Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- Een andere soort revolutie (17-18 oktober 2026).

19 juni 2024

Slapen in de orkaan (22-23 juni 2024)

In storm en ontij zijn we alle controle kwijt. Het is beangstigend om aan het toeval te worden overgelaten. Op God kunnen we altijd steunen. Het allerbelangrijkste in het leven van een christen is te weten dat de Heer altijd nabij is.

  • Voor de lezingen van deze zondag: klik hier.

Reisproblemen

“Laten we het meer oversteken”, stelt Jezus voor aan zijn leerlingen. De menigte wordt weggestuurd. Ze varen met andere boten het meer op. (Marcus 4, 35-36) Een idyllisch tafereel. De verkondiging van Jezus brengt veel toehoorders bijeen. Ze luisteren aandachtig naar wat Hij hun te vertellen heeft. Het is tijd om verder te reizen, naar een nieuwe plek, naar een nieuw publiek. De verkondiging van Jezus is een tocht, een leven van onderweg zijn.

Maar op het meer steekt er een hevige storm op en de golven beuken tegen de boot, die stilaan onderloopt. Jezus ligt achterin de boot vredig te slapen. Hij maakt zich nergens zorgen over, behalve misschien de halsstarrigheid van koppige farizeeën en Schriftgeleerden. De orkaan boeit Hem niet. De leerlingen maken Hem in paniek wakker en vragen verbaasd: “Meester, we vergaan! Maak je je geen zorgen?”

Enkele van de apostelen zijn immers ervaren vissers en kennen het meer van Galilea heel goed. Zelfs zij maken zich zorgen: dit is niet zomaar een storm. Het diepe meer ligt in een vallei tussen heuvels, waaronder de Golanhoogten. De warme vochtige lucht boven het meer contrasteert met de droge frisse lucht boven de hoogvlakten. Dagelijks steekt een stevige bries op in de namiddag, maar soms ontstaat er een hevige storm. De wind kan dan lelijk huishouden en een klein bootje heeft weinig verweer tegen de hoge golven.

Rembrandt

Dat moment wil Rembrandt Harmanszoon van Rijn (1606-1669) in beeld brengen. ‘Christus in de storm op het meer van Galilea’ is in olieverf op doek geschilderd in 1633. Het is geen gigantisch groot werk.


Rembrandt van Rijn is één van de belangrijkste Hollandse meester van de 17e eeuw. Zijn werk behoort tot de barok. Dit werk maakt deel uit van een reeks van dramatische, contrastrijke Bijbelse en mythologische taferelen, een artistieke poging om de faam van Rubens te overtreffen.

Voordat hij in Amsterdam woont, reist hij erheen vanuit Leiden met een zeilboot: een zeiltocht over het Haarlemmermeer die een hele dag duurt, of met tegenwind zelfs twee dagen. In Rembrandts tijd is het nog een uitgestrekte watervlakte waar het ook flink kan stormen. De bijnaam ‘de waterwolf’ is niet toevallig ontstaan. Het is best mogelijk dat het sinds 1852 drooggemaakte Haarlemmermeer model heeft gestaan voor dit schilderij.

Licht en duisternis

Dit is overigens het enige zeezicht dat Rembrandt ooit schildert. De golven beuken krachtig op de romp van het schip. De houten constructie staat op barsten. De zeilen dreigen los te slaan en het bootje helt vervaarlijk over. Een deel van de bemanning tracht het schip te redden. Daaronder bevindt zich trouwens Rembrandt zelf: hij grijpt hij een touw en houdt zijn muts stevig vast. Zij staan in het licht. De overige bemanning is in schaduw gehuld en heeft zich rondom Jezus geschaard, op wie hun hoop is gevestigd.

De leerlingen in de duisternis van de storm zien geen uitweg. Enkele lieden trachten het zeil en de mast te herstellen: zij staan in het licht. Deze scherpe clair-obscurcontrasten gebruikt Rembrandt vaak, om zo de toeschouwer in de voorstelling binnen te voeren. De compositie verwerft meer dramatiek. Meer dan Pieter Paul Rubens focust Rembrandt zich op het menselijk drama.

Dit werk is in 1990 in Boston samen met twaalf andere kunststukken gestolen uit het museum: de grootste nog steeds onopgeloste kunstroof in de geschiedenis van de Verenigde Staten. Het museum toont nog steeds de lege lijsten van de schilderijen op hun oorspronkelijke plaats. Rond het werk hangt niet enkel inhoudelijk, maar ook feitelijk een sluier van mysterie en verwarring.

Gjertson

Aan Rembrandt meesterwerk over de storm wil ik een tweede werk koppelen dat de weergekeerde rust in beeld brengt nadat Jezus gewekt is. Hij berispt de wind en tegen de zee zegt Hij: “Zwijg! Wees stil!” Meteen gaat de wind liggen en is het meer weer kalm. (Marcus 4, 37-39) Daarna vraagt Hij teleurgesteld aan de leerlingen: “Geloven jullie nog steeds niet?” (Marcus 4, 40b)

© Stephen Gjertson Art

Stephen Gjertson (°1949) schildert in 2011 in olieverf op doek het werk ‘Rustig, wees stil’. De kunstenaar heeft mee de klassiek-realistische stijl ontwikkeld in de Verenigde Staten. Het schilderij zou een foto kunnen zijn, zo fijn en realistisch wordt alles in beeld gebracht.

Wie is Hij?

De donkere wolken hangen nog rondom de boot, maar waar ze varen, klaart het op en is het meer rustig geworden. De zon breekt zelfs door, maar in de verte vallen er aan weerszijden nog regenbuien uit de wolken en zien we het bliksemen. De storm is tot bedaren gekomen, maar verdwenen is hij niet. 

