Welkom op de blog "Geloof en Spiritualiteit".
Neem zeker eens een kijkje in het blogarchief!

Dit is de komende tekst:
- 'Geen tijd voor je feestje' (10-11 oktober 2026).

25 februari 2025

Over splinters en reflux (1-2 maart 2025)

De wereld draait niet op woede, wrok en verbolgenheid, al lijkt dat soms wel zo. We zijn niet geschapen om mekaar geweld aan te doen, al klinkt de haat vaak het luidst. God legt ons de mogelijkheid voor, telkens opnieuw, om vrij en weloverwogen te kiezen voor het goede, het mooie, het zinvolle. Er is veel meer kans dat er iets goeds ontstaat uit het goede dan uit cynisme en irritatie.

Splinters van kwaad zoeken in de ogen van anderen terwijl je zelf rondkijkt, door balken van haat en nijd belemmerd, dat is een dwaze bezigheid. Dat spreekt voor zich. (Lucas 6, 42)

Weinig inspanning

Mensen die gedijen in het negatieve brengen weinig constructiefs voort. Hatelijk denken, spreken en handelen, is vreemd genoeg makkelijk: het vraagt namelijk niet om nuance of goede wil. Er is weinig voor nodig. Men kan eindeloos putten uit de bron van eigen frustraties en teleurstellingen. Het vraagt minder inspanning dan te speuren naar het positieve. Bovendien lijken mensen er zelfs plezier in te hebben om anderen te besprenkelen met het azijn dat hen zelf heeft verzuurd. Het lijkt vreemd, maar het is een menselijke reflex: ‘Ik een rotdag? Iedereen een rotdag!’ Het betreft een uitlaatklep om stress en frustratie af te reageren. Laten we het zure reflux noemen.

Een mens voelt zich te gauw tekortgedaan, door alles en iedereen. En de kleverige verlokking tot jaloezie is overal om ons heen. Het is belangrijk dat we ons bewust zijn van het getreiter en gesar, het geklaag en gezeur. Niet om ons erdoor te laten besmetten – verre van – maar juist om het tij te keren. Want: hoe verbeter je de wereld? Juist: door te beginnen bij jezelf. (Lucas 6, 43-44) Er zijn gelukkig voldoende andere manieren om de frustratiedruk af te laten, gezonde en opbouwende manieren: van sporten over bidden tot creatief bezig zijn...

Aanstekelijk

Gelukkig kan ook het goede aanstekelijk werken voor ieder van ons. Zoals de negativiteit de neiging heeft om te woekeren en alles te overgroeien, kan de liefde ook liefde opwekken. Het is een kwestie van niet in de cirkel van negativiteit te stappen of haar heel bewust te onderbreken. Ziedaar de inspanning die het positieve vraagt: een bewuste keuze en energie bundelen om goedheid te belichamen. En te bezielen uiteraard.

Waar het hart van vol is, daar loopt de mond van over. Deze reflux van liefde en goedheid is een bevrijding, een nieuw begin. Wanneer we de verlammende last van zwartgalligheid en getreiter van ons afgooien, is er meer energie om te bouwen aan Gods Rijk hier op aarde. Dat klinkt misschien naïef en zweverig in sommige oren. Het is echter veel lichtgeloviger te denken dat je iets goeds kunt bereiken met afgunst, nijd en haat. Het mag geen toeval zijn dat onze samenleving verzuurt naarmate ze meer comfort en luxe kent. Op zich is comfort niet eens het probleem, maar wel de spirituele benadering ervan.

Kiezen

Die spirituele benadering is algemeen een kwestie van kiezen, van de juiste prioriteiten te stellen. Als je voluit kiest voor macht en eer en bezit, dan zal je vanzelf opkijken naar hufters en schoften die zich verrijken ten koste van anderen en die alle middelen gebruiken om hun rijkdom en aanzien te verdedigen. Macchiavelli in een egocentrische karikatuur, zeg maar. Dan verdwijnen de empathie en de barmhartigheid.  

In de beeldspraken van Jezus is de intentie het begin van alles. Wie goed doet, goed ontmoet. De hoopgevende nuance wint het van sarcasme. En zo ver gegrepen is dat niet, letterlijk zelfs. De goedheid is geen onbereikbaar ideaal, want het goede leeft in ons. (Lucas 6, 45) We zijn immers naar Gods beeld geschapen. (Genesis 1, 27a) 

Het mag een betekenisvol opstapje zijn naar de Veertigdagentijd, die weldra aanvangt.

19 februari 2025

De lat ligt hoog (22-23 februari 2025)

Van de bergrede weten we vooral dat Jezus er zijn welbekende zaligspreking declameert. Daarna volgt echter ook een korte reeks van vier duidelijke aanklachten. Ze beginnen met “wee jullie”. Jezus wil de ingedommelde zelfgenoegzame mensen wakker schudden. Zelfgenoegzaamheid levert geen VIP-vrijkaartje op voor het Rijk Gods. Integendeel: Jezus legt de lat hoog voor elk van ons. 

Wee 

Jezus waarschuwt de mensen. Hij geeft ze hoegenaamd geen aanzet tot zelfbeklag, maar juist tot daden. Wees op je hoede: leef aandachtig, alert en verstandig! Sta jezelf niet toe weg te dromen in het gemak van alledag. Hij richt zich vooral tot zij die rijk zijn, verzadigd van eten en drinken, vrolijk leven en geëerd worden. (Lucas 6, 24-26) Wie alles voor mekaar heeft, die heeft geen enkele aanleiding om rustig achterover te leunen. Leef Godsbewust, zo zegt Jezus.

Wie op zoek is naar zelfbevestiging, heeft alle reden om zich zorgen te maken. De rijke stinkerd die op de rug van anderen nog rijker wil worden; de mensen kijken naar hem op in de hoop zelf welstellender te worden. Maar daar is Gods Boodschap niet te vinden. De grote leider die ten koste van mensenlevens nog machtiger wil worden; hij wordt gehoorzaamd uit vrees om zelf in de hoek te belanden waar de slagen vallen. Ook daartegen klinkt Jezus’ waarschuwing luid. Het evangelie is niet zo vrijblijvend en boetseerbaar als in de praktijk wordt gedaan.

Negatieve cirkel

Jezus’ waarschuwing geldt niet alleen voor een paar enkelingen. Iedereen krijgt de opdracht om de negativiteit te overstijgen en niet in haat en wraak te blijven staan. De agressieve cirkel van aanval en verdediging wordt doorbroken, en dat is een hele uitdaging. Het staat haaks op sloganesk, instinctief denken en handelen. Je vijanden moet je liefhebben. Wie jou vervloekt moet jij zegenen. Voor wie jou slecht behandelt, moet jij bidden. (Lucas 6, 27-28) Slaat iemand je op de wang, bied dan de andere wang aan. (Lucas 6, 29) 

Deze erg krachtige aanwijzingen kunnen zwak of laf aanvoelen. Ze zijn mogelijks levensbedreigend, zal een bezorgde lezer opmerken: wie zich niet verweert, die kan zomaar verslagen worden. Echter: een conflict dat escaleert, is uiteindelijk even gevaarlijk. We stellen vast op het wereldtoneel hoe de haat nog meer haat opwekt en hoe polemiek juist door polemiek wordt gevoed en versterkt. De reactie bevestigt de actie! Een klimaat van haat en agressie wordt enkel extremer door de negativiteit te omarmen en toe te eigenen. 

