan te geven hoe iets op verschillende manieren gezien en uitgelegd kan worden. Vaak kan men iets bekijken en duidelijk benoemen. Soms is er een interpretatiekader dat het kijken bepaalt. Dit fenomeen noemt hij ‘Sehen als’ (zien als). Dat klinkt erg abstract, maar Wittgenstein maakt het concreet met zijn ‘eend/konijn’. Je kan de afbeelding hieronder bekijken en spontaan concluderen: “Dit is een eend.” De kans is echter even groot dat je er een konijn in ziet.


Schandaal

De mensen uit Jezus’ geboortestreek zien Hem bezig en horen Hem spreken. Voor hen klopt het niet met hun beeld van de opgroeiende mens Jezus. Zij zien iemand die in de synagoge het hoge woord voert, grote wijsheid verkondigt en wonderen doet. Het is een schandaal: in de Griekse tekst staat letterlijk ‘eskandalidzonto’. “Wie denkt die Jezus wel dat Hij is?” Jezus kan gezien worden als een struikelblok of als een stapsteen.

Jezus is God en mens. In zijn geboortestad zien ze Hem enkel als mens, als hun evenwaardige. Sterker nog: ze lijken om Hem neer te kijken. Zij kunnen Hem onmogelijk aanschouwen als de Zoon van God. Daartoe is hun blikveld te beperkt. Het is ook voor ons een uitdaging om Jezus niet te herleiden tot zijn Goddelijke of zijn menselijke natuur.

Omdat ze niet in Hem en zijn Boodschap kunnen geloven, is Jezus ook niet in staat om veel wonderen te verrichten. Jezus is geen geneesheer die zoveel mogelijk mensen ontdoet van hun kwalen. De essentie van zijn wonderen is het reddend geloof. Precies dat ontbreekt bij hen.

Verwonderd

Jezus blijft niet onbewogen bij de negatieve commentaren in zijn eigen streek. We zien hier een heel menselijke karaktertrek bij de Mensenzoon. In het Grieks wordt Jezus’ gevoel omschreven met het woord ‘ethaumazen’: Hij is verwonderd, of verbijsterd. Hij staat perplex. Het is heel duidelijk dat Jezus een andere reactie had verwacht van de mensen die Hij kent en die Hem kennen.

Hij is verwonderd over hun ongeloof, maar zijn eigen overtuiging blijft onwankelbaar vast staan. Meteen na het vernoemen van Jezus’ gevoel bij wat er gebeurd is, meldt de evangelist dat Hij onverwijld verder rondtrekt door de dorpen in de omtrek, waar Hij onderricht geeft. De waarheidswaarde van zijn Boodschap hangt niet af van de goedkeuring of de afkeuring van de toehoorders. De Boodschap ontvangt zijn waarde van Godswege.

Ook wij verbazen er ons soms over dat mensen geen interesse hebben voor Christus en zijn Boodschap. Ook wij zijn soms verontwaardigd over de eenzijdige antipathie die we bij momenten ervaren. Laten we dan niet in de verbazing en verbijstering blijven staan, maar zoals Jezus hoopvol verder op weg gaan.

25 juni 2021

Een wonderlijk geloof (26-27 juni 2021)