Jezus draagt een rode mantel en heeft zijn armen wijd open gespreid. Het verbeeldt Jezus' berisping waarmee Hij de storm en de golven verjaagt, maar het is tegelijk een allusie op de kruisiging. Jezus is van de toeschouwer weg gekeerd: we zien zijn rug. Hier is het Goddelijke in Jezus aan het werk. De leerlingen zijn met stomheid geslagen.

Zo komen we aan het einde van dit korte evangeliefragment. De leerlingen worden bang, wellicht nog angstiger dan tijdens de storm. Jezus spreekt het water toe alsof het een boze geest is, en het water gehoorzaamt. “Wie is Hij toch?”, vragen de leerlingen zich af. De wind en het meer gehoorzamen Hem!

Job en wij

Aan Job geeft de Heer het antwoord eigenlijk al op deze vraag: “Waar was je toen de zee haar poorten beukte, onstuimig los wilde breken uit de moederschoot; toen Ik haar kleedde in wolken en hulde in windels van wolkenslierten; toen Ik haar paal en perk stelde, de poort vergrendelde en zei: Tot hier en niet verder, hier breken uw trotse golven?” Het antwoord op de vraag van de apostelen luidt: ‘Jezus Christus is de Heer!’ (Filippenzen 2, 9-11) Vandaar ook de kruisigingshouding in het tweede schilderij (Filippenzen 2, 8). De Mensenzoon voorspelt het lijden waarlangs Hij ons bevrijdt uit de macht van de dood. (Marcus 8, 31 en 9, 31 en 10, 33-34)

In ons tastend zoeken om God trouw te zijn en steeds toegewijd te blijven aan zijn Boodschap, ontmoeten we bij momenten diepe onzekerheid. Soms ervaren we standvastigheid, maar onbekommerd zijn we nooit. Het kan soms zwaar onweren in ons leven en in ons geloof. Overmoed in rustig water kan nefast zijn bij zwaar weer. Nee, waakzaamheid is geboden. Nooit laat de Heer ons alleen, wanneer wij oprecht in Hem geloven. Het zal ons niet vrijwaren van tegenslagen, maar we zullen in Hem een onvoorwaardelijke steun en een kracht vinden. 

Zo klein en nietig als we ons voelen te midden van natuurgeweld, zo rustig en zeker mogen we ons weten in de Heer. In angst en onzekerheid, bij twijfel en verdriet vinden we rust bij Hem. Toch is het niet altijd vanzelfsprekend. Slapen in de orkaan, is het een mens gegeven?

12 juni 2024

Groeien en bloeien (15-16 juni 2024)

Jezus vraagt zich luidop af waarmee Hij het Koninkrijk van God het beste kan vergelijken. De oren worden gespitst na deze opmaat. De Mensenzoon zoekt in zijn Goddelijke kennis en inzicht naar een herkenbaar beeld. Maar wat volgt, ligt niet in de lijn van de verwachtingen. Er wordt namelijk geen hemelconstructie verbeeld die je je zou kunnen voorstellen. Hij omschrijft geen ruimte of locatie, en al zeker geen paradijselijk weelde. Er wordt geen zekerheid aangeboden, en dat is wat we zo vaak zoeken, vanuit een houding van hebben en houden, van overijverig zoeken naar standvastigheid.

  • Voor de lezingen van deze zondag: klik hier.

Klein

Wat Jezus als beeld aanbrengt, is groei, en wel vanuit het allerkleinste begin. Het Rijk Gods lijkt dus vooral een ingesteldheid, een houding, een engagement te zijn, en geen aanwijsbare plaats. Jezus maakt de vergelijking met een piepklein zaadje van een mosterdplant, dat een grote struik wordt. (Marcus 4, 31-32)

Het Koninkrijk van God ontspruit en groeit in ons geloof. Het vindt een voedingsbodem in ons hart, in het diepste van ons bestaan: geen extern toevluchtsoord, maar een dynamiek die binnen in ons menszijn ontstaat en toeneemt.

Kennelijk is het Rijk Gods wel al aan de leerlingen onthuld, maar de toehoorders krijgen enkel gelijkenissen aangeboden. (Marcus 4, 11-12 en 34) Wat heeft Hij dan gedeeld met de leerlingen, dat niet in de evangeliën staat? Of heeft Hij het gewoon voorgeleefd, Hij die de ultieme voedingsbodem is van het geloof?

Groei

Het beeld van groei vanuit een nieuw begin horen we ook trouwens ook door de profeet Ezechiël verkondigen. Een twijgje zal geplant worden op de hoogste berg van Israël en het zal een grote ceder worden. (Ezechiël 17, 23-24) We horen hier meteen ook Jesaja’s prediking meeklinken, over de telg uit de stronk van Isaï. (Jesaja 11, 1) Groei is geen nieuwe gedachte bij Jezus, het is de kerngedachte van het geloof in God. Men vergeet het helaas al te vaak. Daarom is Jezus gekomen: om ons te verduidelijken dat geloof geen zaak is van regeltjes en uitwendigheden, maar van innerlijke groei.

De profeten en ook Jezus hebben het niet over groei uit het niets, maar gevestigd op de traditie. Het mosterdzaadje is afkomstig van een vorige plant. Bij Ezechiël zal een twijg worden geplant op Sion, de Goddelijke berg, die door koning David werd veroverd op de Jebusieten. (Ezechiël 17, 23) Er begint bij Jesaja een kwetsbare, menselijke nieuwheid, geen gewelddadige revolutie. (Jesaja 53, 2) Ook Paulus beschrijft dit nieuw begin, maar aan de overzijde van Jezus’ komst op aarde, na zijn dood en verrijzenis: ‘Het oude is voorbij, het nieuwe is al gekomen’, schrijft hij. (2 Korintiërs 5, 17)

Levenslang leren

Ons geloof is een levenslange ontwikkeling. Het begint niet groots en allesomvattend. Bij een bekering wordt in grote overmoed soms gedacht van wel. Bekering is overigens geen eenmalige ommekeer, maar een terugkerend gebeuren, bij iemand met een levend geloof wel te verstaan. We raken soms verdwaald. We voelen ons dan ver van de Heer weg.