Dit is het maatschappelijk equivalent van de derde wet van Newton: “Als een voorwerp A een kracht op een voorwerp B uitoefent, dan gaat deze kracht gepaard met een even grote maar tegengesteld gerichte kracht van het voorwerp B op voorwerp A.” Hardheid ontmoet hardheid. Leugen broedt op leugen. Onze God is echter geen God van haat en van tweedracht. Jezus poneert de Wet van de Liefdevolle wederkerigheid: “Behandel anderen zoals je wil dat ze jou behandelen” (Lucas 6, 31)

De lat hoger

Laat ons bijzonder zuinig zijn met het steken van pluimen op onze eigen hoed. Jezus waarschuwt alle mensen die steeds op zoek zijn naar bevestiging. Liefde met liefde beantwoorden, dat is immers heel gemakkelijk. Dat kan iedereen. De lat mag gerust een stuk hoger gelegd worden. (Lucas 6, 32) Goede daden met goede daden beantwoorden, is geen verdienste. (Lucas 6, 33) En iemand met geld uit de nood helpen en het allemaal terugverwachten: is dat een verdienste? (Lucas 6, 34) Dat doet zelfs de pandjesbaas!

Jezus is nu goed op dreef. Hij komt bij de essentie van zijn betoog: heb je vijanden lief, zegt Hij nogmaals, en leen geld uit en verwacht het niet terug. (Lucas 6, 35ab) De beloning zal komen van de Allerhoogste. (Lucas 6, 35c) Onze rede en ons verstand reageren hier prompt op: “Kan je niet té braaf en té goed zijn?”. Vreemd genoeg is het antwoord hierop bijzonder kort: neen. Jezus vertrekt vanuit de fundamentele visie dat we barmhartig moeten zijn zoals de Vader barmhartig is. (Lucas 6, 36) We horen dit terug in psalm 103: “Liefdevol en genadig is de Heer, Hij blijft geduldig en groot is zijn trouw.” (Psalm 103, 8) Zo hoog ligt de lat: streven naar Gods gulheid.

Mild

Aansluitend krijgen we een belangrijke les in mildheid. Wij, mensen, hebben vlug de neiging om ons tekortgedaan te voelen. We denken heel vlug dat anderen zich niet zoveel moeten inspannen als wij. Dat voelt dan algauw oneerlijk aan en dan gaan we met argusogen kijken of anderen wel even hard hun best moeten doen als wijzelf. We oordelen vlug over andere mensen. Te vlug. Dit is van alle tijden. De farizeeën hadden het tot een kunst verheven en die kunst bestaat tot op vandaag onder nieuwe vormen. Jezus zou het vast niet eens zijn met ‘verheffen’ als werkwoordkeuze: Hij vindt het een beschamend dieptepunt van hypocriete en inhoudsloze bemoeizucht. 

“Oordeel niet, dan zal er niet over jou geoordeeld worden”, klinkt er klaar en duidelijk. En ter aanvulling en bevestiging: “Veroordeel niet, dan zal je niet veroordeeld worden.” (Lucas 6, 37ab) Deze citaten van Jezus staan niet hoog in de top 100 van populaire christelijke ‘werpverzen’. Dat zijn verzen waar je mee kan gooien in een discussie. Vaak doet deze actie weinig eer aan de Boodschap zelf, vanwege de eenzijdigheid in keuze. Merkwaardig toch? We lezen anderen graag de les. 

Naast bescheidenheid in oordeel, wordt bovendien van Jezus een immense gulheid verwacht als het over het bieden van nieuwe kansen gaat: “Vergeef, dan zal je vergeven worden.” (Lucas 6, 37c) Wat je een ander geeft of misgunt, dat bepaalt wat jij van God ontvangt. Niet je drift om te oordelen.

En ik?

Als we zelf geven, dan zal er aan ons gegeven worden, concludeert Jezus. Het is een positieve versie van Newtons derde wet. De maat die we zelf voor anderen gebruiken, die zal ook voor ons worden gebruikt. (Lucas 6, 38) Ook hier kunnen we Psalm 103 horen klinken: “Hij straft ons niet naar onze zonden, Hij vergeldt ons niet naar onze schuld.” (Psalm 103, 10) God is gul en vrijgevig. Wij krijgen de opdracht om even vrijgevig te zijn naar onze medemensen toe. Dat is niet onlogisch: hoe kan je van God vragen wat je zelf niet eens een ander gunt? Gelukkig hebben we een leven lang om ons hierin te oefenen en te verbeteren… 

Overigens, we worden niet geroepen tot het verzamelen van goede punten. Jezus heeft niets met aflaten. We tonen in onze woorden en daden de Liefde van God en realiseren een begin van het Rijk Gods hier op aarde. Gods Liefde op aarde zichtbaar en tastbaar maken, is één van de grootste en meest inspirerende verwezenlijkingen van ons geloof. Zodoende kunnen we aan onze medemensen een krachtig getuigenis geven van Gods Boodschap. Dààr gaat het over, hier op aarde. In de vier evangelies wordt Koninkrijk (van God) (in het Grieks:‘basileia (tou tèjou)’ ) 162 keer vernoemd. Waarheid (in het Grieks:‘alèthèja’ ) daarentegen wordt 110 keer vernoemd in het hele Tweede (Nieuwe) Testament. Gods Boodschap wordt zichtbaar in je daden, niet in je oordelen.

Coda

De zucht naar macht en aanzien zit diep in ons geworteld. Het is diepmenselijk, maar verheffend werkt het niet. Het steunt op illusies van vergankelijke aard. Een leuk fragment uit ‘Le gendarme et les gendarmettes’ (1982) vertelt hoe rijkswachter Cruchot (Louis de Funès) ontdekt dat zijn adjudant Gerber (Michel Galabru) een liefdesbrief heeft gestuurd naar een vrouwelijke stagiaire. In ruil voor zijn stilzwijgen eist moraalridder Cruchot een dagelijks lofdicht van zijn meerdere Gerber, waarin Cruchots grootheid wordt geprezen. Zijn zucht naar macht en aanzien neemt riante proporties aan. Omwille van zijn moreel gezag wordt hij in de rangen van de hiërarchie de hoogte in geprezen, steeds verder weg van de realiteit.

  • Klik hier voor het filmfragment. (Wanneer de link niet werkt: klik hier voor een alternatief zonder ondertitels.)

Humor heeft altijd een realistisch randje. Misschien lachen we vaker met onze eigen zwakheden dan we durven toe te geven.

11 februari 2025

Over valse zekerheden en juiste verwachtingen (15-16 februari 2025)

De profeet Jeremia lijkt ons een groot wantrouwen aan te praten: je kunt niet rekenen op mensen. Uiteraard is dat een interpretatie van een vers zonder context. Hij weegt immers het vertrouwen op mensen af tegen het vertrouwen op God. Aan de Heer komt ons diepste vertrouwen toe. Er zijn namelijk mensen in het Beloofde Land die God aan de kant hebben geschoven en hun vertrouwen vestigen op zichzelf. Dat gaat prima zolang iemand sterk staat in een voorspoedig leven. Jezus zegt ons in de bergrede hoe onfortuinlijk het leven van een gelovige kan zijn. Het geloof vrijwaart je niet van tegenslagen. En wanneer je zelf wankelt, heb je weinig aan jezelf als steun. Wat moeten we dan kiezen? En waarop baseren we onze keuze eigenlijk? Er zijn veel parallellen met onze tijd te trekken.