Marcus toont in het evangelie van deze zondag een staaltje van zijn vertelkunst. Hij verweeft twee genezingsverhalen dooreen. De genezing van de ernstig zieke dochter van Jaïrus omarmt als het ware de genezing van de vrouw die aan bloedvloeiingen lijdt. In een tangconstructie wordt genezing naar een hoger niveau verheven. Het ingesloten verhaal bevat de sleutel om het grote verhaal te begrijpen. Het verhaal van de dochter wordt in het derde deel zelfs verheven tot een opwekkingsverhaal. Laten we dit verhaal vanuit verschillende perspectieven benaderen.
Symboliek
De beide verhalen zit vol gedeelde symboliek en termen die met elkaar in verband staan. Twee kernbegrippen zijn: ‘gered worden’ (vervoegingen van ‘sôdzô’, in verzen 23, 28, en 34) en ‘geloven’ (‘pistis’, in verzen 34 en 36). Er wordt gesproken over ‘gered worden’ in combinatie met ‘in leven blijven’ (vers 23). Daar tegenover staat dan ‘sterven’ (verzen 35 en 39). Eerder onopvallend, maar belangrijk voor de samenhang: ‘menigte’ (‘ochlos’, in verzen 21, 24, 27, 30 en 31), en verder ook: ‘neervallen’ (in verzen 22 en 33). Symbolisch van belang zijn het terugkeren van ‘ twaalf jaar’ (‘dôdeka’, in verzen 25 en 42), ‘ aanraken’ (‘hepsato’ en ‘hapsômai’, in verzen 27, 28, 30 en 31), en de tijdsaanduiding ‘meteen’ (‘euthus’, in verzen 29, 30 en 42). De verhalen zijn niet zomaar in elkaar verweven. Ze zijn dermate parallel van inhoud dat ze bijeen horen en elkaar versterken. Uit de menigte komt telkens iemand naar Jezus toe, valt aan zijn voeten neer en hoopt op een wonder. Hun geloof brengt de redding. Het wonder gebeurt door middel van een aanraking en de verandering treedt onmiddellijk op.

Er zijn twee belangrijke symbolische verwijzingen die de lezer ten tijde van Marcus onmiddellijk zal begrijpen, maar die ons misschien zullen ontgaan. Het terugkerend getal twaalf verwijst naar de 12 stammen van Israël. Ze worden in dit verhaal op symbolische wijze voorgesteld als ingeslapen of dood. De tweede verwijzing is het bloed. Een menstruerende vrouw is volgens de Joodse Wet onrein (Leviticus 15). De vrouw die aan bloedvloeiingen lijdt, wordt daarom beschouwd als te mijden en bij aanraking mogelijks besmettelijk. Ze leeft in de marge. De twaalf jaren van bloedingen verwijst naar de twaalf stammen, het volledige Godsvolk, dat Jezus niet erkent als Gods Zoon. Jezus wordt geconfronteerd met een volk met een ingeslapen geloof, dat de Wet van de Liefde niet kent.

Dood en leven
Inhoudelijk gezien kunnen we in deze Schriftpassage niet om de dramatische symboliek van dood en leven heen. De grote levensvragen trillen hier op de achtergrond mee, maar ze worden niet beantwoord. Marcus verwoordt in de hoofdstukken 4 en 5 tot drie keer toe hoe Jezus de macht van de dood overwint: na de storm op het meer, waar de dood vanuit het water dreigt (Marcus 4, 35-41), en de man die tussen de graven leeft en verwijlt bij de doden (Marcus 5, 1-20), verhaalt Marcus nu over het meisje dat dood verklaard is maar door Hem wordt opgewekt, een verhaal met daarbinnen het verhaaleiland over de vrouw die door iedereen gemeden wordt. De dood heerst waar mensen in de steek gelaten worden, zoals de vrouw in het verhaal. Nieuw Leven ontstaat waar men elkaar liefheeft en aandacht heeft voor elkaar.

De dood is symbolisch gezien verbonden met ‘slapen’. Jezus pretendeert echter niet dat het meisje niet gestorven zou zijn. Voor Hem is de dood geen onomkeerbare, allerlaatste realiteit. Vanuit de opstanding beschouwt Hij de dood als een slaap. Slapen wordt in het Oude Testament vaker aangegrepen om de dood te omschrijven (Psalm 76,6 en Daniël 12,2). Ook in het Nederlands kennen wij deze verwijzing in ‘ontslapen’ en ‘ingeslapen’.
Eigen woorden
We treffen midden in het wonder een vreemde taal aan. Het Marcusevangelie is in het koinè-Grieks geschreven. Jezus wordt in het Aramees geciteerd. Deze ‘ipsissima verba’, woorden van Jezus zelf, worden aangehaald midden in het genezingswonder. Jezus zegt tegen het jonge meisje: “Talita koem(i)” (Marcus 5, 41). Dat betekent: ‘Sta op.’ Verderop (Marcus 7,34) zegt Jezus tegen de dove man, verwijzend naar zijn oren: “Effeta” (of ‘effata’), ‘ga open’. Met de geciteerde Aramese woorden wordt in de Griekse tekst een waarborg voorzien dat de verhalen teruggaan op originele getuigenissen van Jezus’ optreden.