Dat is van alle tijden: de profeten spreken tot het Volk van God en roepen hen op om terug naar de Heer te komen. (Jesaja 31, 6 en 45, 22 - Jeremia 3, 1) Deze onfortuinlijke toestand kan tegelijk de aanleiding zijn tot een dieper en juister inzicht in God en zijn Boodschap. (Job 40, 4-5 - Jona 2, 3 - Handelingen 2, 1-12)

Dynamisch

Zoals de mosterdplant groeit ons geloof en blijft het zich verhouden tot de elementen, tot wat erbuiten gebeurt, in het dagelijks leven. Geloven is geen statisch gebeuren: het is geen ‘statuut’ maar een levenslange opdracht. Het is van Godswege een bijzonder teken van waardering voor ons menselijk bestaan. Met mensen gaat God een Verbond aan, niet met heiligenbeelden. Met mensen die gaven en talenten hebben maar ook fouten maken. Het zijn mensen die God mogen prijzen, verheerlijken en dankzeggen. God hoopt dat wij groeien en bloeien in zijn Schepping.

04 juni 2024

De Kerk, een familie? (8-9 juni 2024)

Soms horen we een evangeliefragment waar we ons best ongemakkelijk bij kunnen voelen. Jezus kan soms scherp uit de hoek komen. Dat is doorgaans geen toevallig neveneffect, maar duidelijk bedoeld. Als het over essentiële zaken gaat, wil Jezus ons wel eens choqueren, dan luisteren we aandachtiger. Zo ook wanneer Hij zich plots luidop afvraagt wie zijn moeder en zijn broers zijn. Dan is iedereen goed wakker geschud.

  • Voor de lezingen van deze zondag: klik hier.

Moeder en broers

De moeder en de broers van Jezus komen naar Hem toe, maar Hij is in huis en het is druk rondom Hem. Ze laten iemand tot bij Jezus gaan om Hem te halen. We blijven even heel dicht bij de Griekse vertaling voor de volgende veelzeggende drie verzen:

Hij geeft als antwoord: “Wie zijn mijn moeder en mijn broers?” Nadat Hij heeft rondgekeken naar de mensen in een kring om Hem heen, zegt Hij: “Ziehier mijn moeder en mijn broers!” “Wie zal doen wat God verwacht, die is mijn broer, mijn zus en moeder.” (Marcus 3, 33-35)

Geboden

Deze uitspraak doet Jezus bij Marcus in het begin van zijn verkondiging. Hij heeft enkele verzen geleden zijn leerlingen aangesteld. Jezus legt hier de basis van wat Hij verderop nog vertellen zal.

In de tien geboden klinkt het heel duidelijk: ‘Toon eerbied voor uw vader en uw moeder.’ (Exodus 20, 12a en Deuteronomium 5, 16a) Legt Jezus het gebod naast zich neer? Wijzigt Hij de geboden, die door zijn Vader aan het volk zijn gegeven als belangrijkste richtlijn? Hoegenaamd niet. Zijn moeder en zijn broers doen wat God van hen verlangt. Ze zijn en ze blijven dus zijn moeder en broers in de Heer. Jezus bouwt bewust de spanning even op bij de toehoorders, opdat hun gehoor op scherp zou staan.

Familie

Eigenlijk kan je stellen dat Jezus zijn volgelingen, die oprecht het Woord overwegen en in daden omzetten, beloont met een familieband. Dat is overigens geen nieuw gegeven. Wanneer je God je Vader mag noemen, dan ben je de facto al een kind van God en zijn je medegelovigen je broers en zussen. (Matteüs 5, 47-48 en 6, 6-15) Bijgevolg is de christengemeenschap één grote familie, niet alleen verbonden met dezelfde Vader, maar in dat geloof ook aan elkaar verwant. Het is voor de volgelingen van Jezus echter een totaal nieuw concept.

Bij Marcus komt het beeld van God als Vader weinig voor. De Vader komt aan bod in een voorafbeelding van de terugkomst van de Mensenzoon in heerlijkheid, samen met zijn Vader (Marcus 8, 38) en in de waarschuwing dat die terugkomst onverwacht zal zijn.(Marcus 13, 32) Jezus draagt zijn leerlingen op om vergiffenis te schenken aan wie hen heeft misdaan, vooraleer te bidden: alleen dan kan de Vader hen vergeven (Marcus 11, 25) Tenslotte bidt Jezus in Getsemane tot ‘Abba Vader’. (Marcus 14, 36) Bij de andere evangelisten is het Vaderbeeld veel uitdrukkelijker aanwezig. Toch is deze passage over de moeder en broers van Jezus, samen met de voorgenoemde perikopen, een duidelijke referentie naar de geloofsgemeenschap als familie bij Marcus.

Eenheid

In een familie kan wel eens ruzie ontstaan. Broers en zussen kunnen in onmin leven, maar dat is uiteraard niet de bedoeling. Je hoort dan ook mild te zijn en vergevingsgezind wanneer een broer of zus in de Heer je onheus heeft behandeld. (Matteüs 18, 21-22) De Vader wil dat allen één zijn, zoals de Zoon en de Vader één zijn. (Johannes 17, 20-23) Dat moet de christengemeenschap typeren: het streven naar onderlinge samenhorigheid.