Godsspraak

Jeremia spreekt krasse taal. Tenminste: het is niet Jeremia die aan het woord is, maar de Heer. De profeet doet één van zijn fameuze ‘Godsspraken’. Het zijn dus woorden met bijzonder groot gewicht. Wie zijn vertrouwen enkel op mensen stelt – met zichzelf voorop – en wie bouwt op mensen en op menselijke beslissingen, die is vervloekt. (Jeremia 17, 5abc) Vervloekt: het klinkt bijzonder hard. Het gaat immers over God loven, eren en danken, of Hem de rug toekeren en weggooien. Vervloek zijn is buiten de genade van God bestaan.

De Heer wijst zijn Volk met harde taal op het gevaar van zelfgenoegzaam. Wie aan mensen genoeg heeft en God voor bewezen diensten bedankt, die maakt de verkeerde keuze. (Jeremia 17, 5d) Wie daarentegen op God vertrouwt en zich aan Hem toevertrouwt, die is gezegend. (Jeremia 17, 7) Wie bouwt op het Woord van de Heer, leeft onder Gods zegen en zal veel van Hem ontvangen.

Verwachtingen

Wat mogen we dan verwachten van God volgens Jeremia? Ons leven zal vele vruchten dragen en blijven bloeien, we zullen het levenswater ontvangen van Hem. (Jeremia 17, 8) Het klinkt mooi, maar vooral vaag. God heeft het hier – om het maar eens trendy uit te drukken – over spiritueel welzijn. Wie zich richt tot God, ontvangt zin in het leven. 

En dat is lang niet alles. We zullen geluk ontvangen van Hem en verzadigd worden. (Lucas 6, 21b) In het Rijk Gods zullen we veiligheid en bescherming ervaren. (Lucas 6, 23b) Ook Jezus spreekt zich met duidelijke woorden uit over rijken mensen die te goed voor zichzelf zorgen, door zichzelf rijkdom en macht toe te zeggen, maar die God vergeten. (Lucas 6 24-26)

Niet verzekerd

De zaligsprekingen zijn heel duidelijk: geloven in God is geen sociale verzekering. Het leven wordt niet plots een goed-nieuws-show omdat je op God vertrouwt. Hij zal je niet redden uit iedere moeilijke situatie. We hebben een eindig bestaan ontvangen hier op aarde, een leven in vrijheid. Dat is vanaf het begin zo geweest. 

Het is dus inderdaad goed mogelijk dat je als gelovige armoede lijdt, of honger hebt, weent, of nagekeken wordt. (Lucas 6, 20-22) Er zijn mensen die ‘van hun geloof vallen’ omdat God niet heeft gedaan wat zij hebben gevraagd. Soms waren de vragen heel begrijpelijk. Toch mogen we van God geen magie eisen, zelfs niet in de meest benarde omstandigheden. Waarom toch? Het is die eeuwige vraag, die al te vaak vertrekt uit een verkeerde veronderstelling.

(On)vrijheid en (on)recht

Eén van de meest indrukwekkende uitspraken in zo’n context, zit vervat een zin die gekrast is in de muur van een cel in het concentratiekamp van Mauthausen. “Als er een God bestaat, dan zal Hij mij moeten smeken om vergiffenis.” (Wenn es einen Gott gibt, muß er mich um Verzeihung bitten.) Mauthausen, een hel op aarde. De schrijver is ofwel langs experimenten vergiftigd ofwel gruwelijk gefolterd, maar hoe dan ook totterdood... Daar is geen enkele vorm van menselijkheid meer overgebleven. Is de schrijver kwaad op God, die niets doet, die niet ingrijpt? Of is het een uiting van onmacht? We zullen het nooit weten. Ook in psalmen lezen we soms de verbolgenheid en de kwaadheid van gelovigen om onrecht dat ongestoord geschiedt. (Psalm 22, 2-9 – Psalm 77, 1-10) 

In Genesis lezen we hoe we als mensen door God zijn geschapen om in vrijheid te leven op aarde, met kennis van wat goed is en wat niet. (Genesis 3, 22 en 4, 7) Wanneer God actief ingrijpt bij ieder onrecht, dan is de keuzevrijheid van de mens er niet meer. Welke optie in onze ogen beter is, mogen we zelf kiezen, maar dat neemt niet weg dat de werkelijkheid is zoals ze is. Zelfs in de meest donkere bladzijden van de twintigste eeuw greep God niet in. Zelfs dan niet. Waarom toch?

Afstand en nabijheid

Welnu, de Heer huilt met zij die wenen, en Hij is kwaad met zij die het onrecht aanklagen. (Johannes 11, 35 – Johannes 2, 13-22) Wanneer Abel door zijn eigen broer Kaïn wordt gedood, komt God niet tussenbeide. Het gebeurt. Het onrecht schreeuwt luid, tot bij God. Maar het is geschied. (Genesis 4, 10) Recht en onrecht, dat doen we zélf als mensen. (Genesis 4, 7) 

Daarom is die aloude vraag van de theodicee eigenlijk compleet naast de kwestie. De vraag is niet waarom er kwaad kan gebeuren wanneer God toch algoed en almachtig is. De vraag is waarom we de vrijheid hebben ontvangen van God, wetend dat we elkaar kwaad kunnen doen. Waarom is God niet als een magische kracht overal en in alles aanwezig om ieder kwaad te beletten? Natuurgeweld en geweld van mensen tegen mensen kunnen enkel geschieden in een schepping waarin God aanwezig is maar niet telkens weer actief ingrijpt. 

Daar ligt een belangrijke fundamentele denkoefening op ons te wachten. Nee, volgens mij is er geen Dieu Horloger, zoals Voltaire beweerde: een God die het universum in gang heeft gezet en er sindsdien van af blijft omdat het op zichzelf voortbeweegt. Maar een Magische God die ons van alles vrijwaart, dat is wel het andere uiterste verwachten. God is ons nabij, maar er is ook een zekere afstand, juist om onze vrijheid te vrijwaren. Dat heeft Jezus in Getsemane en op Golgota ervaren, en dat merken ook wij in ons leven.

Leegte of volheid

Toch gebeurt er iets in Gods naam. Zijn Rijk is in opbouw en het behoort toe aan wie op Hem zijn hoop stelt.. Zij die van God los leven en hun vertrouwen niet op de Heer stellen, hebben hun deel al gehad: ze hebben hun plezier zelf opgezocht en zichzelf op voorhand beloond. (Lucas 6, 24) Hoe welstellend en hooggeëerd ze ook mogen zijn (of denken te zijn), ze verwijlen in een dor en verlaten landschap. (Jeremia 17, 6) Alles is hol en leeg, gemaakt en inhoudsloos. Koopbaar maar niet onwankelbaar.

Wie zich afkeert van God, valt uiteindelijk aan teleurstellingen ten prooi: diep vanbinnen heerst een fundamentele onveiligheid en een existentiële verlatenheid. (Jeremia 17, 6) Jezus beaamt dit: honger, dorst en verdriet zijn het uiteindelijke lot. (Lucas 6, 25) En meteen waarschuwt Jezus al voor valse profeten en verwijst hij dus naar de échte profeten. (Lucas 6, 26) 

Je kunt niet louter op jezelf bouwen, dat is wat Jeremia én Jezus stellig beweren. Daarvoor ben je zelf niet stabiel genoeg. Je bent God niet. Het is bouwen op een illusie, op een droombeeld dat men vaak te laat pas ontdekt. Deze boodschap kan ons ego zuur misvallen. Niettemin, op ons zwakst en kwetsbaarst, wanneer we absoluut geen jubelende foto’s op sociale media te posten hebben, beseffen we maar al te goed dat het waar is. Wat we ontvangen aan genade van God wanneer we in Hem geloven, is met geen geld te betalen. 