Hiermee is over de inhoud van dit verhaal veel verteld. Het is boeiend om verhalen te lezen vanuit de context van de tijd, het symbolisch begrip uit die periode en de maatschappelijke regels. Nog een woord over de interpretatie van genezings- en opwekkingswonderen. De makkelijkste lezing van de Bijbel is letterlijk nemen wat er staat. Dat is op zijn zachtst uitgedrukt niet de meest respectvolle wijze van lezen.
Verwijskracht
De kernvraag bij de wonderen is niet wàt er is gebeurd maar wat de betekenis ervan is. Dat kwam in de vorige bijdrage over natuurwonderen al aan bod. Vaak worden de wonderen opgedeeld in 4 soorten: genezingen, natuurbeheersing, opwekkingen uit de dood en uitdrijvingen van boze geesten. Natuurbeheersing vormt binnen de wonderverhalen een eigen genre, zoals in de vorige bijdrage werd uitgelegd. Opwekkingen en genezingen, de twee categorieën die dit keer aan bod komen, hebben veel meer kans om precies te zijn gebeurd zoals ze zijn omschreven.

De medische kennis uit Jezus’ tijd is op geen enkele wijze te vergelijken met onze geavanceerde medische zorg. De vraag of het meisje echt was overleden, of in coma lag, of sliep, is een Westerse, wetenschappelijke vraag uit de 21ste eeuw. Het feit dat zoveel wonderverhalen in de vier evangelies vermeld staan (ik tel 18 verschillende genezingsverhalen en 3 opwekkingen), doet de meeste exegeten concluderen dat Jezus tijdens zijn verkondiging inderdaad wonderen moet hebben verricht. Hij is hoegenaamd niet de enige die genezingswonderen verricht in zijn tijd. Uiteraard moeten we daarbij rekening houden met de grote medische onwetendheid, die de openheid naar wonderlijke, onverklaarbare genezingen veel groter maakt.

Algemeen beschouwd doen wonderverhalen geen uitspraken over de medisch-wetenschappelijke echtheid van de wonderen. Dat is een anachronisme. Wat men zich in de verhalen steeds weer afvraagt, is: “Met welke kracht doet Hij dit?”. Dit is een vraag met een theologische invulling. Wat sloganesk kunnen we stellen dat wonderverhalen niets béwijzen, maar dat ze vooral vérwijzen. Jezus verricht geen wonderen om te bewijzen dat Hij de Zoon van God is, maar om aan te tonen dat in Hem het Rijk Gods al is begonnen. Wonderen hebben alleen betekenis wanneer ze met geloof worden aanschouwd. Daarom komt in de wonderverhalen het geloof zo vaak ter sprake. Dikwijls zegt Jezus: “Je geloof heeft je gered”. Jezus doelt hiermee niet op hun geloof dat Hij wonderen kan verrichten. Daar twijfelt ook niemand van de omstaanders aan, ze zien het immers voor hun ogen gebeuren. 

Jezus vraagt de mensen te geloven dat in Hem Gods heerschappij aan­breekt. En dat vraagt Hij langs deze verhalen ook aan ons.

17 juni 2021

De wind, het water en Jezus (19-20 juni 2021)

Het is avond en het is een drukke, lange dag geweest onder de blakende zon. Een grote menigte heeft zich rond Hem verzameld om naar zijn Boodschap te luisteren. Hij heeft hun verteld over het Rijk Gods, over je geloof in daden omzetten, over de kracht van het geloof, en dat alles in verhalen en gelijkenissen. Ze zijn naar huis terug gekeerd. Waarschijnlijk hebben ze Hem niet helemaal begrepen. Ze komen niet tot bekering. Er is nog veel werk…

Nu steken Jezus en de leerlingen het meer over. Er is in de boot niets anders te doen dan te wachten. Jezus maakt gebruik van de gelegenheid om even te rusten. Hij legt zich neer op de barre houten planken en legt zijn hoofd te rusten op het stugge lederen kussen in de boot. We zien hier een heel menselijke Jezus, met typisch menselijke noden. Hij is algauw in een heel diepe slaap verzonken: zo diep zelfs dat de opkomende, razende storm Hem niet wekt, zo diep dat het klotsende water dat de boot binnen gutst Hem niet doet opschrikken. Jezus slaapt niet rusteloos, maar in een diep vertrouwen in zijn Schepper.