Daartoe worden we opgeroepen: om ons allen ‘te kleden in de liefde, dat is de band die u tot een volmaakte eenheid maakt.’ (Kolossenzen 3, 14) De Wereldkerk is dus één grote familie, die wijd verspreid is, maar zich in gebed en gezindheid met elkaar verbonden moet weten. In onenigheid doet ze tekort aan deze opdracht. In liefde verenigd, doet ze de wil van de Vader. We zijn geroepen om de vrede te bewaren onder elkaar. (Marcus 9, 50)

Wie kan ons op weg helpen? Paulus schept klaarheid: ‘Span u in om door de samenbindende kracht van de vrede de eenheid te bewaren die de Geest u geeft.’ (Efeziërs 4, 3) De Geest van God, die elk van ons inspireert, de Trooster en Helper van Godswege: Hij stuurt ons en zet ons aan tot eenheid, Hij verbindt alle gelovigen. Daarom is de heilige Geest zo belangrijk in ons geloof. Hij maakt ons één.

30 mei 2024

Een Nieuw Verbond (1-2 juni 2024)

We vieren Sacramentsdag: donderdag, of uitgesteld op zondag. Jezus heeft de eucharistie ingesteld, omringd door zijn leerlingen, en gaf hen de opdracht: "Doe dit telkens opnieuw om Mij te gedenken." Bijna tweeduizend jaar later gaat deze sacramentele traditie nog steeds verder. We blijven verbonden met Christus, en door Hem ook met God. Daartoe heeft Jezus een Nieuw Verbond gesloten, langs zijn lijden, dood en verrijzenis. Deze wederzijdse verbondenheid mogen we vieren met gepaste vreugde.

Instelling

Het Verbond dat God sluit met zijn volk langs Mozes wordt door Jezus in herinnering gebracht wanneer Hij met zijn leerlingen het Laatste Avondmaal houdt. Hij breekt brood en deelt de beker met hen, en legt het verband met zijn Lichaam en zijn Bloed, waarlangs Hij het nieuwe Verbond zal sluiten. (Lucas 22, 20) Brood en wijn blijven de tekenen van dit Nieuwe Verbond. Net als de leerlingen, mogen wij deelnemen aan de maaltijd en de instelling van het Nieuwe Verbond gedenken. 

Het oude Verbond heeft afgedaan, zo blijkt. Jezus staat garant voor een veel beter verbond. (Hebreeën 7, 22) Een nieuwe schepping breekt aan: het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen. (2 Korintiërs 5, 17) Dat wil niet zeggen dat de geboden van het oude Verbond komen te vervallen. De Wet zelf is heilig en de geboden blijven heilig, rechtvaardig en goed. (Romeinen 7, 12) De beleving van de Wet: dààr is het fout gelopen.

Niet geschrapt

Gods Zoon is in harmonie met zijn Vader. Jezus schrapt de traditie absoluut niet door de instelling van het Nieuwe Verbond. Hij dringt daarentegen aan op een nieuw inzicht en een nieuwe beleving. In zijn navolging wordt de oude orde van het dienen van de wet achtergelaten. De nieuwe orde is die van de heilige Geest (Romeinen 7, 6b) Het Nieuwe Verbond is geen verbond van de geschreven wet, maar een verbond van zijn Geest. (2 Korintiërs 3, 6) Het oude verbond is verouderd en versleten, de teloorgang nabij. (Hebreeën 8, 13) Het Volk van God is immers niet trouw gebleven aan het verbond en heeft het geschonden. (bijvoorbeeld Psalm 78, 37; en Jeremia 11 en 31, 31-34) 

Nieuw tijdperk

Een nieuw tijdperk vangt daarom aan, die de Wet verinnerlijkt. We richten ons niet meer op de zichtbare dingen maar op de onzichtbare, want die zijn eeuwig. (2 Korintiërs 4, 18) Het is een nieuw begin, het begin van een nieuwe geloofshouding: niet enkel toen, maar ook tot op vandaag, in onze dagen, telkens opnieuw. Het is een voortdurend bekeringsproces waarbij we de nieuwe mens aantrekken: we bekleden ons met de nieuwe mens. (Efeziërs 4, 24, Kolossenzen 3, 10)

Wij zijn deelachtig aan het Verbod dat Christus heeft ingesteld doordat Hij uit de dood is opgewekt: zo mogen ook wij een nieuw leven leiden. (Romeinen 6, 4) De ontrouw en de overtredingen van eertijds zijn uitgewist door Jezus. Hij is de nieuwe Priester, zoals eertijds Melchisedek. (Hebreeën 7, 15) Jezus Christus is de Bemiddelaar van het Nieuwe Verbond. (Hebreeën 12, 24)

Verbonden

Doorheen de Schrift merken we dat God niet één verbond heeft gesloten, en ook geen twee, maar meerdere. De Heer maakt in dat proces geen oud verbond ongedaan met een nieuw verbond, maar herhaalt, bevestigt en verbreedt zijn heilige alliantie telkens. 

Het eerste verbond dat vernoemd wordt, sluit God met Noach (Genesis 6, 18). Hij belooft voor hem, zijn gezin en zijn dieren te zullen zorgen en spreekt een zichtbaar teken af: er zal een regenboog aan de hemel verschijnen. (Genesis 9, 12-17) Met Abraham en zijn nakomelingen wordt ook een verbond gesloten. (Genesis 15, 18 en 17, 2) Hiermee wordt het volk voor het eerst onder zijn bescherming geplaatst onder de vorm van 12 stammen die zullen ontstaan uit de aartsvader. Het bekendste verbond in het Eerste (Oude) Testament sluit God af met Mozes. Er wordt opnieuw een verbreding gemaakt, en volgt een nieuw tijdperk, waarbij Gods Volk zal leiden naar een heilig land: het Beloofde Land. (Deuteronomium 5, 1-22) Met David wordt het Verbond bekrachtigd met het Volk en het land: ze zijn één en heilig. (2 Samuel 7, 8-16) Het volk is niet langer nomadisch maar heeft zich gevestigd. De troon van David symboliseert het sedentaire koninkrijk onder Gods bescherming.