04 februari 2025

God en mens, ideaal en realiteit (8-9 februari 2025)

Jesaja is een profeet. Hij heeft een diepe mystieke band met de Heer. Jesaja ziet met lede ogen aan hoe het volk zich afkeert van de Heer en tracht hen te waarschuwen voor de gevolgen van hun zelfgenoegzaamheid. Ze drinken en feesten, ze zoeken hun heil in rijkdom en bezit. Ze kiezen zelfs hun goden, die ze plezieren wanneer het hen uitkomt. Het is duidelijk voor Jesaja: dit kan niet blijven duren. Het volk is allang vergeten wat God voor hen heeft gedaan. In een visioen ziet de profeet wat er komen zal, en dat deelt hij met de mensen, of ze het horen willen of niet. Dat is wat een profeet doet: als geroepene door de Heer de mensen in wijsheid toespreken en waarschuwen.

Visioen

In een visioen ziet hij de Heer, die een mantel draagt, waarvan de zoom de hele tempel vult. (Jesaja 6, 1) Dit gebeurt op het ogenblik dat koning Uzzia is gestorven, voegt Jesaja er aan toe. De troon is leeg. Deze tijdsaanduiding wil niet louter historische geloofwaardigheid toevoegen, maar is ook inhoudelijk relevant: na grote weelde onder Uzzia dreigt aan de horizon een angstige tijd, met oorlog en geweld. 

Hoewel Uzzia over het algemeen geboekstaafd staat als een goede vorst, die tijdens zijn 52 jaar op de troon het leger versterkte en verschillende steden van betere omwalling voorzag, stierf hij van een huidziekte. Hij had zelf wierook geofferd in de tempel, een gebruik dat enkel aan de priesters toekomt. (2 Kronieken 26) Hij wou zijn macht uitbreiden en ook het sacrale beheersen. Er verschijnen inderdaad onweerswolken aan de horizon. De welvaart heeft de mensen verwaand gemaakt, terwijl de macht koning Uzzia had verblind. Het noordrijk Israël zal weldra vallen en later ook het zuidrijk Juda.

Gezien en ook weer niet

Jesaja zag de Heer, zo meldt hij. We mogen niet te vlug over dit vers van Jesaja heen lezen. Hij spreekt namelijk het onmogelijke uit: “Ik zag de Heer.” Het verlangen van zoveel gelovigen lijkt in Jesaja te zijn vervuld. Maar hij spreekt over een beeld in extase, niet over een ontmoeting. De profeet ziet het Goddelijke, het meest zuivere. Hij ziet immers slechts de zoom, de buitenrand. (Jesaja 6, 1) Die zoom alleen al vult de héle tempel. Het mag duidelijk zijn dat onze menselijke bouwsels God nooit kunnen omvatten. Hier wordt de grootheid van God beklemtoond. Dat is net wat het volk lijkt te zijn vergeten, en koning Uzzia ook. De Heer mag niet herleid worden: dat komt ons hoegenaamd niet toe. Niet tot een instrument en evenmin tot een handig hulpmiddel.

Jesaja ziet de troon en de zoom van de mantel van de Heer. Het zijn koninklijke beelden. De koningen in de beide rijken - noord en zuid - zijn nog slechts een schaduw van Davids koningschap. En ook David kreeg de koninklijke macht van God, en van God alleen. (2 Samuel 5 en 24) God is de ultieme Koning, Hij die geen fouten maakt, die smetteloos is, maar die door mensen in hun falende trouw wordt bedrogen. God is de Allerhoogste, door een mens nooit te evenaren. 

Allerheiligst

Bij de Heer staan in het visioen twee serafs die elkaar toeroepen: “Heilig, heilig, heilig is de Heer van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.” (Jesaja 6, 2-4) Deze zin kennen we uit de eucharistie. Het is de enige keer dat serafs (of serafijnen) worden vernoemd in de Schrift. Het zijn engelachtige figuren die dicht bij God staan, maar zelfs zij worden verblind door Gods helderheid: met twee van hun vleugels bedekken ze hun gezicht. (Jesaja 6, 2)

Ze zingen ‘Kadoosj-kadoosj-kadoosj’: tot drie keer toe wordt God heilig genoemd. Dit wijst op een overtreffende trap of superlatief: God is Allerheiligst. Deze aanroeping wordt herhaald in Openbaring (Openbaring 4, 8). De drievoudige herhaling dient ook als benadrukking: er is niet naast te kijken, het staat er drie keer. Er is tevens een morele connotatie: een duidelijk contrast met de onreinheid van mensen. Het drievoud kan ook als tijdsperspectief geïnterpreteerd worden. In alle tijden: verleden, heden en toekomst. Vanuit christelijk perspectief kan de triniteit erin gezien worden. 

De Heer die door de serafs wordt bezongen, heeft zich niet teruggetrokken in de hemel maar vervult de aarde, de hele Schepping. Zijn majesteit is niet gereserveerd voor Kanaän: de héle aarde is vervuld van zijn glorie. Hiermee wordt het allesomvattende karakter van het geloof onder woorden gebracht: niets is groter, niets weegt op tegen de Heer. Er is maar één Heer, één God. Tegelijk brengt dit perspectief een openheid mee voor die hele schepping: iedereen mag in Hem geloven. 

Kleine ik

In contrast met de Allerhoogste beziet Jesaja zichzelf en klaagt: “Wee mij, ik ben verloren, want ik ben een mens met onreine lippen te midden van een volk met onreine lippen!” (Jesaja 6, 5) Er klinkt ontzag, en zelfs angst en fatalisme: ‘Wie ben ik: kleine, nietige ik?’ Uzzia had zich beter die vraag gesteld: hij liep met zijn lompe voeten de tempel zomaar binnen, denkend dat hij alles kon en mocht. En bij het volk, dat enkel aan zichzelf denkt, horen we helaas evenmin deze kritische zelfreflectie.

Bij zijn eerste ontmoeting zegt Simon tegen Jezus: “Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens.” (Lucas 5, 8b) En de honderdman, die Jezus om een gunst vraagt, zegt heel nederig: “Heer, ik ben het niet waard dat U onder mijn dak komt.” (Lucas 7, 6d) Ook Johannes de Doper verkondigt: “Ik ben het zelfs niet waard om de riemen van zijn sandalen los te maken.” (Lucas 3, 16b) In het bijzijn van God en zijn wonderlijke kracht en grootheid, voelt een mens zich klein. Geloven, dat is ontzag hebben voor God. En de eigen beperkingen onder ogen zien.

Reinheid

Er gebeurt iets opmerkelijks in het visioen van Jesaja. Zijn menselijke gebrekkigheid blijft niet onveranderd bestaan. Eén van de serafs neemt met een tang een gloeiende kool en reinigt daarmee Jesaja’s lippen. Zijn zonden zijn tenietgedaan. (Jesaja 6, 6-7) De menselijke tekortkomingen zijn niet gebrandmerkt, de reiniging wel. En zo zijn er nog vormen van reiniging in de Schrift: met hysop of marjoraan bijvoorbeeld (Psalm 51, 9), door een offer van vogels, of met cederhout of karmozijn (Leviticus 14, 49). Het offer kan ook geestelijk van aard zijn en bestaan uit een een gebroken geest en een verbrijzeld hart (Psalm 51, 19), of uit het belijden van zonden (1 Johannes 1, 9). Door het bloed van Christus is het eigenlijke offer volgens Johannes al geschied. (1 Johannes 1, 7)

Het contrast is duidelijk: reinheid is Goddelijk, en de mens is God niet. Er is altijd onreinheid of zondigheid aanwezig, al van bij de geboorte. (Psalm 51, 7) Deze woorden zijn loodzwaar geworden doorheen de tijd, in die mate zelfs dat in de christelijke geschiedenis sprake is van een toenemend schuldcomplex. Dit kan leiden tot ziekelijk fanatisme: een staat van onvrijheid, waarin men voortdurend angstig is om te falen of teleur te stellen, bang voor de duivel en bang voor de hel. Een andere reactie is doemdenken: wat baat het om je best te doen, als je toch altijd en overal zonden begaat?