Van water en wind

De zware storm, “lailaps” in het Grieks, is een typische orkaanwind met onvoorspelbare rukwinden en veel regen. Het meer van Tiberias is een laag gelegen, diep waterbekken met aan de oostzijde de kale, grootse hoogvlakten van Golan en het besneeuwde Haurangebergte. De rivieren die stromen uit de bergen naar het meer hebben diepe kloven uit het gesteente gehouwen. De koude wind wervelt doorheen deze kloven en zwelt aan op weg naar het meer. De leerlingen, doorwinterde vissers, kennen het meer en de lailaps en de deining, maar zijn nu overmand door angst. Dat zegt iets over de proporties van deze storm waar ze in verzeild zijn geraakt.

Waarom vertelt de evangelist dit verhaal eigenlijk? Een gelijkaardig verhaal lezen we trouwens twee hoofdstukken verder (Marcus 6, 45-53). Ook Matteüs vertelt dit tweeluik (Matteüs 8, 23-27 en 14, 22-33). De tweede keer is er harde tegenwind en is Jezus niet in de boot aanwezig, maar loopt Hij over het water naar hen toe. Twee keer temt Jezus op verbluffende wijze de kracht van de natuur. Twee keer worden de leerlingen bang. Zou het kunnen dat onrust en twijfel centraal staan in dit verhaal, en niet zozeer de wind? Is de storm slechts een aanleiding om tot het eigenlijke verhaal te komen?

Angst en twijfel

Is de wind een verpersoonlijking van de twijfel, dezelfde twijfel van de toehoorders die zich verzamelden aan het meer? Ook de leerlingen begrijpen Jezus niet altijd, tot zijn grote verbijstering (Marcus 4, 13): “Begrijpen jullie deze gelijkenis niet? Hoe zullen jullie alle andere gelijkenissen dan begrijpen?”. Jezus geeft daarom tussen de gelijkenissen door aanvullend duiding aan hen. Misschien is de storm de veruitwendiging van het (nog) niet begrijpen, van het gebrek aan inzicht. Als deze stormwind een soort geloofsexamen is aan het eind van de dag, dan behalen de leerlingen een dikke onvoldoende: hun angst en twijfel zijn sterker dan hun geloof. Gezien de omstandigheden, kunnen wij als lezers uiteraard begrip opbrengen voor hun reactie. Ook wij staan niet altijd even sterk in ons geloof, en al zeker niet zo sterk als Jezus zelf. Zouden wij ons niet angstvallig ergens aan vastklampen als de golven ons dreigen te verzwelgen?

Dieper dan de feiten

Deze interpretatie is inspirerend, maar er is nog een diepere laag in deze tekst aanwezig. Wanneer het stillen van de storm en het wandelen over het water aan bod komen, kunnen we eigenlijk niet om de “olifant in de kamer” heen: zijn deze twee verhalen echt gebeurd? Het antwoord hierop is complexer dan simpelweg “ja” of “nee”. Vooreerst moeten we inzien dat het niet de grondbedoeling is van de evangelist om zoals een journalist een objectief dossier bijeen te schrijven. Het evangelie is geen wetenschappelijke documentaire over Jezus. Veel verschillende verhaalvormen volgen elkaar in willekeurige volgorde op in elk van de evangelies. Parabels en gelijkenissen van Jezus worden afgewisseld met verklarende uitleg. Er zijn dialogen, wonderverhalen, redevoeringen, poëtische teksten, citaten uit het Oude Testament…

De twee kortverhalen op het water - Jezus die de storm stilt en die over het water wandelt - vormen wellicht een apart genre dat zich onderscheidt van de andere wonderverhalen. Ze willen ons in de overtreffende trap verwonderen en verbijsteren. Letterlijk gelezen doen ze aan Harry Potter denken, en dat moeten we net zien te vermijden: dat Schriftteksten ongeloofwaardige verhaaltjes over tovenarij worden. Wellicht is het stillen van de storm eerder een metafoor dan een nieuwsfeit: zo indrukwekkend is God in Jezus dat Hij de wind het zwijgen zou kunnen opleggen. “Het zou zomaar kunnen”: een symbolische vertelvorm met een diepe boodschap.