Het Nieuwe Verbond houdt andermaal een verruiming in: iedereen die Jezus wil navolgen, maakt er deel van uit, overal ter wereld. Toch is er een duidelijke cesuur bij het Nieuwe Verbond dat door Jezus Christus wordt gesloten: Jezus is Gods Zoon en dit is het ultieme, laatste Verbond dat eeuwig duurt, tot de voleinding.

Schoon gewassen

Jezus is de eeuwige Hogepriester die de zonden van de wereld vergeeft door zijn Bloed. Er schuilt een duidelijke verwijzing in naar het bloed van het eerste verbond, dat werd gesprenkeld over het volk. (Exodus 24, 8) Jezus’ bloed zal worden vergoten, langs zijn dood op het kruis. Bloed staat voor levenskracht, voor nieuw leven en verwijst daarmee naar de Schepping: een genadegave van Godswege. Jezus wekt ons tot nieuw leven, schept in ons nieuwheid. Hij herschept ons om ons in het Rijk Gods op te kunnen nemen (2 Korintiërs 4, 14) Het Brood staat voor het lichaam, voor de mens geworden Zoon van God, die in onze tijdrekening en op onze schepping heeft geleefd, verkondigd en geleden, en die er gestorven is en verrezen.

Sacramentsdag brengt ons tot bij de diepste betekenis van het Verbond. Ons geloof is geen verzameling van uiterlijkheden, maar is een diepe verbondenheid met God, geïnspireerd door de heilige Geest. Sacramentsdag volgt niet toevallig kort na Pinksteren. Begeesterd vormen we samen de Kerk en mogen we het Verbond van onze Heer Jezus Christus vieren en van onze kant telkens weer bevestigen: 'Ja, ik geloof dat Jezus Christus de Heer is!'

23 mei 2024

Drie vormen van Aanwezigheid (25-26 mei 2024)

De zondag na Pinksteren vieren we de heilige Drieëenheid. Tijdens de Kerstkring hebben we de aankondiging en de geboorte in onze wereld en onze tijd van Gods Zoon gevierd en tijdens de Paaskring zijn lijden en sterven, zijn opstanding en hemelvaart en de zending van de heilige Geest. Met Pinksteren wordt de Paaskring afgesloten, de liturgische viering van het Nieuwe Verbond van God met de mensen. De 3 Goddelijke Personen zijn feestelijk aan bod gekomen. Drieëenheidszondag vormt de plechtige conclusie: nu wordt God heel expliciet integraal aan bod gebracht: als Vader, Zoon én heilige Geest.

De heilige Drieëenheid is geen theologische constructie, maar een gegeven dat Jezus ons al aanreikt, helemaal aan het einde van het Matteüsevangelie, bij het zenden van de leerlingen naar in wereld: “Doop hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.” (Matteüs 28, 19b) 

Het zijn de laatste woorden die Jezus tot zijn leerlingen spreekt bij Matteüs. Het feit dat dit citaat in het voorlaatste vers staat, geeft aan dat deze boodschap een belangrijke plaats hoort te krijgen in het geloof van de volgelingen van Christus: nieuwe volgelingen moeten gedoopt worden, en wel in de Naam van God, die Vader, Zoon en heilige Geest is.

Theologie

De drie Personen delen hun Goddelijk karakter. Vader, Zoon en Geest zijn verenigd, Zij zijn één en dezelfde God. Het christendom is geen tritheïsme maar blijft een monotheïstische godsdienst: één God, drie Personen. Het is geen moedwillig-ingewikkelde theologische constructie. Sinds de komst van Jezus Christus op aarde, is dit een theologische realiteit. Wanneer de Zoon over de Vader spreekt en tot Hem bidt, en later de Geest over de leerlingen blaast als hun Helper, dan kàn God niet anders dan drie Personen zijn.

Dat Drievuldigheidszondag na Pinksteren komt, wil bevestigen dat de heilige Geest, die soms ondergewaardeerd wordt in de christelijke theologie en geloofsbeleving, niettemin gelijkwaardig is aan de Vader en de Zoon. Zoals er harmonie bestaat in God, zo zou er ook harmonie moeten groeien in ons gebed en tot wie we ons biddend richten.

Het symbolum van de apostelen (vanaf 170 na Christus) en het credo van Nicea (en Constantinopel) (325-381 na Christus) vernoemen de heilige Geest heel beknopt. De pneumatologie, de theologie over de heilige Geest, was nog heel beperkt in de vroege Kerk.  

Centraal

Dat Jezus bij zijn opdracht aan de leerlingen om volgelingen te dopen de drie-ene God zo uitdrukkelijk vernoemt in de doopformule leert ons dat Vader, Zoon én Geest centraal horen te staan in de christelijke leer. Het doopsel is immers de plechtige toegangsweg tot het geloof: de doopformule benoemt dat krachtig en summier.