Van alle tijden

Er wordt terecht wel eens gespot met de kerkelijke wijsvinger, immer waarschuwend opgestoken, speurend naar zonde en verderf. “Wat hebben ze ons wijsgemaakt?”, hoor ik soms van mensen, of: “Ik mocht werkelijk niets toen ik jong was.” Echter: ook nu kennen we bekende en onbekende mensen een voorbeeldfunctie toe. In de verschillende vormen van seculiere moraal – van links over centrum tot rechts – is evenzeer een ideaalbeeld ontwikkeld en wordt waarschuwend gewezen naar alle mogelijke afwijkingen. De sociale media puilen er zowat van uit: verwijten, veroordelingen en dreigementen over en weer.

Dit markeert het tijdloze menselijke conflict tussen ideaal en realiteit, tussen zuiverheid en menselijk falen. Het zal nooit verdwijnen. Wanneer Jesaja echter over zijn visioen spreekt, dan viseert hij geen kleine foutjes. Hij heeft het over iets vreselijks in Gods ogen. Voorafgaand heeft de Heer bij monde van Jesaja immers gefoeterd op het volk dat huizen bouwt, eigendom verzamelt en feest viert, maar dat God vergeet. (Jesaja 5, 8-12) Die eerste zaken zijn voor God nog niet eens het probleem. Maar dat ze Baäl vereren in plaats van God en dat ze vergeten wie hun Schepper en Bevrijder is, dat ze vol van zichzelf van God wegkijken: daar is God kwaad over. (Jesaja 1) Woest zelfs: de edelen zullen in ballingschap verhongeren en het volk zal omkomen van de dorst, zegt Jesaja dreigend. (Jesaja 5, 13) Jesaja is geen waarzegger of wichelaar, hij ziet wat er aan het gebeuren is. Interessante randbemerking: de voorzegging is al vervuld wanneer de teksten van Jesaja en aanvullende profetische teksten in de laatste redactie worden samengebracht tot één boek.

Essentie

We zijn mensen. We doen vaak ons best, en we falen soms. Bij momenten gaan we zelfs bewust in de fout. En spijt komt altijd te laat. Dat is de onreinheid waar het over gaat. Onrein betekent immers: niet smetteloos, niet perfect. En dat zijn wij inderdaad niet, hoe hard we ook ons best doen. We zullen het ook nooit worden. 

Wat de Heer van ons verlangt, is geen regelneverij of kwezelarij. Wat Hij vraagt, is dat we Hem loven, eren en danken, dat we Hem trouw blijven in de geboden. Kort maar krachtig: dat we God niet vergeten of negeren. Daarom vat Jezus God Wet terecht samen in het dubbelgebod van de Liefde. (Matteüs 22, 36-40) We hoeven niet bevreesd te zijn, zoals Jezus ook zegt tegen Simon. (Lucas 5, 10) Ons geloof zal ons op de weg van de Heer brengen.

Met de serafs, en met Jesaja die het visioen heeft verkondigd, mogen wij trots uitroepen: “Heilig, heilig, heilig is de Heer, de God van de hemel, die de aarde vervult!” Het zal God verheugen, en ook ons blij maken.

28 januari 2025

Licht met een duistere rand (2 februari 2025)

We vieren Maria Lichtmis: de opdracht of presentatie van de Heer in de tempel. Jezus wordt door Maria en Jozef opgedragen aan God, zoals iedere eerstgeboren zoon in de joodse traditie. Jezus wordt niet weggestopt, niet verborgen, maar getoond aan de priester, en dus ook aan de Heer. De zichtbaarheid van Jezus is ook zijn kwetsbaarheid. Hij leeft als mens onder ons, en zal ook sterven onder ons, juist omdat Hij in het oog springt.

‘Hupapantè’ wordt dit feest in de Orthodoxe traditie genoemd: ontmoeting. Jezus wordt begroet door Simeon en door de profetes Hanna. In de eerste 40 dagen van Kerstmis wordt Jezus begroet door herders, door wijzen en door Simeon in de tempel. Daarom ben ik voorstander van een langere Kersttijd, tot aan Lichtmis. Omwille van de symboliek van ontmoeting, van de verwelkoming van Jezus: het Licht in de duisternis. Licht en duisternis zijn bij elke ontmoeting met het Kind Jezus duidelijk aanwezig. Deze sequentie van sacrale ontmoetingen vieren we in een tijd van traagzaam toenemend licht in de donkere winter. Het ruigste seizoen ondersteunt de diepe symboliek op meer dan één manier. Ook wij zoeken geborgenheid tegen de hardheid van de elementen. 

De herders, de wijzen en Simeon

Bij de ontmoeting met de herders ligt Jezus als pasgeboren Kind heel kwetsbaar in een voederbak. Veel bescherming geniet de Heiland niet. (Lucas 2, 6-7) Toch er is ook een majestueuze kant aan Kerstmis. Aan de herders verschijnt een engel, omgeven door de stralende luister van de Heer, en hij brengt goed nieuws: in de stad van David is de Redder geboren. Daarna verschijnen nog meer engelen en ze prijzen de Heer. (Lucas 2, 8-14) De herders trekken naar Jezus om Hem te begroeten en ze vertellen aan Maria en Jozef over de lofprijzing van de engelen waar ze getuige van zijn geweest. (Lucas 2, 15-20) 

Drie koninklijke wijzen komen uit het Oosten naar Jeruzalem om de Koning van de Joden te ontmoeten. Een hemelse ster heeft hen erheen gebracht. Ze komen van ver om Jezus te aanbidden. Opnieuw is er hemels licht en de aankondiging van goed nieuws. De wijzen volgen vol vreugde de ster en aanbidden de Koning. (Matteüs 2, 1-6 en 9-10) Helaas hebben de wijzen, voordat ze bij Jezus zijn aangekomen, eerst een bezoek gebracht aan koning Herodes. Die vraagt hun om een grondig onderzoek in te stellen en verslag uit te komen brengen bij hem. De koning wil Jezus namelijk vermoorden. Hij verdraagt geen concurrentie. Gelukkig wint de wijsheid het van de huiveringwekkende kwaadaardigheid van Herodes. (Matteüs 2, 1-8) 

Tijdens de derde ontmoeting, met Simeon en de profetes Hanna in de tempel, wordt Jezus ‘het licht dat geopenbaard wordt’ genoemd door Simeon. De oude man wordt naar de tempel geleid door de heilige Geest om de Messias te ontmoeten. Ook hier zijn duidelijke verwijzingen naar de hemel en naar het licht. (Lucas 2, 25-32) Maar evenzeer klinkt er een boodschap in mineur van Simeon aan Maria: “zelf zal je als door een zwaard doorboord worden.” (Lucas 2, 35a)

Vreugde

Er gaat overigens al een sacrale ontmoeting vooraf aan het Kerstverhaal, namelijk de ontmoeting van Maria en haar nicht Elizabet. Daar wordt de duisternis nog niet vernoemd. Maar Maria prijst de Heer (Lucas 1, 46-56) en Johannes, het kind dat Elizabet verwacht, springt van vreugde op in haar schoot (Lucas 1, 39-45). Het is pas wanneer Jezus wordt geboren, dat het Licht en het lijden ter sprake kunnen komen.