Goddelijke kracht

Een belangrijke interpreteersleutel zit verborgen in de apotheose van het verhaal (Marcus 4, 41): “Wie is Hij toch, dat zelfs de wind en het meer aan Hem gehoorzamen?” De wonderlijke kracht, die de leerlingen van God kennen uit het Oude Testament, behoort nu aan Jezus toe. God heeft aarde en water geschapen en gescheiden (Genesis 1, 9), Hij heeft het water uiteen gedreven om zijn Volk er doorheen te laten vluchten uit Egypte (Exodus 14, 21), Hij kan de aarde, die Hem is vergeten, doen overstromen, terwijl Hij de trouwe Noach waarschuwt en redt (Genesis 7, 4). Nu is Jezus ingelijfd in deze Goddelijke kracht die de heilsgeschiedenis heeft bepaald, zoals opgetekend in de Schrift. Na de mens Jezus, slapend in het bootje, zien we de Zoon van God die de wind en het water beheerst. Het is een vooruitwijzing naar de verrijzenis.

Guido Gezelle

Laten we priester-dichter Guido Gezelle er even bij nemen. In zijn gedicht “Hoort, 't is de wind” schrijft hij hoe de wind maar geen rust vindt. De wind kan zichzelf niet leegblazen of uitwaaien:

of hij de zee in de wolken doet botsen
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
   of hij de schepen daarbinnen begraaft,
   of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, 't is de wind en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,

De wind is niet almachtig, zo bevestigt ook Gezelle:

   nimmer en rustt' hij maar eenen keer: 'Stil!'
   sprak Hij, die immer in ruste is, 'Ik wil!'
   sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
   'Stil!' en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

De aardse storm komt tot rust, de wind die ons in kracht en in omvang vaak te boven gaat. Hoe onbegrijpelijk, hoe onvoorstelbaar? Guido Gezelle verwoordt de verwondering en benoemt Jezus' Goddelijke kracht in één adem: dit wonder is bijna even onvoorstelbaar als de opstanding uit de dood.

10 juni 2021

Als een man die zijn land bezaait (12-13 juni 2021)

Vincent van Gogh (1853 - 1890) is geïntrigeerd door zaaiers. Hij heeft er doorheen zijn oeuvre meer dan dertig getekend of geschilderd. Voor het schilderij dat hier aan bod komt, zij het vrij vluchtig, grijpt van Gogh terug naar een werkje van Jean-François Millet, dat hem duidelijk geraakt heeft. Je weet wel: de schilder Millet van “het Angelus”.


Christelijke boodschapper
Voor van Gogh is godsdienst een belangrijk onderwerp. Vandaar dat hij ook de christelijke schilder Millet als inspiratiebron gebruikt. Christelijke kunst tracht volgens van Gogh Jezus Christus en zijn boodschap van vrede binnen te brengen in een gekwelde wereld waarin mensen ondergewaardeerd en onderdrukt worden. Het schilderij is dan ook geen idyllisch landbouwtafereeltje. Je raadt het al: het verwijst naar de parabel van de zaaier.

Zijn geloof speelt een belangrijke rol in het leven van Vincent van Gogh. Hij wil theologie studeren, maar komt er uiteindelijk niet toe: te theoretisch. Hij volgt in Laken een opleiding aan een zendelingenschool en begint als lekenpredikant te werken in Henegouwen, tussen de mijnwerkers. De vroeg verouderde en kromgewerkte mensen laten een diepe indruk na. Hij trekt met hen mee de kolenmijn in, maar blijft toch een vreemde voor hen, een zonderling. Van Gogh merkt dat hij veel te eigenzinnig is om als predikant te werken, en ook bij zijn vriendin in Nederland vindt hij geen geluk. Hij kan evenmin aarden in de kunstacademie van Brussel en later ook van Antwerpen. Arm, ondervoed, en inmiddels gediagnosticeerd met syfilis, verlaat hij België en vertrekt naar Frankrijk.