Wanneer we bidden in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, dan bidden we overigens niet ‘namens’ hen. Ook in de doopformule wordt geen plaatsvervangende opdracht uitgedrukt met die woorden. ‘In de naam’ betekent dat we, gelovend in God, naderen tot de heilige Naam van God, de Heer, de Enige. (Deuteronomium 6, 4)

Die heilige Naam, die alle lof verdient, herbergt veel titels en aansprekingen. God de Vader kennen we als Schepper, Bevrijder en Wetgever. God de Zoon zien we als Profeet, Koning, Priester, maar ook als Messias en Heiland. God de heilige Geest is onze Trooster, Helper en Raadgever. En zo zijn er nog heel wat inspirerende titels die eigenschappen van God belichten.

In-wezigheid

Die Naam van God betekent ten diepste ‘Ik ben’ (in het Hebreeuws: ‘èjèh’). Mozes krijgt de opdracht om God aan het Volk kenbaar maken met deze woorden: “‘Ik ben’ heeft mij gezonden naar jullie.” (Exodus 3, 14) God die het diepste Zijn is, doel en zin van ons bestaan. Hij is de Bron van al wat is. Jezus bevestigt in het laatste evangelievers de diepste betekenis van Gods Naam: “Zie, Ik ben met jullie.” (Matteüs 28, 20) (in het Grieks: ‘egoo met’humoon eimi’). Gods Naam is Aanwezigheid. 

God is geen statisch en onbereikbaar Zijn, maar een nabij en betrokken Met-ons-zijn, als Schepper en Bevrijder, als Verrezene en Verlosser, als Aanwezige en Inwezige. Als Vader, Zoon en heilige Geest. God is de Aanwezige, de Nabije, die ons bestaan waarde en betekenis geeft en die ons nooit in de steek laat, zelfs niet wanneer wij dat wel doen. Door Gods Nabijheid zijn wij waardevol, zijn we nooit ‘niets’ of ‘niemand’.

Mogen wij steeds blijven groeien in ons geloof in God. Mogen we Gods aanwezigheid, nabijheid en betrokkenheid steeds dieper leren te waarderen. Mogen ons inzicht en onze spiritualiteit elke dag van ons leven door nieuwsgierigheid en openheid worden verrijkt. Mogen we steeds dichter naderen tot de heilige Naam van God, die Vader is, Zoon en heilige Geest. 

15 mei 2024

Pinksteren: vuur (18-19 mei 2024)

Pinksteren verhaalt de laatste verschijning onder de leerlingen in hun tijd van afzondering. Het is dit keer Jezus niet meer. De verschijning is van de volgende generatie. Het is de verschijning van een beeltenis, niet langer van een mens. Het is de verschijning van de heilige Geest, niet langer van Jezus. Pinksteren is de dag waarop de leerlingen beginnen te bouwen aan de Kerk zoals we haar nu kennen: een wereldwijde gemeenschap van christenen.

  • Voor de lezingen van deze zondag: klik hier.
  • We zijn getuigen van de eerste kleine stapjes in geloof van de leerlingen zonder Jezus aan hun zijde. Na Goede Vrijdag is Hij niet meer onderweg met hen, maar Hij verschijnt nog onder hen. Van nu af aan moeten ze vurig leren te vertrouwen op de Geest van God.

    Als van vuur

    De dag van Pinksteren breekt aan en de leerlingen zijn achter gesloten deuren en ramen bijeen, ook Tomas is er bij. (Handelingen 2, 1) Ze houden zich al geruime tijd schuil. Ze hebben een traumatische tijd achter de rug. Heel onverwacht klinkt een gedruis vanuit de hemel en het geluid vult het hele huis. (Handelingen 2, 2) Ze zullen erg geschrokken zijn. Maar daar blijft het niet bij. Er verschijnen tongen, als van vuur, die op ieder van de leerlingen neerzetten. (Handelingen 2, 3) Er is geen daadwerkelijk brandend vuur in de ruimte, maar wel tongen ‘als van vuur’ (in het Grieks: ‘gloossai hosei piros’). Er wordt duidelijk symbooltaal gebruikt.

    De leerlingen worden allemaal vervuld (in het Grieks: eplèstèsan) met heilige Geest. (Handelingen 2, 4a) Iedere vezel in hun lichaam is aangeraakt door de heilige Geest. Meteen beginnen de leerlingen in allerlei andere talen (in het Grieks ‘verschillende tongen’: ‘heterais glossais’) te spreken, talen die ze zelf niet kennen. De tongen die boven hen zijn verschenen, worden een veelheid van talen: vurige woorden, woorden als van vuur.

    Iedereen gelijk

    Ze spreken vurig het Woord dat bestemd is voor iedereen over de hele wereld. De heilige Geest kent geen grenzen: geen grenzen van land en ook niet van stand. In de Geest zijn we allen gelijkwaardig. Geen Schriftgeleerden verklaren Gods Woord, maar eenvoudige vissers.

    Vreemdelingen die in Jeruzalem zijn voor het joodse Pinksterfeest, horen het geluid en lopen nieuwsgierig naar het huis toe waar het vandaan komt. Dan is Pinksteren vervolledigd: ieder van de bezoekers herkent zijn of haar eigen taal. (Handelingen 2, 6 en 8) De heilige Geest brengt eenheid in de aardse verdeeldheid. 

    Overwonnen

    De leerlingen overwinnen hun angst en verwarring en durven eindelijk weer het Woord te verkondigen. En iedereen kan het verstaan. Gods Geest laat de leerlingen vol vuur vertellen van Gods grote daden. (Handelingen 2, 11) Allen zijn verbaasd (in het Grieks: ‘dièporoen’) en verrukt (‘existanto’). (Handelingen 2, 12)

    Pinksteren is ons laten verbazen en verrukken door Gods Woord. Uit ons gewone doen, maar op de meest verblijdende manier. Een zalig en vurig Pinksteren!