Zo is de (verlengde) Kersttijd een opeenvolging van ontmoetingen. Dat is immers wat wij mensen doen op aarde: samenleven en elkaar ontmoeten. Het is eveneens een processie van lofprijzingen: door Elizabet (Lucas 1, 42-45), door Maria zelf (Lucas 1, 46-55), door Zacharias (Lucas 1, 68-79), door de engelen (Lucas 2, 10-13 en 14), door de wijzen (Matteüs 2, 2), door Simeon (Lucas 2, 29-32) en door Hanna (Lucas 2, 38). Dit is een tijd van vervuld verlangen en dankbare vreugde, maar er verschijnt al een randje van duisternis. De Messias en Heiland is ook de Lijdende Dienaar, de Mensenzoon die zal moeten lijden en sterven. Dat kan door de evangelisten niet vroeg genoeg onder de aandacht gebracht worden.

De volgende teksten krijgen een belangrijke plaats in het dagelijkse (getijden-)gebed. Een aanrader om tot bezinning en gebed te komen:

  1. De korte lofprijzing van Elizabet (Opening van het Weesgegroet of Ave Maria) - in het persoonlijk gebed: Lucas 1, 42 (of 1, 42-45) 
  2. De lofzang van Maria (Magnificat) - in het avondgebed: Lucas 1, 46-55
  3. De lofzang van Zacharias (Benedictus) - in het ochtendgebed: Lucas 1, 68-79
  4. De korte lofprijzing van de engelen (Opening van het Eer aan God of Gloria): Lucas 2, 14 - in de eucharistie op zon- en feestdagen buiten de advent en vasten
  5. De lofzang van Simeon (Nunc Dimittis) - in de dagsluiting: Lucas 2, 29-32
In contrast hiermee raad ik graag één van de meest literaire teksten uit de Schrift aan, die Licht en duisternis in het leven van Christus in een poëtische ouverture samenvat:
  1. De proloog van Johannes - (fragment in het Angelusgebed): Johannes 1, 1-5 en 10-14

20 januari 2025

In de kracht van Gods Geest (25-26 januari 2025)

We ontmoeten een zelfzekere Jezus aan het begin van zijn verkondiging. Hij heeft zich veertig dagen lang teruggetrokken in de woestijn en is nu sterk genoeg om de weg naar Jeruzalem aan te vatten, door dorpen en steden. Het Woord zal Hij verkondigen, aan de hand van parabels en wijsheden en onderricht. Wonderen zal Hij verrichten. Nu staan we aan het begin. Jezus maakt zichzelf kenbaar aan de mensen. Gods belofte langs de profeten gaat in vervulling.

Woestijnverhaal

Jezus is op de proef gesteld in de woestijn. (Lucas 4, 1-13) De duivel krijgt heel persoonlijk vorm in het verhaal. Hij spreekt met Jezus en daagt Hem uit. (1) Een eerste kwaaie streek is Jezus wijzen op zijn eigen behoeften. Hij heeft immers grote honger in de woestijn. Als Zoon van God kan Hij makkelijk een steen tot brood maken, toch? (Lucas 4, 3) Jezus weigert dit zonder aarzelen. Daar zijn wonderen immers niet voor bedoeld. Er is meer tussen hemel en aarde dan een grommende maag. (Lucas 4, 4) (2) Vervolgens wordt Jezus bekoord met roem. (Lucas 4, 5-7) Jezus doorziet de list meteen: Hij zoekt geen bekendheid, alle aanbidding komt God toe. (Lucas 4, 8) (3) Tenslotte tracht de duivel Jezus te overhalen om een Goddelijke tussenkomst uit te lokken en op die manier God uit te dagen, te manipuleren en dus te overheersen. (Lucas 4, 9-11) Ook dat weigert Jezus pertinent: Hij wil de hemel tot niets verplichten. God wordt niet uitgedaagd maar liefgehad. (Lucas 4, 12)

Het verhaal over Jezus in de woestijn mag niet herleid worden tot kinderlijke beelden van een donkerrode duivel, compleet met bokkenpoten, hoorns en een puntstaart, die een handgemeen aangaat met een lichtgevende Jezus met getrimde baard. Het kwaad beweegt zich niet voort op bokkenpoten, maar manifesteert zich in gedachten en daden van mensen. We hebben veel te leren van Jezus in de woestijn. Dit verhaal zit vol diepe symboliek. 

Triptiek

Eigenlijk wordt er in het verhaal een triptiek geschetst die ook terugkomt bij het lijden van Jezus. (1) Daar zal Jezus zijn eigen gemak opnieuw opzij schuiven: “Laat niet wat Ik wil, maar wat U wilt gebeuren.” (Lucas 22, 42 en Matteüs 26, 39-42) (2) Ook tijdens zijn ondervraging weerlegt Hij alle aantijgingen over wereldse roem: “Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld.” (Johannes 18, 36) (3) En spottend roepen omstaanders wanneer Jezus aan het kruis hangt dat Hij zichzelf moet redden. Ook hier zal Hij God niet uitdagen maar zijn Wil gehoorzamen. (Lucas 23, 35-40 en Matteüs 27, 39-44)

De worsteling in de woestijn, die terugkeert in het lijden van Jezus, is een botsing tussen de mens met zwaktes en zijn koppige overlevingsdrang enerzijds, en God anderzijds. Hebzucht (1), eerzucht (2) en heerszucht (3) liggen op de loer. Het is een conflict tussen het oppervlakkigste aardse en het hoogste hemelse.

Dat wij mensen hier op aarde niet altijd gericht zijn op wat goed en juist is, zien we vaak genoeg in de Schrift terugkeren. Denken we maar aan de verloochening door Petrus (Lucas 22, 55-62 en Matteüs 26, 69-75), het opruien van het volk om Jezus te veroordelen (Marcus 15, 11-14), en het verraad door Judas (Lucas 22, 48 en Matteüs 26, 48).

Wellicht is de meest zinvolle samenvatting van de woestijnervaring van Jezus: Hij komt dichter bij zijn Vader en krijgt voor het eerst de kans om zich uit te spreken tegen het kwaad. Jezus wordt de aardse weerspiegeling van Gods eindeloze goedheid. Alleen uit die Bron kan de Boodschap ontspringen.

Dynamiek van de Geest

Er is een dynamiek aanwezig aan het begin van Jezus’ optreden. Bij zijn doopsel lezen we dat de Geest op Hem neerdaalt. (Lucas 3, 22) Na zijn woestijnervaring is Hij dichter bij het Goddelijke gekomen. De Geest is immers een dynamische kracht, en geen statisch gegeven. Tijdens zijn doopsel is Hij aangeraakt door de Geest. Uit de woestijn treedt Hij vervuld door de Geest. (Lucas 4, 14)

De kracht van Gods Geest opent een hoogtedimensie, een transcendentie. De Kracht (‘dunamei tou Pneumatos’ in het Grieks) verwijst hoegenaamd niet naar een heroïsche en bovenmenselijke fysieke kracht. Denken we aan Marvel-filmhelden als de Hulk of Spider-Man, of aan de stripheld Obelix. Het gaat niet over brute spierkracht. Deze dynamiek is een alles-vervullende, Goddelijke kracht die spiritueel van oorsprong is. Als een zalf werkt ze onderhuids in, tot in de ziel. 