Daar zal hij in zijn 4 laatste levensjaren heel wat van zijn meesterwerken schilderen. Vincent werkt in die tijd een poosje samen met Paul Gauguin (1848-1903), die hem aanspoort om minder naar de werkelijkheid te werken, en meer vanuit zijn inleving te schilderen. Van Gogh gebruikt voor dit schilderij van de zaaier kleuren die emotie en hartstocht weergeven. De samenwerking met Gauguin is inspirerend, maar hun wegen gaan uiteen na een slaande ruzie over een cafébazin. Het blijft tot op vandaag onduidelijk of Gauguin het linkeroor van Vincent van Gogh er met een zwaard heeft afgehouwen tijdens hun dispuut, of van Gogh zelf zijn oor afsnijdt in een bui van razernij achteraf. Van Gogh schrijft over het incident een laatste keer aan Gauguin: “Jij bent stil, ik zal het ook zijn.” Genoeg malligheid nu, terug naar de kunst: terug naar het schilderij…

Hemel en aarde
“De zaaier” is algemeen beschouwd een horizontaal georiënteerd werk: het gaat over de aarde. De ruwe penseeltrekken die kenmerkend zijn voor Vincent van Gogh houden ook een vrij horizontale richting aan. Het werk vertelt in een contrast van donkere en bonte kleuren het verhaal van de wereld. De lucht is groengeel: hoopvol en levendig. Samen met de zon verwarmt de lucht het schilderij. Je kan hoopvol staren naar deze lucht, hopend op betere tijden. Het veld is eerder donker, met tinten van zwart, bruin en paars en een weinig geel: over het algemeen eerder sombere kleuren. De aarde is leeg en vrij dor. Het zaad moet nieuwe hoop brengen.

De figuur van de zaaier en de boom staan in relatie tot elkaar. De boom staat krom afgebeeld, bijna diagonaal. Er wordt geen scherp contrast geschapen met de algemene horizontale compositie. De boom richt zich moeizaam op uit de aarde, en staat niet rechtop als een makkelijke evidentie. De boom staat voor opstanding en leven. Hij voedt zich aan de rivier, en is gestaag de lucht in gegroeid. Nu vult hij de ruimte op het doek met zijn volharding en groeikracht.

De zaaier is een noeste werker met grote handen. Zijn houding is niet statig en fier, maar wat gekromd, geheel in functie van het zaaien. De anonimiteit van de zaaier met zijn vaag gelaat geeft ons de kans om ons identificeren met hem, net zoals Vincent zelf deed. Jezus geeft in zijn parabel weinig uiterlijke kenmerken of karaktereigenschappen van de zaaier weer. Het zaaien staat centraal, het brengen van nieuw leven in de grond die het dankbaar opneemt, net zoals de boom ooit is begonnen.

Zegenende zon
Deze nederige, vage zaaier en zijn werk worden door de zon letterlijk en figuurlijk gezegend. Het werk zit boordevol symboliek. De gele zon lijkt wel een aureool, die de zaaier tot een heilige maakt. Zoals de zon het Licht brengt over de aarde, zo strooit de zaaier het zaad op de grond neer. Zonder de zon kan het zaad niet opschieten, net zoals het geloof dat wordt verkondigd niet kan voortbestaan zonder Gods zegenend Licht.

Van Gogh schildert in een symboliek waartoe Jezus hem geïnspireerd heeft. Dit werk is een beeld van leven en kracht in ruwe strepen, even beknopt en rechttoe rechtaan als het Woord dat Jezus verkondigd heeft.

Ontmoeting
Een devies van Vincent van Gogh is dat iedereen een werk op zijn eigen manier interpreteert. Zijn wij zaaiers van het Woord? Zijn wij de aarde die het Woord dankbaar aanneemt? Zijn wij als de boom, die hunkert naar opstanding uit de eindigheid? Wanneer het Woord en de kunst elkaar ontmoeten, gebeurt er telkens weer iets nieuws…