    09 mei 2024

    Geroepen en gezonden tot Liefde (11-12 mei 2024)

    Het thema Liefde is al vaak ter sprake gekomen, en ook dit keer wordt God als Liefde omschreven. Dat kan ook niet anders: God en het ideaal van de Liefde zijn elkaars gelijke. Het hoogste goed, de hoogst mogelijke schoonheid in het leven is voor een christen Liefde. En ook God. Toch is die Liefde een zware uitdaging en dus uiterst kwetsbaar in mensenhanden.

    Ruimhartig 

    Die Liefde is zoveel sterker dan verliefdheid of menselijke voorkeuren, zoals eerder al werd verduidelijkt. Gods Liefde is universeel: iedereen wordt uitgenodigd langs Jezus Christus om in Gods liefde te wonen. (1 Johannes 4, 16b) Die Liefde veruitwendigen christenen door alle medemensen deelachtig te maken in deze Liefde: onvoorwaardelijk en onbegrensd. Dus immer vergevingsgezind, grenzeloos geduldig, tomeloos ruimhartig: eindeloos veel meer dan je uit jezelf zou doen.

    Dat God een overvloed van Liefde in zich draagt en wil delen met de mensheid, is een kerngegeven in het christendom. God maakt zich aan Mozes al kenbaar als de Nabije, als Hij die er is voor ons. (Exodus 3, 14) Dat is Liefde in haar meest zuivere vorm: aandacht schenken, een luisterend oor bieden, aanwezig zijn. Johannes bevestigt dit in zijn eerste brief aan zijn lezers: “God is Liefde.” (1 Johannes 4, 8b) Duidelijker kan het niet klinken.

    Eén in Liefde

    Maar Johannes gaat verder: “Niemand heeft God ooit gezien. Maar als we elkaar liefhebben, dan blijft God in ons en wordt zijn liefde in ons ten volle werkelijkheid.” (1 Johannes 4, 12) Ziedaar onze fundamentele roeping als christen. En het is juist in dat streven naar de Liefde dat God zichtbaar wordt. En God wíl zichtbaar worden onder ons. “Dat wij in God willen blijven en Hij in ons, weten we doordat Hij ons heeft laten delen in zijn Geest.” (1 Johannes 4, 13) De heilige Geest, die Gods nabijheid verderzet nadat de Zoon terug is gegaan naar de Vader, vuurt ons aan om als geloofsgemeenschap samen in de Liefde te wonen.

    Wanneer Jezus het einde van zijn aardse tijd voelt naderen, bidt Hij hartstochtelijk tot zijn Vader: “Bewaar hen door uw Naam, zodat zij één zijn zoals Wij één zijn.” (Johannes 17, 11b) Zo nauw als de Vader en de Zoon zijn verbonden, zo sterk verbonden horen wij als geloofsgemeenschap te zijn, in de Liefde verenigd. Jezus' bezorgdheid is niet onterecht geweest: we leven na 20 eeuwen in een versplintering van gelovige groeperingen en kerken. De onderlinge Liefde is soms ver te zoeken, zelfs met de beste bedoelingen.

    Het naderende feest van Pinksteren is een vurige oproep tot de eenheid binnen de Wereldkerk. Ziedaar onze zending: één worden, zoals Vader, Zoon en Geest één zijn. In de Handelingen krijgt dit met Pinksteren concreet vorm in het bijeenkomen in Jeruzalem rondom de leerlingen, verenigd in alle talen. Dat kan de heilige Geest bewerkstelligen, als wij ervoor openstaan weliswaar. God is Liefde en God is Eén. Zo horen wij ook één te zijn in de Liefde. In het tijdperk van de Geest is dat een cruciale opdracht: geroepen zijn in de Liefde, en gezonden om één gemeenschap te vormen.

    Woord

    Polemiek biedt daarbij geen oplossingen, enkel nieuwe problemen. Zwart-witdenken leidt enkel tot een verarming van de Liefde. Jezus heeft ons het Woord als richtsnoer gegeven, in Gods Naam. (Johannes 17, 14a) Zo lief heeft God de wereld gehad. (Johannes 3, 16)

    Wanneer we dus zoals de Farizeeën de kleinste regels en de sterkste macht willen vrijwaren, dan staan we niet in het Woord. Rijkdom en macht hebben al veel schade berokkend aan de Wereldkerk. Wanneer we onze eigen visie ophemelen en anderen van daaruit minachten en beoordelen, dan staan we ver af in het Woord. Christus hoort centraal te staan, niet wijzelf. Wanneer we met eenzijdige oordelen klaarstaan en niet met de kracht van de Liefde, dan staan we buiten het Woord. En buiten het Woord staan we buiten de Liefde. We kunnen het Woord enkel waar maken wanneer we open en ontvankelijk in de Geest leven. (Johannes 3, 6-8)

    Pinksteren schudt ons weldra wakker. Laten we niet zo lang wachten. Laten we in de komende dagen op zoek gaan naar wegen van Liefde, zoals Jezus ons heeft opgedragen. Geen wollig gedoe, geen grootse idealen, maar concrete vormen van Liefde in ons dagelijkse leven, kleine vonken van Gods Geest. Dan wordt God zichtbaar, heel even.

    07 mei 2024

    Hemelvaart: "En nu aan het werk!" (9 mei 2024)

    De hemelvaart van de Heer is een complex feest. Hoe stellen we ons dit beeld voor? Hoe staat het omschreven in de Schrift? Wat is de diepere betekenis van dit theologisch beeld? Wat is de inhoud van het liturgisch feest? Op welke manier kan het ons inspireren in de Kerk?