“De Geest van de Heer rust op Mij, want Hij heeft Mij gezalfd”, leest Jezus voor uit de profeet Jesaja. (Lucas 4, 18 en Jesaja 61, 1-2) Ook in dit citaat is de triptiek van daarnet niet ver weg. Laten we het sjabloon ook eens op deze tekst leggen. (1) Dank zij Gods Geest is de menselijke zwakte overwonnen in de Mensenzoon. (2) Hij is de Gezalfde, de koning onder Gods hoede. Hij zoekt geen eer maar schénkt aandacht aan wie klein is en hulpbehoevend: armen, gevangenen, blinden en onderdrukten. (3) En tenslotte zendt de hemelse Vader zijn Geest over Jezus. De Vader bekrachtigt Hem, het initiatief komt van boven. De mens Jezus zal God niet uitdagen maar te allen tijde gehoorzamen.

Dualiteiten

In de context van hemel en aarde, van goed en kwaad, klinkt vaak een ondertoon van neerkijken op ons menszijn. Dat hoeft zeker niet het geval te zijn. God heeft ons immers geschapen naar zijn evenbeeld. (Genesis 1, 21a) God is mens geworden in Jezus. (Johannes 1, 14a) Er is dus geen sprake van een Goddelijk neerkijken op het menszijn. Wel is het zo dat de vrijheid die ons is gegeven, leidt tot keuzes. Daar ligt een belangrijke sleutel om ons menselijk bestaan in de richting van God te keren, of net van Hem weg.

We hoeven niet beïnvloedbaar te zijn. We hoeven niet verwaand en intolerant te zijn. We hoeven niet in platte commercie mee te gaan. We zijn niet geschapen om de diepgang van het leven weg te relativeren tot er slechts zinloosheid overblijft. Onze vrijheid is Goddelijk van oorsprong. Zoals Jezus de juiste keuzes maakt in het woestijnverhaal, zo zijn ook wij geroepen om, in de kracht van de Geest, van ons bestaan het mooist mogelijke leven te maken. Een leven waar God trots op kan zijn. 

14 januari 2025

Niet langer verlaten in de woestijn (18-19 januari 2025)

De woestijn is een sterk symbool en staat voor de afwezigheid van elk comfort dat voor ons evident is geworden. In de eerste plaats is schaarste van water en voedsel een zware uitdaging in de woestijn. Wie niet goed voorbereid en voorzien van hulpmiddelen de woestijn in trekt, heeft weinig kansen op overleven. Vaak zijn het grote vlakten van zand of van ruige rotsen. Er is weinig of geen beplanting te bespeuren wanneer je om je heen kijkt, geen herkenningspunten, zelfs geen sporen van eerdere passanten. En de hitte bedriegt je zintuigen.

Onveilig

In de woestijn is vooral eindeloosheid te zien, tenminste als er geen storm opsteekt die overal stof en zand op afvuurt. Toch zijn er ook eilandjes van bescherming en troost: oases, waar gastvrijheid de norm is. De middaghitte legt alles stil, de nachtelijke kou maakt recupereren tot een uitdaging. Dehydratatie en zouttekort vragen voortdurende aandacht. Uitputting is soms slechts enkele stappen verwijderd.

In de desolate herhaling van zand of steen, kan ook schoonheid en rust ontdekt worden. In de woestijn vinden mensen de ultieme harmonie met de omgeving. Je moeten je immers aanpassen aan de uitdagingen die je ontmoet: er is geen keus, er is geen gemak. In de meest extreme omstandigheden zijn de doelstellingen doorbijten en overleven. In de inspanning en in de rust kan je jezelf ontmoeten, en je Meerdere.

Schrift

In de Schrift wordt vaak gerefereerd naar de woestijn, zowel in positieve als in negatieve zin. De woestijn is onlosmakelijk verweven in de geschiedenis van het Volk van God. Na de bevrijding uit de slavernij is Egypte is de woestijn het enorme obstakel om het Beloofde Land te bereiken. Deze heilige reis naar de vrijheid duurt veertig jaar. (Numeri 32, 13) De lange karavaan wordt geregeld geconfronteerd met dorst (Exodus 15, 22b) en met honger (Exodus 16, 2-3; manna: Exodus 16, 14-18 en 31 en Johannes 6, 31) en klaagt daar  ook uitgebreid over bij Mozes, die bij momenten ten einde raad is. (Numeri 21, 5)

In de woestijn heerst geen orde (Jesaja 43, 19), alles is ruw en onbeheerst (Jesaja 16, 8). De dorre leegte maakt de woestijn onherbergzaam. (Jeremia 2, 6 en Deuteronomium 8, 15 en  Psalm 78, 40) Er is weinig vegetatie, op stekelige planten en struiken na. (Rechters 8, 7 en 16 en Jeremia 4, 11) Nagenoeg niemand woont er. (Jeremia 2, 6 en Jesaja 27, 10) Een groot gevaar zijn dus rovers, omdat er geen sociale controle is. Ook hongerige roofdieren, zoals hyena’s en jakhalzen, vormen een bedreiging. (Jesaja 13, 21-22a) Men kan er fysiek uitgeput raken (2Samuël 17, 29) of mentaal breken. (Jesaja 35, 1) De woestijn en de dood kennen elkaar goed. Daarom is de woestijn voor het volk in de eerste plaats een plaats van doorreis, niet zozeer van verblijf. (Jesaja 48, 21, Amos 2, 10)

Spirituele ruimte

Naast de boeken die de uittocht verhalen – Exodus, Deuteronomium en Numeri – komt de woestijn vooral ter sprake bij de Profeten en in de psalmen. De symboliek van de woestijn spreekt de mensen aan. Er zijn veel paralellen te trekken tussen de woestijn en menselijke ervaringen van achteruitgang, eenzaamheid en armoede en gebrek.

Toch levert de woestijn in symboliek ook veelzeggende contrasten op. Men kan de woestijn in vluchten om er te schuilen. (Rechters 20, 47 en 1Kronieken 12, 9 en 1Makkabeeën 2, 29) Men kan er ook de eigen kleinheid en kwetsbaarheid opzoeken. De woestijn kan een plaats van inkeer en van geestelijke strijd zijn. (Marcus 1, 12-14 en Hosea 2, 16-17) Er kan langs gebed, bezinning en boetedoening in de woestijn bevrijding gevonden worden. (Leviticus 16, 21 en Numeri 14, 33 en Marcus 1, 4) De afzondering in een prikkelarme omgeving neemt alle storende en verstrooiende vormen van afleiding weg, zodat je vlotter tot de essentie kan komen. Het is dus een plek van meditatie. (Lucas 1, 80 en 3, 2) De woestijn heeft iets spiritueels, iets heiligs: je kan er God ontmoeten als nergens anders en zijn bescherming en Aanwezigheid ervaren. (Exodus 15, 25b en Psalm 136, 16 en Jeremia 31, 2) Ook Jezus trekt de woestijn in vooraleer Hij aan zijn verkondiging begint. (Matteüs 4, 1) Hij treedt in de voetstappen van de traditie maar begint tegelijk iets nieuws.

Tijdelijk

Bij de profeet Jesaja zegt God: “Men noemt je niet langer ‘Verlatene’ en je land niet langer ‘Woestijn’, maar je zult heten ‘Mijn verlangen’ en je land ‘Gehuwde’.” (Jesaja 62, 4) Dit is eigenlijk een profetie gegoten in theologische poëzie. God zal een Nieuw Verbond sluiten met zijn Volk. Het oude is geschonden, verscheurd, voorbij. Het Volk heeft zwaar geleden: hun ontrouw hebben ze met hun vrijheid betaald. Deze ervaring van verlatenheid in een woestijnwereld blijft echter niet duren. 

Nee, er komen andere tijden, waarin de mensen opnieuw het verlangen van God zullen zijn. Wat is er mooier dan verlangd te worden? Het land zal niet langer uit leegte en chaos bestaan, maar wordt een huwelijk genoemd. Duidelijker kan een heilig Verbond tussen God en mensen niet worden omschreven. God wenst ons, houdt van ons en is ons trouw. Het is aan ons om die Liefde met liefde te beantwoorden en zijn Trouw met de onze.

Verbond

In Kana wordt water ineens wijn op een bruiloftsfeest. Niet zomaar wat wijn, maar in overvloed en van de beste! (Johannes 2, 7 en 10) Hiermee wordt linea recta verwezen naar het Laatste Avondmaal. Dan wordt immers het Nieuwe Verbond bekrachtigd. God sluit de mensen in de armen langs de dood en verrijzenis van Jezus Christus. Het Lam wordt geslacht om ons voorgoed vrij te maken van de ontrouw uit het verleden. Een nieuw begin, een nieuwe Tijd.

God noemt ons bij Jesaja weldra ‘Mijn verlangen’. In het Hebreeuws staat er ‘hefzibaah’: ‘(Ik vind) mijn vreugde in haar’. Bij het doopsel van Jezus hebben we gelezen dat de Vader vanuit de hemel zei: “Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde.” (Matteüs 3, 17) De belofte gaat in vervulling in de Zoon van God. Dat wordt door God zelf kenbaar gemaakt. In de woestenij van chaos - de ‘tohu wabohu’ die aan de woeste leegte vóór de schepping herinnert (Genesis 1, 2) - maakt de Heer plaats voor een nieuw begin: een recht pad in de wildernis, een stromende rivier in het dorre land. Een prachtige omschrijving voor het Nieuwe Verbond tussen God en zijn Volk. (Jesaja 42, 9-11 en 43, 19) Nieuwe vreugde, nieuw leven.

Over een kleine twee maanden gaan we in de Veertigdagentijd geestelijk de woestijn in. Laten we dat bewust doen, met open oren voor het Woord en open ogen voor de tekenen van God. Laten we ons verlangd weten door God en weldra in gebed en bezinning Pasen tegemoet gaan.

08 januari 2025

Hoog spel van aardse en hemelse machten (11-12 januari 2025)

Met Kerstmis komt de kwetsbaarheid van God bij uitstek aan bod. Daarna wordt Jezus binnen de groter geheel van tijd en eeuwigheid gesitueerd. Het verhaal krijgt een andere toon, of misschien drie akkoorden om het heel plastisch uit te drukken. Een scherpe dissonante horen we bij de koning die zich vastklampt aan zijn troon. Een zacht en ingetogen polyfoon geluid herkennen we bij de Wijzen die op zoek gaan naar de nieuwe vorst. Er zit geen mooie muziek in hun samenkomst: ze blijken elkaar niet te vinden. Dat merkten we vorige week. Het theologisch kader vervolledigt deze week de grote inleiding die volgt na Kerstmis: een subliem, overrompelend akkoord. Daarna begint de verkondiging langs bijzondere verhalen en anekdotes: een muzikale veelkleurigheid met veel genres en klankkleuren. Maar laten we het beeld van de muziek niet te ver uitrekken en terugkeren naar de tekst.

  • Voor de lezingen van Openbaringszondag: klik hier.
  • Voor de lezingen van het Doopsel van Jezus: klik hier.


Gods Zoon wordt geboren in de eenvoud van een stal, er is geen plaats in de herberg. Eenvoudige herders zijn de eersten die van de engelen vernemen dat de Messias geboren is. Zijn gaan naar Betlehem om Maria, Jozef en het pasgeboren Kind te groeten. Kerstmis is feest van aardse bescheidenheid. Geen rijkdom die blinkt, geen protocol van adel en van vorsten, geen macht en jaloezie. De geboorte van Jezus wordt in zijn pure eenvoud beschreven. Alleen de engelen verraden de werkelijke dimensie van de gebeurtenis.

IJverzuchtige koning

De wereldlijke macht komt in al zijn ruwheid en ijverzucht het evangelie binnen langs de figuur van koning Herodes de Grote. Zijn koningschap geniet de steun van de keizer: het brengt stabiliteit in de regio, op voorwaarde dat hij het gezag van het Rijk bevestigt en ondersteunt natuurlijk. Herodes vat de restauratie van de tweede tempel aan en laat de haven van Caesarea uitbouwen. Populariteit geniet hij van de Romeinen, niet van zijn volk. Opstanden worden hardhandig neergeslagen. Zijn terreurbeleid, gevoed door paranoia, kost duizenden mensen het leven. In zijn dichte omgeving is werkelijk niemand veilig, zelfs zijn eigen zonen niet.

Wijsheid op weg

Deze koning wordt begroet door drie wijzen uit het Oosten. (Matteüs 2, 1) Tot zijn grote verbijstering verneemt hij dat er een concurrent is geboren: een nieuwe koning, die zij nu alvast willen gaan aanbidden. (Matteüs 2, 2-3) Werkelijk alles in hun mededeling zit fout, wat Herodes betreft. De koning geeft de wijzen een opdracht: ze moeten absoluut verslag komen uitbrengen. Dan kan koning Herodes gericht toeslaan en deze mogelijke revolte in de kiem smoren. (Matteüs 2, 8) De wijzen worden voor de kar van de despoot gespannen, maar ze doen er niet aan mee. (Matteüs 2, 12) De wijsheid overwint.

De wijsheid laat zich niet ketenen door een wreedaardige vorst. Wijsheid zoekt van op de aarde de idealen van waarheid en goedheid en verafschuwt bedrog en manipulatie. De ontmoeting met Herodes duurt niet lang en levert niets op. De ster uit de hemel gaat op (Matteüs 2, 2 en 10) en leidt de wijzen naar Jezus. 

Wijzen bij het Kind

Ze schenken goud als teken van zijn koningschap, wierook ter ere van zijn Goddelijkheid en mirre als symbool voor zijn menswording, meer bepaald eigenlijk voor zijn sterfelijkheid. (Matteüs 2, 11b) De wijsheid is niet plezierend of betuttelend, maar eerlijk. We krijgen een eerste vooruitwijzing naar Goede Vrijdag.

De wijsheid buigt voor de Heer. (Matteüs 2, 11) Deze wijzen brengen eer aan het Kind. Als beeld is op zijn minst opmerkelijk te noemen. Daarna vertrekken ze. 

Drievuldigheid

Wanneer Jezus dertig jaar is, ontvangt Hij het doopsel van Johannes de Doper. (Lucas 3, 21) Na de wijsheid en de wereldlijke macht, komt nu God in beeld. De hemel gaat open en de heilige Geest daalt neer op Hem. “Jij bent mijn geliefde Zoon, in Jou vind Ik vreugde”, zegt de Vader vanuit de hemel. (Lucas 3, 22) We leren God voor het eerst kennen als de heilige Drievuldigheid.

Na het idyllische kerstverhaal volgt een ontmoeting met de aardse en hemelse machten. Jezus wordt geboren op onze aarde, in onze tijdrekening, binnen onze gezagsmechanismen ten goede en ten kwade.