    Apocrief

    De hemelvaart van de Heer komt eigenlijk maar in één evangelie voor: in dat van Lucas om precies te zijn. Matteüs en Johannes vernoemen de hemelvaart niet. Hoewel onze evangelietekst volgens Marcus de hemelvaart wel vermeldt, moeten we er ons van bewust zijn dat het eigenlijk een apocriefe aanvulling betreft. 

    Het al zo beknopte Marcusevangelie eindigt oorspronkelijk met de passage waarin een wit geklede jongeman in het graf zegt tegen de vrouwen dat ze aan Petrus en de andere leerlingen moeten melden: “Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zullen jullie Hem zien, zoals Hij jullie heeft gezegd.” (Marcus 16, 7) De vrouwen gaan naar buiten en vluchten bij het graf vandaan, want ze zijn bevangen door angst en schrik. Zo erg zijn ze geschrokken dat ze tegen niemand iets zeggen. (Marcus 16, 8) Daarmee eindigt Marcus’ eigenlijke neerslag van de Blijde Boodschap.

    Het is niet vreemd dat er een afrondend uitgeleide is toegevoegd. Je kan het evangelie niet eindigen in angst en in stilte. De verrijzenis schreeuwt net vreugde en nieuw leven uit.

    Opgenomen, opgevaren

    Lucas vernoemt de opneming van de Heer in de hemel heel beknopt, maar situeert deze gebeurtenis op de dag van de verrijzenis: “Terwijl Hij hen zegende, ging Hij van hen heen en werd opgenomen in de hemel.” (Lucas 24, 51) Er staat geen hemelvaart vermeld, eerder een tenhemelopneming (in het Grieks 'aneferéto': naar boven geleid, naar boven gebracht). De gebeurtenis wordt hernomen in de Handelingen. Dit boek wordt aan Lucas toegeschreven. Hij noemt de Handelingen immers een vervolg op zijn “eerste boek”. (Handelingen 1, 1). Jezus wordt ‘omhoog geheven en opgenomen in een wolk’ (in het Grieks 'epèrtè': omhoog geheven, opgeheven) (Handelingen 1, 9-11). De theologische discussie en de mogelijke verwarring met de tenhemelopneming van Maria zijn voor later...

    Liturgie en theologie

    In de aanvulling op de oorspronkelijke Marcustekst wordt vermeld dat Jezus in de hemel opgenomen wordt (in het Grieks: 'anelèmftè': omhoog geheven, opgenomen) en plaatsneemt aan Gods rechterhand. (Marcus 16, 19-20) De leerlingen gaan terstond op weg om overal het nieuws bekend te maken, met de hulp van de Heer. Er wordt geen tijdssprong vermeld, dus het lijkt bij pseudo-Marcus ook op de dag van de verrijzenis plaats te vinden.

    De liturgie strekt de tijd tussen Pasen en Pinksteren uit tot 50 dagen. Daarbij wordt wel degelijk gesteund op Schriftverwijzingen. In Handelingen is namelijk sprake van veertig dagen tijd tussen de verrijzenis en de laatste verschijning van Jezus Christus. (Handelingen 1, 3) Het verhaal van Pinksteren wordt gesitueerd op het joodse oogstfeest of Wekenfeest (Handelingen 2, 1), dat 7 weken na het joodse paasfeest wordt gevierd. (Deuteronomium 16, 9-10 en Leviticus 23, 15-16)  De verrijzenis, de  hemelvaart en de neerdaling van de heilige Geest kunnen op één en dezelfde dag hebben plaatsgevonden, maar de liturgie kiest voor ‘slow motion’, om ruimte te creëren voor de betekenis van deze 3 fundamentele momenten in de tijd vlak na het lijden en sterven van Jezus, een tijd die zo bepalend is geweest voor de Kerk.

    Wat is nu zo eigen aan Hemelvaart? Het eindigt het overgangstijdperk van Jezus’ menselijke aanwezigheid op aarde bij zijn leerlingen en volgelingen. Jezus verschijnt om te duiden waarom alles zo gebeurd is (Lucas 24, 13-35 en 46-48) en om Petrus en de leerlingen een bijzonder mandaat te geven om de Kerk van Christus uit te bouwen. (Matteüs 28, 19-21 en Johannes 21, 15-17) Er begint een nieuwe, andere manier van nabijheid van de Heer en daar zullen ze aan moeten wennen. (Johannes 20, 11-18 en 24-29) Hoewel de liturgie weken van vreugde voorziet, is het voor de leerlingen vooral een kwestie van hun moed bijeen te rapen en aan de slag te gaan.

    Aan het werk

    Hemelvaart is geen uitnodiging om naar de hemel te staren. Integendeel. “Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te staren?”, zeggen twee mannen in witte gewaden terwijl de leerlingen naar de wolken staan te kijken totdat ze Jezus niet meer kunnen zien. (Handelingen 1, 11) Hemelvaart is loslaten om anders vast te houden. Eigenlijk zeggen de twee mannen tegen de leerlingen: “Wat dralen jullie nog? Het was zo bedoeld. Heb je de Boodschap begrepen nu? Goed zo. En nu aan het werk!”

    Op de achtergrond klinkt Jesaja mee: “Blijf niet staan bij wat gebeurd is, laat het verleden nu rusten. Zie, Ik zal iets nieuws beginnen; het ontkiemt al, merk je het niet?” (Jesaja 43, 18-19) Het allesomvattende scharniermoment in het geloof, dat bij Johannes de Doper is aangevat, wordt nu stapsgewijs afgerond. Met hemelvaart zijn we theologisch een stap dichter bij Pinksteren, bij de aanvang van het tijdperk van de Kerk. Vurig en eensgezind wijdden de leerlingen zich aan het gebed (Handelingen 1, 14) en er wordt vervanging voorzien voor Judas. (Handelingen 1, 21-26)